Tussenvonnis over kwalificatie van bijdrage aan filmproductie, naamsvermelding en billijke vergoeding; rechtbank overweegt deskundigenbericht
Rb. Amsterdam 21 januari 2026, IEF 23429; ECLI:NL:RBAMS:2026:1669 ([eiser] tegen [gedaagde 1] c.s.). In dit tussenvonnis staat een geschil centraal over de bijdrage van eiser aan de totstandkoming van een film van gedaagden en de vraag hoe die bijdrage juridisch moet worden gekwalificeerd. Partijen hebben in februari 2023 een medewerkersverklaring ondertekend waarin eiser voor 25 draaidagen als regieassistent wordt aangesteld tegen een vergoeding van € 1.600 exclusief btw, maar eiser stelt dat zijn feitelijke werkzaamheden verder gingen en dat hij als coregisseur moet worden aangemerkt. Hij vordert daarom onder meer een verklaring voor recht dat hij als coregisseur moet worden vermeld, aanpassing van de credits in intro, aftiteling en IMDb, een billijke vergoeding op grond van art. 25c jo. 45d Aw, een aanvullende billijke vergoeding op grond van art. 25d jo. 45d lid 7 Aw, en exploitatie-informatie op grond van art. 25ca Aw. Gedaagden erkennen dat eiser creatieve inbreng heeft geleverd en dus maker is in de zin van de Auteurswet, en ook dat hij recht heeft op een billijke vergoeding, maar betwisten dat hij als coregisseur heeft gefungeerd. De rechtbank stelt vast dat de oorspronkelijke afspraak inderdaad uitgaat van de functie van regieassistent, maar dat niet is uitgesloten dat de samenwerking tijdens de productie anders is gaan lopen. Dat betekent echter nog niet dat eiser juridisch als coregisseur moet worden aangemerkt. De rechtbank merkt bovendien op dat de vorderingen tegen [gedaagde 1] in privé uiteindelijk in ieder geval zullen worden afgewezen, omdat onvoldoende is weersproken dat diens onderneming in de BV is ingebracht.
Eerste inzageverzoek kan buitensporig zijn, maar schending van het inzagerecht kan wél tot AVG-schadevergoeding leiden
HvJ EU 19 maart 2026, IEF 23428; IEFbe 4172; ECLI:EU:C:2026:216 (Brillen Rottler GmbH & Co. KG tegen TC). In C-526/24 verduidelijkt het Hof de verhouding tussen art. 12 lid 5, art. 15 lid 1 en art. 82 lid 1 AVG. Aanleiding is een geschil tussen een Duits opticiensbedrijf en een particulier die zich eerst aanmeldt voor de nieuwsbrief van dat bedrijf, daarbij persoonsgegevens verstrekt, en dertien dagen later een inzageverzoek op grond van art. 15 AVG indient. Nadat het bedrijf dat verzoek afwijst met een beroep op art. 12 lid 5 AVG en stelt dat sprake is van misbruik van recht, vordert de betrokkene bovendien € 1.000 schadevergoeding op grond van art. 82 AVG. Volgens het bedrijf blijkt uit openbaar toegankelijke bronnen dat deze betrokkene stelselmatig volgens een vast patroon handelt: hij verstrekt persoonsgegevens, dient daarna een inzageverzoek in en probeert vervolgens schadevergoeding te verkrijgen wegens een vermeende AVG-schending. De verwijzende rechter vraagt het Hof daarom onder meer of ook een eerste inzageverzoek al als “buitensporig” kan gelden, of schending van het inzagerecht zelfstandig tot schadevergoeding kan leiden, en of verlies van controle of onzekerheid over persoonsgegevens als immateriële schade kan worden aangemerkt.
Het nieuwe AI-Forum tijdschrift is verschenen (auteursrecht, aansprakelijkheid, cybersecurity & meer)
Wat is de stand van zaken op het gebied van AI en auteursrecht? Hoe zit dat met aansprakelijkheid en cybersecurity? Wat is de wisselwerking tussen de AVG en de AI-verordening in de praktijk? En last but not least: zijn we te afhankelijk geworden van Big Tech?
In het nieuwe AI-Forum tijdschrift (2026-1) brengen wij deze actuele thema’s samen.
