30 apr 2026
UPC wijst hoger beroep Adobe over proceskostenzekerheid af wegens ontbreken expliciet appelverlof
Court of Appeal 30 april 2026, IEF 23537; UPC_COA_1/2026 (Adobe v KEEEX). In een procedure tussen Adobe en KEEEX heeft de Court of Appeal van het Unified Patent Court het hoger beroep van Adobe tegen een beschikking over zekerheid voor proceskosten niet-ontvankelijk verklaard. De zaak vloeit voort uit een door KEEEX in juni 2025 bij de lokale afdeling Parijs ingestelde octrooi-inbreukprocedure op basis van EP 2 949 070 tegen onder meer Adobe. Adobe vroeg om een zeer hoge zekerheid voor proceskosten tot € 5 miljoen, maar de lokale afdeling Parijs beperkte die zekerheid tot een bankgarantie van € 50.000. Adobe stelde vervolgens onmiddellijk hoger beroep in tegen die beschikking. De vraag was of dit appel wel ontvankelijk was. Op grond van regel 220.2 RvP kan namelijk alleen direct hoger beroep worden ingesteld tegen een beschikking over zekerheid voor kosten wanneer het Gerecht van eerste aanleg daarvoor expliciet toestemming verleent. Beschikkingen over zekerheid voor kosten vallen volgens het Hof uitdrukkelijk onder regel 220.2 (en niet onder regel 220.1). De Parijse afdeling had in haar beslissing per ongeluk verwezen naar regel 220.1 RvP, hetgeen Adobe opvatte als een aanwijzing dat onmiddellijk hoger beroep mogelijk was. Het Hof van Beroep gaat daarin niet mee. Volgens het Hof vereist regel 220.2 een uitdrukkelijke toestemming voor tussentijds appel; een algemene of, zoals hier, foutieve verwijzing naar de appelregels volstaat niet en kan niet als ‘expliciete toestemming’ worden aangemerkt.
Voor het Hof is doorslaggevend dat Adobe zelf al in haar beroepschrift zag dat de verwijzing naar regel 220.1 onjuist was en dat regel 220.2 van toepassing was. Adobe had daarom binnen de beroepstermijn alsnog verlof moeten vragen aan de eerste rechter, maar heeft dat niet gedaan. Het Hof verklaart het hoger beroep daarom volledig niet-ontvankelijk. Het wijst er daarbij op dat alleen in uitzonderlijke omstandigheden een afwijking van de strikte toepassing van de appelregels, zoals eerder in AIM/Supponor, mogelijk is, maar dat van uitzonderlijke omstandigheden hier geen sprake is. Ook verzoeken tot termijnverlenging, herstel van de termijn en heropening van de mondelinge behandeling worden afgewezen. Daarbij benadrukt het Hof opnieuw dat de relatieve financiële positie van eiser en gedaagde geen relevant criterium vormt bij toepassing van regel 158 RvP inzake zekerheid voor proceskosten. De oorspronkelijke beschikking van de lokale afdeling Parijs, waarin KEEEX een bankgarantie van € 50.000 moet stellen, blijft daarmee in stand. Het Hof komt daardoor niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van Adobe om een veel hogere zekerheidstelling. Het Hof wijst er wel op dat Adobe de beschikking over zekerheid later nog kan betrekken in een appel tegen de eindbeslissing, zodat het verlies van de mogelijkheid van onmiddellijk hoger beroep voortvloeit uit haar eigen proceshouding.
22. Het Hof van Beroep heeft reeds een uitzondering aanvaard op de strikte toepassing van de regels inzake beroepstermijnen in de hypothese waarin een ambiguïteit voortvloeiend uit de gezamenlijke lezing van art. 62 UPCA en regels 220.1(c) en 224.1(b) RvP, gecombineerd met onjuiste, althans onvolledige, informatie verstrekt door het Gerecht van eerste aanleg, de verzoeker ertoe had gebracht te geloven dat een termijn van twee maanden gold om beroep in te stellen tegen een beslissing die zowel betrekking had op voorlopige maatregelen als op permanente bevelen, terwijl hij in werkelijkheid slechts 15 dagen had om beroep in te stellen tegen de voorlopige maatregelen (beschikking van 26 april 2024, UPC_CoA_500/2023, AIM t. Supponor, koptekst). Het is evenwel niet noodzakelijk te bepalen of andere uitzonderlijke omstandigheden een afwijking van de strikte toepassing van het Reglement voor de procesvoering zouden rechtvaardigen in geval van een verschoonbare dwaling, nu hier geen enkele verschoonbare dwaling is aangetoond
23. In casu bevat het dictum van de bestreden beschikking immers de volgende passage: “Verklaart dat tegen deze beslissing beroep kan worden ingesteld overeenkomstig regel 220.1 RvP.”
24. Zoals de vennootschappen Adobe benadrukken, bevat de bestreden beschikking aldus onjuiste informatie met betrekking tot de op het beroep toepasselijke regels. Overeenkomstig regel 158.3 RvP en de relevante rechtspraak van dit Hof vallen beslissingen inzake zekerheidstelling voor proceskosten onder regel 220.2 RvP en niet onder regel 220.1, zoals de lokale divisie Parijs ten onrechte heeft vermeld.
25. De vennootschappen Adobe waren zich echter volledig bewust (en hadden zich bewust moeten zijn) van het feit dat de bestreden beschikking een fout bevatte met betrekking tot de modaliteiten van het beroep, aangezien zij zelf op pagina 6 van hun memorie van grieven preciseerden dat: “Het beroep tegen de beschikking is ontvankelijk overeenkomstig art. 73(2) UPCA en regel 220.2 RvP (waarbij regel 220.1 kennelijk abusievelijk in de beschikking wordt vermeld).” Aldus hebben de vennootschappen Adobe reeds vóór het verstrijken van de beroepstermijn vastgesteld dat de verwijzing naar regel 220.1 onjuist was en dat regel 220.2 had moeten worden vermeld. Zoals hierboven in de punten 17 en 19 is uiteengezet, kan de enkele vermelding van deze bepaling in een beslissing, zonder uitdrukkelijke toestemming voor beroep, zoals in casu, niet worden beschouwd als een toestemming tot beroep in de zin van regel 220.2 RvP. Niettemin hebben de vennootschappen Adobe onmiddellijk beroep ingesteld tegen de beschikking zonder voorafgaandelijk toestemming te vragen aan de lokale divisie Parijs overeenkomstig regel 220.2. Anders dan zij betogen, hadden de vennootschappen Adobe binnen de door het Reglement voor de procesvoering gestelde termijn toestemming kunnen en moeten vragen om beroep in te stellen.