IEF 23518
30 april 2026
Uitspraak

A-G: registratie persoonsgegevens door ING in IVR en Gebeurtenissenadministratie niet in strijd met AVG

 
IEF 23516
30 april 2026
Uitspraak

A-G: geen gegronde reden voor merkinbreuk bij verkoop HP-cartridges zonder buitenverpakking, wel informatieplicht over mogelijke ouderdom

 
IEF 23514
30 april 2026
Artikel

Loop geen kortingen mis en meld u aan vóór morgen, vrijdag 1 mei

 
IEF 23518

A-G: registratie persoonsgegevens door ING in IVR en Gebeurtenissenadministratie niet in strijd met AVG

Hoge Raad 24 apr 2026, IEF 23518; ECLI:NL:PHR:2026:435 ([eiser] tegen ING), https://ie-forum.nl/artikelen/a-g-registratie-persoonsgegevens-door-ing-in-ivr-en-gebeurtenissenadministratie-niet-in-strijd-met-avg

Parket bij de Hoge Raad 24 april 2026, IEF 23518; IT 5249; ECLI:NL:PHR:2026:435 ([eiser] tegen ING). Deze conclusie van A-G Drijber (zitting 24 april 2026) betreft een geschil tussen een ondernemer (eiser) en ING over de verwerking van zijn persoonsgegevens in de Gebeurtenissenadministratie en het Intern Verwijzingsregister (IVR) van ING. ING had de zakelijke bankrelatie beëindigd omdat zij onvoldoende kon uitsluiten dat eisers cashgelden betrokken waren bij heling, witwassen en andere criminele activiteiten, mede vanwege het ontbreken van een adequate inkoopadministratie en schending van de registratieplicht ex art. 437 Sr. Eiser vorderde verwijdering van zijn persoonsgegevens uit het IVR en de Gebeurtenissenadministratie. Zowel de rechtbank als het hof wezen de vorderingen af. Het hof oordeelde dat de geregistreerde gegevens geen strafrechtelijke persoonsgegevens zijn in de zin van art. 10 AVG, de vastgelegde feiten en omstandigheden (grote cashuitgaven zonder verantwoording, het ontbreken van een adequate boekhouding en onvoldoende maatregelen om betrokkenheid bij strafbare feiten uit te sluiten) kunnen geen bewezenverklaring in de zin van art. 350 Sv dragen, en dat de verwerking een gerechtvaardigd doel dient op grond van art. 6 lid 1 onder f AVG (waarborging van de veiligheid en integriteit van de financiële sector, mede gelet op de Wwft-verplichtingen van ING), dat de persoonsgegevens uitsluitend intern toegankelijk zijn, dat eiser niet in zijn toegang tot financiële diensten elders is belemmerd, en dat de aantekening een correcte weergave vormt van de redenen voor de beëindiging van de bankrelatie.

IEF 23516

A-G: geen gegronde reden voor merkinbreuk bij verkoop HP-cartridges zonder buitenverpakking, wel informatieplicht over mogelijke ouderdom

Hoge Raad 24 apr 2026, IEF 23516; ECLI:NL:PHR:2026:437 (HP tegen DR), https://ie-forum.nl/artikelen/a-g-geen-gegronde-reden-voor-merkinbreuk-bij-verkoop-hp-cartridges-zonder-buitenverpakking-wel-informatieplicht-over-mogelijke-ouderdom