Met dank aan de bijdragen van:
Daniel Gervais (Vanderbilt University);
Roeland de Bruin (Kienhuis Legal);
Julie Petersen (Artes Law);
Thijs Kelder en Wouter Seinen (Pinsent Masons) ;
Fulco Blokhuis (Boekx);
Menno Weij (The Data Lawyers).
Nog geen abonnee? Het volledige tijdschrift is vrij toegankelijk via ons proefabonnement.
Oud jaartal in luxemerk kan misleidend zijn wanneer het ten onrechte eeuwenoud vakmanschap en prestige suggereert
HvJ EU 26 maart 2026, IEF 23425; IEFbe 4169; ECLI:EU:C:2026:250 (Fauré Le Page Maroquinier SAS en Fauré Le Page Paris SAS tegen Goyard ST-Honoré SAS). Het Hof verduidelijkt de reikwijdte van art. 3, lid 1, onder g, Richtlijn 2008/95, dat ziet op merken die het publiek kunnen misleiden. Het hoofdgeding betreft twee Franse merken met de aanduiding “Fauré Le Page Paris 1717”, ingeschreven in 2011 voor onder meer lederwaren, reistassen, koffers en handtassen. De achtergrond is dat de historische onderneming Maison Fauré Le Page, sinds 1716 actief in Parijs op het gebied van wapens, munitie en lederen accessoires, in 1992 wordt ontbonden, terwijl Fauré Le Page Paris pas in 2009 wordt opgericht en kort daarna het oudere Franse merk “Fauré Le Page” overneemt. Goyard ST-Honoré, actief in de luxe lederwaren- en reisartikelensector, vordert nietigverklaring van de merken wegens hun vermeend misleidende karakter. De cour d’appel de Paris oordeelt na terugverwijzing dat de bestanddelen “Parijs 1717” bij het relevante publiek de indruk kunnen wekken dat sprake is van een sinds 1717 voortgezette onderneming en van overgedragen eeuwenoud vakmanschap, terwijl daarvan feitelijk geen sprake is. Volgens die rechter is dat van belang omdat consumenten van luxe lederwaren bijzonder veel gewicht hechten aan geschiedenis, traditie en erfgoed, en daaruit kwaliteit en prestige van de waar afleiden. In cassatie voeren de vennootschappen Fauré Le Page aan dat een merk alleen misleidend kan zijn wanneer het onjuiste informatie geeft over de kenmerken van de waren of diensten zelf, en niet wanneer het slechts betrekking heeft op kenmerken van de merkhouder. De verwijzende rechter vraagt daarom of een merk dat een getal bevat dat door het relevante publiek wordt opgevat als een verwijzing naar het oprichtingsjaar van de onderneming, en dat daardoor de suggestie wekt van eeuwenoud vakmanschap dat de waar een kwaliteitsgarantie en een prestigieus imago verleent, onder art. 3, lid 1, onder g, kan vallen.
Samenwerkingsovereenkomst: geen verjaring, maar ontbreken van ingebrekestelling en verzuim leidt tot afwijzing van de wanprestatievorderingen
Rb. Rotterdam 4 maart 2026, IEF 23423; ECLI:NL:RBROT:2026:2297 ([naam] tegen FTG). De rechtbank wijst de vorderingen van [naam] B.V. tegen [naam 2] Group B.V. (FTG) af in een geschil over een samenwerkingsovereenkomst betreffende een concept voor duurzame verpakkingen voor bloemen en planten. Partijen waren overeengekomen dat een door FTG aan te wijzen groepsvennootschap per 1 november 2018 het merk, de domeinnaam, de website en de voorraad van [naam] zou overnemen, tegen betaling van een eenmalige vergoeding van € 15.000 exclusief btw en daarnaast gedurende drie jaar een procentuele vergoeding over door de FTG-groep gerealiseerde en betaalde omzet. FTG wees Zyon Group B.V. aan voor de uitvoering van de samenwerking, terwijl [naam 3], bestuurder en aandeelhouder van [naam], binnen de FTG-groep in dienst trad. [naam] stelde dat FTG was tekortgeschoten doordat zij onvoldoende verkoopondersteuning had geboden en de verwachte omzet niet had gerealiseerd. De rechtbank verwerpt eerst de formele verweren van FTG. FTG is zelf partij gebleven bij de overeenkomst, zodat [naam] haar terecht heeft gedagvaard; van contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW is geen sprake. Ook het beroep op verjaring faalt, omdat de e-mail van 14 december 2020 een geldige stuitingsmededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW bevat: voor FTG was voldoende duidelijk dat [naam] haar aanspraken handhaafde en een procedure in het vooruitzicht stelde.
