Oorspronkelijk gepubliceerd op AI-Forum.
GEMA wint van Suno: memorisatie in een AI-model geldt opnieuw als auteursrechtinbreuk
Het Landgericht München I stelt de Duitse auteursrechtenorganisatie GEMA opnieuw in het gelijk. Ditmaal in haar zaak tegen Suno, aanbieder van de bekende generatieve AI-muziekdienst. Volgens de rechtbank heeft Suno zonder toestemming een reeks beschermde muziekwerken verveelvoudigd, waaronder in de AI-modellen zelf en via de gegenereerde output. Suno moet de inbreuken staken, informatie verstrekken en schadevergoeding betalen.
Vooral twee onderdelen vallen op. De Duitse rechter past Amerikaans auteursrecht toe op de training die in de Verenigde Staten plaatsvindt en verwerpt Suno’s beroep op fair use. Daarnaast beschouwt de rechtbank de ‘memorisatie’ van muziek in een AI-model opnieuw als auteursrechtelijk relevante verveelvoudiging. Daarmee kan het vonnis belangrijke gevolgen hebben voor aanbieders van generatieve AI. Terughoudendheid is echter geboden: de volledige motivering is nog niet gepubliceerd en de uitspraak is niet onherroepelijk.
Doseringspatent op rivaroxaban vernietigd wegens gebrek aan inventiviteit
Hof Den Haag 28 juli 2026, IEF 23731; LS&R 2433; ECLI:NL:GHDHA:2026:2481 (Sandoz tegen Bayer). Bayer is houdster van Europees octrooi EP 1 845 961 B1 voor, kort gezegd, het gebruik van een tablet met snelle afgifte van rivaroxaban voor de behandeling van trombo-embolische aandoeningen, waarbij het middel gedurende ten minste vijf opeenvolgende dagen niet meer dan eenmaal per dag wordt toegediend. Sandoz vorderde vernietiging van het Nederlandse deel van dit doseringsoctrooi. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat een patiënteninformatieformulier met bijbehorend boekje uit de Einstein-studie vóór de prioriteitsdatum tot de stand van de techniek was gaan behoren. Bayer had erkend dat de documenten vóór die datum aan tien patiënten waren verstrekt, onder wie twee Nederlandse patiënten. Die Nederlandse patiënten waren niet expliciet of impliciet tot geheimhouding verplicht en hoefden de documenten niet terug te geven; één exemplaar was juist voor de patiënt bestemd. Daarmee waren zij leden van het publiek en konden zij de documenten vrijelijk aan derden tonen of doorgeven. Voor openbare toegankelijkheid in de zin van artikel 54 lid 2 EOV is niet vereist dat de informatie aantoonbaar daadwerkelijk verder is verspreid. Voldoende is dat een lid van het publiek daarvan kennis kon nemen en niet door een geheimhoudingsverplichting in het gebruik of de verspreiding werd beperkt.
Mr. S.K. Martens Academie 2026/2027
Belangstellenden kunnen zich nu aanmelden voor de volgende editie van de Mr. S.K. Martens Academie. Deze officiële specialisatieopleiding intellectueel eigendoms- en procesrecht is bedoeld voor advocaten, rechters en (bedrijfs)juristen die hun juridische kennis en praktische vaardigheden verder willen verdiepen. De opleiding bestaat uit acht masterclasses en vier live online sessies en start naar waarschijnlijkheid in het najaar 2026.
De nadruk ligt op de praktische bescherming en handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Deelnemers werken in kleine groepen met actuele jurisprudentie, recente praktijkvoorbeelden en concrete businesscases. Ook de invloed van AI op de rechtspraktijk maakt deel uit van het programma. De hoofddocenten zijn Marijn Kingma, Peter Teunissen en Jorn Torenbosch.
Na succesvolle afronding van het mondelinge examen ontvangen deelnemers een certificaat in het intellectueel eigendoms- en procesrecht. De opleiding levert 54 tot 60 PO-punten op. Daarnaast krijgen deelnemers toegang tot het alumninetwerk en gedurende één jaar kosteloos toegang tot verschillende IE-publicaties en databanken van deLex, zoals AI-Forum, Auteursrecht, BMM Bulletin, Berichten Industriële Eigendom en Mediaforum.
Aanmelden of een offerte op maat aanvragen kan via info@delex.nl.
