Geen nietigheid Uniemerk op basis van niet-ingeschreven Bulgaars teken: uitsluitend exportgebruik volstaat niet onder artikel 8 lid 4 UMVo
Gerecht EU 10 juni 2026, IEF 23614, IEFbe 4236; ECLI:EU:T:2026:374 (Global Rice EOOD tegen EUIPO en Ricegrowers Ltd). Het Gerecht EU wijst het beroep van Global Rice af tegen de beslissing van EUIPO om het Uniemerk van Ricegrowers niet nietig te verklaren. Global Rice beriep zich op een ouder niet-ingeschreven Bulgaars figuratief teken voor rijst en stelde dat het latere Uniemerk van Ricegrowers ongeldig moest worden verklaard op grond van artikel 60 lid 1 onder c UMVo, gelezen samen met artikel 8 lid 4 UMVo. Voor zo’n beroep op een ouder niet-ingeschreven teken gelden vier cumulatieve voorwaarden: het teken moet in het economisch verkeer worden gebruikt, meer dan alleen plaatselijke betekenis hebben, vóór het latere Uniemerk zijn verkregen volgens het toepasselijke recht, en dat toepasselijke nationale recht moet de houder het recht geven om het gebruik van het latere merk te verbieden. In deze zaak ging het vooral om die laatste voorwaarde. Volgens het Bulgaarse merkenrecht kan een niet-ingeschreven merk alleen tegen een later merk worden ingeroepen als het daadwerkelijk in het handelsverkeer op het grondgebied van Bulgarije is gebruikt.
CLUSTER COLLECTOR terecht gedeeltelijk geweigerd wegens verwarringsgevaar met THE COLLECTOR
Gerecht EU 10 juni 2026, IEF 23613; ECLI:EU:T:2026:385 (Wazdan Innovations ltd. tegen EUIPO en Push Gaming Product ltd.). Het Gerecht EU verwerpt het beroep van Wazdan Innovations tegen de beslissing van de Eerste kamer van beroep van EUIPO over de Uniemerkaanvraag CLUSTER COLLECTOR. De aanvraag had betrekking op waren en diensten in de klassen 9, 28, 41 en 42, waaronder gamingsoftware, speel- en gokautomaten, online gaming-, gok- en casinodiensten en software-/gameontwikkelingsdiensten. Push Gaming Product had oppositie ingesteld op basis van het oudere Uniewoordmerk THE COLLECTOR voor onder meer software en gaming-, gambling- en bettinggerelateerde diensten. De oppositie was gedeeltelijk toegewezen: de aanvraag werd geweigerd voor de waren en diensten waarvoor de kamer van beroep verwarringsgevaar aannam, maar niet voor onder meer “coin-operated mechanisms”, “counters [discs] for games”, “bookmaking [turf accountancy]” en “cultural activities”. Het Gerecht bevestigt dat de betrokken waren en diensten waarvoor de weigering geldt deels identiek en deels soortgelijk zijn. Daarbij acht het Gerecht onder meer relevant dat fysieke en digitale games in de praktijk steeds meer overlappen, via dezelfde distributiekanalen worden aangeboden en zich tot hetzelfde publiek kunnen richten. Ook kunnen bepaalde beeld- en geluidsapparaten complementair zijn aan gamingsoftware. Het relevante publiek bestaat uit zowel het algemene publiek als professionele afnemers in de Europese Unie, met een aandachtsniveau dat afhankelijk van de betrokken waren en diensten kan variëren van gemiddeld tot hoog.
Alles over deepfakes: definities, rechten, plichten en meer. Dit leerde het IE Zomerforum 2026 ons
Deepfakes zijn in rap tempo uitgegroeid tot een van de meest besproken toepassingen van generatieve AI. Steeds gemakkelijker kunnen afbeeldingen, video's en audiobestanden worden gegenereerd waarin personen, stemmen en gebeurtenissen overtuigend worden nagebootst. Of deze ontwikkeling ook wenselijk is, blijkt een andere vraag.
