Save-the-date: Presentatie OO&R-bundel Bescherming van bedrijfsgeheimen 4 november
Op woensdag 4 november 2026 vindt bij Stibbe in Amsterdam de presentatie plaats van de bundel Bescherming van bedrijfsgeheimen, onder redactie van Jorn Kloostra, Pieter van der Korst, Peter Teunissen en Charlotte Vrendenbarg.
De bundel verschijnt in de serie Onderneming en Recht van het Nijmeegse Onderzoekcentrum Onderneming & Recht (OO&R) en bevat 26 bijdragen van auteurs uit wetenschap en praktijk, waaronder Constant van Nispen, Toon Huydecoper, Maarten Schut, Wim Maas, Peter Blok, Daniel Gervais, Ansgar Ohly, Anselm Kamperman Sanders en de leden van de redactie.
Het definitieve programma en de uitnodiging met aanmeldlink volgen nog, maar de datum kan alvast worden genoteerd!
Datum: woensdag 4 november 2026
Tijd: 16.00–18.00 uur, aansluitend borrel
Locatie: Stibbe, Amsterdam
Rb. Den Haag: Staat aansprakelijk voor onrechtmatige strafvervolging en OM-publicaties na gebleken onschuld
Rb. Den Haag 2 september 2026, IEF 23837; IT 5519; ECLI:NL:RBDHA:2026:25027 ([eiseressen] tegen de Staat). De rechtbank oordeelt dat de Staat aansprakelijk is voor de schade die een advocaat heeft geleden als gevolg van haar strafrechtelijke vervolging. De advocaat werd onder meer verdacht van deelname aan een criminele organisatie, overtreding van de Wet op de kansspelen, witwassen en valsheid in geschrift in verband met haar werkzaamheden voor aanbieders van online kansspelen. Zij werd door de rechtbank vrijgesproken en vervolgens in 2024 ook door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch integraal vrijgesproken. Volgens de rechtbank slaagt haar beroep op de b-grond uit het Begaclaim-arrest. Uit de motivering van het arrest van het hof blijkt dat zij onschuldig is aan alle ten laste gelegde feiten en dat de verdenkingen achteraf ongefundeerd zijn gebleken. Het beroep op de a-grond slaagt niet, omdat niet kan worden vastgesteld dat vanaf het begin een rechtvaardiging voor het strafvorderlijk optreden ontbrak. De Staat is daarom aansprakelijk voor de schade die de advocaat als gevolg van de vervolging heeft geleden. De inkomensschade wordt verwezen naar de schadestaatprocedure. Daarnaast kent de rechtbank € 15.000 toe wegens immateriële schade door de vervolging, € 572.526,52 voor kosten die verband houden met de strafrechtelijke vervolging en € 21.486,67 voor de kosten van een bankgarantie.
Gerecht EU: ULTRAPURE mist onderscheidend vermogen voor voedingssupplementen, voedingsmiddelen en dranken
Gerecht EU 16 september 2026, IEF 23836; IEFbe 4308; ECLI:EU:T:2026:572 (ULTRAPURE). Het Gerecht verwerpt het beroep van Fitmart GmbH & Co. KG tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO over de internationale inschrijving van het beeldteken ULTRAPURE met aanwijzing van de Europese Unie. Het teken was bestemd voor onder meer voedingssupplementen, zuivelproducten, voedingsmiddelen en niet-alcoholische dranken in de klassen 5, 29, 30 en 32. De kamer van beroep had geoordeeld dat het teken ieder onderscheidend vermogen mist in de zin van artikel 7 lid 1 onder b, gelezen in samenhang met artikel 7 lid 2 UMVo. Volgens het Gerecht zal het relevante Engels- en Franstalige publiek “ultrapure” onmiddellijk begrijpen als de combinatie van “ultra” en “pure”, waarmee wordt uitgedrukt dat de betrokken producten extreem of buitengewoon zuiver zijn. In de sectoren gezondheid, welzijn, voedingsmiddelen en dranken hechten consumenten belang aan de zuiverheid van producten. De verschillende mogelijke betekenissen van “pure” nemen daarom niet weg dat het relevante publiek het teken in de context van de betrokken waren onmiddellijk als een positieve, lovende boodschap zal opvatten en niet als een aanduiding van commerciële herkomst. Ook de combinatie “ultrapure” heeft geen betekenis die verder gaat dan de som van de bestanddelen. Zij vereist geen bijzonder interpretatieproces en wordt door het relevante publiek als een gewone promotionele en lovende boodschap opgevat.