HvJ EU: fictief oprichtingsjaar kan luxemerk misleidend maken
HvJ EU 26 maart 2026, IEF 23728; ECLI:EU:C:2026:250 (Fauré Le Page Maroquinier en Fauré Le Page Paris tegen Goyard ST-Honoré). In deze zaak beantwoordt het Hof van Justitie prejudiciële vragen over de uitleg van artikel 3, eerste lid, onder g, van Richtlijn 2008/95 en meer bepaald over de vraag of een merk misleidend kan zijn wanneer een daarin opgenomen jaartal bij het relevante publiek ten onrechte de indruk wekt van eeuwenoud vakmanschap en daardoor van een bijzondere kwaliteit en prestigieus imago van de betrokken waren. Maison Fauré Le Page handelde sinds 1716 in Parijs in onder meer wapens, munitie en lederaccessoires, maar werd in 1992 ontbonden. Fauré Le Page Paris werd in 2009 opgericht, verwierf datzelfde jaar het Franse woordmerk Fauré Le Page en vroeg in 2011 twee Franse merken met de aanduiding Fauré Le Page Paris 1717 aan voor onder meer lederwaren, koffers en handtassen. Concurrent Goyard vordert nietigverklaring van deze merken wegens hun misleidende karakter. Na verwijzing verklaart het cour d’appel de Paris de merken nietig, omdat de aanduiding Paris 1717 de indruk wekt dat de onderneming sinds 1717 onafgebroken actief is en het vakmanschap van de historische onderneming aan de huidige onderneming is overgedragen. Voor consumenten van luxe lederwaren zou dit een garantie voor kwaliteit en prestige vormen en hun aankoopbeslissing kunnen beïnvloeden. De Fauré Le Page-vennootschappen voeren in cassatie aan dat de vermeend onjuiste informatie slechts betrekking heeft op de merkhouder en niet op een kenmerk van de waren. De Cour de cassation legt daarop prejudiciële vragen voor aan het Hof.
Geen aansprakelijkheid voor ontnemen IE-gerelateerde zakelijke kansen bij ontbreken afspraken over platformrechten
Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juni 2026, IEF 23727; ECLI:NL:GHARL:2026:4155 (Everizone tegen SME, TMA en [geïntimeerde 3]). In deze zaak beoordeelt het hof of SME, TMA en [geïntimeerde 3], als voormalige indirecte bestuurders en aandeelhouders, tegenover Everizone aansprakelijk zijn wegens het ontnemen van zogenoemde corporate opportunities. Everizone is eind 2018 opgericht in het kader van een samenwerking rond twee assessmentmethoden: de door [bestuurder 1] ontwikkelde PEM-methode, gekoppeld aan het online PEC-platform, en de door [geïntimeerde 3] ontwikkelde TMA-methode. De persoonlijke holding van [bestuurder 1] verleende Everizone een licentie voor het gebruik van PEM en TMA verleende haar een licentie voor de TMA-methode. Everizone raakte vervolgens betrokken bij een pilot van het Regionaal Platform Arbeidsmarktbeleid Noord-Holland Noord voor de ontwikkeling van een digitaal platform voor een leven lang ontwikkelen. Daarbij waren ook Create, Talentz en Omnimap betrokken. Everizone factureerde RPA voor de pilot in totaal € 150.000, welk bedrag volledig werd betaald. Nadat de samenwerking binnen Everizone was vastgelopen, trad SME terug als bestuurder van Everizone Holding. Kort voor het einde van de pilot richtte de moedervennootschap van Create LLO B.V. op, die vervolgens een LLO-platform ging exploiteren. Een dochtervennootschap van TMA sloot in maart 2022 met LLO een licentieovereenkomst voor het assessmentgedeelte. Volgens Everizone hebben SME c.s. haar hierdoor zonder product en middelen achtergelaten en haar de pilot, mogelijke vervolgopdrachten en andere zakelijke kansen ontnomen. Zij vordert op grond van interne bestuurdersaansprakelijkheid als bedoeld in artikel 2:9 BW en onrechtmatige daad onder meer verklaringen voor recht, schadevergoeding op te maken bij staat en een voorschot van € 4 miljoen. Subsidiair beroept zij zich op ongerechtvaardigde verrijking als bedoeld in artikel 6:212 BW. Daarnaast vordert zij op grond van artikel 843a oud Rv inzage in gegevens waarop eerder bewijsbeslag is gelegd.
Geen algemeen stakingsbevel, wel afgifte gegevens achter frauduleuze F1-ticketwebsites
Rb. Den Haag 30 juli 2026, IEF 23726; IT 5397; ECLI:NL:RBDHA:2026:21021 (Formula 1 Companies tegen Metaregistrar en Mijndomein). In dit kort geding constateren de Formula 1 Companies dat via verschillende websites niet-bestaande tickets voor het FIA Formula One World Championship worden aangeboden en daarbij zonder toestemming gebruik wordt gemaakt van hun FORMULA 1- en F1-merken. Nadat een consument voor € 2.600 aan tickets voor de Grand Prix van Monza heeft betaald zonder deze te ontvangen, ontdekken de Formula 1 Companies meerdere vergelijkbare websites. De websites vertonen sterke overeenkomsten in vormgeving en contactgegevens en gebruiken onder meer gefingeerde namen. Mijndomein is hostingprovider van de betrokken websites en heeft bemiddeld bij de registratie van de domeinnamen, waarvoor Metaregistrar als registrar is ingeschakeld. Na verschillende notice-and-takedownverzoeken haalt Mijndomein de betrokken websites offline, maar weigeren gedaagden de identificerende gegevens van de domeinnaamhouders te verstrekken. De Formula 1 Companies vorderen in kort geding onder meer staking van de dienstverlening als tussenpersoon en verstrekking van de identificerende gegevens van de domeinnaamhouders.
