Rb. Gelderland: geen preventief verbod op boek over zedenzaak binnen gezin
Rb. Gelderland 6 juni 2026, IEF nummer; ECLI:NL:RBGEL:2026:4331 (de zussen tegen [gedaagden]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland heeft de vorderingen van de zussen afgewezen, die waren gericht op het voorkomen van de publicatie van een boek dat door een andere zus is geschreven over haar levensverhaal in relatie tot een omvangrijke zedenzaak binnen het gezin. Volgens de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de voorgenomen publicatie onrechtmatig is. Ook de gevorderde inzage in het manuscript wordt afgewezen. Aanleiding voor het geschil vormt een strafzaak waarin de ouders van partijen in eerste aanleg zijn veroordeeld wegens seksueel misbruik en mishandeling van hun dochters. Tegen die veroordelingen loopt nog hoger beroep. Eén van de dochters heeft samen met een journalist een boek geschreven waarin haar ervaringen centraal staan. Kort voor de geplande publicatie startten [eiser 1] en [eiser 2] een kort geding tegen [gedaagden]. De zussen vorderden inzage in het manuscript en een verbod op publicatie totdat het hoger beroep in de strafzaak tegen hun ouders zou zijn afgerond. Volgens hen levert publicatie een ontoelaatbare inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer op en bestaat het risico op psychische schade en hernieuwd slachtofferschap. Daarnaast vrezen zij dat het boek gevolgen kan hebben voor het nog lopende strafproces, bijvoorbeeld doordat getuigenverklaringen worden beïnvloed of aanvullende getuigenverhoren noodzakelijk worden. [gedaagden] beriepen zich op de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van publicatie. Zij voerden aan dat het boek een onderwerp van maatschappelijk belang behandelt, dat gebruik wordt gemaakt van gefingeerde namen en dat geen nieuwe strafrechtelijk relevante informatie of bijzonder privacygevoelige gegevens over [eiser 1] en [eiser 2] worden openbaar gemaakt. Volgens [gedaagden] is een preventief publicatieverbod slechts in uitzonderlijke gevallen toelaatbaar. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een voorafgaand publicatieverbod een zeer ingrijpende beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting, beschermd door artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet. Voor een dergelijke maatregel geldt daarom een hoge drempel.
UItspraak ingezonden door Anne Bekema, AC&R.
Hof bekrachtigt verbod op verspreiding Zwartboek Lentekriebels: beschuldigingen aan Rutgers onvoldoende onderbouwd
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2026, IEF 23616; ECLI:NL:GHARL:2026:3183 (Civitas c.s. tegen Rutgers). In deze zaak tussen Civitas en Stichting Rutgers stond de vraag centraal in hoeverre Civitas zich in het publieke debat kritisch mocht uitlaten over de Week van de Lentekriebels en het door Rutgers ontwikkelde lesmateriaal. Civitas had in het door haar gepubliceerde Zwartboek Lentekriebels Rutgers in verband gebracht met pedofilie en gesteld dat Rutgers kinderen bewust zou seksualiseren. De voorzieningenrechter had eerder de verdere verspreiding van het Zwartboek verboden, diverse uitlatingen verboden verklaard en dwangsommen opgelegd. Civitas stelde tegen dat vonnis hoger beroep in. Het hof Arnhem-Leeuwarden stelt voorop dat Civitas vanuit haar christelijke overtuiging scherpe kritiek mag uiten op seksuele voorlichting en de inhoud van het lesmateriaal. De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst bieden daarvoor ruimte. Die vrijheden zijn echter niet onbeperkt. Volgens het hof gaat het hier om zeer ernstige beschuldigingen die Rutgers in verband brengen met pedofilie en met het aanzetten van kinderen tot seksuele handelingen. Voor dergelijke aantijgingen is een stevige feitelijke grondslag vereist. Tegelijkertijd benadrukt het hof dat ideologisch of religieus gemotiveerde, ook felle waardeoordelen over de wenselijkheid van het lesmateriaal in beginsel wél binnen de beschermingsomvang van deze vrijheden kunnen vallen, zolang zij niet onnodig grievend zijn en niet ontaarden in ongefundeerde feitelijke beschuldigingen. Die grondslag ontbreekt volgens het hof. De kwalificaties in het