Gepubliceerd op donderdag 2 november 2017
IEF 17233
Hof Arnhem-Leeuwarden ||
19 sep 2017
Hof Arnhem-Leeuwarden 19 sep 2017, IEF 17233; ECLI:NL:GHARL:2017:8231 (Next Stage Investment tegen BMC), https://ie-forum.nl/artikelen/tussen-professionele-partijen-overeengekomen-proceskostenvergoeding-hoeft-niet-te-worden-gematigd

Tussen professionele partijen overeengekomen proceskostenvergoeding hoeft niet te worden gematigd

Hof Arnhem-Leeuwarden 19 september 2017, IEF 17233; ECLI:NL:GHARL:2017:8231 (Next Stage Investment tegen BMC) Proceskostenveroordeling. De partijen BMC en Next Stage hebben een Master License Agreement gesloten waarin is bepaald dat in het geval van een rechtszaak de winnende partij de proceskosten mag verhalen op de verliezende partij. Next Stage is als de in het ongelijk gestelde partij in een geschil over een overeenkomst tot levering van software veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep en dient de volledige proceskosten van BMC te dragen, waaronder 82 duizend euro aan advocaatkosten. De afspraak tot vergoeding van de volledige proceskosten is gemaakt tussen professionele op commerciële basis met elkaar handelende partijen. Volledige vergoeding van alle redelijke kosten moet daarom uitgangspunt zijn. Het hof acht het begrijpelijk dat BMC zich ook in hoger beroep maximaal wenste te verweren. Dat de zaak is behandeld door twee advocaten is gelet op de complexiteit daarvan voorstelbaar. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om tot matiging van de advocaatkosten over te gaan. 

2.5 Het hof oordeelt als volgt, met inachtneming van de in het arrest van 4 juli 2017 in rechtsoverweging 2.4 genoemde maatstaf en rekening houdend met de volgende omstandigheden.
De afspraak tot vergoeding van de volledige proceskosten is gemaakt tussen professionele op commerciële basis met elkaar handelende partijen. Volledige vergoeding van alle redelijke kosten moet daarom uitgangspunt zijn. Het betreft een feitelijk gecompliceerde procedure, onder meer vanwege het technische karakter van de overeenkomst tot levering van software. Next Stage heeft BMC in de procedure betrokken en heeft, na de procedure in eerste aanleg te hebben verloren (en de volledige proceskosten van die instantie te hebben betaald), ervoor gekozen hoger beroep in te stellen met 17 grieven en een groot aantal nieuwe producties. Het hof acht het begrijpelijk dat BMC zich ook in hoger beroep maximaal wenste te verweren, ook omdat een andere uitkomst haar ook buiten deze zaak om commercieel zou kunnen schaden. Daarbij komt nog dat het hof met BMC van oordeel is dat de eerste aktewisseling niet noodzakelijk was geweest indien Next Stage van meet af aan duidelijkheid had betracht over de cessie.
In de door Next Stage aangevoerde argumenten ziet het hof voorts onvoldoende aanleiding om tot matiging van de advocaatkosten over te gaan. Dat de zaak is behandeld door twee advocaten is gelet op de complexiteit daarvan voorstelbaar, terwijl de declaraties van de andere advocaten en de notaris (die kosten heeft gedeclareerd in verband met de cessie-kwestie) beperkt zijn gebleven. Analoge toepassing van de indicatietarieven in IE-zaken acht het hof niet op zijn plaats, gelet op het feit dat die richtlijnen tot stand zijn gekomen tegen een specifieke achtergrond (het niveau van de bescherming van de intellectuele eigendom te versterken) en voor specifieke zaken, terwijl het in dit geval uitleg en toepassing van een contractuele afspraak tussen partijen betreft. BMC heeft voorts voldoende toegelicht dat het aantal uren dat is besteed door haar advocaten aan voorbereiding en verwerking van het rapport van de deskundige noodzakelijk was.
Concluderend ziet het hof onvoldoende aanknopingspunten om de door BMC ingediende advocaatkosten te matigen, dit met uitzondering van de gedeclareerde werkzaamheden waarbij de toelichting is weggelakt. Van die werkzaamheden, door BMC zelf opgeteld tot ruim 15 uur, kan niet vastgesteld worden dat zij zijn besteed aan deze zaak en de desbetreffende kosten kunnen overigens ook niet op redelijkheid worden getoetst. In verband daarmee zal het hof, rekening houdend met het uit de declaraties blijkende gemiddelde uurtarief vermeerderd met BTW, een bedrag van € 5.000,- in mindering brengen.
Het hof ziet voorts geen aanleiding een deel van de kosten van de deskundige (ter zake het bijwonen van de zitting ad € 1.250,-) niet te betrekken bij het vaststellen van de proceskosten. Dat BMC haar deskundige heeft meegenomen naar de zitting om eventuele vragen over technische aspecten te kunnen beantwoorden, acht het hof niet onredelijk, mede gelet op het feit dat in eerste aanleg beide partijen er voor hadden gekozen een deskundige de zitting te laten bijwonen.
BMC heeft onvoldoende toegelicht dat de vertaalkosten onder de definitie van “attorney fees and costs” in de Master License Agreement vallen. Dat BMC zonder vertaling van bepaalde in het Engels gestelde processtukken geen input zou kunnen leveren (en daarom deze kosten noodzakelijk waren) heeft zij tegenover de gemotiveerde betwisting door Next Stage onvoldoende toegelicht. Deze kosten (€ 13.679,94) komen daarmee voor haar rekening.
Dit betekent dat de proceskosten zullen worden vastgesteld op € 84.564,05 (€ 77.154,05 (€ 82.154,05 - € 5.000,-) aan advocaatkosten + € 5.160,- aan griffierecht + € 2.250,- aan kosten van deskundige).

3.1 In het tussenvonnis van 21 februari 2017 is in rechtsoverweging 5.1 reeds het volgende overwogen. De grieven 4, 7, 8, 9, 13, 16 en 17 falen. De grieven 1 tot en met 3, 5 en 6 behoeven geen (verdere) behandeling. Aan behandeling van grief 10 komt het hof niet toe vanwege het feit dat Next Stage niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het beroep voor zover dit zich richt tegen het bestreden vonnis in reconventie. Grief 11 faalt, nu Wide XS blijkens het overwogene in het tussenarrest terecht als in het ongelijk gestelde partij is veroordeeld in de proceskosten. De grieven 12, 14 en 15 hebben geen zelfstandige betekenis en behoeven daarom verder geen bespreking; zij delen het lot van de voorgaande grieven.

Dit betekent dat het bestreden vonnis in conventie zal worden bekrachtigd.

3.2 Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Next Stage in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van BMC zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 5.160,-

- volledige proceskosten € 79.404,05 (zie r.o.2.5)

Totaal € 84.564,05.