Rb. Den Haag: geen auteursrecht op PANARA-schoencollectie, wel verbod op merkgebruik
Rb. Den Haag 3 juli 2026, IEF 23662; ECLI:NL:RBDHA:2026:18180 ([partij A] tegen [partij B] c.s. en Commerbas). In deze zaak tussen [partij A] en [partij B] c.s. staat de vraag centraal of [partij B] c.s. met de verkoop van Borgesa-schoenen inbreuk maakt op de auteursrechten op de PANARA-schoencollectie en op het Beneluxwoordmerk PANARA. De voorzieningenrechter wijst de auteursrechtelijke vorderingen af, maar verbiedt [partij B] c.s. wel het PANARA-merk nog langer te gebruiken voor de verkoop van schoenen in de Benelux. [partij A] ontwerpt en verkoopt sinds de jaren tachtig schoenen onder het merk PANARA. De productie vond plaats bij het Italiaanse Commerbas. [partij B] c.s. exploiteert sinds 2010 een Panara-winkel in Den Haag en verkocht jarenlang uitsluitend PANARA-schoenen op basis van een overeenkomst met [partij A]. Nadat die overeenkomst feitelijk was beëindigd, liet [partij B] c.s. vergelijkbare schoenen produceren door Commerbas en verkocht zij deze onder de naam Borgesa. De voorzieningenrechter oordeelt dat de mondelinge opzegging rechtsgeldig was, ook al ontbrak de contractueel voorgeschreven aangetekende brief. Volgens de voorzieningenrechter was voor [partij B] c.s. duidelijk dat de overeenkomst was beëindigd en heeft zij zich daar ook naar gedragen. Volgens [partij A] zijn die schoenen identiek aan de PANARA-modellen en maakt [partij B] c.s. daarnaast zonder toestemming gebruik van het PANARA-merk in de winkelnaam, domeinnaam en promotie. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de PANARA-schoencollectie auteursrechtelijk beschermd is. [partij A] heeft niet duidelijk gemaakt op welke afzonderlijke schoenmodellen zij zich beroept, welke creatieve keuzes daarin zijn gemaakt en welke kenmerken voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen.
Rb. Amsterdam: geen voorzieningen voor toegang tot bedrijfssystemen en gebruik merknaam Coconaut
Rb. Amsterdam 12 juni 2026, IEF 23661; ECLI:NL:RBAMS:2026:6427 (NoNonz tegen [gedaagden]). In deze zaak tussen NoNonz en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (samen: [gedaagden]) staat de vraag centraal of [gedaagden] in kort geding kunnen worden verplicht volledige toegang te verschaffen tot de digitale bedrijfssystemen van NoNonz, de volledige bedrijfsadministratie af te geven en zich te onthouden van het handelen namens NoNonz of het gebruik van de merknaam Coconaut(drinks). De voorzieningenrechter oordeelt dat NoNonz haar vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd en wijst deze volledig af. NoNonz exploiteert onder meer de drank Coconaut op basis van een licentie. De aandelen in NoNonz worden gehouden door twee persoonlijke holdings, die ieder 50% van de aandelen bezitten en ook bestuurder zijn. Sinds halverwege 2024 is de samenwerking tussen de indirect bestuurders ernstig verstoord. [gedaagde 1] liet zich op 7 april 2025 met terugwerkende kracht per 31 december 2024 uitschrijven als bestuurder in het handelsregister van de KvK. Partijen probeerden hun geschil onder meer met een uitkoop op te lossen, maar dat lukte niet. Volgens NoNonz heeft [gedaagde 1] zich zonder besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders als bestuurder uitgeschreven. Ook zouden [gedaagden] buiten medeweten van NoNonz Coconaut hebben verkocht, voorraad en administratie hebben achtergehouden en klanten van NoNonz hebben benaderd. Volgens NoNonz heeft zij sinds november 2024 bovendien geen toegang meer tot haar digitale bedrijfsomgeving, waaronder Google Workspace, Shopify, Zoho en de bijbehorende domeinnaam. Daarom vordert zij toegang tot de bedrijfssystemen, afgifte van de administratie en een verbod om namens NoNonz of onder de merknaam Coconaut op te treden. [gedaagden] betwisten deze verwijten. Volgens hen is juist de andere aandeelhouder verantwoordelijk voor het buitensluiten van [gedaagden] uit de onderneming. Volgens [gedaagde 1] liet zij zich als bestuurder uitschrijven omdat zij geen zicht meer had op de bedrijfsvoering en niet aansprakelijk wilde zijn voor vermeende privéonttrekkingen. Verder beroept [gedaagde 1] zich op een overeenkomst waarin is afgesproken dat haar aandelen zouden worden overgenomen tegen betaling van € 30.000, waarna de toegang tot de onderneming zou worden overgedragen. [gedaagden] stellen bovendien niet over de gevorderde bedrijfssystemen of administratie te beschikken en ontkennen nog namens NoNonz of onder het merk Coconaut te handelen.