Zwartboek zijn niet louter waardeoordelen, maar worden gepresenteerd als feitelijke beschuldigingen. Het hof maakt daarbij onderscheid tussen kritiek op seksuele voorlichting, het uitdragen van de opvatting dat bepaald lesmateriaal onwenselijk is en de beschuldiging dat Rutgers kinderen bewust zou aanzetten tot seksuele handelingen. Met name die laatste beschuldiging kwalificeert het hof als een feitelijke aantijging die slechts kan worden geuit indien daarvoor voldoende steun bestaat in de feiten. De door Civitas aangevoerde passages uit het lesmateriaal rechtvaardigen de ernst van die beschuldigingen niet. Het hof legt daarbij gewicht op het totaalbeeld dat door het Zwartboek wordt opgeroepen: niet alleen de gebruikte termen, maar ook de manier waarop fragmenten zijn geselecteerd en gepresenteerd, draagt volgens het hof bij aan een misleidend, onnodig beschadigend beeld. Volgens het hof opereert Rutgers weliswaar in een maatschappelijk gevoelig domein en moet zij daarom een grotere mate van kritiek dulden, maar hoeft zij zich niet neer te leggen bij ongefundeerde uitlatingen die haar integriteit en professionele reputatie aantasten. Daarbij benadrukt het hof dat deelnemers aan het publieke debat zorgvuldig moeten omgaan met bronmateriaal. Het selectief of onvolledig weergeven van passages uit lesmateriaal kan een misleidend beeld oproepen. Het hof wijst daarom nadrukkelijk op het belang van nauwkeurig en zorgvuldig citeren. Het hof geeft daarbij aan dat juist in een gepolariseerd maatschappelijk debat extra zorgvuldigheid is vereist bij het weergeven van citaten, omdat anders het publiek een vertekend beeld krijgt van wat daadwerkelijk in het lesmateriaal staat.
Uitspraak ingezonden door Rogier de Vrey, CMS.
Rb. Amsterdam: minimumgarantie in advertentieovereenkomst moet worden berekend op basis van ongewijzigde CIM-kijkcijfers
Rb. Amsterdam 10 juni 2026, IEF 23615; C/13/774442 (Paramount tegen Ads). In deze zaak tussen Paramount en Ads & Data stond de uitleg centraal van een advertentieverkoopovereenkomst voor de Vlaamse zenders MTV Vlaanderen en Comedy Central Vlaanderen. Paramount verleende Ads daarin een exclusief recht om advertentieruimte te verkopen, terwijl Ads zich verbond tot betaling van een jaarlijkse minimumgarantie. De hoogte van die minimumgarantie werd mede bepaald door de zogenoemde Break Rating: het gemiddelde kijkcijfer van de reclameblokken op de zenders, gemeten door het Centrum voor Informatie over de Media (CIM). De overeenkomst bepaalde uitdrukkelijk dat deze Break Rating werd vastgesteld aan de hand van de door het CIM gemeten cijfers. In juli 2024 constateerde Ads een sterke stijging van de kijkcijfers van Comedy Central Vlaanderen. Naar aanleiding daarvan werd contact opgenomen met het CIM. Het CIM bevestigde dat de stijging in belangrijke mate samenhing met twee panelleden uit hetzelfde huishouden die sinds april 2024 intensief naar de zender waren gaan kijken. Hoewel het CIM sprak van een statistische uitschieter als gevolg van de beperkingen van panelonderzoek, stelde het instituut tevens vast dat deze panelleden correct waren gerekruteerd en alle onderzoeksregels volgden, zodat geen aanleiding bestond de cijfers te corrigeren. Ads stelde zich vervolgens op het standpunt dat de CIM-cijfers daardoor geen representatief beeld meer gaven van de werkelijke commerciële waarde van de zendtijd en corrigeerde de gegevens eigenhandig bij de berekening van de minimumgarantie. Paramount betwistte dat en vorderde betaling van het resterende bedrag. Bij de uitleg van de overeenkomst past de rechtbank de Haviltex-maatstaf toe. Daarbij benadrukt zij dat ook bij commerciële contracten tussen professionele partijen alle omstandigheden van het geval van belang blijven, maar dat onder omstandigheden groot gewicht kan toekomen aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen. Dat geldt volgens de rechtbank in het bijzonder wanneer sprake is van professionele partijen die met juridische bijstand uitvoerig over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld. In dit geval verwijst de contractuele definitie van Break Rating rechtstreeks naar de door het CIM gemeten cijfers.
