18 sep 2026,
Voorzieningenrechter Den Haag: beroep op must-fit-exceptie slaagt voorlopig in geschil over IVF-kweekschaal
Rb. Den Haag 18 september 2026, IEF 23872; C/09/709951 / KG ZA 26-853 (Vitrolife tegen Birr). Vitrolife, producent van onder meer de EmbryoScope+ voor IVF-procedures, is houdster van een Uniemodel voor delen van de vormgeving van een daarbij gebruikte kweekschaal. Birr brengt sinds begin 2026 de TLX-E Culture Dish op de markt, die geschikt is voor gebruik in de EmbryoScope+. Vitrolife stelde dat Birr met deze schaal inbreuk maakt op haar Uniemodel en vorderde in kort geding een inbreukverbod met nevenvorderingen. Tussen partijen was niet in geschil dat de TLX-E de relevante uiterlijke kenmerken van het Vitrolife-model overneemt: zestien cirkels, naast elkaar gepositioneerd in een licht gebogen lijn, gegroepeerd in vier groepen van vier, waarbij iedere cirkel bestaat uit een culture well met daarin een microwell. Vitrolife zou Birr het gebruik daarvan daarom in beginsel op grond van artikel 20 lid 1 UModVo kunnen verbieden. Birr beriep zich echter op artikel 9 UModVo. De voorzieningenrechter acht voorshands artikel 9 lid 2 UModVo van toepassing. De software van de EmbryoScope+ is afgestemd op kweekschalen met acht of zestien culture wells en de afstand tussen de culture wells kan daarom niet worden gewijzigd. Ook moeten de bodems van de microwells binnen een beperkte bandbreedte op een bepaalde afstand van het midden van de rotatieschijf liggen om door het systeem te worden herkend en afgebeeld. Volgens de voorzieningenrechter kunnen de relevante kenmerken daarom niet zodanig anders worden vormgegeven dat nog steeds een voor de EmbryoScope+ bruikbare kweekschaal ontstaat.
De voorzieningenrechter oordeelt voorlopig dat de relevante uiterlijke kenmerken noodzakelijkerwijs in dezelfde vorm en afmetingen moeten worden gereproduceerd om de kweekschaal mechanisch met de EmbryoScope+ te kunnen verbinden, zodat beide producten hun functie kunnen vervullen. Dat niet is komen vast te staan dat alle uiterlijke kenmerken van het Vitrolife-model uitsluitend technisch zijn bepaald, doet daaraan niet af. Ook als Vitrolife bij het ontwerpen van de EmbryoScope+ en het daarop afgestemde model een ruime mate van ontwerpvrijheid had, heeft een derde die een compatibele kweekschaal wil leveren volgens de rechter geen vrijheid om van de dwingende specificaties van het bestaande systeem af te wijken. Daarmee is voorshands sprake van de in artikel 9 lid 2 UModVo bedoelde must-fit-vormgeving. De rechter acht daarom een serieuze, niet te verwaarlozen kans aanwezig dat het Vitrolife-model in een bodemprocedure nietig wordt verklaard, althans een nietigheidsactie bij het EUIPO niet zal overleven. De vorderingen van Vitrolife worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in € 18.924 aan proceskosten. Het herstelvonnis van 25 september 2026 voegt daaraan toe dat over die proceskosten de wettelijke rente van artikel 6:119 BW verschuldigd is indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving wordt betaald.
4.5 Tussen partijen is niet in geschil dat al deze kenmerken van het Vitrolife-model zijn overgenomen in de TLX-E. Hiertoe heeft Vitrolife Birr geen toestemming gegeven, zodat Vitrolife in beginsel Birr op grond van artikel 20 lid 1 UModVo kan beletten het Vitrolife-model te gebruiken. De voorzieningenrechter is echter voorshands van oordeel dat het beroep van Birr op artikel 9 UModVo slaagt en licht dat als volgt toe.