Gerecht EU: ARYUNA mag naast ARMUNIA worden ingeschreven
Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23660; ECLI:EU:T:2026:421 (Sandoz tegen EUIPO en Be Healthy). In deze zaak tussen Sandoz en EUIPO, met Be Healthy als wederpartij in de oppositieprocedure, staat de vraag centraal of het Uniewoordmerk ARYUNA wegens verwarringsgevaar niet kan worden ingeschreven tegenover de oudere Benelux- en Oostenrijkse woordmerken ARMUNIA voor farmaceutische producten. Sandoz betoogt dat de Kamer van Beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van verwarringsgevaar, met name omdat bij geneesmiddelen patiëntveiligheid en het risico op vergissingen tussen geneesmiddelen een zwaardere rol zouden moeten spelen. Be Healthy diende in 2022 een Uniemerkaanvraag in voor het woordmerk ARYUNA voor onder meer jodiumtincturen, medicinale kruiden en kruidengeneesmiddelen in klasse 5. Novartis, inmiddels opgevolgd door Sandoz, stelde oppositie in op basis van de oudere merken ARMUNIA, die bescherming genieten voor farmaceutische producten, waaronder orale anticonceptiva. Zowel de oppositieafdeling als de Kamer van Beroep wezen de oppositie af omdat, ondanks (gedeeltelijk) identieke waren, geen sprake was van verwarringsgevaar. Het Gerecht verklaart allereerst een reeks door Sandoz voor het eerst in beroep overgelegde stukken niet-ontvankelijk. Het gaat onder meer om rapporten, persartikelen, studies en websitefragmenten waarmee Sandoz wilde onderbouwen dat zorgverleners en patiënten regelmatig geneesmiddelen met vergelijkbare namen verwisselen. Omdat deze stukken niet tijdens de administratieve procedure bij EUIPO zijn ingebracht en niet alleen een juridische context schetsen, kunnen zij niet alsnog in de beroepsprocedure worden betrokken. Ten aanzien van het relevante publiek ondersteund het Gerecht het oordeel van de Kamer van Beroep dat medische professionals en het algemene publiek tot het relevante publiek behoren. Voor de globale beoordeling moet worden uitgegaan van het algemene publiek, omdat dat de laagste mate van aandacht heeft binnen de relevante groepen. Die aandacht is echter nog steeds relatief hoog. Geneesmiddelen en andere gezondheidsproducten raken namelijk rechtstreeks aan de gezondheid van de consument, zodat ook producten die zonder recept verkrijgbaar zijn met verhoogde oplettendheid worden gekocht.