Geen nietigheid Uniemerk op basis van niet-ingeschreven Bulgaars teken: uitsluitend exportgebruik volstaat niet onder artikel 8 lid 4 UMVo
Gerecht EU 10 juni 2026, IEF 23614, IEFbe 4236; ECLI:EU:T:2026:374 (Global Rice EOOD tegen EUIPO en Ricegrowers Ltd). Het Gerecht EU wijst het beroep van Global Rice af tegen de beslissing van EUIPO om het Uniemerk van Ricegrowers niet nietig te verklaren. Global Rice beriep zich op een ouder niet-ingeschreven Bulgaars figuratief teken voor rijst en stelde dat het latere Uniemerk van Ricegrowers ongeldig moest worden verklaard op grond van artikel 60 lid 1 onder c UMVo, gelezen samen met artikel 8 lid 4 UMVo. Voor zo’n beroep op een ouder niet-ingeschreven teken gelden vier cumulatieve voorwaarden: het teken moet in het economisch verkeer worden gebruikt, meer dan alleen plaatselijke betekenis hebben, vóór het latere Uniemerk zijn verkregen volgens het toepasselijke recht, en dat toepasselijke nationale recht moet de houder het recht geven om het gebruik van het latere merk te verbieden. In deze zaak ging het vooral om die laatste voorwaarde. Volgens het Bulgaarse merkenrecht kan een niet-ingeschreven merk alleen tegen een later merk worden ingeroepen als het daadwerkelijk in het handelsverkeer op het grondgebied van Bulgarije is gebruikt.
CLUSTER COLLECTOR terecht gedeeltelijk geweigerd wegens verwarringsgevaar met THE COLLECTOR
Gerecht EU 10 juni 2026, IEF 23613; ECLI:EU:T:2026:385 (Wazdan Innovations ltd. tegen EUIPO en Push Gaming Product ltd.). Het Gerecht EU verwerpt het beroep van Wazdan Innovations tegen de beslissing van de Eerste kamer van beroep van EUIPO over de Uniemerkaanvraag CLUSTER COLLECTOR. De aanvraag had betrekking op waren en diensten in de klassen 9, 28, 41 en 42, waaronder gamingsoftware, speel- en gokautomaten, online gaming-, gok- en casinodiensten en software-/gameontwikkelingsdiensten. Push Gaming Product had oppositie ingesteld op basis van het oudere Uniewoordmerk THE COLLECTOR voor onder meer software en gaming-, gambling- en bettinggerelateerde diensten. De oppositie was gedeeltelijk toegewezen: de aanvraag werd geweigerd voor de waren en diensten waarvoor de kamer van beroep verwarringsgevaar aannam, maar niet voor onder meer “coin-operated mechanisms”, “counters [discs] for games”, “bookmaking [turf accountancy]” en “cultural activities”. Het Gerecht bevestigt dat de betrokken waren en diensten waarvoor de weigering geldt deels identiek en deels soortgelijk zijn. Daarbij acht het Gerecht onder meer relevant dat fysieke en digitale games in de praktijk steeds meer overlappen, via dezelfde distributiekanalen worden aangeboden en zich tot hetzelfde publiek kunnen richten. Ook kunnen bepaalde beeld- en geluidsapparaten complementair zijn aan gamingsoftware. Het relevante publiek bestaat uit zowel het algemene publiek als professionele afnemers in de Europese Unie, met een aandachtsniveau dat afhankelijk van de betrokken waren en diensten kan variëren van gemiddeld tot hoog.
Alles over deepfakes: definities, rechten, plichten en meer. Dit leerde het IE Zomerforum 2026 ons
Deepfakes zijn in rap tempo uitgegroeid tot een van de meest besproken toepassingen van generatieve AI. Steeds gemakkelijker kunnen afbeeldingen, video's en audiobestanden worden gegenereerd waarin personen, stemmen en gebeurtenissen overtuigend worden nagebootst. Of deze ontwikkeling ook wenselijk is, blijkt een andere vraag.
Tijdens het IE Zomerforum 2026 stond dit onderwerp centraal. Aan de hand van bijdragen van Daniël de Weerd, Dirk Visser, Etienne Valk, Jet Hootsmans en Elles Masselink werd uitgebreid stilgestaan bij de juridische stand van zaken rond deepfakes. Daarbij kwamen zowel de Europese AI Act als het in Nederland geïnitieerde wetsvoorstel aan bod. Ook werd aandacht besteed aan de belangen van makers en andere betrokkenen.
Schrijf u hier in voor de gratis wekelijkse nieuwsbrief van IE-Forum
In deze gratis nieuwsbrief vindt u de jurisprudentie van de afgelopen week op IE-Forum. Handig voor jurisprudentielunches en als u zelf besprekingen voorbereidt.
Schrijf u hier in voor de gratis wekelijkse nieuwsbrief van IE-Forum.
Uitspraak ingezonden door Victor den Hollander, De Vos & Partners Advocaten.
