Wie mag na een bandsplit verder onder de bandnaam: de merkinschrijving bij het BOIP, artikel 5 Handelsnaamwet en het gezamenlijk beheer van artikel 3:170 BW
Twee identieke brandijzers, één gloeiend en één koud, en één gedeeld brandmerk in het hout: de patstelling om een bandnaam na een split.
Mauritz Kop, 7 september 2026.
Een band die uit elkaar gaat, verdeelt eerst de spullen. De versterkers, de bus, de harde schijf met de sessies. De naam blijft liggen tot er twee maanden later een boeking binnenkomt, en dan blijkt dat twee groepen mensen menen dat zij die avond mogen spelen. Wie er gelijk heeft, hangt zelden af van wie de naam heeft bedacht. Het hangt af van drie regelingen die los van elkaar werken: de merkinschrijving bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom, de Handelsnaamwet, en het gemeenschapsrecht van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Wat er bij een vertrek van één lid met naam, masters en boekingen gebeurt, beschreef MusicaJuridica eerder in Als een bandlid vertrekt, blijven naam, masters en boekingen achter. Dit artikel gaat alleen over de naam, en over de situatie waarin de band als geheel uiteenvalt.
Uitspraak is ingezonden door Mustafa Kahya, BG.legal.
Merkinbreuk door gebruik ‘The Future Looks Bright’ naast woordmerk BRIGHT voorshands niet aannemelijk
Rb. Noord-Holland 18 september 2026, IEF 23849; C/15/381964 (PXR en Bright tegen [gedaagde]). PXR is houder van het Benelux-woordmerk BRIGHT, dat onder meer is ingeschreven voor het organiseren van beurzen en congressen, en Bright gebruikt dit merk met toestemming van PXR. Gedaagde gebruikt sinds 2024 de aanduiding ‘The Future Looks Bright’ voor door hem georganiseerde evenementen en heeft die aanduiding tevens als handelsnaam en domeinnaam geregistreerd. PXR en Bright vorderen in kort geding staking van dit gebruik wegens merkinbreuk. De voorzieningenrechter verwerpt eerst het verweer dat het merk wegens niet-gebruik vervalbaar is. PXR en Bright hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat BRIGHT in de afgelopen vijf jaar voor onder meer beurzen en evenementen is gebruikt, zodat onvoldoende aannemelijk is dat het BBIE de ingestelde vervalvordering wegens non-usus integraal zal toewijzen. Bij de beoordeling van art. 2.20 lid 2 onder b BVIE stelt de voorzieningenrechter vast dat BRIGHT en ‘The Future Looks Bright’ gedeeltelijk visueel, auditief en begripsmatig overeenstemmen, dat het teken in het economisch verkeer wordt gebruikt en dat sprake is van voldoende overeenstemmende diensten. Beide partijen gebruiken hun teken respectievelijk merk immers voor het organiseren van beurzen en evenementen die mede verband houden met de energiesector en energietransitie. Toch acht de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende aannemelijk dat een bodemrechter verwarringsgevaar zal aannemen. BRIGHT bestaat uit één gangbaar Engels woord, terwijl ‘The Future Looks Bright’ een volledige en gangbare Engelse zin vormt. Het merk BRIGHT heeft wel onderscheidend vermogen voor de betrokken diensten, maar het gebruik van een bestaand woord brengt volgens de voorzieningenrechter een beperktere beschermingsomvang mee dan bij een fantasienaam. Daarbij komt dat PXR en Bright hun evenementen met name aanduiden met benamingen waarin BRIGHT vooraan staat, zoals BrightLive, Bright Night en Bright Energy Party, terwijl het gemeenschappelijke bestanddeel in ‘The Future Looks Bright’ juist aan het einde van de zin staat. Ook is tot dan toe geen concrete verwarring gebleken, terwijl merk en teken al enige tijd naast elkaar worden gebruikt. De primaire grondslag van art. 2.20 lid 2 onder b BVIE slaagt daarom niet.
Volg IE-Forum ook op LinkedIn
Wil je naast de website ook via LinkedIn op de hoogte blijven van de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van intellectuele eigendom? Volg dan IE-Forum op LinkedIn.
Daar delen we onder meer recente jurisprudentie, actualiteiten, evenementen en andere ontwikkelingen binnen het IE-recht.
Zo blijf je ook via LinkedIn eenvoudig op de hoogte van wat er speelt.
