IEF 23565
19 mei 2026
Uitspraak

OBELIX en wapens: EUIPO beoordeelde de reputatiebescherming te beperkt

 
IEF 23564
19 mei 2026
Uitspraak

Auteursrechtinbreuk op productfoto’s van wandpanelen

 
IEF 23562
19 mei 2026
Uitspraak

Gerecht: “K.”-teken Klarna slechts voor financiële diensten verwarrend ten opzichte van Kutxabank-merk

 
IEF 23565

OBELIX en wapens: EUIPO beoordeelde de reputatiebescherming te beperkt

Gerecht EU (voorheen GvEA) 13 mei 2026, IEF 23565; ECLI:EU:T:2026:343 (Les Éditions Albert René tegen EUIPO en WERKEN 11 MICHAŁ LUBIŃSKI), https://ie-forum.nl/artikelen/obelix-en-wapens-euipo-beoordeelde-de-reputatiebescherming-te-beperkt

Gerecht EU 13 mei 2026, IEF 23565; IEFbe 4222; ECLI:EU:T:2026:343 (Les Éditions Albert René tegen EUIPO en WERKEN 11 MICHAŁ LUBIŃSKI). In dit arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 13 mei 2026 staat een nietigheidsprocedure centraal over het Uniewoordmerk Obelix, dat door WORKS 11 Michał Lubiński was geregistreerd voor wapens, munitie en aanverwante producten in klasse 13. Les Éditions Albert René, rechthebbende achter de Asterix- en Obelix-franchise, vorderde nietigverklaring op basis van haar oudere Uniewoordmerk OBELIX, geregistreerd voor onder meer waren en diensten in de klassen 9, 16, 25, 28 en 41. De vordering was gebaseerd op artikel 60 lid 1 onder a UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8 lid 1 onder b en artikel 8 lid 5 UMVo. De nietigheidsafdeling wees het verzoek af wegens onvoldoende bewijs van normaal gebruik van het oudere merk. De Kamer van Beroep liet het normaal gebruik vervolgens uit proceseconomische overwegingen in het midden en beoordeelde de zaak alsof normaal gebruik was aangetoond. Zij oordeelde dat geen verwarringsgevaar bestond, omdat de betrokken waren en diensten ongelijksoortig waren, en dat artikel 8 lid 5 UMVo evenmin toepassing vond, omdat de reputatie van het oudere merk niet voldoende was bewezen en het relevante publiek geen verband zou leggen tussen Obelix voor wapens en het oudere merk OBELIX. Het Gerecht verwerpt de motiveringsklacht van Les Éditions Albert René: de beslissing was niet innerlijk tegenstrijdig, omdat de Kamer van Beroep normaal gebruik slechts hypothetisch aannam en vervolgens afzonderlijk de reputatie van het oudere merk beoordeelde. Ook heeft de Kamer van Beroep daarmee niet de geldigheid van het oudere merk ter discussie gesteld en evenmin geoordeeld dat namen van fictieve personages niet als merk kunnen functioneren.

IEF 23564

Auteursrechtinbreuk op productfoto’s van wandpanelen

Rechtbank Midden-Nederland 29 apr 2026, IEF 23564; ECLI:NL:RBMNE:2026:2307 ([eiser] tegen [handelsnaam 2]), https://ie-forum.nl/artikelen/auteursrechtinbreuk-op-productfoto-s-van-wandpanelen

Rb. Midden-Nederland 29 april 2026, IEF 23564; ECLI:NL:RBMNE:2026:2307 ([eiser] tegen [handelsnaam 2]). In dit vonnis van de kantonrechter Midden-Nederland staat het gebruik van productfoto’s en productnamen van wandpanelen op een concurrerende website centraal. [eiser] exploiteert een onderneming in muurbedekking en had door een professionele fotograaf foto’s laten maken van marmerlook-wandpanelen, die hij op zijn eigen website plaatste. [handelsnaam 2], eveneens actief in de verkoop van wandpanelen, gebruikte die foto’s en de bijbehorende productnamen op haar eigen website. De kantonrechter oordeelt dat de vier foto’s waarop de volledige wandpanelen met aankleding te zien zijn auteursrechtelijk beschermde werken zijn, omdat daarin voldoende creatieve keuzes besloten liggen, onder meer in belichting, camerahoek, compositie en enscenering. De vier ingezoomde uitsneden van die foto’s genieten daarentegen geen zelfstandige auteursrechtelijke bescherming, omdat het enkel uitsnijden van een bestaande foto onvoldoende creatieve of artistieke keuzes oplevert. Ook de productnamen, zoals Bianco Carrara Marmerpaneel, Crème Marfil Marmer Wandpaneel, Grigio Carnico Marmerpaneel en Marquina Marmerpaneel, zijn niet auteursrechtelijk beschermd: zij verwijzen vooral beschrijvend naar kleur, marmersoort of groeve en worden ook op vergelijkbare wijze door andere aanbieders gebruikt. Verder is [eiser] niet zelf als maker van de foto’s aan te merken op grond van artikel 6 Auteurswet, omdat niet is gebleken dat hij vrijwel alle creatieve keuzes heeft gemaakt en de fotograaf slechts als uitvoerende “hand” fungeerde. Wel heeft [eiser] de auteursrechten en bijbehorende vorderingsrechten rechtsgeldig verkregen door overdracht bij akte van 13 oktober 2025, zodat hij bevoegd is om ook tegen eerdere inbreuken op te treden.