Verworven onderscheidend vermogen van merkondeel maakt samengesteld merk niet intrinsiek onderscheidend
Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23659, IEFbe 4247; ECLI:EU:T:2026:432 (Veikkaus Oy tegen EUIPO). In deze zaak vordert Veikkaus gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO over haar aanvraag voor het Uniewoordmerk FOR BETTER GAMING - VEIKKAUS. De aanvraag zag onder meer op diensten in de klassen 35, 41 en 42, waaronder retaildiensten voor game- en goksoftware, online entertainment-, spel-, gok-, wed- en casinodiensten en ontwerp-, ontwikkel- en onderhoudsdiensten voor online goksoftware en gokwebsites. De kamer van beroep had het beroep slechts gedeeltelijk toegewezen voor enkele diensten, maar de inschrijving voor de overige diensten geweigerd wegens gebrek aan intrinsiek onderscheidend vermogen op grond van artikel 7 lid 1 onder b, gelezen in samenhang met artikel 7 lid 2, Verordening 2017/1001. Volgens de kamer van beroep zou het Finstalige relevante publiek het teken begrijpen als “voor beter gokken/spelen – weddenschap, gokvoorspelling” en dus niet als herkomstaanduiding, maar als een zuiver promotionele boodschap voor de betrokken diensten. De subsidiaire stelling van Veikkaus dat het teken door gebruik onderscheidend vermogen had verkregen, was nog niet inhoudelijk beoordeeld en was door de kamer van beroep terugverwezen naar de onderzoeker.
Afbeelding uit octrooischrift kan ouder model zijn, octrooischrift zelf niet
Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23658; IEFbe4246; ECLI:EU:T:2026:423 (DecoTrend GmbH tegen EUIPO BKLicht GmbH & Co. KG). In deze zaak vordert DecoTrend vernietiging van een beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO in een nietigheidsprocedure over een ingeschreven Uniemodel dat een stervormige lampenkap voorstelt. Het model was ingeschreven voor “elektrische guirlandes” en “lampenkappen”. B.K.Licht had de nietigheid van het model gevorderd wegens gebrek aan individueel karakter op grond van artikel 25 lid 1 onder b Verordening 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 6 Verordening 6/2002. Die nietigheidsaanvraag was gebaseerd op twee oudere afbeeldingen uit een Zwitsers en een Amerikaans octrooischrift. De nietigheidsafdeling had de aanvraag afgewezen, maar de kamer van beroep vernietigde die beslissing en verwees de zaak terug, omdat de nietigheidsafdeling bij de vergelijking van de algemene indruk ten onrechte ook de technische beschrijving van de uitvinding en andere afbeeldingen uit de octrooischriften had betrokken. Het Gerecht laat die beslissing in stand. Een octrooi beschermt immers een technische uitvinding en niet de uiterlijke verschijningsvorm van een product. Een octrooischrift kan daarom niet als zodanig worden ingeroepen om het individuele karakter van een Uniemodel te ontkrachten; alleen de daarin opgenomen, voldoende precies geïdentificeerde afbeeldingen kunnen als oudere modellen dienen. In dit geval had B.K.Licht alleen de twee “Fig. 1”-afbeeldingen als oudere modellen D1 en D2 ingeroepen.
Geen individueel karakter voor Uniemodel van stervormige lampenkap
Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23657; IEFbe 4245; ECLI:EU:T:2026:425 (DecoTrend GmbH tegen EUIPO en Light Tec Ltd). In deze zaak vordert DecoTrend vernietiging en herziening van de beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO, waarin het beroep tegen de nietigverklaring van haar ingeschreven Uniemodel is verworpen. Het model, ingeschreven voor onder meer “guirlandes électriques” en “abat-jour”, wordt door het Gerecht op basis van de ingeschreven modelweergaven aangemerkt als een stervormige lampenkap en niet als een lichtsnoer of kerst-/adventster. Light Tec had de nietigheid van het model gevorderd op grond van artikel 25 lid 1 onder b Verordening 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 6 Verordening 6/2002, wegens gebrek aan individueel karakter. DecoTrend stelde dat de kamer van beroep de nietigheidsaanvraag ten onrechte had beoordeeld aan de hand van het oudere Duitse model D2, omdat volgens haar alleen het Amerikaanse octrooischrift en het daarin opgenomen model D1 waren ingeroepen. Het Gerecht verwerpt dit betoog: de nietigheidsaanvraag moest worden gelezen als één geheel, inclusief de bijlagen en motivering, waaruit voldoende duidelijk bleek dat ook D2 en D3 waren ingeroepen. Omdat één ouder model al voldoende kan zijn om individueel karakter te ontkrachten, mocht de kamer van beroep de beoordeling beperken tot D2.