Parket bij de Hoge Raad 24 april 2026, IEF 23516; ECLI:NL:PHR:2026:437 (HP tegen DR). Deze conclusie van A-G Van Peursem (zitting 24 april 2026) betreft een kort geding tussen HP en Digital Revolution/123inkt over originele, ongebruikte HP-inkt- en lasercartridges die zonder originele buitenverpakking werden aangeboden, aanvankelijk als "milieuverpakking" en sinds 2023 als "milieuproduct". De cartridges waren afkomstig uit retouren, recyclebedrijven of opkopers, konden 10 tot 17 jaar oud zijn en werden verkocht tegen de prijs van nieuwe cartridges. HP vorderde een verbod op grond van merkinbreuk ex art. 9 lid 2 onder a jo. art. 15 lid 2 UMVo, de uitzondering op de uitputtingsregel wegens gegronde redenen, alsmede op grond van onrechtmatige daad, meer in het bijzonder oneerlijke of misleidende handelspraktijken (art. 6:193a-j BW) en misleidende of ongeoorloofde vergelijkende reclame (art. 6:194 en 6:194a BW). De voorzieningenrechter achtte merkinbreuk aannemelijk en wees vordering I toe, maar het hof oordeelde dat HP geen gegronde redenen had in de zin van art. 15 lid 2 UMVo en vernietigde het vonnis op dat punt. Wel achtte het hof het handelen van DR B.V. deels misleidend ex art. 6:193c lid 1 onder b BW: door de cartridges, die niet alleen uit retouren maar ook uit recyclebakken of opkoop konden stammen en meerdere jaren, soms meer dan tien jaar, oud konden zijn, als nieuw en voor de nieuwprijs aan te bieden zonder die ouderdom te vermelden, verstrekte DR misleidende informatie over de fabricagedatum, waardoor de consument vermoedelijk een aankoopbeslissing nam die hij anders niet had genomen. Dit verbod werd uitsluitend toegewezen ten gunste van HP Europe B.V. en HP Nederland B.V., die als concurrenten van DR B.V. vorderingsgerechtigd zijn; HP Inc. en HPDC staan niet in een concurrentieverhouding tot DR B.V.

IEF 23512

"3 Coins" mist onderscheidend vermogen volgens het Gerecht EU

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23512; ECLI:EU:T:2026:297 ((Wazdan tegen EUIPO)), https://ie-forum.nl/artikelen/3-coins-mist-onderscheidend-vermogen-volgens-het-gerecht-eu

Gerecht EU 29 april 2026, IEF23512, IT5245, ECLI:EU:T:2026:297 (Wazdan tegen EUIPO). In deze zaak heeft het Gerecht van de Europese Unie uitspraak gedaan in het beroep van Wazdan Innovations tegen het EUIPO over de aanvraag van het Uniewoordmerk “3 Coins”. De aanvraag zag op speeljetons, gezelschapsspellen, dobbelstenen, draagbare videospelconsoles, elektronische spellen en diverse softwarediensten in de klassen 28 en 42. De vierde kamer van beroep had geoordeeld dat het teken voor alle betrokken waren en diensten elk onderscheidend vermogen mist. De weigering had geen betrekking op de dienst “ontwerp van onlinespellen” in klasse 42. Wazdan verzocht het Gerecht primair om de bestreden beslissing te wijzigen en subsidiair om vernietiging daarvan. Het Gerecht oordeelde echter dat het niet bevoegd is om de beslissing zodanig te wijzigen dat het merk wordt ingeschreven, en beperkte zich daarom tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot vernietiging. Centraal stond de vraag of het teken “3 Coins” onderscheidend vermogen heeft in de zin van artikel 7, lid 1, onder b, van Verordening (EU) 2017/1001. Het Gerecht herhaalde dat een merk onderscheidend vermogen heeft wanneer het geschikt is om de betrokken waren of diensten te identificeren als afkomstig van een bepaalde onderneming en deze te onderscheiden van die van andere ondernemingen. Deze beoordeling moet plaatsvinden in het licht van de aard van de betrokken 'waren en diensten' en de perceptie van het relevante publiek. Dat publiek bestaat uit het algemene publiek dat geïnteresseerd is in games, kans- en gokspellen, met daarnaast voor bepaalde diensten in klasse 42 een professioneel publiek. Het Gerecht benadrukte dat een teken ook zonder strikt beschrijvend te zijn niet-onderscheidend kan zijn. Het was dus niet vereist dat EUIPO aantoont dat “3 Coins” een concreet kenmerk van de betrokken waren of diensten rechtstreeks beschrijft, zolang het relevante publiek het teken niet als aanduiding van commerciële herkomst zal opvatten. In dit verband oordeelde het Gerecht dat het element “coin” in de spelcontext een gangbaar en betekenisvol begrip is, bijvoorbeeld als middel om een spel te starten, als speleenheid, als beloning of als (virtuele of crypto) valuta.