Tijdens het IE Zomerforum 2026 stond dit onderwerp centraal. Aan de hand van bijdragen van Daniël de Weerd, Dirk Visser, Etienne Valk, Jet Hootsmans en Elles Masselink werd uitgebreid stilgestaan bij de juridische stand van zaken rond deepfakes. Daarbij kwamen zowel de Europese AI Act als het in Nederland geïnitieerde wetsvoorstel aan bod. Ook werd aandacht besteed aan de belangen van makers en andere betrokkenen.
Schrijf u hier in voor de gratis wekelijkse nieuwsbrief van IE-Forum
In deze gratis nieuwsbrief vindt u de jurisprudentie van de afgelopen week op IE-Forum. Handig voor jurisprudentielunches en als u zelf besprekingen voorbereidt.
Schrijf u hier in voor de gratis wekelijkse nieuwsbrief van IE-Forum.
Uitspraak ingezonden door Victor den Hollander, De Vos & Partners Advocaten.
Handelsnaamwijziging voor organisator van Casa Latina wegens verwarringsgevaar met oudere handelsnaam
Rb. Amsterdam 21 oktober 2025, IEF 23611; ECLI:NL:RBAMS:2025:11464 (Stichting Casa Latina tegen [verweerders]). De kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam heeft geoordeeld dat de organisator van evenementen onder de naam Casa Latina in strijd handelt met artikel 5 Handelsnaamwet. Volgens de kantonrechter is sprake van verwarringsgevaar tussen de onderneming van Stichting Casa Latina en de onder dezelfde naam georganiseerde evenementen. Verweerders moeten hun handelsnaam daarom wijzigen, op straffe van een dwangsom van € 250 per dag met een maximum van € 25.000. Daarbij acht de kantonrechter van belang dat beide partijen activiteiten organiseren waarbij Latijns-Amerikaanse muziek en dans centraal staan en dat zich in de praktijk reeds concrete gevallen van verwarring hebben voorgedaan. Stichting Casa Latina gebruikt de handelsnaam Casa Latina sinds 2001 voor culturele en maatschappelijke activiteiten gericht op de Latijns-Amerikaanse gemeenschap. Sinds 2004 maakt zij gebruik van de domeinnaam casalatina.nl. Verweerders organiseren sinds 2022 onder de naam Casa Latina commerciële evenementen waarbij salsa, bachata, merengue en reggaeton centraal staan. Via de domeinnaam casa-latina.nl worden deze evenementen gepromoot en kunnen bezoekers tickets aanschaffen. Tussen partijen was niet in geschil dat sprake is van identieke handelsnamen en vrijwel identieke domeinnamen. De kern van het geschil was of het relevante publiek de ondernemingen met elkaar zou kunnen verwarren. Verweerders stelden dat daarvan geen sprake kon zijn, omdat Stichting Casa Latina een culturele en maatschappelijke instelling is, terwijl zij commerciële evenementen organiseren. De kantonrechter volgt dat verweer niet. Hoewel Stichting Casa Latina tevens maatschappelijke activiteiten verricht, organiseert zij ook dans- en feestavonden waarbij salsa, bachata, merengue en reggaeton centraal staan.
Annotatie geschreven door P.B. Hugenholtz.
Noot onder HvJ EU 5 december 2025, gevoegde zaken C‑580/23 en C‑795/23 ECLI:EU:C:2025:941 (Mio & konektra)
[verschenen in Nederlandse Jurisprudentie 2026/155]
Noot
Dit is een belangrijk arrest met voor het Nederlandse auteursrecht en de rechtspraktijk directe consequenties. Het HvJEU geeft uitleg aan de inhoud en toepassing van de oorspronkelijkheidstoets, een kernbegrip in het geharmoniseerde auteursrecht. De creativiteit die voorwaarde is voor de bescherming van een werk mag niet worden verondersteld, maar moet blijken uit de creatieve (persoonlijk) keuzen van de auteur die in het werk zichtbaar zijn. Daarnaast spreekt het Hof zich uit over de beschermingsomvang van een werk, waarbij afstand wordt genomen van het door de Hoge Raad ontwikkelde totaalindrukkencriterium. Ook verduidelijkt het arrest de verhouding tussen auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst en het bijzondere modellenrecht.
