Gepubliceerd op dinsdag 22 september 2026
IEF 23852
Unified Patent Court (UPC) ||
17 aug 2026,
Unified Patent Court (UPC) 17 aug 2026,, IEF 23852; UPC_CoA_69/2026; UPC_CoA_71/2026; UPC_CoA_72/2026 (Network System Technologies tegen Qualcomm), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/upc-coa-beroep-tegen-afwijzing-bewijsverzoek-moet-binnen-15-dagen-worden-ingesteld

UPC CoA: beroep tegen afwijzing bewijsverzoek moet binnen 15 dagen worden ingesteld

UPC CoA 17 augustus 2026, IEF 23852; IEFbe 4312; UPC_CoA_69/2026; UPC_CoA_71/2026; UPC_CoA_72/2026 (Network System Technologies tegen Qualcomm). In deze zaak tussen Network System Technologies (NST) en Qualcomm staat de vraag centraal binnen welke termijn beroep moet worden ingesteld tegen de afwijzing van een verzoek om overlegging van bewijs op grond van artikel 59 UPCA en R. 190 RoP. NST had Qualcomm in drie inbreukprocedures verzocht broncode en technische documentatie met betrekking tot haar NoC-technologie over te leggen. De Munich Local Division wees deze verzoeken af en nam die afwijzing op in haar beslissingen in de hoofdprocedures. NST stelde daartegen pas in haar beroep tegen die beslissingen bezwaren aan de orde en diende daarnaast bij het Court of Appeal opnieuw verzoeken op grond van R. 190 RoP in.

Het Court of Appeal oordeelt dat een beslissing op een verzoek op grond van artikel 59 UPCA en R. 190 RoP steeds een order vormt in de zin van R. 220.1(c) RoP. Daartegen moet op grond van artikel 73 lid 2 onder a UPCA en R. 224.1(b) RoP binnen vijftien dagen na betekening beroep worden ingesteld. Dit geldt ook wanneer de beslissing over het bewijsverzoek niet in een afzonderlijke order is opgenomen, maar deel uitmaakt van één document waarin tevens over de hoofdzaak wordt beslist. Dat document als geheel als ‘Decision’ is aangeduid, verandert de aard van de beslissing op het R. 190-verzoek niet. NST kan zich volgens het CoA niet beroepen op een verschoonbare termijnoverschrijding. Slechts in uitzonderlijke omstandigheden kan een excusable error afwijking rechtvaardigen van de dwingende beroepstermijn. Daarvoor kan onder meer aanleiding bestaan wanneer het handelen van het gerecht bij een partij die te goeder trouw en met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld, beslissende verwarring heeft veroorzaakt. In dit geval waren dergelijke uitzonderlijke omstandigheden niet aanwezig. Uit eerdere rechtspraak, waaronder AIM tegen Supponor, had voor NST duidelijk moeten zijn dat voor deze categorie orders een beroepstermijn van vijftien dagen geldt. Het beroep tegen de afwijzing van de bewijsverzoeken is daarom niet-ontvankelijk. Ook de opnieuw bij het Court ingediende verzoeken om overlegging van de broncode zijn niet-ontvankelijk. Een partij kan een in eerste aanleg inhoudelijk beoordeeld verzoek om bewijsproductie niet in hoger beroep opnieuw indienen wanneer daarmee materieel hetzelfde bewijs wordt verlangd. Dat zou de beroepstermijnen en het stelsel van rechtsmiddelen omzeilen. Een nieuw R. 190 RoP-verzoek kan in hoger beroep slechts toelaatbaar zijn wanneer het wordt gerechtvaardigd door nieuwe feiten die redelijkerwijs niet tijdens de procedure in eerste aanleg beschikbaar konden zijn. Verdere onderbouwing van het eerdere verzoek, nieuwe juridische argumenten, ontwikkelingen in de rechtspraak of gewijzigde modaliteiten voor toegang tot het bewijs gelden niet als dergelijke nieuwe feiten. Omdat NST geen relevante nieuwe feiten had aangevoerd, wijst het Court ook de opnieuw ingediende R. 190 RoP-verzoeken als niet-ontvankelijk af.

14. An application for an order to produce evidence pursuant to R. 190 RoP has its basis in Art. 59 UPCA. As already indicated in these provisions, a decision on such an application takes the form of an order. This is also clear from Art. 73 (2)(a) UPCA, pursuant to which explicitly “for the orders referred to in Articles 49(5), 59 to 62 and 67 UPCA” (emphasis added), an appeal may be brought within 15 calendar days of the notification of the order to the applicant.

15. This is reflected in the Rules of Procedure in R. 220.1(c) RoP, where orders referred to in Articles 49(5), 59 to 62 and 67 UPCA are mentioned as a separate category that an adversely affected party may bring an appeal against – sometimes referred to as ‘privileged orders’, next to the decisions mentioned in R. 220.1(a) and (b) RoP to which a two-month appeal period applies. The applicable time limit of 15 days for lodging an appeal against a privileged order as mentioned in Art. 73(2)(a) UPCA is contained in R. 224.1(b) RoP.

16. R. 220.2 RoP refers to a further category of orders that a party may bring an appeal against, i.e. orders other than those referred to in R. 220.1 RoP and R. 97.5 RoP, often referred to as ‘procedural orders’. These may be either appealed together with the appeal against the decision (in the main proceedings) or may be appealed – with the leave of Court of First Instance – within 15 days of service of the Court’s decision to that effect.

17. The short time period for bringing an appeal against privileged orders and procedural orders is justified by the impact that such orders may have on the course of the main proceedings and thus require fast proceedings, which is also reflected in the equally short time period of 15 days for lodging a response in these proceedings.

18. In its order of 26 April 2024 (UPC-CoA-500/2023, AIM v. Supponor), the Court of Appeal clarified that R. 220.1(c) RoP must be understood as referring to “orders on applications referred to in …” (emphasis added). Consequently, a decision concerning an application for the production of evidence, whether it is granted or dismissed, constitutes an appealable order pursuant to Art. 73(2)(a) UPCA in conjunction with R. 220.1(c) RoP.

19. It also follows from the AIM v Supponor order – where the Court in the first instance proceedings had decided in the main action and in the action for preliminary measures in one document called ‘Decision’ – that for the determination of a decision on an application pursuant to Art. 49(5), 59-62 and 67 UPCA as an “order” mentioned in R. 220.1(c) RoP, it is irrelevant whether it is decided upon in a separate order or it is contained in the decision in the main proceedings. Also in the latter case, the decision on the application still constitutes an order as meant in R. 220.1(c) RoP that needs to be appealed within 15 days. Indeed, contrary to NST’s argument, it is expected from the appellant to identify decisions which are appealable within 15 days and to identify other individual decisions which are appealable within two months (see also Speed Care v Teleflex (UPC-CoA-85/2026), 10 June 2026, para. 17).

43. There could have been no doubt that a decision on an application pursuant to Art. 59 UPCA / R. 190 RoP needs to be appealed within 15 days pursuant to Art. 73(2)(a) UPCA and R. 224.1(b) RoP even if it is contained in a decision in the main proceedings, given the clarification in the AIM v Supponor order (para. 15) that even if decided in the decision in the main proceedings in one document that is called ‘Decision’, the Court’s decision on a R. 190 RoP application still takes the form of an order, to which R. 220.1(c) and R. 224.1(b) RoP apply.