IEF 23510

Gerecht EU: Wayback Machine-screenshot kan bewijs leveren van openbaarmaking ouder model

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23510; ECLI:EU:T:2026:302 (Doors Bulgaria EOOD tegen EUIPO en Top Ten EOOD), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-wayback-machine-screenshot-kan-bewijs-leveren-van-openbaarmaking-ouder-model

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23510; IEFbe 4206; ECLI:EU:T:2026:302 (Doors Bulgaria EOOD tegen EUIPO en Top Ten EOOD). In zaak T-580/25 bevestigt het Gerecht de beslissing van de Derde kamer van beroep van het EUIPO in een nietigheidsprocedure over een ingeschreven Uniemodel voor deuren. Het betwiste model was aangevraagd op 16 december 2013 en ingeschreven voor waren in klasse 25.02 van de Locarno-classificatie. Top Ten EOOD had in 2023 om nietigverklaring verzocht op grond van artikel 25 lid 1 onder b Verordening 6/2002, gelezen in samenhang met de vereisten van nieuwheid en eigen karakter uit de artikelen 4, 5 en 6 van die verordening, in de versie vóór Verordening 2024/2822. Ter onderbouwing beriep Top Ten zich onder meer op een afbeelding van een oudere deur op een website, vastgelegd via de Wayback Machine op 23 augustus 2013, dus vóór de aanvraagdatum van het betwiste model. De Nietigheidsafdeling verklaarde het model nietig wegens gebrek aan eigen karakter. De Kamer van Beroep bevestigde die beslissing en oordeelde dat de Wayback Machine-screenshot en de volledige uitdraai van de website voldoende bewijs vormden dat het oudere model vóór de relevante datum aan het publiek beschikbaar was gesteld in de zin van artikel 7 lid 1 Verordening 6/2002. Ten overvloede bevestigde de Kamer van Beroep ook dat de betrokken modellen bij de geïnformeerde gebruiker dezelfde algemene indruk wekten, zodat het betwiste model geen eigen karakter had.

IEF 23509

Gerecht EU: verwarringsgevaar tussen ALFAVET en alfavet voor diergerelateerde waren en diensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23509; ECLI:EU:T:2026:292 (Groupvet EE tegen EUIPO en alfavet Tierarzneimittel GmbH), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-verwarringsgevaar-tussen-alfavet-en-alfavet-voor-diergerelateerde-waren-en-diensten

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23509; IEFbe 4205; ECLI:EU:T:2026:292 (Groupvet EE tegen EUIPO en alfavet Tierarzneimittel GmbH). In zaak T-403/25, bevestigt het Gerecht de beslissing van de Eerste kamer van beroep van het EUIPO over de oppositie tegen de aanvraag voor het Uniebeeldmerk ALFAVET. Groupvet had dit teken aangevraagd voor diergerelateerde waren en diensten in de klassen 3, 10, 18, 21, 31 en 44, waaronder dierverzorgingsproducten, veterinaire hulpmiddelen, diervoeding en veterinaire en dierverzorgingsdiensten. De oppositie was gebaseerd op het oudere Uniebeeldmerk alfavet, ingeschreven voor onder meer cosmetica, veterinaire preparaten, voedingssupplementen voor dieren en diervoeding in de klassen 3, 5 en 31. De Oppositieafdeling wees de aanvraag grotendeels af. De Kamer van Beroep draaide die beslissing gedeeltelijk terug voor alle waren in de klassen 18 en 21 en voor enkele waren in klasse 10, maar handhaafde de weigering voor de overige waren en diensten. Voor het Gerecht voerde Groupvet onder meer aan dat de oorspronkelijke opposant geen oppositiebevoegdheid had, dat de houder van het oudere merk te kwader trouw had gehandeld door het merk opnieuw te deponeren om gebruiksbewijs te vermijden, en dat geen verwarringsgevaar bestond. Het Gerecht verwerpt die bezwaren. De oorspronkelijke opposant was op het moment van indiening houdster van het oudere merk en had daarom oppositiebevoegdheid op grond van artikel 46 UMVo. Dat het merk mogelijk feitelijk door de latere interveniënte werd gebruikt, doet daaraan niet af. Ook de gestelde kwade trouw kan in een oppositieprocedure niet worden onderzocht: EUIPO moet in oppositie uitgaan van de geldigheid van het oudere merk. Een beroep op kwade trouw bij de aanvraag van het oudere merk hoort thuis in een nietigheidsprocedure, niet in een oppositieprocedure.

