Geen handelsnaaminbreuk met ‘Duivensportbond’, maar verwijzingen naar NPO op website wel onrechtmatig
Rb. Noord-Holland 1 september 2026, IEF 23859; ECLI:NL:RBNHO:2026:11605 (NPO tegen Compuclub en de Stichting). De Nederlandse Postduivenhouders Organisatie (NPO) en Duivensportbond Data Nederland B.V. (Compuclub) werken al jarenlang samen binnen de Nederlandse postduivensport. In kort geding ontstaat onder meer een geschil over het gebruik van de aanduiding Duivensportbond en verwijzingen naar de NPO op de website neerlandspostduivenorgaan.nl. Compuclub stelt dat het gebruik door de NPO van de aanduiding Duivensportbond, waaronder via de domeinnaam duivensportbond.nl, inbreuk maakt op haar handelsnaam Duivensportbond Data Nederland B.V. in de zin van art. 5 Hnw. De voorzieningenrechter verwerpt dat beroep. Vaststaat dat Compuclub de aanduiding Duivensportbond Data Nederland B.V. niet als handelsnaam gebruikt, zodat zij geen bescherming aan art. 5 Hnw kan ontlenen. Bovendien blijkt uit de domeinnaamgegevens dat de NPO de domeinnaam duivensportbond.nl al op 2 november 2017 had geregistreerd, terwijl Compuclub pas op 24 januari 2018 is opgericht.
UPC CoA: R. 190 RoP biedt geen ruimte voor fishing expeditions
UPC CoA 27 augustus 2026, IEF 23856; IEFbe 4316; UPC_CoA_76/2026 (Xingi Technology e.a. tegen Avient Protective Materials). In deze zaak tussen Xingi Technology c.s. en Avient Protective Materials staat de toepassing van R. 190 RoP centraal. Avient stelt dat verschillende door Xingi aangeboden UHMWPE-vezels, UD-fabrics en ballistische producten inbreuk maken op EP 2 791 402. Nadat Xingi had aangevoerd dat inbreuk op conclusies 13 tot en met 15 niet door berekeningen en extrapolaties, maar alleen door daadwerkelijke ballistische tests kon worden vastgesteld, verzocht Avient om overlegging van onder meer monsters van verschillende UD-fabrics, interne testrapporten en Engelstalige versies van een introductievideo. De judge-rapporteur van de Local Division Den Haag wees het verzoek gedeeltelijk toe en beval Xingi onder meer om van twee UD-fabricvarianten telkens 30 kilogram beschikbaar te stellen en de Engelstalige introductievideo over te leggen.
UPC CoA: beroep tegen afwijzing bewijsverzoek moet binnen 15 dagen worden ingesteld
UPC CoA 17 augustus 2026, IEF 23852; IEFbe 4312; UPC_CoA_69/2026; UPC_CoA_71/2026; UPC_CoA_72/2026 (Network System Technologies tegen Qualcomm). In deze zaak tussen Network System Technologies (NST) en Qualcomm staat de vraag centraal binnen welke termijn beroep moet worden ingesteld tegen de afwijzing van een verzoek om overlegging van bewijs op grond van artikel 59 UPCA en R. 190 RoP. NST had Qualcomm in drie inbreukprocedures verzocht broncode en technische documentatie met betrekking tot haar NoC-technologie over te leggen. De Munich Local Division wees deze verzoeken af en nam die afwijzing op in haar beslissingen in de hoofdprocedures. NST stelde daartegen pas in haar beroep tegen die beslissingen bezwaren aan de orde en diende daarnaast bij het Court of Appeal opnieuw verzoeken op grond van R. 190 RoP in.
WIPO: geen kwade trouw bij registratie thescentstories.com
WIPO 18 augustus 2026, IEF 23857; IEFbe 4317; D2026-2697 (Red Matter Holdings Inc. (d/b/a MiN NEW YORK) tegen Anirudh Jhawar, The Scent Stories). Red Matter Holdings, exploitant van het luxe parfumhuis MiN NEW YORK, verzoekt op grond van de Uniform Domain Name Dispute Resolution Policy (UDRP) om overdracht van de domeinnaam <thescentstories.com>. Red Matter gebruikt SCENT STORIES sinds 2013 voor een parfumcollectie en beschikt over een Amerikaanse merkregistratie voor SCENT STORIES uit 2014. De Indiase verweerder exploiteert onder de naam THE SCENT STORIES een multibrand parfumerie en registreerde de betwiste domeinnaam op 3 november 2025. Daarnaast beschikt hij sinds 10 oktober 2025 over een Indiase merkregistratie voor THE SCENT STORIES. Volgens Red Matter stemt de domeinnaam verwarringwekkend overeen met haar oudere merk en is deze te kwader trouw geregistreerd en gebruikt om internetgebruikers voor commercieel gewin naar een concurrerende parfumwinkel te leiden. Het WIPO-panel stelt vast dat SCENT STORIES volledig in de domeinnaam is opgenomen en dat de toevoeging van “the” niet verhindert dat sprake is van verwarringwekkende overeenstemming. Daarmee is aan het eerste vereiste van paragraaf 4(a) UDRP voldaan. Of verweerder rechten of legitieme belangen bij de domeinnaam heeft, laat het panel in het midden, omdat de klacht reeds op het vereiste van registratie en gebruik te kwader trouw strandt.