IEF 23562

Gerecht: “K.”-teken Klarna slechts voor financiële diensten verwarrend ten opzichte van Kutxabank-merk

HvJ EU 13 mei 2026, IEF 23562; ECLI:EU:T:2026:344 ((Kutxabank tegen EUIPO en Klarna Bank)), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-k-teken-klarna-slechts-voor-financiele-diensten-verwarrend-ten-opzichte-van-kutxabank-merk

HvJ EU 13 mei 2026, IEF 23562; ECLI:EU:T:2026:344 (Kutxabank tegen EUIPO en Klarna Bank). In deze zaak staan twee vragen centraal: (i) of sprake is van verwarringsgevaar tussen het aangevraagde figuratieve Uniemerk bestaande uit de letter “K.” en de oudere Kutxabank-merken voor diensten in de klassen 35, 39, 42 en 45, en (ii) of dat wél het geval is voor de financiële diensten in klasse 36 ten opzichte van een ouder Kutxabank-beeldmerk met een gestileerde “k”. Aan de procedure ligt een oppositie van Kutxabank ten grondslag tegen een merkaanvraag van Klarna voor een figuratief teken waarin de letter “K” centraal staat, aangevraagd voor diensten in de klassen 35, 36, 39, 42 en 45. Kutxabank beroept zich op twee oudere Uniemerken: (i) een beeldmerk met een gestileerde “k” voor financiële diensten in klasse 36 (oudere merk 1), en (ii) een beeldmerk met een gestileerde “k” in combinatie met de woorden “kutxabank kredit” voor onder meer reclame- en zakelijke diensten in klasse 35 en financiële diensten in klasse 36 (oudere merk 2). Bij de beoordeling van het verwarringsgevaar hanteert het Gerecht de gebruikelijke globale benadering, waarbij de mate van overeenstemming tussen de tekens, de (soort)gelijkheid van de diensten en het onderscheidend vermogen van de oudere merken in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Voor oudere merk 1 oordeelt het Gerecht dat de diensten in de klassen 35, 39, 42 en 45 waarvoor de aanvraag is ingediend, niet soortgelijk zijn aan de financiële en monetaire diensten in klasse 36. Het betoog van Kutxabank dat sprake is van een economische samenhang of aanvullende diensten – bijvoorbeeld via software of beveiligingsdiensten – wordt verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. Alleen de diensten in klasse 36 zijn identiek. Voor oudere merk 2 geldt dat een deel van de diensten in klasse 35 identiek is, maar dat de diensten in de klassen 39, 42 en 45 niet soortgelijk zijn. Voor die laatste diensten ontbreekt daarmee een noodzakelijke voorwaarde voor verwarringsgevaar. De beoordeling concentreert zich vervolgens op de diensten waarvoor wél sprake is van identiteit: klasse 35 ten opzichte van oudere merk 2 en klasse 36 ten opzichte van oudere merk 1.

IEF 23563

Octrooi-kort geding over LEDFan afgewezen: geen spoedeisend belang, geen NDA-schending en geen onrechtmatig wapperen

Rechtbank Den Haag 8 jul 2025, IEF 23563; ECLI:NL:RBDHA:2025:27985 ((Climalux c.s. tegen Food Autonomy c.s.)), https://ie-forum.nl/artikelen/octrooi-kort-geding-over-ledfan-afgewezen-geen-spoedeisend-belang-geen-nda-schending-en-geen-onrechtmatig-wapperen