IEF 23507

Wazdan Innovations tegen EUIPO: "1 Coin" mist onderscheidend vermogen voor gaming- en gokdiensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23507; ECLI:EU:T:2026:296 ((Wazdan Innovations tegen EUIPO)), https://ie-forum.nl/artikelen/wazdan-innovations-tegen-euipo-1-coin-mist-onderscheidend-vermogen-voor-gaming-en-gokdiensten

Gerecht EU 29 april 2026, IEF23507, IT5241, ECLI:EU:T:2026:296 (Wazdan tegen EUIPO). In deze zaak heeft het Gerecht van de Europese Unie uitspraak gedaan in het beroep van Wazdan Innovations Ltd tegen het European Union Intellectual Property Office. Het geschil betrof de weigering om het Uniewoordmerk “1 Coin” in te schrijven voor onder meer spellen, gaming-software en gokdiensten. EUIPO had de aanvraag grotendeels afgewezen wegens het ontbreken van onderscheidend vermogen in de zin van artikel 7 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001, ook nadat de lijst van waren en diensten was beperkt. De weigering had geen betrekking op de dienst “ontwerp van online spellen” (conception de jeux en ligne) in klasse 42. Wazdan verzocht het Gerecht primair om de bestreden beslissing te wijzigen en subsidiair om vernietiging daarvan. Het Gerecht oordeelde echter dat het niet bevoegd is om zelf een Uniemerk in te schrijven en beperkte zich daarom tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot vernietiging. Ten aanzien van het onderscheidend vermogen oordeelde het Gerecht dat het relevante publiek, bestaande uit het algemene publiek dat geïnteresseerd is in games, kansspelen en gokdiensten, en deels professionele afnemers met een hoger aandachtsniveau, het teken “1 Coin” zal opvatten als een verwijzing naar spelmechaniek, zoals inzet, spelregels of beloningen. Het element “coin” wordt in de gaming- en gokcontext algemeen gebruikt, onder meer voor fysieke of virtuele munten. Daardoor zal het teken niet worden gezien als een aanduiding van commerciële herkomst, maar als informatieve aanduiding. Het Gerecht bevestigde dat een teken ook zonder strikt beschrijvend te zijn toch niet-onderscheidend kan zijn.

IEF 23506

Gerecht EU: geen herstel van kwekersrecht Melrose na te late betaling jaarlijkse taks

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23506; ECLI:EU:T:2026:295 (Romagnoli Fratelli SpA tegen Community Plant Variety Office), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-geen-herstel-van-kwekersrecht-melrose-na-te-late-betaling-jaarlijkse-taks