Gevangenisstraf voor opzettelijk in voorraad hebben van valse merken
Hof Amsterdam 2 september 2026, IEF 23851; ECLI:NL:GHAMS:2026:2507 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). Op 16 oktober 2021 is in Amsterdam onder de verdachte een grote partij kleding, tassen, schoenen en een zonnebril in beslag genomen. Het hof acht bewezen dat de verdachte deze goederen, valselijk voorzien van onder meer de beschermde woord- en/of beeldmerken Adidas, Balenciaga, Burberry, Christian Dior, Dolce & Gabbana, Givenchy, Gucci, Louis Vuitton, Moncler, Prada en Stone Island, opzettelijk in voorraad heeft gehad. De verdediging heeft vrijspraak bepleit vanwege onzorgvuldigheden en discrepanties in het dossier, onder meer tussen de aantallen goederen in het proces-verbaal van bevindingen en de kennisgevingen van inbeslagname en vanwege een aanvankelijk onjuist proces-verbaalnummer bij de aangifte. Het hof verwerpt dit verweer. De processen-verbaal stemmen op de relevante onderdelen, waaronder de merken en soorten kleding, in overwegende mate overeen en de verschillen in aantallen zijn volgens het hof van ondergeschikt belang en aan te merken als kennelijke telfouten. Ook staat naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel vast dat de aan de controleur getoonde monsters afkomstig waren uit de partij die onder de verdachte was inbeslaggenomen. Het voorwaardelijke verzoek om twee verbalisanten als getuigen te horen wordt afgewezen, omdat hun verhoor volgens het hof onmiskenbaar irrelevant of overbodig is. De relevante feiten waren reeds buiten redelijke twijfel komen vast te staan en op verzoek van de verdediging waren bovendien drie aanvullende processen-verbaal opgesteld waarin de gesignaleerde discrepanties voldoende waren toegelicht. Het gebruik van de bevindingen van de verbalisanten is daarom volgens het hof verenigbaar met art. 6 EVRM en de vereiste ‘overall fairness of the trial’.
Wie mag na een bandsplit verder onder de bandnaam: de merkinschrijving bij het BOIP, artikel 5 Handelsnaamwet en het gezamenlijk beheer van artikel 3:170 BW
Twee identieke brandijzers, één gloeiend en één koud, en één gedeeld brandmerk in het hout: de patstelling om een bandnaam na een split.
Mauritz Kop, 7 september 2026.
Een band die uit elkaar gaat, verdeelt eerst de spullen. De versterkers, de bus, de harde schijf met de sessies. De naam blijft liggen tot er twee maanden later een boeking binnenkomt, en dan blijkt dat twee groepen mensen menen dat zij die avond mogen spelen. Wie er gelijk heeft, hangt zelden af van wie de naam heeft bedacht. Het hangt af van drie regelingen die los van elkaar werken: de merkinschrijving bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom, de Handelsnaamwet, en het gemeenschapsrecht van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Wat er bij een vertrek van één lid met naam, masters en boekingen gebeurt, beschreef MusicaJuridica eerder in Als een bandlid vertrekt, blijven naam, masters en boekingen achter. Dit artikel gaat alleen over de naam, en over de situatie waarin de band als geheel uiteenvalt.
Uitspraak is ingezonden door Mustafa Kahya, BG.legal.