Gerecht EU bevestigt nietigheid Remington SYNERGY WORLD wegens kwade trouw
Gerecht EU 16 september 2026, IEF 23835; IEFbe 4307; ECLI:EU:T:2026:571 (Remington SYNERGY WORLD). Het Gerecht verwerpt het beroep van Sudex OÜ tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO waarbij het Uniemerk Remington SYNERGY WORLD nietig is verklaard wegens kwade trouw op grond van artikel 59 lid 1 onder b UMVo. Voor de vaststelling van kwade trouw moet op basis van alle relevante omstandigheden objectief worden beoordeeld of de aanvrager het merk niet heeft aangevraagd met het doel eerlijk aan het handelsverkeer deel te nemen, maar met de bedoeling de belangen van derden in strijd met eerlijke gebruiken te schaden of een uitsluitend recht te verkrijgen voor doeleinden die buiten de functies van een merk vallen. Het Gerecht onderschrijft het oordeel dat sprake is van nabijheid tussen de betrokken marktsectoren. De voor het betwiste merk ingeschreven waren in de klassen 18 en 25 omvatten categorieën die ook specifiek voor de jacht bestemde producten kunnen omvatten. Deze waren en de vuurwapens en munitie waarop het oudere REMINGTON-merk betrekking heeft, kunnen zich bovendien tot dezelfde consumenten, namelijk jagers, richten en in dezelfde winkels worden verkocht. Voor nietigverklaring wegens kwade trouw is daarbij niet vereist dat een ouder merk betrekking heeft op identieke of soortgelijke waren of diensten. Evenmin hoeft noodzakelijkerwijs verwarringsgevaar te worden vastgesteld.
Inzage in bewijsbeslag deels toegestaan bij vermoeden van schending geheimhoudingsverplichtingen
Hof Arnhem-Leeuwarden 1 september 2026, IEF 23831; IT 5518; ECLI:NL:GHARL:2026:5660 (MPS c.s. tegen [geïntimeerde]). Axign en haar Amerikaanse moedermaatschappij Monolithic Power Systems, gezamenlijk MPS c.s., vorderen in kort geding inzage in en afschrift van gegevens die in Nederland conservatoir in bewijsbeslag zijn genomen op privéapparaten van een voormalig werknemer van MPS die tijdelijk bij Axign was gedetacheerd. Na onderzoek van zijn werklaptop was het vermoeden ontstaan dat interne documenten waren overgebracht naar onder meer zijn iPhone, iPad en een Microsoft Surface laptop. Van deze apparaten, inclusief bepaalde cloud- en Discordgegevens, is op 6 oktober 2025 een forensische kopie gemaakt. In een parallelle Amerikaanse procedure bleek later dat na toepassing van zoektermen 1.405 documenten en foto's op de iPad waren aangetroffen, waarvan volgens MPS c.s. 112 interne of aan haar gerelateerde documenten waren. [Geïntimeerde] betwistte in hoger beroep niet meer dat deze 1.405 bestanden waren aangetroffen en dat 112 daarvan interne of aan MPS c.s. gerelateerde documenten betroffen. Ook stond onvoldoende ter discussie dat ten minste enkele aangetroffen stukken geheime en bedrijfsgevoelige informatie bevatten, waaronder een presentatie met omzet- en winstcijfers per grote klant en een bestand met klanten, onderdelen en prijzen. Het hof hoeft voor de inzagevordering niet vast te stellen hoe deze documenten op de apparaten terecht zijn gekomen. De deskundigenrapporten spreken elkaar daarover tegen en een dergelijk technisch onderzoek gaat het bestek van dit kort geding te buiten. Voor toepassing van art. 194 lid 1 Rv hoeft MPS c.s. bovendien niet eerst voldoende aannemelijk te maken dat zij daadwerkelijk een vorderingsrecht heeft. Zij moet wel voldoende belang bij de gevraagde inzage aannemelijk maken. Daarvan is volgens het hof sprake, omdat de aanwezigheid van interne en bedrijfsgevoelige documenten op de privéapparaten een begin van feitelijke onderbouwing vormt voor een mogelijke tekortkoming in de arbeids- en detacheringafspraken en, indien uit nader onderzoek blijkt dat documenten met derden zijn gedeeld, mogelijk onrechtmatig handelen.