Geen individueel karakter voor EU-model van lichtsnoer
Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23656; IEFbe 4244; ECLI:EU:T:2026:424 (DecoTrend GmbH tegen EUIPO en Light Tec Ltd). In deze zaak vordert DecoTrend vernietiging en herziening van de beslissing van de derde kamer van beroep van het EUIPO, waarin het beroep tegen de nietigverklaring van haar ingeschreven Uniemodel voor een lichtsnoer is verworpen. Light Tec had de nietigheid van dit model aangevraagd op grond van artikel 25 lid 1 onder b Verordening 6/2002, gelezen in samenhang met artikel 6 Verordening 6/2002, wegens gebrek aan individueel karakter. DecoTrend stelde dat de kamer van beroep haar beoordeling ten onrechte had gebaseerd op het oudere Duitse model D2, omdat de nietigheidsaanvraag volgens haar uitsluitend op een Amerikaans octrooischrift en het daarin opgenomen model D1 was gebaseerd. Het Gerecht verwerpt dit betoog. De nietigheidsaanvraag moest worden gelezen als één geheel, inclusief de bijlagen en motivering, waaruit voldoende duidelijk bleek dat Light Tec ook de oudere modellen D2 en D3 had ingeroepen. De kamer van beroep mocht daarom onderzoeken of het betwiste model al ten opzichte van D2 individueel karakter miste; als één ouder model daaraan in de weg staat, hoeft het EUIPO de overige oudere modellen niet meer afzonderlijk te beoordelen.
Hof Amsterdam bekrachtigt rectificatie wegens onrechtmatige column over vermeende Hamas-relatie FIO
Hof Amsterdam 30 juni 2026, IEF 23654; IT&Recht 5329; ECLI:NLGHAMS:2026:1736 (De Telegraaf tegen FIO). In deze zaak tussen De Telegraaf en Stichting Federatie Islamitische Organisaties (FIO) staat de vraag centraal of een in De Telegraaf gepubliceerde column de onrechtmatige suggestie wekt dat FIO is gelieerd aan Hamas en de doelstellingen van die organisatie ondersteunt. Daarnaast moet het hof beoordelen of de voorzieningenrechter terecht een rectificatie heeft bevolen. Het hof bekrachtigt het vonnis en kwalificeert de publicatie als een onrechtmatige perspublicatie. Aanleiding voor het geschil is een op 17 januari 2025 gepubliceerde column over Jodenhaat en de oorlog in Gaza. Daarin wordt onder meer verwezen naar een solidariteitsdemonstratie met Gaza die volgens de column werd georganiseerd door "aan Hamas gelieerde organisaties, Milli Görüs en de moskeekoepel FIO". Vervolgens staat vermeld dat FIO "met Hamas meeheult". FIO, een samenwerkingsverband van 25 Haagse moskeeorganisaties, stelde dat de column daarmee ten onrechte de indruk wekt dat zij banden heeft met Hamas en terrorisme ondersteunt. Nadat De Telegraaf weigerde de publicatie te rectificeren, werd een kort geding aanhangig gemaakt waarin de voorzieningenrechter een rectificatie gelastte. De Telegraaf komt daartegen in hoger beroep op. Het hof stelt voorop dat een afweging moet plaatsvinden tussen enerzijds de vrijheid van meningsuiting van De Telegraaf, beschermd door artikel 10 EVRM, en anderzijds het recht van FIO op bescherming van haar eer, goede naam en reputatie, beschermd door artikel 8 EVRM en het nationale leerstuk van onrechtmatige perspublicatie. Daarbij weegt mee dat het om een column gaat, zodat de auteur meer ruimte heeft voor overdrijving, scherpe formuleringen en waardeoordelen dan bij een regulier nieuwsbericht. Ook binnen een column vindt die vrijheid echter haar grens wanneer zonder toereikende feitelijke basis ernstige beschuldigingen worden geuit die de reputatie van een ander aantasten; dergelijke feitelijke uitlatingen moeten voldoende feitelijke steun vinden in het beschikbare materiaal. FIO heeft toegelicht dat zij een koepelorganisatie is van Haagse moskeeën die samenwerkt met de gemeente Den Haag, andere religieuze organisaties en onder meer de Joods Liberale Gemeente. Zij neemt deel aan demonstraties tegen de oorlog in Gaza en tegen de bezetting van Palestijnse gebieden, maar wijst extremisme, geweld en terrorisme af en onderhoudt geen banden met Hamas. Volgens FIO brengt de associatie met een terroristische organisatie ernstige reputatieschade mee, kan deze leiden tot verlies van samenwerkingspartners en vergroot zij de kans op extra aandacht van onder meer toezichthouders en financiële instellingen. De Telegraaf betoogt daartegen dat de column niet stelt dat FIO zelf aan Hamas is gelieerd. Volgens haar volgt uit het gebruik van een komma dat uitsluitend wordt bedoeld dat FIO deelnam aan een demonstratie die mede werd georganiseerd door organisaties die volgens De Telegraaf wel banden met Hamas hebben. Daarnaast beroept De Telegraaf zich op de ruime vrijheid die een columnist toekomt.