Ex parte verbod wegens inbreuk op Philips-merken en modelrecht
Rb. Den Haag 29 juni 2026, IEF 23725; ECLI:NL:RBDHA:2026:19388 (Koninklijke Philips N.V. en [gerekwestreerde 1] en [gerekwestreerde 2]). In deze zaak tussen Koninklijke Philips N.V. en [gerekwestreerde 1] en [gerekwestreerde 2] staat de gestelde inbreuk op Uniewoordmerken en een model van Philips centraal. Philips verzoekt de voorzieningenrechter om zonder voorafgaand verhoor van [gerekwestreerden] een onmiddellijk verbod op te leggen. De voorzieningenrechter acht de geldigheid van de door Philips ingeroepen rechten voorshands voldoende aannemelijk. Philips heeft daarnaast voldoende aannemelijk gemaakt dat [gerekwestreerden] inbreuk maken op deze rechten. De beschikking vermeldt niet om welke producten het precies gaat, maar verwijst naar de in het verzoekschrift omschreven inbreukmakende producten.
Rb. Den Haag: ex parte verbod op handel in Volkswagen ID.6 wegens merkinbreuk
Rb. Den Haag 26 juni 2026, IEF 23723; ECLI:NL:RBDHA:2026:19391 (Volkswagen Aktiengesellschaft tegen [gerekwestreerde]). In deze zaak tussen Volkswagen Aktiengesellschaft en [gerekwestreerde] staat de gestelde inbreuk op de merkrechten van Volkswagen door de handel in Volkswagen ID.6-auto’s centraal. Volkswagen verzoekt de voorzieningenrechter om zonder voorafgaand verhoor van [gerekwestreerde] een verbod op te leggen. De voorzieningenrechter acht de geldigheid van de door Volkswagen ingeroepen merkrechten voorshands voldoende aannemelijk. Ook heeft Volkswagen voldoende aannemelijk gemaakt dat [gerekwestreerde] inbreuk op deze rechten maakt. Uit de beschikking volgt dat de gestelde inbreuk bestaat uit het invoeren, uitvoeren, aanbieden, in de handel brengen of voor deze doeleinden in voorraad hebben van auto’s van het type Volkswagen ID.6.
Schrijf u hier in voor de gratis wekelijkse nieuwsbrief van IE-Forum
In deze gratis nieuwsbrief vindt u de jurisprudentie van de afgelopen week op IE-Forum. Handig voor jurisprudentielunches en als u zelf besprekingen voorbereidt.
Schrijf u hier in voor de gratis wekelijkse nieuwsbrief van IE-Forum.
Verzoeken over verkoop van IE-rechten vallen grotendeels buiten artikel 69 Fw
Rb. Den Haag 21 juli 2026, IEF 23722; ECLI:NL:RBDHA:2026:21050 (4ML B.V. tegen de curator in de faillissementen van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V.). In deze zaak tussen 4ML B.V. en de curator in de faillissementen van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. staat de vraag centraal of nader onderzoek nodig is naar intellectuele eigendomsrechten op twee formules voor verfpoeder. Daarnaast beoordeelt de rechtbank welke verzoeken een schuldeiser op grond van artikel 69 Fw aan de rechter-commissaris kan voorleggen. De gefailleerde vennootschappen hielden zich bezig met een verfformule die aanvankelijk werd aangeduid als RWP100. Volgens 4ML is deze formule later doorontwikkeld tot RWP203. Beide formules en de daarop rustende IE-rechten behoren volgens 4ML tot de faillissementsboedel. De curator is van plan de IE-rechten op RWP100 te verkopen, maar beschouwt RWP203 niet als onderdeel van de boedel. 4ML stelt dat de boedel hierdoor wordt benadeeld en verzocht de rechter-commissaris onder meer om nader onderzoek naar de eigendom van RWP203, de veiligstelling van mogelijke boedelactiva, mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid en de waarborgen rond het verkoopproces. Ter ondersteuning van haar standpunt verwijst 4ML naar een e-mail van een voormalig bestuurder uit 2022, waarin wordt gesproken over de binnen de gefailleerde vennootschappen ontwikkelde titaniumdioxidevrije formules RWP100 en RWP203. Ook beroept 4ML zich op een vergelijkend onderzoek van Nebest. Daaruit blijkt volgens haar dat de onderzochte verfpoeders dezelfde organische componenten bevatten en slechts op enkele punten verschillen. Verder acht 4ML het ongeloofwaardig dat de voormalige bestuurders hebben verklaard de formule van RWP203 niet in hun bezit te hebben. De curator stelt daartegenover dat uitgebreid onderzoek is verricht. Uit een technisch laboratoriumonderzoek is niet gebleken dat RWP100 en RWP203 dezelfde formule hebben. Ook heeft de curator een accountant onderzoek laten doen bij [bedrijf 3] B.V., de vennootschap waarbinnen RWP203 volgens haar bestuurder zou zijn ontwikkeld. Uit dat onderzoek blijkt niet dat [bedrijf 3] B.V. omzet met een verfproduct heeft behaald. De curator heeft daarom geen schade voor de gefailleerde vennootschappen en geen onrechtmatige doorontwikkeling of verduistering van IE-rechten kunnen vaststellen.