Merkinbreuk door gebruik ‘The Future Looks Bright’ naast woordmerk BRIGHT voorshands niet aannemelijk
Rb. Noord-Holland 18 september 2026, IEF 23849; C/15/381964 (PXR en Bright tegen [gedaagde]). PXR is houder van het Benelux-woordmerk BRIGHT, dat onder meer is ingeschreven voor het organiseren van beurzen en congressen, en Bright gebruikt dit merk met toestemming van PXR. Gedaagde gebruikt sinds 2024 de aanduiding ‘The Future Looks Bright’ voor door hem georganiseerde evenementen en heeft die aanduiding tevens als handelsnaam en domeinnaam geregistreerd. PXR en Bright vorderen in kort geding staking van dit gebruik wegens merkinbreuk. De voorzieningenrechter verwerpt eerst het verweer dat het merk wegens niet-gebruik vervalbaar is. PXR en Bright hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat BRIGHT in de afgelopen vijf jaar voor onder meer beurzen en evenementen is gebruikt, zodat onvoldoende aannemelijk is dat het BBIE de ingestelde vervalvordering wegens non-usus integraal zal toewijzen. Bij de beoordeling van art. 2.20 lid 2 onder b BVIE stelt de voorzieningenrechter vast dat BRIGHT en ‘The Future Looks Bright’ gedeeltelijk visueel, auditief en begripsmatig overeenstemmen, dat het teken in het economisch verkeer wordt gebruikt en dat sprake is van voldoende overeenstemmende diensten. Beide partijen gebruiken hun teken respectievelijk merk immers voor het organiseren van beurzen en evenementen die mede verband houden met de energiesector en energietransitie. Toch acht de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende aannemelijk dat een bodemrechter verwarringsgevaar zal aannemen. BRIGHT bestaat uit één gangbaar Engels woord, terwijl ‘The Future Looks Bright’ een volledige en gangbare Engelse zin vormt. Het merk BRIGHT heeft wel onderscheidend vermogen voor de betrokken diensten, maar het gebruik van een bestaand woord brengt volgens de voorzieningenrechter een beperktere beschermingsomvang mee dan bij een fantasienaam. Daarbij komt dat PXR en Bright hun evenementen met name aanduiden met benamingen waarin BRIGHT vooraan staat, zoals BrightLive, Bright Night en Bright Energy Party, terwijl het gemeenschappelijke bestanddeel in ‘The Future Looks Bright’ juist aan het einde van de zin staat. Ook is tot dan toe geen concrete verwarring gebleken, terwijl merk en teken al enige tijd naast elkaar worden gebruikt. De primaire grondslag van art. 2.20 lid 2 onder b BVIE slaagt daarom niet.
Volg IE-Forum ook op LinkedIn
Wil je naast de website ook via LinkedIn op de hoogte blijven van de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van intellectuele eigendom? Volg dan IE-Forum op LinkedIn.
Daar delen we onder meer recente jurisprudentie, actualiteiten, evenementen en andere ontwikkelingen binnen het IE-recht.
Zo blijf je ook via LinkedIn eenvoudig op de hoogte van wat er speelt.
UPC CoA: ontbrekende handtekening maakt hoger beroep niet-ontvankelijk
UPC CoA 21 augustus 2026, IEF 23843; IEFbe 4311; UPC_CoA_894/2025 (Windhager tegen bellissa HAAS). In deze zaak tussen Windhager en bellissa HAAS staat de ontvankelijkheid van het hoger beroep centraal. Windhager stelde beroep in tegen een beslissing van de Lokale Afdeling Mannheim, maar diende zowel de oorspronkelijke als de herstelde Statement of Appeal zonder elektronische handtekening in. Pas na afloop van de beroepstermijn werd een ondertekende versie ingediend.
Rectificatie onjuiste partijaanduiding toegestaan in Europese procedure voor geringe vorderingen
Rb. Amsterdam 28 augustus 2026, IEF 23847; ECLI:NL:RBAMS:2026:9273 ([verzoeker] tegen DP T.A.). [verzoeker] heeft via de Europese procedure voor geringe vorderingen op grond van Verordening (EG) nr. 861/2007 betaling gevorderd van € 168,99, vermeerderd met rente en proceskosten, in verband met de aankoop van een keycap set. In het vorderingsformulier had hij CandyKeys GmbH als wederpartij vermeld. Tijdens de procedure bleek dat deze rechtspersoon niet bestaat en dat CandyKeys een handelsnaam is van de Duitse vennootschap DP Tastatur Ausstattung UG (DP T.A.). [verzoeker] verzocht daarop de partijaanduiding te verbeteren. De kantonrechter staat deze rectificatie toe. Een onjuiste partijaanduiding kan tijdens een procedure worden hersteld wanneer voor de daadwerkelijk bedoelde wederpartij kenbaar was dat sprake was van een vergissing, de fout tijdig wordt verbeterd en de wederpartij daardoor niet in haar belangen wordt geschaad. Aan deze voorwaarden is voldaan. Uit de bij het vorderingsformulier gevoegde stukken bleek voldoende duidelijk dat [verzoeker] zijn verzoek tegen DP T.A., mede handelend onder de naam CandyKeys, had willen richten: hij had € 168,99 aan DP T.A. betaald en vervolgens met CandyKeys gecorrespondeerd over de terugbetaling. Het verzoek heeft DP T.A. ondanks de verkeerde partijaanduiding bereikt en zij heeft inhoudelijk verweer kunnen voeren, zonder dat zij verweermiddelen heeft verloren. Bovendien heeft [verzoeker] onmiddellijk na ontdekking van de vergissing om verbetering verzocht. Mede gelet op de doelstelling van de EPGV-verordening om procederen over geringe grensoverschrijdende vorderingen te vergemakkelijken, wordt DP T.A. daarom als verwerende partij aangemerkt.