EUIPO mocht nieuw bewijs in FITNESS-zaak niet automatisch meenemen
Gerecht EU 10 oktober 2019, IEF 23834; IEFbe 4306; ECLI:EU:T:2019:737 (Nestlé tegen EUIPO en European Food). Nestlé registreerde het Uniewoordmerk FITNESS voor onder meer levensmiddelen, ontbijtgranen en niet-alcoholische dranken. European Food vroeg om nietigverklaring van het merk omdat FITNESS volgens haar beschrijvend was en onderscheidend vermogen miste. Tijdens een eerdere beroepsprocedure diende European Food aanvullend bewijs in bij de kamer van beroep. Die kamer liet het bewijs buiten beschouwing omdat het pas in beroep was ingediend. Het Gerecht vernietigde die beslissing in 2016. Het Hof van Justitie liet dat oordeel in 2018 in stand. Na die vernietiging boog een andere kamer van beroep zich opnieuw over de zaak. Zij ging ervan uit dat zij het eerder ingediende bewijs nu moest meenemen. Mede op basis van dat bewijs verklaarde zij het merk FITNESS nietig wegens het beschrijvende karakter en het ontbreken van onderscheidend vermogen.
Fissore en CristianoFissore stemmen voldoende overeen voor verwarringsgevaar
Gerecht EU 16 september 2026, IEF 23833; IEFbe 4305; ECLI:EU:T:2026:565 (Fissore tegen EUIPO en Paraggi). Fissore vraagt registratie van een Uniebeeldmerk met het woord Fissore in een gestileerd figuur dat een deel van het publiek als een vis zal herkennen. Paraggi maakt bezwaar op basis van het oudere Uniebeeldmerk CristianoFissore. Beide merken zien onder meer op kleding in klasse 25. De kamer van beroep van het EUIPO neemt verwarringsgevaar aan. Het Gerecht bevestigt eerst dat het relevante publiek een gemiddeld aandachtsniveau heeft. Volgens Fissore behoren haar producten tot het luxesegment en letten consumenten daarom beter op. Dat is niet bepalend. De merkaanvraag ziet algemeen op kleding, schoenen en hoofddeksels en is niet beperkt tot luxeproducten. Voor de beoordeling telt de omschrijving van de waren waarvoor het merk is aangevraagd, niet hoe Fissore haar producten feitelijk verkoopt. Ook verschillen in prijs, kwaliteit en verkoopkanalen veranderen de vergelijking van de waren niet. Kleding en hoofddeksels zijn deels identiek aan de waren waarvoor normaal gebruik van het oudere merk is aangetoond. Schoenen zijn gemiddeld soortgelijk aan de kleding van het oudere merk. Hoe beide merken op dit moment in de markt worden gebruikt, speelt bij die beoordeling geen rol.
Geen verwarringsgevaar tussen KROMAT en CROMA
Gerecht EU 16 september 2026, IEF 23832; IEFbe 4304; ECLI:EU:T:2026:566 (Absara Industrial tegen EUIPO, Hansgrohe SE). Absara Industrial vraagt registratie van het Uniewoordmerk KROMAT voor onder meer badkamer- en sanitaire producten. Hansgrohe maakt bezwaar op basis van haar oudere merk CROMA. De kamer van beroep van het EUIPO ziet voor een deel van de producten verwarringsgevaar tussen beide merken. Absara betwist eerst dat het EUIPO aanvullend bewijs van Hansgrohe mocht toelaten nadat de oorspronkelijke termijn was verstreken. Het Gerecht volgt dat niet. De ontbrekende bijlagen stonden al in de tijdig ingediende inhoudsopgave, met een beschrijving en het aantal pagina’s. Het EUIPO mocht daarom aannemen dat een technisch probleem een rol speelde. Ook als dat niet zo was, mocht het EUIPO de stukken als aanvullend bewijs toelaten. Absara kreeg bovendien alsnog de gelegenheid daarop te reageren, zodat haar recht om te worden gehoord gewaarborgd bleef. Ook het oordeel over het normale gebruik van CROMA blijft in stand. De facturen, omzetgegevens, catalogi, brochures en productcodes vormen samen voldoende bewijs. De zes facturen hadden betrekking op 526 douchekoppen en douchesets en waren verspreid over meerdere jaren en verschillende lidstaten. Dat Hansgrohe aan distributeurs verkocht en niet rechtstreeks aan eindgebruikers, maakt dat niet anders. Ook professionele afnemers en wederverkopers kunnen deel uitmaken van het relevante publiek.