Technisch noodzakelijke serverkopieën bij platforms zijn reproducties, maar vergen binnen art. 17 DSM-richtlijn geen afzonderlijke toestemming
Conclusie A-G 26 maart 2026, IEF 23424; IEFbe 4168; ECLI:EU:C:2026:270 (Austro-Mechana en AKM tegen Aufsichtsbehörde für Verwertungsgesellschaften). De conclusie van A-G Emiliou in zaak C-579/24 betreft de verhouding tussen art. 2 en 3 Infosoc-richtlijn en art. 17 DSM-richtlijn in de context van online content-sharing service providers zoals YouTube, SoundCloud en Pinterest. Aanleiding is een Oostenrijks geschil tussen de collectieve beheersorganisaties Austro-Mechana en AKM en de Oostenrijkse toezichthouder voor beheersorganisaties. Austro-Mechana beheert onder meer reproductierechten, terwijl AKM onder meer rechten van mededeling en beschikbaarstelling aan het publiek beheert. De prejudiciële vragen draaien om de vraag of de digitale kopieën van beschermde content die automatisch op de servers van zulke platforms worden gemaakt wanneer gebruikers content uploaden, reproducties zijn in de zin van art. 2 Infosoc-richtlijn, en of daarvoor naast de onder art. 17 lid 1 DSM-richtlijn vereiste toestemming voor mededeling of beschikbaarstelling aan het publiek nog een aparte toestemming nodig is. De A-G beantwoordt eerst bevestigend dat zulke technisch noodzakelijke serverkopieën inderdaad onder het reproductierecht vallen. Art. 2 Infosoc-richtlijn is ruim geformuleerd en omvat directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproducties, met elk middel en in elke vorm; ook opslag op servers valt daaronder. Volgens de A-G kan evenmin een beroep worden gedaan op de uitzondering van art. 5 lid 1 Infosoc-richtlijn voor tijdelijke, incidentele en technisch noodzakelijke reproducties, omdat de betrokken serverkopieën niet louter vluchtig of tijdelijk zijn, maar potentieel langdurig op de servers blijven opgeslagen. Daarmee bevestigt hij dat het uploaden van content naar zulke platforms niet alleen een handeling van mededeling of beschikbaarstelling aan het publiek onder art. 3 Infosoc-richtlijn oplevert, maar daarnaast ook een zelfstandige handeling van reproductie onder art. 2 Infosoc-richtlijn.
Merken,- modellen- en auteursrecht op 22 april 2026 met vroegboekkorting
Op woensdag 22 april 2026 organiseren we de voorjaarseditie van actualiteiten merken- modellen- en auteursrecht. Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op het gebied van productvormgeving, auteursrecht en merkenrecht, met Selmer Bergsma (De Brauw Blackstone Westbroek), Jesse Hofhuis (HOFHUIS) en Joris van Manen (HOYNG ROKH MONEGIER). In slechts drie uur tijd, tijdens de lunch, heeft u weer het complete overzicht.
Seminar: de Cyberbeveiligingswet op 16 april 2026 met vroegboekkorting
Veel van ons leven en werk speelt zich inmiddels af in de digitale wereld. Tegelijkertijd nemen cyberdreigingen toe, denk aan grote datalekken. Daarmee groeit het belang van goede digitale beveiliging voor bedrijven en publieke instellingen. Om het niveau van cyberbeveiliging binnen de Europese Unie te versterken is de NIS2-richtlijn opgesteld, de opvolger van de eerdere NIS1-richtlijn.
In Nederland wordt deze richtlijn geïmplementeerd via de Cyberbeveiligingswet (Cbw), die naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 in werking treedt. De Cbw vervangt de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) en introduceert strengere verplichtingen voor organisaties in sectoren met een belangrijk maatschappelijk of economisch gewicht. De wet bevat onder meer regels over risicobeheer, meldplichten bij incidenten, bestuurlijke verantwoordelijkheid en toezicht. Daarnaast speelt de samenwerking met zogeheten Computer Security Incident Response Teams (CSIRT’s) een belangrijke rol bij het detecteren en afhandelen van cyberincidenten.