Feiten
Het arrest is gewezen in twee gevoegde zaken. In de Zweedse zaak C-580/23 roept Asplund auteursrechtelijke bescherming in voor zijn Palais Royal eetkamertafel t.o.v. de sterk gelijkende tafel Cord van meubelwinkelketen Mio. De Duitse zaak C-795/23 betreft een modulair kastsysteem [“gekenmerkt door hoogglanzend verchroomde ronde buizen die via bolvormige koppelstukken met elkaar zijn verbonden en een structuur vormen waarin gekleurde metalen panelen worden geplaatst”]. Volgens ontwerper USM pleegt konektra inbreuk door het online aanbieden van een sterk gelijkend systeem alsmede onderdelen of uitbreidingen daarvan.
Het HvJEU beantwoordt de uitvoerige prejudiciële vragen van de Svea hovrätt, de Zweedse appelrechter in IE-zaken, en het Bundesgerichtshof grotendeels in lijn met de conclusie van AG Szpunar.
Relatie auteursrecht-modellenrecht
Het HvJ bespreekt eerst de vraag hoe auteursrechtelijke bescherming van toegepaste kunst zich in het algemeen verhoudt tot het modellenrecht, het IE-regime dat op basis van een depotsysteem kortlopende bescherming (max. 25 jaar) toekent aan het nieuwe uiterlijk van een gebruiksvoorwerp. Beide regimes zijn in de EU in belangrijke mate geharmoniseerd. Enkele lidstaten, waaronder Duitsland en Italië, hanteren van oudsher strenge eisen voor auteursrechtelijke bescherming van toegepaste kunst om te voorkomen dat het modellenrecht door het auteursrecht, dat geen depotvereiste kent en veel langer duurt (tot 70 jaar p.m.a.), wordt ondermijnd. In het verleden gold ook in de Benelux een striktere auteursrechtelijke toets (modellen moesten “een duidelijk kunstzinnig karakter vertonen”), maar daaraan is al in de vorige eeuw een einde gemaakt [Hoge Raad 29 november 1985 en BenGH 22 mei 1987, NJ 1987, 880-881 m.nt. Wichers Hoeth].
In het Cofemel-arrest [zaak C-683/17, NJ 2020/90 m.nt. Spoor] had het HvJEU al verklaard dat werken van toegepaste kunst aan de normale auteursrechtelijke werktoets zijn onderworpen, waarbij cumulatie tussen auteursrecht en modellenrecht in beginsel mogelijk is. Het Hof overwoog echter ook “dat een dergelijke cumulatie slechts in bepaalde situaties kan worden overwogen” (Cofemel, ro. 52). Auteursrechtelijke bescherming is volgens het Hof enkel “voorbehouden aan voorwerpen die het verdienen om als werk te worden gekwalificeerd” (Cofemel, ro.50). Deze overwegingen riepen de vraag of het Hof niet toch een striktere maatstaf voor werken van toegepaste kunst voor ogen had, zodat auteursrechtelijke bescherming t.o.v. het modellenrecht een uitzondering zou blijven.
