Gepubliceerd op dinsdag 22 september 2026
IEF 23856
Unified Patent Court (UPC) ||
27 aug 2026,
Unified Patent Court (UPC) 27 aug 2026,, IEF 23856; UPC_CoA-76/2026 (Xingi Technology e.a. tegen Avient Protective Materials), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/upc-coa-r-190-rop-biedt-geen-ruimte-voor-fishing-expeditions

UPC CoA: R. 190 RoP biedt geen ruimte voor fishing expeditions

UPC CoA 27 augustus 2026, IEF 23856; IEFbe 4316; UPC_CoA_76/2026 (Xingi Technology e.a. tegen Avient Protective Materials). In deze zaak tussen Xingi Technology c.s. en Avient Protective Materials staat de toepassing van R. 190 RoP centraal. Avient stelt dat verschillende door Xingi aangeboden UHMWPE-vezels, UD-fabrics en ballistische producten inbreuk maken op EP 2 791 402. Nadat Xingi had aangevoerd dat inbreuk op conclusies 13 tot en met 15 niet door berekeningen en extrapolaties, maar alleen door daadwerkelijke ballistische tests kon worden vastgesteld, verzocht Avient om overlegging van onder meer monsters van verschillende UD-fabrics, interne testrapporten en Engelstalige versies van een introductievideo. De judge-rapporteur van de Local Division Den Haag wees het verzoek gedeeltelijk toe en beval Xingi onder meer om van twee UD-fabricvarianten telkens 30 kilogram beschikbaar te stellen en de Engelstalige introductievideo over te leggen.

Het Court of Appeal stelt voorop dat R. 190 RoP effectieve rechtsbescherming moet waarborgen wanneer bewijs dat relevant is voor de beoordeling van een vordering niet zonder meer toegankelijk is voor de partij op wie de bewijslast rust. De verzoekende partij moet redelijkerwijs beschikbaar bewijs hebben overgelegd dat haar vordering aannemelijk maakt. Een bevel tot bewijsproductie moet daarnaast voldoen aan de cumulatieve eisen van specificiteit, noodzakelijkheid en proportionaliteit. R. 190 RoP biedt geen grondslag voor een fishing expedition of algemene discovery. Het gevraagde bewijs moet concreet verband houden met de gestelde feiten, daadwerkelijk relevant zijn voor de beslechting van het geschil en niet redelijkerwijs op een minder belastende wijze kunnen worden verkregen. Bij de beoordeling of bewijsproductie noodzakelijk en proportioneel is, komt het Court of First Instance volgens het Court of Appeal in beginsel beoordelingsruimte toe. Het Court of Appeal grijpt alleen in wanneer sprake is van een rechtsfout, een kennelijke beoordelingsfout of wanneer de grenzen van noodzakelijkheid en proportionaliteit niet behoorlijk zijn toegepast. In deze zaak had de judge-rapporteur de oorspronkelijke, ruimere bewijsaanvraag bovendien beperkt tot twee specifieke UD-fabricvarianten en geoordeeld dat juist die monsters noodzakelijk waren om de door Xingi verlangde ballistische tests te kunnen verrichten. Dat Avient zelf meende dat het reeds beschikbare bewijs voldoende was om inbreuk aannemelijk te maken, stond niet aan een verzoek op grond van R. 190 RoP in de weg. Een partij mag aanvullend bewijs verlangen wanneer zij daarbij een gerechtvaardigd belang heeft. Dat was hier volgens het Court of Appeal juist het geval, omdat Xingi zelf had aangevoerd dat inbreuk alleen door daadwerkelijke ballistische tests kon worden vastgesteld. R. 190 RoP verlangt dus niet dat de verzoekende partij zonder het verlangde bewijs helemaal geen bewijs voor haar stellingen heeft; zij moet juist al redelijkerwijs beschikbaar bewijs hebben aangedragen dat haar vordering aannemelijk maakt. Ook was het verzoek niet te laat ingediend. Noch artikel 59 UPCA noch R. 190 RoP vereist dat een verzoek om bewijsproductie gelijktijdig met de Statement of claim wordt gedaan. De tijdigheid moet worden beoordeeld aan de hand van de stand van de procedure en de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan op het moment dat het verzoek wordt ingediend. In dit geval werd de noodzaak van de monsters juist duidelijker nadat Xingi in haar Statement of defence had aangevoerd dat daadwerkelijke ballistische tests noodzakelijk waren. Het Court of Appeal bevestigt verder dat het Court of First Instance op grond van R. 190.4(a) RoP de praktische voorwaarden voor bewijsproductie mag bepalen. De judge-rapporteur mocht daarom voorschrijven dat de monsters in Nederland aan Avient ter beschikking moesten worden gesteld. Ook het beroep tegen de overlegging van de introductievideo slaagt niet. Voor zover Xingi in hoger beroep nieuwe feiten en argumenten naar voren bracht over de beschikbaarheid van die video, mochten deze buiten beschouwing blijven omdat niet was toegelicht waarom zij niet eerder waren aangevoerd. Het hoger beroep van Xingi wordt daarom afgewezen. Het voorwaardelijke incidentele beroep van Avient, waarmee zij onder bepaalde omstandigheden alsnog overlegging van meer productvarianten verlangde, wordt niet-ontvankelijk verklaard. De voorwaarde vereiste namelijk dat het Court of Appeal vooraf zou beoordelen of het nog te produceren en te testen bewijs uiteindelijk voldoende zou zijn om inbreuk en eventuele schade aan te tonen. Die beoordeling behoort toe aan het gerecht dat over de hoofdzaak beslist en valt buiten de reikwijdte van dit hoger beroep.

24. The Court’s power to order the production of evidence is not unlimited and is subject to cumulative constraints. First, such measures may be granted only on the basis of specific and substantiated allegations and cannot serve exploratory or speculative purposes. R. 190 RoP does not permit fishing expeditions but requires a concrete link between the requested measure and the facts relied upon by the requesting party. This reflects the structured nature of the UPC system, which does not provide for general disclosure or discovery, but only for targeted and justified access to specific evidence.

49. The fact that a claimant considers the evidence already available sufficient to support its allegation of infringement does not preclude it from seeking access to additional evidence pursuant to R. 190 RoP if that party has a legitimate interest in the additional evidence, as in case when the adverse party argues that the fact to be proven can only be established by means of additional evidence. Nor does R. 190 RoP require an applicant to demonstrate that it lacks evidence supporting its case. Rather, the Rule requires that the applicant has already presented reasonably available and plausible evidence in support of its claims.

56. The Court is not persuaded by the appellants’ submission that the R. 190 application should have been made together with the Statement of claim. Neither Art. 59 UPCA nor R. 190 RoP imposes such a requirement. On the contrary, the necessity and proportionality of a request for the production of evidence must be assessed in the light of the issues actually in dispute at the stage of the proceedings at which the request is made.