Rb. Den Haag 8 juli 2025, IEF 23563; ECLI:NL:RBDHA:2025:27985 (Climalux c.s. tegen Food Autonomy). In een kort geding bij de Rechtbank Den Haag stonden Climalux en NGES (samen Climalux c.s.) tegenover Food Autonomy c.s. en [bedrijf]. Centraal stond de vraag of de LEDFan-toplight inbreuk maakte op de octrooien NL 1040116 en EP 2 975 926 van NGES, die zien op assimilatielampen voor plantengroei. Climalux is licentiehouder van deze octrooien. Climalux c.s. vorderde een verbod op octrooi-inbreuk met nevenvorderingen, zoals opgave en rectificatie en volledige proceskosten ex art. 1019h Rv. Food Autonomy c.s. betwistte het spoedeisend belang, ontkende inbreuk en voerde nietigheid van de octrooien aan. In reconventie stelde zij dat Climalux c.s. een NDA had geschonden en zich schuldig had gemaakt aan onrechtmatig “wapperen”. De voorzieningenrechter wees de vorderingen in conventie af wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Hoewel dit in beginsel wordt aangenomen bij voortdurende inbreuk, kan gebrek aan voortvarendheid dit ontkrachten. In dit geval zat er ruim drie jaar tussen het eerste inbreukvermoeden (2022) en de dagvaarding (2025). Climalux c.s. had al vroeg aanwijzingen voor betrokkenheid van Food Autonomy c.s. en beschikte over voldoende informatie om eerder op te treden. Ook na latere onderzoeksstappen, zoals het Higtec-rapport (september 2024), volgde nog aanzienlijke vertraging. Voor het Nederlandse octrooi was aanvullend technisch onderzoek bovendien niet noodzakelijk.

IEF 23225

Volg deLex op LinkedIn

Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.

Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.

Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.

Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.

Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.

IEF 23561

Verval van Benelux-beeldmerk "KIF Radio" wegens ontbreken van normaal gebruik

BenGH 18 mrt 2026, IEF 23561; C 2024/18 (([verzoeker] tegen [verweerster])), https://ie-forum.nl/artikelen/verval-van-benelux-beeldmerk-kif-radio-wegens-ontbreken-van-normaal-gebruik

BenGH 18 maart 2026, IEF 23561; IEFbe 4221; C 2024/18 ([verzoeker] tegen [verweerster]). In deze zaak staat de vraag centraal of een Benelux-beeldmerk voor “KIF Radio” vervallen kan worden verklaard wegens het ontbreken van normaal gebruik. Het Benelux-Gerechtshof bevestigt de beslissing van het BBIE en oordeelt dat daarvan sprake is. Het enkele gebruik van tekens waarin het woordelement “KIF” voorkomt, volstaat in dit geval niet als gebruik van het ingeschreven merk. [verzoeker] is houder van een semi-figuratief merk voor onder meer telecommunicatie- en culturele diensten. Mediazone heeft bij het BBIE een vordering tot doorhaling ingesteld, stellende dat het merk tijdens een periode van vijf jaar niet normaal is gebruikt. Het BBIE heeft die vordering toegewezen en het merk vervallen verklaard. In beroep voert [verzoeker] aan dat wel degelijk sprake is van gebruik, omdat Mediazone het teken “KIF” en varianten daarvan heeft gebruikt voor radio-uitzendingen, naar zijn zeggen met zijn toestemming en dus op basis van een licentie. Het Hof stelt voorop dat van normaal gebruik sprake is wanneer het merk daadwerkelijk wordt gebruikt overeenkomstig zijn wezenlijke functie, namelijk het waarborgen van de herkomst van de betrokken diensten, met het oog op het verkrijgen of behouden van afzet. Symbolisch gebruik is onvoldoende. Ook gebruik in een afwijkende vorm kan relevant zijn, mits het onderscheidend vermogen van het merk in de ingeschreven vorm niet wordt gewijzigd. Vaststaat dat Mediazone vanaf 2019 radioactiviteiten verricht onder tekens waarin het woordelement “KIF” voorkomt. Volgens [verzoeker] moet dit worden aangemerkt als gebruik van het merk, omdat het onderscheidend vermogen wordt gedragen door het woordelement en de grafische verschillen ondergeschikt zijn. Het Hof volgt dat betoog niet. Het stelt vast dat de door Mediazone gebruikte tekens op essentiële punten afwijken van het ingeschreven beeldmerk, onder meer wat betreft lettertype, vormgeving van de letters, compositie en de vorm van de achtergrond. Hoewel er overeenkomsten bestaan, zijn de verschillen te groot en te opvallend om als verwaarloosbaar te worden beschouwd. Daarmee kan niet worden gesproken van gebruik van het merk in een vorm die het onderscheidend vermogen onverlet laat.

IEF 23560

Online Update Advies Fictief Makerschap | Schrijf je nu nog in!

Aankomende woensdag 20 mei 2026 verzorgt Peter Teunissen (Radboud Universiteit) de online update Advies Fictief Makerschap.

Tijdens deze update bespreekt Teunissen het advies van de Commissie Auteursrecht over de impact van het ONB-arrest op fictief makerschap. Hij loopt het advies door, licht toe wat erin staat en waarom het advies op deze manier is opgebouwd. Daarbij gaat hij in op de drie scenario’s en de belangrijkste aandachtspunten. Ook komt het makerschap in Europees perspectief kort aan bod.