In het Mio-arrest verduidelijkt het Hof zijn Cofemel-oordeel. Auteursrecht en modellenrecht zijn verschillende regimes met onderling afwijkende criteria. Terwijl in het modellenrecht nieuwheid en eigen karakter volstaan, waarbij creativiteit geen rol speelt [zie HvJEU 18 december 2025, zaak C-323/241, ECLI:EU:C:2025:983 (Deity Shoes)], verlangt het auteursrecht originaliteit (oorspronkelijk karakter). Deze voorwaarden mogen niet met elkaar worden verward, zo maant het Hof (ro. 54). De auteursrechtelijke originaliteitseis is, zo blijkt uit het vervolg van het arrest, geen sinecure. Weliswaar bestaat er “geen regel-uitzondering-relatie tussen modelrechtelijke bescherming en auteursrechtelijkebescherming” (ro. 56), en geldt voor auteursrechtelijke bescherming van modellen werken van toegepaste kunst, zoals de meubelontwerpen in kwestie, de normale werktoets, maar aan deze toets is voor deze categorie creaties niet gemakkelijk voldaan. Anders dan bij “vrije” kunstuitingen, zoals werken van letterkunde, muziek en film`, is de creatieve vrijheid van meubelontwerpers en andere designers immers ingeperkt door allerlei functionele, technische en ergonomische randvoorwaarden. Auteursrechtelijke originaliteit is in zo’n geval niet vanzelfsprekend.
HvJ EU: Europese mediavrijheidsverordening niet van toepassing op publicatie van vóór 8 november 2024
Hof van Justitie EU 21 mei 2026, IT 5299; ECLI:EU:C:2026:426 (Viktor Orbán tegen 24.hu Szerkesztősége). De zaak speelde naar aanleiding van een op 17 maart 2024 gepubliceerd bericht van het Hongaarse online nieuwsplatform 24.hu. In dat bericht werd een verklaring aangehaald van de CEO van Spar Austria, die stelde dat de Hongaarse premier Viktor Orbán de Spar-groep zou hebben gevraagd een familielid van hem te laten investeren in de Hongaarse dochteronderneming van het concern. Orbán verzocht daarop om rectificatie, stellende dat deze bewering onjuist was. Nadat 24.hu het verzoek niet had ingewilligd maar wel een aanvulling had geplaatst waarin melding werd gemaakt van het rectificatieverzoek, startte Orbán een procedure bij de Hongaarse rechter. De verwijzende rechter vroeg het Hof van Justitie onder meer of artikel 3 van de Europese mediavrijheidsverordening van toepassing is op een dergelijke procedure. Daarbij wees de rechter erop dat de Hongaarse rectificatieregels in de praktijk een zware bewijslast bij media leggen, ook wanneer zij slechts informatie overnemen uit publicaties die onder redactionele verantwoordelijkheid in een andere lidstaat zijn verschenen. Volgens de verwijzende rechter rees de vraag of een dergelijke regeling verenigbaar is met de doelstellingen van de Europese mediavrijheidsverordening en met de vrijheid van meningsuiting en informatie.
Samenvatting geschreven door Bertil van Kaam & Pascal Steijvers, Van Kaam.