UPC CoA: ontbrekende handtekening maakt hoger beroep niet-ontvankelijk
UPC CoA 21 augustus 2026, IEF 23843; IEFbe 4311; UPC_CoA_894/2025 (Windhager tegen bellissa HAAS). In deze zaak tussen Windhager en bellissa HAAS staat de ontvankelijkheid van het hoger beroep centraal. Windhager stelde beroep in tegen een beslissing van de Lokale Afdeling Mannheim, maar diende zowel de oorspronkelijke als de herstelde Statement of Appeal zonder elektronische handtekening in. Pas na afloop van de beroepstermijn werd een ondertekende versie ingediend.
Rectificatie onjuiste partijaanduiding toegestaan in Europese procedure voor geringe vorderingen
Rb. Amsterdam 28 augustus 2026, IEF 23847; ECLI:NL:RBAMS:2026:9273 ([verzoeker] tegen DP T.A.). [verzoeker] heeft via de Europese procedure voor geringe vorderingen op grond van Verordening (EG) nr. 861/2007 betaling gevorderd van € 168,99, vermeerderd met rente en proceskosten, in verband met de aankoop van een keycap set. In het vorderingsformulier had hij CandyKeys GmbH als wederpartij vermeld. Tijdens de procedure bleek dat deze rechtspersoon niet bestaat en dat CandyKeys een handelsnaam is van de Duitse vennootschap DP Tastatur Ausstattung UG (DP T.A.). [verzoeker] verzocht daarop de partijaanduiding te verbeteren. De kantonrechter staat deze rectificatie toe. Een onjuiste partijaanduiding kan tijdens een procedure worden hersteld wanneer voor de daadwerkelijk bedoelde wederpartij kenbaar was dat sprake was van een vergissing, de fout tijdig wordt verbeterd en de wederpartij daardoor niet in haar belangen wordt geschaad. Aan deze voorwaarden is voldaan. Uit de bij het vorderingsformulier gevoegde stukken bleek voldoende duidelijk dat [verzoeker] zijn verzoek tegen DP T.A., mede handelend onder de naam CandyKeys, had willen richten: hij had € 168,99 aan DP T.A. betaald en vervolgens met CandyKeys gecorrespondeerd over de terugbetaling. Het verzoek heeft DP T.A. ondanks de verkeerde partijaanduiding bereikt en zij heeft inhoudelijk verweer kunnen voeren, zonder dat zij verweermiddelen heeft verloren. Bovendien heeft [verzoeker] onmiddellijk na ontdekking van de vergissing om verbetering verzocht. Mede gelet op de doelstelling van de EPGV-verordening om procederen over geringe grensoverschrijdende vorderingen te vergemakkelijken, wordt DP T.A. daarom als verwerende partij aangemerkt.
Verbod op uitlatingen over grensoverschrijdend gedrag jegens zakenrelatie blijft grotendeels in stand
Hof Amsterdam 15 september 2026, IEF 23848; ECLI:NL:GHAMS:2026:2550 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]). Na het beëindigen van een zakelijke samenwerking tussen [appellant 1] en [geïntimeerde] ontstond een geschil over onder meer de uitvoering van een SaaS-overeenkomst voor de ontwikkeling en ondersteuning van een NFT-handelsplatform. [appellant 2] heeft namens [appellant 1] vervolgens berichten gestuurd aan aandeelhouders en investeerders van [geïntimeerde], waarin onder meer werd geklaagd over tekortkomingen in de samenwerking, niet-nagekomen afspraken, nevenactiviteiten, gebrek aan transparantie en grensoverschrijdend gedrag door een bestuurder van [geïntimeerde], waaronder pesterijen en discriminerende of racistische opmerkingen op de werkvloer. De voorzieningenrechter had [appellanten] verboden verdere uitlatingen te doen over dergelijk grensoverschrijdend gedrag. Het hof stelt bij de beoordeling het recht van [appellanten] op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM tegenover het belang van [geïntimeerde] bij bescherming van haar reputatie, eer en goede naam als bedoeld in art. 8 EVRM. Voor de beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag ontbreekt volgens het hof voorshands een behoorlijke feitelijke basis. De aangevoerde voorbeelden hebben deels geen betrekking op gedrag op de werkvloer of jegens medewerkers, het bestaan van gestelde aangiften van (ex-)medewerkers is niet aangetoond en [appellanten] konden niet concreet aangeven op welke specifieke voorvallen zij hun beschuldigingen baseerden. Gelet op de ernst en mogelijke reputatieschade van dergelijke aantijgingen valt de belangenafweging op dit punt in het voordeel van [geïntimeerde] uit. Het hof laat het verbod op verdere uitlatingen over grensoverschrijdend gedrag daarom in stand.