Er is ruimte voor vragen en interactie.

Schrijf je nu nog in via deze link

IEF 23559

OM-persbericht niet onrechtmatig: geen verwijdering of rectificatie toegewezen

Rechtbank Den Haag 1 mei 2026, IEF 23559; ECLI:NL:RBDHA:2026:10277 (([eiseres] tegen de Staat)), https://ie-forum.nl/artikelen/om-persbericht-niet-onrechtmatig-geen-verwijdering-of-rectificatie-toegewezen

Rb. Den Haag 1 mei 2026, IEF23559; ECLI:NL:RBDHA:2026:10277 ([eiseres] tegen de Staat). In een kort geding bij de Rechtbank Den Haag staat de vraag centraal of een persbericht van het OM over een sepotbeslissing jegens politieagenten onrechtmatig is tegenover de ouders van een overleden man. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen tot verwijdering en rectificatie af. De zaak vindt haar oorsprong in een incident in augustus 2020, waarbij de zoon van [eisers] in Amsterdam na een confrontatie met de politie om het leven is gekomen. Hij verkeerde in verwarde toestand en had een mes bij zich. Na een achtervolging werd hij ingesloten en werd geprobeerd hem onder controle te krijgen met onder meer pepperspray en een politiehond. Toen dat niet lukte, hebben twee agenten geschoten. De zoon is ter plaatse overleden. Na onderzoek door de Rijksrecherche besloot het OM de betrokken agenten niet te vervolgen, omdat sprake zou zijn geweest van noodweer. In een persbericht van 17 mei 2021 heeft het OM deze beslissing toegelicht. Daarin is onder meer vermeld dat een agent met een mes op zijn vest werd geraakt. [eisers] stellen dat dit persbericht een onjuiste en misleidende voorstelling van zaken geeft. Volgens hen is niet vastgesteld dat daadwerkelijk in het vest is gestoken; uit later forensisch onderzoek zou blijken dat geen steeksporen zijn aangetroffen. Ook menen zij dat het OM ten onrechte niet heeft vermeld dat nog een klachtprocedure ex artikel 12 Sv loopt tegen de sepotbeslissing. De publicatie zou daarom onrechtmatig zijn en hun eer en goede naam aantasten, ook zou het de nagedachtenis van hun zoon schaden. Zij vorderen verwijdering van het persbericht en plaatsing van een rectificatie. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de beoordeling een belangenafweging moet plaatsvinden tussen enerzijds het belang van [eisers] om niet te worden geconfronteerd met onjuiste of schadelijke publicaties, en anderzijds het belang van het OM om het publiek te informeren over beslissingen van algemeen belang, zoals een sepot in een zaak met dodelijke afloop.

IEF 23558

Rb. Den Haag: publicatie beeldmateriaal kind en informatie uit jeugdbeschermingsdossier onrechtmatig

Rechtbank Den Haag 23 apr 2026, IEF 23558; ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 (([eiseres] tegen [gedaagde])), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-publicatie-beeldmateriaal-kind-en-informatie-uit-jeugdbeschermingsdossier-onrechtmatig

Rb. Den Haag 23 april 2026, IEF23558; ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag vindt dat [gedaagde], een rapper met een groot bereik op social media, onrechtmatig handelde met berichten over [eiseres] en het kind van [eiseres]. [eiseres] en [gedaagde] hadden in 2024 een korte relatie, waaruit in 2025 een kind is geboren. Alleen [eiseres] heeft het gezag. [gedaagde], actief als artiest op onder meer Instagram, TikTok, Snapchat en YouTube, is kort voor deze zaak strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer bedreiging. Hij kreeg daarbij ook een contactverbod met [eiseres]. Daarna plaatste hij via zijn socialmediakanalen verschillende berichten. Zo deelde hij beeldmateriaal van het kind, combineerde dat met een audio-opname van de slachtofferverklaring van [eiseres], publiceerde informatie uit een jeugdzorgdossier en deed uitspraken over de geestelijke gezondheid van [eiseres] en een vermeende weigering van een DNA-test. Volgens de voorzieningenrechter is er spoed, omdat online publicaties zich snel verspreiden en blijvend zijn, zeker gezien het grote bereik van [gedaagde]. Voor het delen van persoonsgegevens van een kind onder de 16 jaar is toestemming nodig van de wettelijk vertegenwoordiger. Zonder die toestemming is publicatie in principe onrechtmatig. Dat geldt ook voor het gebruik van een geblurde afbeelding in een videoclip. In deze context is het kind toch herkenbaar, onder meer omdat dezelfde afbeelding eerder ongeblurd is gedeeld en wordt gebruikt bij uitspraken over vaderschap. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het kind weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij artistieke vrijheid en inkomsten uit de videoclip.