11 mrt 2026
Verwarringsgevaar ondanks zwak gemeenschappelijk element: FLAMBIT vs. flambriks
Gerecht EU 11 maart 2026, IEF 23340; IEFbe 4124; ECLI:EU:T:2026:187 (Dariusz Kowalski tegen Hoyer SE en EUIPO). Deze zaak gaat over de weigering van de EU‑figuratieve merkaanvraag FLAMBIT voor aanmaakblokjes en andere middelen om vuur aan te maken in klasse 4, na oppositie op basis van het oudere Duitse woordmerk ‘flambriks’ (en een ouder beeldmerk) voor onder meer brandstoffen en aan verwant houtwerk gerelateerde diensten. De oppositieafdeling had de oppositie gegrond verklaard wegens gevaar voor verwarring, waarna de aanvrager in beroep ging en de kamer van beroep die beslissing, nu uitsluitend gebaseerd op het oudere woordmerk ‘flambriks’, heeft bevestigd: het relevante publiek is het Duitse grote publiek met een gemiddeld aandachtsniveau, de betrokken waren zijn identiek, en de tekens zijn visueel en fonetisch gemiddeld vergelijkbaar en conceptueel in elk geval niet uiteenlopend, uitgaande van een normaal onderscheidend oudere merk. De aanvrager voert bij het Gerecht één middel aan wegens schending van artikel 8 lid 1 onder b EUTMR en betoogt dat er geen overeenstemming bestaat omdat het element “flam” in beide tekens beschrijvend of zeer zwak onderscheidend is en de verschillen in de tweede lettergreep en in grafische vormgeving overheersen; EUIPO en de opposant verdedigen de beoordeling van de kamer van beroep.
Het Gerecht werkt eerst het juridisch kader voor de globale verwarringstoets uit en bespreekt dan de dominante en onderscheidende bestanddelen. Het aanvaardt dat het publiek de tekens uiteenlegt in “flam” + “bit” respectievelijk “flam” + “briks”, en dat “flam” als verwijzing naar “flame/Flamme” een zwak onderscheidend element is, maar niet volledig niet‑onderscheidend. Ondanks enkele fouten van de kamer van beroep (onder meer door de tekens aanvankelijk als “ondeelbaar” te zien en de fonetische en conceptuele gelijkenis iets te hoog/laag in te schatten) komt het Gerecht tot de conclusie dat, bij identieke waren, een gemiddeld visuele en een gemiddeld fonetische gelijkenis en een lage conceptuele gelijkenis volstaan om verwarringsgevaar aan te nemen, ook al is het gemeenschappelijke element zwak. De kleine vlam‑figuratie in FLAMBIT speelt daarbij slechts een ondergeschikte rol. Het beroep wordt daarom volledig afgewezen en de aanvrager wordt veroordeeld in de kosten van de opposant, terwijl EUIPO zijn eigen kosten draagt.
67 “Nevertheless, in the present case, it must therefore be held, in a global assessment of those factors, in the light of the interdependence between them and of the imperfect recollection which the relevant public has of the marks at issue, that the Board of Appeal was right in finding that there was a likelihood of confusion, within the meaning of Article 8(1)(b) of Regulation 2017/1001, with regard to all of the contested goods. Thus, first, contrary to the applicant’s claims, the graphic representation of the mark applied for does not attract the consumer’s attention since it plays a secondary role. Secondly, the average degree of visual and phonetic similarity and the low degree of conceptual similarity between the marks at issue, taken as a whole, lead to the existence of a likelihood of confusion.”