Gepubliceerd op maandag 21 september 2026
IEF 23848
Hof Amsterdam ||
15 sep 2026,
Hof Amsterdam 15 sep 2026,, IEF 23848; ECLI:NL:GHAMS:2026:2550 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/verbod-op-uitlatingen-over-grensoverschrijdend-gedrag-jegens-zakenrelatie-blijft-grotendeels-in-stand

Verbod op uitlatingen over grensoverschrijdend gedrag jegens zakenrelatie blijft grotendeels in stand

Hof Amsterdam 15 september 2026, IEF 23848; ECLI:NL:GHAMS:2026:2550 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]). Na het beëindigen van een zakelijke samenwerking tussen [appellant 1] en [geïntimeerde] ontstond een geschil over onder meer de uitvoering van een SaaS-overeenkomst voor de ontwikkeling en ondersteuning van een NFT-handelsplatform. [appellant 2] heeft namens [appellant 1] vervolgens berichten gestuurd aan aandeelhouders en investeerders van [geïntimeerde], waarin onder meer werd geklaagd over tekortkomingen in de samenwerking, niet-nagekomen afspraken, nevenactiviteiten, gebrek aan transparantie en grensoverschrijdend gedrag door een bestuurder van [geïntimeerde], waaronder pesterijen en discriminerende of racistische opmerkingen op de werkvloer. De voorzieningenrechter had [appellanten] verboden verdere uitlatingen te doen over dergelijk grensoverschrijdend gedrag. Het hof stelt bij de beoordeling het recht van [appellanten] op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM tegenover het belang van [geïntimeerde] bij bescherming van haar reputatie, eer en goede naam als bedoeld in art. 8 EVRM. Voor de beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag ontbreekt volgens het hof voorshands een behoorlijke feitelijke basis. De aangevoerde voorbeelden hebben deels geen betrekking op gedrag op de werkvloer of jegens medewerkers, het bestaan van gestelde aangiften van (ex-)medewerkers is niet aangetoond en [appellanten] konden niet concreet aangeven op welke specifieke voorvallen zij hun beschuldigingen baseerden. Gelet op de ernst en mogelijke reputatieschade van dergelijke aantijgingen valt de belangenafweging op dit punt in het voordeel van [geïntimeerde] uit. Het hof laat het verbod op verdere uitlatingen over grensoverschrijdend gedrag daarom in stand.

Voor de overige uitlatingen komt het hof tot een andere belangenafweging. Voor klachten over onder meer tekortkomingen bij de uitvoering van de samenwerking, niet-nagekomen afspraken, mogelijke nevenactiviteiten, het oprichten van afzonderlijke entiteiten, de verkoop van $AX-tokens en het mogelijk niet volledig verstrekken van informatie bestaat volgens het hof voorshands in ieder geval enige feitelijke basis. De precieze gang van zaken en de vraag welke partij bij de uitvoering van de samenwerking is tekortgeschoten, staan nog niet vast en lenen zich voor beoordeling in een bodemprocedure. De betreffende uitlatingen zijn bovendien niet nodeloos grievend en passen grotendeels binnen het zakelijke conflict tussen partijen. Een ruimer verbod op negatieve uitlatingen is daarom niet gerechtvaardigd. Het hof bekrachtigt het vonnis voor zover het verbod betrekking heeft op uitlatingen over grensoverschrijdend gedrag door [appellant 1] en [appellant 2]. Ten aanzien van Amsterdam Locals Holding B.V. wordt het vonnis vernietigd, omdat onvoldoende is gesteld of aannemelijk gemaakt dat de gewraakte uitlatingen aan deze vennootschap kunnen worden toegerekend. De vorderingen tegen haar worden alsnog afgewezen. [appellanten] worden als overwegend in het ongelijk gestelde partijen veroordeeld in de proceskosten van het principaal hoger beroep; [geïntimeerde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van het incidenteel hoger beroep.

Uitingsverbod?

6.5.

[appellanten] hebben in totaal 5 grieven geformuleerd. Grieven 1 en 2 zijn hiervoor reeds behandeld. Grieven 3 en 4 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Daarbij zullen ook de twee grieven in het incidenteel appel worden betrokken, nu al deze grieven, vanuit verschillende invalshoeken, zien op de vraag of er voldoende reden is voor het aan [appellanten] opleggen van een verbod tot het doen van bepaalde uitingen en zo ja, hoever zo’n verbod dan moet strekken.

6.6.

Het (grondrechtelijk) kader waarin deze vraag moet worden getoetst komt er kort gezegd op neer, zoals de voorzieningenrechter in rov. 4.3 van het vonnis terecht heeft overwogen, dat de (in beginsel gelijkwaardige) belangen die wederzijds bij de uitingen betrokken zijn tegen elkaar dienen te worden afgewogen. Dit zijn van de zijde van [appellanten] met name het belang om zich in het openbaar kritisch en waarschuwend te kunnen uitlaten (gewaarborgd in artikel 10 EVRM) en van de zijde van [geïntimeerde] met name het belang dat haar reputatie niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan verdachtmakingen en dat haar eer en goede naam niet worden geschonden (gewaarborgd in artikel 8 EVRM). Bij deze belangenafweging dienen alle omstandigheden van het geval te worden betrokken.

6.7.

De enkele omstandigheid dat een uiting door degene op wie die betrekking heeft wordt ervaren als beledigend of schadelijk is niet beslissend. Voor de toelaatbaarheid van zulke uitingen is van groot belang in hoeverre die steun vinden in het op dat moment beschikbare feitenmateriaal. Daarbij geldt voorts dat de gekozen bewoordingen niet nodeloos grievend mogen zijn en kan meewegen dat sommige uitingen naar hun aard bijzonder schadelijk zijn. Daarop wordt hierna nader ingegaan.