Tegelijkertijd wordt ook de Critical Entities Resilience Directive (CER-richtlijn) in Nederland geïmplementeerd, via de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Beide wetten zullen naar verwachting gelijktijdig in werking treden en markeren een belangrijke stap in het versterken van de digitale weerbaarheid van vitale sectoren.
Geen IE-bescherming voor verwarmde handschoenen; model vernietigd en eerder gelegd beslag deels opgeheven
Rb. Den Haag 11 februari 2026, IEF 23421; ECLI:NL:RBDHA:2026:6647 (Comfort Products tegen Heat Performance). De rechtbank wijst alle vorderingen van Comfort Products af in haar geschil met Heat Performance over verwarmde handschoenen. Comfort Products beriep zich op een ingeschreven Gemeenschapsmodel voor haar Dual Heated Gloves Pro (DHG Pro), op auteursrecht, op haar Uniewoordmerk BERTSCHAT en subsidiair op slaafse nabootsing. Het model houdt echter geen stand. De rechtbank oordeelt dat Comfort Products de eerdere Single Heated Gloves Pro al op 24 oktober 2020 zonder voorbehoud op haar website aan het algemene publiek had aangeboden, dus vóór het begin van de twaalfmaands respijttermijn die terugrekent vanaf de depotdatum van 4 februari 2022. Die eerdere openbaarmaking is daarom nieuwheidsschadelijk. Dat oordeel wordt niet anders doordat de DHG Pro technisch is doorontwikkeld, omdat technische verschillen die niet zichtbaar zijn geen rol spelen bij de modelrechtelijke beoordeling. Uiterlijk verschilt de DHG Pro volgens de rechtbank alleen op een ondergeschikt punt van de oudere handschoen, namelijk de vormgeving van de aan/uitknop; daardoor wekken beide handschoenen bij de geïnformeerde gebruiker dezelfde algemene indruk. Het model wordt daarom in reconventie nietig verklaard. Ook het beroep op auteursrecht faalt: de DHG Pro is geen werk in de zin van art. 10 Aw, omdat de door Comfort Products aangewezen kenmerken, zoals stiksel, klittenbandsluiting, label, manchetlengte en knop, volgens de rechtbank banaal, triviaal of functioneel bepaald zijn, terwijl de interne verwarming volledig technisch bepaald en bovendien niet zichtbaar is. Het beroep op merkinbreuk strandt eveneens, omdat Comfort Products onvoldoende heeft onderbouwd dat Heat Performance het merk BERTSCHAT zelf als zoekterm in Google-advertenties gebruikte; Heat Performance had dat gemotiveerd betwist met een verklaring over keyword insertion en de invloed van zoekgeschiedenis. Ook de subsidiaire grondslag van slaafse nabootsing slaagt niet, omdat Comfort Products onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat de DHG Pro een eigen gezicht op de relevante markt heeft.
Gerecht bevestigt vervallenverklaring van Uniemerk OSSA SINCE 1940 wegens niet-normaal gebruik
Gerecht EU 25 maart 2026, IEF 23417; 4167; ECLI:EU:T:2026:211 (Implementing Technologies, SL tegen EUIPO en M2Linx Design, SL). Het Gerecht verwerpt het beroep van de merkhouder en bevestigt daarmee dat het figuratieve Uniemerk OSSA SINCE 1940 terecht vervallen is verklaard op grond van artikel 58, lid 1, onder a, UMVo wegens niet-normaal gebruik. De relevante periode loopt van 15 juni 2017 tot en met 14 juni 2022, dus de vijf jaren vóór het vervalverzoek van 15 juni 2022. Het Gerecht wijst het betoog af dat Spaanse nationale uitspraken en de exclusieve licentie met Cool Bikes tot een andere berekening van die periode moeten leiden. Het Uniemerkenstelsel is autonoom, zodat nationale uitspraken EUIPO en het Gerecht niet binden. Ook als een omstandigheid mogelijk een rechtvaardiging voor niet-gebruik zou kunnen zijn, verandert dat de berekening van die vijfjaarsperiode niet.