Rb. Noord-Holland verbiedt het opnieuw verspreiden van ernstige beschuldigingen en legt een contactverbod op
Rb. Noord-Holland 4 juni 2026, IEF 23610; ECLI:NL:RBNHO:2026:6422 (VNV tegen [gedaagde]). Eiseres in deze zaak is de Vereniging Nederlandse Verkeersvliegers (VNV). De VNV is een vakbond en beroepsvereniging van Nederlandse burgerluchtvaartpiloten. Als vakbond onderhandelt zij namens haar leden met luchtvaartmaatschappijen, zoals KLM, over uiteenlopende collectieve regelingen. Gedaagde is een natuurlijke persoon met een herstructureringsbedrijf. Hij is tevens toegevoegd gerechtsdeurwaarder. Volgens gedaagde zijn er organisatorische en financiële problemen bij KLM en is dat om uiteenlopende redenen de schuld van de VNV. Tegen deze achtergrond uit gedaagde in 2025 in diverse e-mailberichten aan de VNV, KLM, en andere vakbonden die betrokken zijn in de luchtvaartbranche, uiteenlopende beschuldigingen aan het adres van de VNV. De VNV zou om verschillende redenen onrechtmatig handelen jegens onder meer KLM. Daarnaast beschuldigt hij de VNV ervan KLM op te lichten, af te persen en zou de VNV meineed hebben gepleegd, de rechterlijke macht hebben voorgelogen, een criminele organisatie zijn en journalisten intimideren. Bovendien dreigt gedaagde in zijn berichten bij herhaling met het doen van aangifte tegen de VNV en met naam genoemde (oud-)bestuurders en kondigt hij meerdere keren aan op het kantoor van de VNV langs te komen om "het een en ander te bespreken". De VNV vordert bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland een verbod op het opnieuw verspreiden van voornoemde beschuldigingen jegens de VNV. Daarnaast vordert de VNV inzage in de lijst met namen van alle partijen aan wie gedaagde de beschuldigingen heeft verspreid en een contactverbod van 2 jaar. De voorzieningenrechter beoordeelt dit geschil in het licht van de afweging tussen twee in beginsel gelijkwaardige fundamentele grondrechten. Namelijk enerzijds het recht op vrijheid van meningsuiting van gedaagde en anderzijds het recht op de bescherming van de eer, goede naam, reputatie en eerbiediging van de persoonlijke levensfeer van de VNV.
Rb. Den Haag: mand met bodem valt niet onder beschermingsomvang van model van mand zonder bodem, geen slaafse nabootsing
Rb. Den Haag 20 mei 2026, IEF 23603; ECLI:NL:RBDHA:2026:12453 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De rechtbank oordeelt dat de door [gedaagde] aangeboden ‘water baskets’ geen inbreuk maken op de Uniemodelrechten en het auteursrecht van [eiseres] op de Drypot‑manden en evenmin een slaafse nabootsing daarvan opleveren. [eiseres] exploiteert sinds 2013 zogenoemde Drypot‑manden: rotan manden zonder gevlochten bodem, gevlochten rond een plastic binnenpot, waarvoor zij diverse ingeschreven Uniemodellen houdt. [gedaagde] brengt vanaf 2022 “water baskets” (Seline, Bridget, Pauline) op de markt: eveneens rotan manden rond een plastic binnenpot, maar dan met een gevlochten rotanbodem. [eiseres] stelt dat deze water baskets inbreuk maken op haar Uniemodelrechten en auteursrechten op de Drypot‑manden en dat bovendien sprake is van slaafse nabootsing (onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW), en vordert brede verbods‑, recall‑, opgave‑ en afgiftemaatregelen, alsmede schadevergoeding. De Uniemodellen van [eiseres] zijn bij het EUIPO in stand gebleven. Nu [gedaagde] geen reconventionele nietigheidsvordering instelt, gaat de rechtbank uit van geldige modellen, maar bepaalt zij de beschermingsomvang in het licht van het vormgevingserfgoed.
Artikel geschreven door Annette de Bont, ICTRecht.
Nieuwe uitspraak: wanneer is online delen auteursrechtinbreuk?
Inleiding
Op 30 april 2026 heeft het Hof van Justitie van de EU (‘HvJ’) een arrest gewezen waarin de auteursrechtelijke handeling van ‘een mededeling aan het publiek’ centraal staat. Het HvJ oordeelde dat het doorgeven van via satelliet ontvangen televisie- en radioprogramma’s naar de kamers van bewoners van een verzorgingshuis via een intern kabelnetwerk geen afzonderlijke ‘mededeling aan het publiek’ vormt in de zin van de Auteursrechtrichtlijn.
In dit blog gaan wij in op de uitspraak en wat de praktische gevolgen ervan zijn. Om de uitspraak te kunnen begrijpen, is het echter belangrijk eerst kort stil te staan bij deze auteursrechtelijke handeling: wat wordt er precies bedoeld met ‘een mededeling aan het publiek’?