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23506, LS&R 2379; IEFbe 4204; ECLI:EU:T:2026:295 (Romagnoli Fratelli SpA tegen Community Plant Variety Office). In Romagnoli Fratelli/CPVO bevestigt het Gerecht de beslissing van de Kamer van Beroep van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO) over de beëindiging van het communautaire kwekersrecht voor het aardappelras Melrose. Het kwekersrecht was in 2012 verleend en sinds 2018 in handen van Romagnoli Fratelli. Nadat de jaarlijkse taks niet tijdig was betaald, stuurde het CPVO een debetnota en vervolgens een formele herinnering via het elektronische gebruikersportaal MyPVR. Omdat betaling uitbleef, beëindigde het CPVO het kwekersrecht bij besluit van 21 maart 2022 op grond van artikel 21 lid 2 onder c Verordening 2100/94. Een eerder verzoek om restitutio in integrum wegens de gemiste betalingstermijn was al afgewezen; het beroep daartegen werd door het Gerecht en vervolgens door het Hof van Justitie verworpen. In deze procedure ging het om een tweede verzoek tot restitutio, gericht op herstel van de termijn om beroep in te stellen tegen het beëindigingsbesluit van 21 maart 2022. Dat beroep was pas op 6 januari 2023 ingesteld, terwijl de beroepstermijn op 30 mei 2022 was verstreken. De Kamer van Beroep achtte zichzelf bevoegd om over dat verzoek te beslissen, omdat het ging om een termijn die tegenover haarzelf in acht moest worden genomen. Het Gerecht bevestigt die bevoegdheid op basis van artikel 80 Verordening 2100/94, het beginsel van parallelle bevoegdheid en de vergelijkbare regeling bij EUIPO.

IEF 23508

Rb. Midden-Nederland: Geen inbreuk op woordmerk of handelsnaam

Rechtbank Midden-Nederland 8 apr 2026, IEF 23508; ECLI:NL:RBMNE:2026:1658 (([eiseres] tegen [gedaagde])), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-midden-nederland-geen-inbreuk-op-woordmerk-of-handelsnaam

Rb. Midden-Nederland 8 april 2026, IEF23508; ECLI:NL:RBMNE:2026:1658 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft in deze zaak geoordeeld over een geschil tussen [eiseres] en [gedaagde] over vermeende merkinbreuk en handelsnaaminbreuk. [eiseres] exploiteert een juridisch netwerk, detacheert juristen en is houdster van een woordmerk dat ook als handelsnaam wordt gebruikt. [gedaagde] houdt zich eveneens bezig met het detacheren van juristen. Zij gebruikt een handelsnaam en logo waarin deels dezelfde woorden voorkomen, aangevuld met een werkwoord en vormgegeven in een zogenoemde “I love”-stijl. [eiseres] vordert in kort geding een verbod op het gebruik van deze handelsnaam en het logo, plus nevenvoorzieningen. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang aanwezig, gezien de gestelde voortdurende inbreuk en de lopende activiteiten van partijen. Bij de inhoudelijke beoordeling stelt de rechter voorop dat het woordmerk van [eiseres] bestaat uit beschrijvende elementen. Deze verwijzen direct naar de aard van de juridische diensten en de manier waarop die worden georganiseerd. Het merk heeft daarom van huis uit een zeer zwak onderscheidend vermogen. Volgens [eiseres] is door gebruik vanaf 2020 enig onderscheidend vermogen ontstaan. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat sprake is van een zekere toename van onderscheidend vermogen door gebruik, maar oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd dat deze toename zodanig is dat het relevante publiek het merk met één specifieke onderneming associeert. Daardoor blijft de beschermingsomvang van het merk en de handelsnaam beperkt. Daarbij weegt mee dat beschrijvende aanduidingen beschikbaar moeten blijven voor andere marktpartijen. Bij de beoordeling van de gestelde merkinbreuk op grond van artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE stelt de voorzieningenrechter vast dat de diensten van partijen weliswaar soortgelijk zijn. Ook is er enige overeenstemming tussen de gebruikte aanduidingen. Toch wegen de verschillen in totaalindruk zwaarder. Het teken van [gedaagde] bevat een extra woord dat visueel en auditief opvalt. Daarnaast verschilt de betekenis duidelijk. Gezien het zwakke (en slechts in beperkte mate toegenomen) onderscheidend vermogen van het merk van [eiseres] en het ontbreken van concrete verwarringsgevallen, acht de rechter verwarringsgevaar niet voldoende aannemelijk.