Handelsnaamwijziging voor organisator van Casa Latina wegens verwarringsgevaar met oudere handelsnaam
Rb. Amsterdam 21 oktober 2025, IEF 23611; ECLI:NL:RBAMS:2025:11464 (Stichting Casa Latina tegen [verweerders]). De kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat de organisator van evenementen onder de naam Casa Latina in strijd handelt met artikel 5 Handelsnaamwet. Volgens de kantonrechter is sprake van verwarringsgevaar tussen de onderneming van Stichting Casa Latina en de onder dezelfde naam georganiseerde evenementen. Verweerders moeten hun handelsnaam daarom wijzigen, op straffe van een dwangsom van € 250 per dag met een maximum van € 25.000. Daarbij acht de kantonrechter van belang dat beide partijen activiteiten organiseren waarbij Latijns-Amerikaanse muziek en dans centraal staan en dat zich in de praktijk reeds concrete gevallen van verwarring hebben voorgedaan. Stichting Casa Latina gebruikt de handelsnaam Casa Latina sinds 2001 voor culturele en maatschappelijke activiteiten gericht op de Latijns-Amerikaanse gemeenschap. Sinds 2004 maakt zij gebruik van de domeinnaam casalatina.nl. Verweerders organiseren sinds 2022 onder de naam Casa Latina commerciële evenementen waarbij salsa, bachata, merengue en reggaeton centraal staan. Via de domeinnaam casa-latina.nl worden deze evenementen gepromoot en kunnen bezoekers tickets aanschaffen. Tussen partijen was niet in geschil dat sprake is van identieke handelsnamen en vrijwel identieke domeinnamen. De kern van het geschil was of het relevante publiek de ondernemingen met elkaar zou kunnen verwarren. Verweerders stelden dat daarvan geen sprake kon zijn, omdat Stichting Casa Latina een culturele en maatschappelijke instelling is, terwijl zij commerciële evenementen organiseren. De kantonrechter volgt dat verweer niet. Hoewel Stichting Casa Latina tevens maatschappelijke activiteiten verricht, organiseert zij ook dans- en feestavonden waarbij salsa, bachata, merengue en reggaeton centraal staan.
Annotatie geschreven door P.B. Hugenholtz.
Noot onder HvJ EU 5 december 2025, gevoegde zaken C‑580/23 en C‑795/23 ECLI:EU:C:2025:941 (Mio & konektra)
[verschenen in Nederlandse Jurisprudentie 2026/155]
Noot
Dit is een belangrijk arrest met voor het Nederlandse auteursrecht en de rechtspraktijk directe consequenties. Het HvJEU geeft uitleg aan de inhoud en toepassing van de oorspronkelijkheidstoets, een kernbegrip in het geharmoniseerde auteursrecht. De creativiteit die voorwaarde is voor de bescherming van een werk mag niet worden verondersteld, maar moet blijken uit de creatieve (persoonlijk) keuzen van de auteur die in het werk zichtbaar zijn. Daarnaast spreekt het Hof zich uit over de beschermingsomvang van een werk, waarbij afstand wordt genomen van het door de Hoge Raad ontwikkelde totaalindrukkencriterium. Ook verduidelijkt het arrest de verhouding tussen auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst en het bijzondere modellenrecht.
Feiten
Het arrest is gewezen in twee gevoegde zaken. In de Zweedse zaak C-580/23 roept Asplund auteursrechtelijke bescherming in voor zijn Palais Royal eetkamertafel t.o.v. de sterk gelijkende tafel Cord van meubelwinkelketen Mio. De Duitse zaak C-795/23 betreft een modulair kastsysteem [“gekenmerkt door hoogglanzend verchroomde ronde buizen die via bolvormige koppelstukken met elkaar zijn verbonden en een structuur vormen waarin gekleurde metalen panelen worden geplaatst”]. Volgens ontwerper USM pleegt konektra inbreuk door het online aanbieden van een sterk gelijkend systeem alsmede onderdelen of uitbreidingen daarvan.
Het HvJEU beantwoordt de uitvoerige prejudiciële vragen van de Svea hovrätt, de Zweedse appelrechter in IE-zaken, en het Bundesgerichtshof grotendeels in lijn met de conclusie van AG Szpunar.