Rb Overijssel: geen auteursrechtelijke bescherming en geen slaafse nabootsing bij WAGO-verbindingsklemmen
Rb. Overijssel 17 juni 2026, IEF 23653; ECLI:NL:RBOVE:2026:3650 (WAGO tegen Conex). In deze zaak tussen WAGO en Conex staat de vraag centraal of de verbindingsklemmen van WAGO auteursrechtelijke bescherming genieten en of Conex door de verhandeling van vergelijkbare verbindingsklemmen inbreuk maakt op die auteursrechten dan wel onrechtmatig handelt door slaafse nabootsing. Daarnaast moet de rechtbank beoordelen of WAGO voor een deel van haar vorderingen geen beroep meer kan doen op haar gestelde rechten vanwege een eerdere toezegging aan Conex. De rechtbank wijst alle vorderingen af. WAGO ontwikkelt en verkoopt verbindingsklemmen voor elektrotechnische installaties. Nadat zij Conex in 2023 had gesommeerd de verkoop van volgens haar inbreukmakende verbindingsklemmen te staken, zegde Conex toe een aantal productseries definitief uit de handel te nemen. Daarbij kondigde Conex aan voor één serie een aangepast ontwerp op de markt te brengen. WAGO liet daarop weten het geschil ten aanzien van de betreffende serienummers te laten rusten, mits Conex deze producten niet langer zou verhandelen. Tegelijkertijd maakte WAGO duidelijk dat de aangekondigde wijzigingen volgens haar slechts minimale verschillen opleverden en dat zij zich het recht voorbehield opnieuw rechtsmaatregelen te treffen wanneer Conex de betreffende producten toch weer zou aanbieden. Nadat WAGO in 2025 opnieuw meende dat sprake was van inbreuk, startte zij deze procedure. De rechtbank verwerpt het meest verstrekkende verweer van Conex slechts gedeeltelijk. Uit de correspondentie volgt volgens de rechtbank dat WAGO alleen had toegezegd het geschil te laten rusten wanneer de betreffende producten daadwerkelijk van de markt zouden verdwijnen. Conex mocht daaruit niet afleiden dat ook licht gewijzigde versies onder die toezegging vielen, omdat WAGO uitdrukkelijk had laten weten de aangekondigde wijzigingen onvoldoende te vinden. Vast staat dat Conex de CH21-serie in gewijzigde vorm opnieuw op de markt heeft gebracht, zodat de toezegging daarvoor niet geldt. Voor de overige productseries heeft WAGO echter onvoldoende onderbouwd dat deze na de toezegging nog zijn verhandeld. Daarom kan WAGO voor die producten geen aanspraken meer geldend maken. De rechtbank beoordeelt de verschillende verbindingsklemmen vervolgens inhoudelijk gezamenlijk, omdat dat uit praktisch oogpunt het meest doelmatig is. Bij de beoordeling van het auteursrecht stelt de rechtbank voorop dat verbindingsklemmen gebruiksvoorwerpen zijn. Ook dergelijke producten kunnen auteursrechtelijke bescherming genieten, maar alleen wanneer de vormgeving de uitdrukking vormt van vrije en creatieve keuzes die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelen. Daarbij mogen creatieve keuzes niet worden verondersteld; zij moeten concreet kunnen worden aangewezen. Dat een product esthetisch aantrekkelijk oogt of dat verschillende vormgevingsmogelijkheden bestaan, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank sluit daarmee aan bij de recente rechtspraak van het Hof van Justitie over werken van toegepaste kunst. Volgens de rechtbank heeft WAGO onvoldoende duidelijk gemaakt welke concrete onderdelen van haar verbindingsklemmen voortvloeien uit creatieve keuzes. WAGO beroept zich op auteursrecht voor de verbindingsklemmen als geheel en noemt per serie verschillende uiterlijke kenmerken, maar licht niet toe welke daarvan een eigen intellectuele schepping vormen.