UPC CoA: commerciële marktgegevens kunnen als vertrouwelijke informatie worden beschermd
UPC CoA 10 juni 2026, IEF 23841; IEFbe 4310; UPC_CoA_61/2026 (SharkNinja tegen SEB). In deze zaak tussen SharkNinja en SEB staat de vraag centraal in hoeverre commerciële marktgegevens als vertrouwelijke informatie kunnen worden beschermd en wie toegang tot die informatie mag krijgen. Het Hof oordeelt dat R. 262A RoP niet alleen ziet op bedrijfsgeheimen in strikte zin, maar ook op andere vertrouwelijke informatie als bedoeld in art. 58 UPCA. De betrokken marktgegevens over SharkNinja’s Ninja Foodi-producten vallen daaronder, mede omdat zij afkomstig zijn van commerciële dataproviders en onder vertrouwelijkheidsverplichtingen beschikbaar zijn gesteld.
UPC CoA: evidente fout leidt niet tot schorsing gehele beslissing
UPC CoA 21 augustus 2026, IEF 23840; IEFbe 4309; UPC_CoA_135/2026 (Nuna tegen Cybex). In deze zaak tussen Nuna enerzijds en Cybex anderzijds staat de vraag centraal of het beroep tegen een voorlopige voorziening van de Local Division Hamburg opschortende werking moet krijgen. Cybex stelt dat verschillende onderdelen van een kinderzitjessysteem inbreuk maken op EP 4 242 056. De Local Divison achtte zowel directe als indirecte inbreuk waarschijnlijk, maar nam in het bevel over de indirecte inbreuk een aanvullende verplichting op die Cybex niet had gevorderd.
Rb. Den Haag: geen herstel proceskostenveroordeling voor niet gevorderde btw in IE-kort geding
Rb. Den Haag 21 augustus 2026, IEF 23838; ECLI:NL:RBDHA:2026:24085 ([eiseres] tegen CPD en [gedaagde]). De voorzieningenrechter wijst een verzoek af om een eerder vonnis te verbeteren op grond van artikel 31 lid 1 Rv. In het oorspronkelijke kortgedingvonnis waren de proceskosten in een IE-zaak vastgesteld aan de hand van de Indicatietarieven in IE-zaken, waarbij voor beide gedaagden € 18.000 aan salaris advocaat was begroot, exclusief btw. De gedaagden verzochten vervolgens om toevoeging van de btw, omdat die opslag volgens hen abusievelijk niet in het dictum was opgenomen. Volgens de voorzieningenrechter is echter geen sprake van een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Van zo’n fout is alleen sprake wanneer direct duidelijk is dat een vergissing is gemaakt.
Amelie tuinstoel maakt inbreuk op Uniemodel van Vincent Sheppard en Amelie loungeset op haar auteursrecht
Rb. Den Haag 22 juli 2026, IEF 23845; ECLI:NL:RBDHA:2026:27094 (Vincent Sheppard tegen Intergamma c.s.). Vincent Sheppard, producent van de KODO-collectie, stelt dat Intergamma c.s. met het aanbieden en verkopen van de Amelie tuinstoel en Amelie loungeset in Nederland en België inbreuk maken op haar intellectuele-eigendomsrechten. Ten aanzien van de KODO dining chair beroept Vincent Sheppard zich op het ingeschreven Uniemodel nr. 006570933-0003. De voorzieningenrechter verwerpt het beroep van Intergamma c.s. op nietigheid. De KODO dining chair wekt bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk dan de aangevoerde oudere modellen, zodat in dit kort geding voorshands van de geldigheid van het KODO-model moet worden uitgegaan. Aan het model komt bovendien een ruime beschermingsomvang toe. De Amelie tuinstoel is volgens de voorzieningenrechter nagenoeg identiek aan de KODO dining chair. De twee geconstateerde verschillen, één horizontale buis in de rugleuning in plaats van twee en een extra horizontale staaf tussen de voorpoten, zijn te gering om tot een andere algemene indruk te leiden. De Amelie tuinstoel wekt bij de geïnformeerde gebruiker daarom geen andere algemene indruk dan het KODO-model en maakt daarop inbreuk. Omdat de gevorderde voorzieningen ten aanzien van de tuinstoel reeds op deze modelrechtelijke grondslag kunnen worden toegewezen, laat de voorzieningenrechter de daarnaast aangevoerde auteursrechtelijke en onrechtmatigedaadsgrondslag onbesproken.