4.6 Op grond van artikel 9 lid 1 UModVo mag een Uniemodel niet bestaan uit kenmerken van het uiterlijk van een product die uitsluitend worden bepaald door de technische functie. Artikel 9 lid 2 UModVo bepaalt op haar beurt dat een Uniemodel niet zal bestaan uit kenmerken van het uiterlijk van een product die noodzakelijkerwijs in hun exacte vorm en afmetingen moeten worden gereproduceerd om het product waarin het ontwerp is opgenomen of waarop het wordt toegepast mechanisch te verbinden of in te plaatsen, rond of tegen een ander product, zodanig dat elk product zijn functie kan uitoefenen (‘kenmerken van onderlinge verbinding’). Tussen artikel 9 lid 1 en artikel 9 lid 2 UModVo bestaat een verband, in die zin dat kenmerken van het uiterlijk van een product kunnen vallen onder zowel artikel 9 lid 1 UModVo als onder artikel 9 lid 2 UModVo, aangezien ze beide uitsluitend kunnen worden bepaald door de technische functie van dat product, namelijk het mogelijk maken van de verbinding en ontkoppeling van dat product, en de kenmerken van de onderlinge verbinding kunnen vormen.
4.7 Bovenstaande betekent dat, ongeacht de geldigheid van het Uniemodel als geheel, de houder van een model zich niet kan verzetten tegen de productie door derden van kenmerken van een model die slechts op een enkele (technische) manier in elkaar passen. Dit is de zogenaamde ‘must fit’-exceptie.
4.13 Er kan niet worden gekozen voor een afwijkend aantal culture wells, nu de software van de EmbryoScope+ is afgestemd op de twee kweekschalen van Vitrolife (8 dan wel 16 culture wells) en die software niet door de gebruiker of anderszins handmatig kan worden gewijzigd. Ook de afstand tussen de culture wells kan – gelet op die software – niet worden gewijzigd, dus de groepering van vier bij vier kan niet anders worden vormgegeven. Voor de microwell is de conische vorm – hoewel deze, anders dan door Vitrolife is betoogd, naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet blijkt uit de modelinschrijving – een gegeven en staat vast dat de bodem zich in het midden van de daarboven liggende culture well moet bevinden. Aangezien de culture well overgaat in de microwell die aan de bovenzijde een ronde vorm heeft, kan voor de culture well geen andere vorm dan rond worden gekozen aangezien deze dan niet meer kan aansluiten op de ronde vorm van de microwell.
4.14 Nu de bodem van de microwell zowel op een gelijke afstand van het midden van de rotatieschijf moet liggen als in het midden van de culture well, is ook de positionering langs een licht gebogen baan een vereiste. De uiterlijke kenmerken van het Vitrolife-model (bestaande uit zestien cirkels, naast elkaar gepositioneerd in een licht gebogen lijn, gegroepeerd in vier groepen van vier, met in het midden van iedere cirkel de bodem van de microwell) moeten daarom noodzakelijkerwijs in een kweekschaal worden gereproduceerd om een voor de EmbryoScope+ bruikbare kweekschaal te fabriceren.
4.16 Aan dit voorlopig oordeel doet niet af dat niet is komen vast te staan dat alle uiterlijke kenmerken van het Vitrolife-model uitsluitend technisch zouden zijn bepaald. Zelfs als de ontwerper van Vitrolife een ruime mate van ontwerpvrijheid heeft gehad bij het ontwerpen van de EmbryoScope+ en het daarop afgestemde Vitrolife-model, dan heeft een derde partij, zoals in dit geval Birr, bij het leveren van compatibele onderdelen thans niet langer de vrijheid om af te wijken van de dwingende specificaties van dat systeem. Zodoende doet de situatie van artikel 9 lid 2 UModVo zich voor, waarbij de uiterlijke kenmerken van het Vitrolife-model noodzakelijkerwijs in precies dezelfde vorm en afmetingen moeten worden gereproduceerd om de kweekschaal waarin het model verwerkt is mechanisch met de EmbryoScope+ te kunnen verbinden, zodat elk van beide zijn functie kan vervullen. Er is dus sprake van must-fit-vormgeving, waarvoor geen modelbescherming kan worden verkregen.
4.17 Onder deze omstandigheden gaat de voorzieningenrechter er voorshands van uit dat de serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat in een eventuele bodemprocedure het Vitrolife-model nietig zal worden verklaard, althans dat het Vitrolife-model een nietigheidsactie bij het EUIPO niet zal overleven. De slotsom luidt dat de vorderingen van Vitrolife zullen worden afgewezen.