Rb. Den Haag: logistieke dienstverleners maken geen merkinbreuk door verwerking Temu- en AliExpress-pakketten
Rb. Den Haag 17 juni 2026, IEF 23652; ECLI:NL:RBDHA:2026:16647 (Puma tegen Shaoke NL en E-Com). In deze zaak tussen Puma en Shaoke Logistics B.V. en E-Com Global Logistics (samen Shaoke NL c.s.) staat de vraag centraal of een logistieke dienstverlener en een douaneverlener merkinbreuk plegen of onrechtmatig handelen door pakketjes met mogelijk inbreukmakende Puma-producten afkomstig van Chinese webshops te verwerken. Puma meent dat de ondernemingen een essentiële schakel vormen in de distributieketen van namaak- en parallel geïmporteerde goederen die via platforms als Temu en AliExpress rechtstreeks aan Nederlandse consumenten worden verkocht. De rechtbank wijst alle vorderingen af. Van merkinbreuk is geen sprake, omdat Shaoke NL c.s. de Puma-merken niet gebruiken in hun eigen commerciële communicatie. Evenmin handelen zij onrechtmatig door hun logistieke en douanediensten te verlenen. De rechtbank verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Puma is houdster van diverse Uniemerken voor sportkleding, schoenen en accessoires. Shaoke Logistics verwerkt in Nederland zogenoemde overpacks met pakketjes die afkomstig zijn van Chinese verkopers en maakt deze gereed voor bezorging door vervoerders als PostNL en DHL. E-Com verzorgt daarbij de douaneformaliteiten. Tijdens douanecontroles en door Puma gelegde beslagen zijn in sommige pakketten goederen aangetroffen die waren voorzien van Puma-merken. Volgens Puma had zij geen toestemming verleend voor invoer vanuit China, zodat iedere dergelijke zending inbreuk opleverde. Daarnaast stelde Puma dat Shaoke NL c.s. de handel in inbreukmakende producten faciliteerden door onder meer de inklaring te verzorgen, goederen tijdelijk op te slaan en als retouradres te fungeren. Zij vorderde onder meer een verbod, opgave van gegevens, vernietiging van de goederen (onder meer door DWZ op kosten van gedaagden te laten vernietigen), schadevergoeding en volledige proceskosten. De rechtbank stelt voorop dat voor merkinbreuk vereist is dat een derde het merk zelf gebruikt in het economische verkeer. Daarbij moet sprake zijn van een actieve gedraging en van rechtstreekse of indirecte controle over het gebruik van het merk, waarbij het merk bovendien wordt gebruikt in de eigen commerciële communicatie. Puma baseert haar merkinbreukgrondslag op gebruik in de zin van artikel 9 lid 2 van de Uniemerkenverordening. De rechtbank verwijst daarbij naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, waaronder Daimler, Google France, Coty Germany en TOP Logistics.