Relatie auteursrecht-modellenrecht
Het HvJ bespreekt eerst de vraag hoe auteursrechtelijke bescherming van toegepaste kunst zich in het algemeen verhoudt tot het modellenrecht, het IE-regime dat op basis van een depotsysteem kortlopende bescherming (max. 25 jaar) toekent aan het nieuwe uiterlijk van een gebruiksvoorwerp. Beide regimes zijn in de EU in belangrijke mate geharmoniseerd. Enkele lidstaten, waaronder Duitsland en Italië, hanteren van oudsher strenge eisen voor auteursrechtelijke bescherming van toegepaste kunst om te voorkomen dat het modellenrecht door het auteursrecht, dat geen depotvereiste kent en veel langer duurt (tot 70 jaar p.m.a.), wordt ondermijnd. In het verleden gold ook in de Benelux een striktere auteursrechtelijke toets (modellen moesten “een duidelijk kunstzinnig karakter vertonen”), maar daaraan is al in de vorige eeuw een einde gemaakt [Hoge Raad 29 november 1985 en BenGH 22 mei 1987, NJ 1987, 880-881 m.nt. Wichers Hoeth].
In het Cofemel-arrest [zaak C-683/17, NJ 2020/90 m.nt. Spoor] had het HvJEU al verklaard dat werken van toegepaste kunst aan de normale auteursrechtelijke werktoets zijn onderworpen, waarbij cumulatie tussen auteursrecht en modellenrecht in beginsel mogelijk is. Het Hof overwoog echter ook “dat een dergelijke cumulatie slechts in bepaalde situaties kan worden overwogen” (Cofemel, ro. 52). Auteursrechtelijke bescherming is volgens het Hof enkel “voorbehouden aan voorwerpen die het verdienen om als werk te worden gekwalificeerd” (Cofemel, ro.50). Deze overwegingen riepen de vraag of het Hof niet toch een striktere maatstaf voor werken van toegepaste kunst voor ogen had, zodat auteursrechtelijke bescherming t.o.v. het modellenrecht een uitzondering zou blijven.
In het Mio-arrest verduidelijkt het Hof zijn Cofemel-oordeel. Auteursrecht en modellenrecht zijn verschillende regimes met onderling afwijkende criteria. Terwijl in het modellenrecht nieuwheid en eigen karakter volstaan, waarbij creativiteit geen rol speelt [zie HvJEU 18 december 2025, zaak C-323/241, ECLI:EU:C:2025:983 (Deity Shoes)], verlangt het auteursrecht originaliteit (oorspronkelijk karakter). Deze voorwaarden mogen niet met elkaar worden verward, zo maant het Hof (ro. 54). De auteursrechtelijke originaliteitseis is, zo blijkt uit het vervolg van het arrest, geen sinecure. Weliswaar bestaat er “geen regel-uitzondering-relatie tussen modelrechtelijke bescherming en auteursrechtelijkebescherming” (ro. 56), en geldt voor auteursrechtelijke bescherming van modellen werken van toegepaste kunst, zoals de meubelontwerpen in kwestie, de normale werktoets, maar aan deze toets is voor deze categorie creaties niet gemakkelijk voldaan. Anders dan bij “vrije” kunstuitingen, zoals werken van letterkunde, muziek en film`, is de creatieve vrijheid van meubelontwerpers en andere designers immers ingeperkt door allerlei functionele, technische en ergonomische randvoorwaarden. Auteursrechtelijke originaliteit is in zo’n geval niet vanzelfsprekend.
HvJ EU: Europese mediavrijheidsverordening niet van toepassing op publicatie van vóór 8 november 2024
Hof van Justitie EU 21 mei 2026, IT 5299; ECLI:EU:C:2026:426 (Viktor Orbán tegen 24.hu Szerkesztősége). De zaak speelde naar aanleiding van een op 17 maart 2024 gepubliceerd bericht van het Hongaarse online nieuwsplatform 24.hu. In dat bericht werd een verklaring aangehaald van de CEO van Spar Austria, die stelde dat de Hongaarse premier Viktor Orbán de Spar-groep zou hebben gevraagd een familielid van hem te laten investeren in de Hongaarse dochteronderneming van het concern. Orbán verzocht daarop om rectificatie, stellende dat deze bewering onjuist was. Nadat 24.hu het verzoek niet had ingewilligd maar wel een aanvulling had geplaatst waarin melding werd gemaakt van het rectificatieverzoek, startte Orbán een procedure bij de Hongaarse rechter. De verwijzende rechter vroeg het Hof van Justitie onder meer of artikel 3 van de Europese mediavrijheidsverordening van toepassing is op een dergelijke procedure. Daarbij wees de rechter erop dat de Hongaarse rectificatieregels in de praktijk een zware bewijslast bij media leggen, ook wanneer zij slechts informatie overnemen uit publicaties die onder redactionele verantwoordelijkheid in een andere lidstaat zijn verschenen. Volgens de verwijzende rechter rees de vraag of een dergelijke regeling verenigbaar is met de doelstellingen van de Europese mediavrijheidsverordening en met de vrijheid van meningsuiting en informatie.