Vernietiging hoofdveroordeling doet grondslag voor dwangsommen vervallen in auteursrechtelijk executiegeschil
Rb. Overijssel 8 september 2026, IEF 23829; ECLI:NL:RBOVE:2026:5533 ([partij A] tegen GBK). De kantonrechter oordeelt in een executiegeschil dat voortvloeit uit een eerdere procedure tussen voormalige leden van Gemeente Belang Kampen (GBK) en GBK. In die eerdere zaak was onder meer geoordeeld dat [partij A] inbreuk had gemaakt op het auteursrecht van GBK op teksten uit het verkiezingsprogramma en was hun bevolen dit gebruik te staken, op straffe van dwangsommen. Nadat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een deel van de hoofdveroordelingen had vernietigd, moest worden beoordeeld welke geïncasseerde bedragen nog een rechtsgrond hadden. De kantonrechter stelt voorop dat een dwangsom niet zelfstandig kan voortbestaan zonder de hoofdveroordeling waaraan zij is gekoppeld. Vernietiging van die hoofdveroordeling in hoger beroep heeft daarom terugwerkende kracht: reeds ingevorderde dwangsommen zijn dan achteraf bezien niet verbeurd en gelden als onverschuldigd betaald. Omdat de hoofdveroordelingen ten aanzien van [partij A2] volledig waren vernietigd, moet GBK het bij hem geïncasseerde bedrag van € 12.919,02 terugbetalen.
Uitspraak ingezondeon door Alexandra Iedema, Liaise Advocaten.
Hof Amsterdam: geen inzage in bewijsbeslag wegens onvoldoende aannemelijke betrokkenheid bij anonieme publicaties
Hof Amsterdam 8 september 2026, IEF 23830; ECLI:NL:GHAMS:2026:2451 (IVB tegen FTM c.s.). Invorderingsbedrijf B.V. en drie gelieerde vennootschappen, gezamenlijk IVB, vorderen inzage in gegevens die bij een voormalig opdrachtgever conservatoir in bewijsbeslag zijn genomen. IVB stelt dat deze persoon verantwoordelijk is voor een jarenlange online lastercampagne tegen haar, bestaande uit negatieve publicaties onder zijn eigen naam, maar ook uit anonieme berichten, websites, reviews en publicaties onder aliassen. Omdat het hoger beroep na 1 januari 2025 is ingesteld, beoordeelt het hof de inzagevordering aan de hand van het nieuwe bewijsrecht, in het bijzonder de artikelen 194 en 195 Rv. Voor toewijzing moet onder meer voldoende aannemelijk zijn dat sprake is van een rechtsbetrekking waarop de gevraagde gegevens betrekking hebben en moeten de verlangde gegevens voldoende bepaald zijn. Het hof acht wel aannemelijk dat geïntimeerde zelf negatieve publicaties over IVB heeft gedaan, maar vindt onvoldoende aannemelijk dat hij ook betrokken was bij de anonieme en onder aliassen verschenen publicaties. De door IVB aangevoerde omstandigheden, zoals overeenkomsten in formuleringen, verwijzingen tussen websites, het gebruik van bepaalde namen en het gegeven dat verschillende berichten vanaf hetzelfde IP-adres zouden zijn geplaatst, bieden daarvoor onvoldoende concrete aanknopingspunten.