Gerecht EU: Wayback Machine-screenshot kan bewijs leveren van openbaarmaking ouder model
Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23510; IEFbe 4206; ECLI:EU:T:2026:302 (Doors Bulgaria EOOD tegen EUIPO en Top Ten EOOD). In zaak T-580/25 bevestigt het Gerecht de beslissing van de Derde kamer van beroep van het EUIPO in een nietigheidsprocedure over een ingeschreven Uniemodel voor deuren. Het betwiste model was aangevraagd op 16 december 2013 en ingeschreven voor waren in klasse 25.02 van de Locarno-classificatie. Top Ten EOOD had in 2023 om nietigverklaring verzocht op grond van artikel 25 lid 1 onder b Verordening 6/2002, gelezen in samenhang met de vereisten van nieuwheid en eigen karakter uit de artikelen 4, 5 en 6 van die verordening, in de versie vóór Verordening 2024/2822. Ter onderbouwing beriep Top Ten zich onder meer op een afbeelding van een oudere deur op een website, vastgelegd via de Wayback Machine op 23 augustus 2013, dus vóór de aanvraagdatum van het betwiste model. De Nietigheidsafdeling verklaarde het model nietig wegens gebrek aan eigen karakter. De Kamer van Beroep bevestigde die beslissing en oordeelde dat de Wayback Machine-screenshot en de volledige uitdraai van de website voldoende bewijs vormden dat het oudere model vóór de relevante datum aan het publiek beschikbaar was gesteld in de zin van artikel 7 lid 1 Verordening 6/2002. Ten overvloede bevestigde de Kamer van Beroep ook dat de betrokken modellen bij de geïnformeerde gebruiker dezelfde algemene indruk wekten, zodat het betwiste model geen eigen karakter had.
Gerecht EU: verwarringsgevaar tussen ALFAVET en alfavet voor diergerelateerde waren en diensten
Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23509; IEFbe 4205; ECLI:EU:T:2026:292 (Groupvet EE tegen EUIPO en alfavet Tierarzneimittel GmbH). In zaak T-403/25, bevestigt het Gerecht de beslissing van de Eerste kamer van beroep van het EUIPO over de oppositie tegen de aanvraag voor het Uniebeeldmerk ALFAVET. Groupvet had dit teken aangevraagd voor diergerelateerde waren en diensten in de klassen 3, 10, 18, 21, 31 en 44, waaronder dierverzorgingsproducten, veterinaire hulpmiddelen, diervoeding en veterinaire en dierverzorgingsdiensten. De oppositie was gebaseerd op het oudere Uniebeeldmerk alfavet, ingeschreven voor onder meer cosmetica, veterinaire preparaten, voedingssupplementen voor dieren en diervoeding in de klassen 3, 5 en 31. De Oppositieafdeling wees de aanvraag grotendeels af. De Kamer van Beroep draaide die beslissing gedeeltelijk terug voor alle waren in de klassen 18 en 21 en voor enkele waren in klasse 10, maar handhaafde de weigering voor de overige waren en diensten. Voor het Gerecht voerde Groupvet onder meer aan dat de oorspronkelijke opposant geen oppositiebevoegdheid had, dat de houder van het oudere merk te kwader trouw had gehandeld door het merk opnieuw te deponeren om gebruiksbewijs te vermijden, en dat geen verwarringsgevaar bestond. Het Gerecht verwerpt die bezwaren. De oorspronkelijke opposant was op het moment van indiening houdster van het oudere merk en had daarom oppositiebevoegdheid op grond van artikel 46 UMVo. Dat het merk mogelijk feitelijk door de latere interveniënte werd gebruikt, doet daaraan niet af. Ook de gestelde kwade trouw kan in een oppositieprocedure niet worden onderzocht: EUIPO moet in oppositie uitgaan van de geldigheid van het oudere merk. Een beroep op kwade trouw bij de aanvraag van het oudere merk hoort thuis in een nietigheidsprocedure, niet in een oppositieprocedure.
Wazdan Innovations tegen EUIPO: "1 Coin" mist onderscheidend vermogen voor gaming- en gokdiensten
Gerecht EU 29 april 2026, IEF23507, IT5241, ECLI:EU:T:2026:296 (Wazdan tegen EUIPO). In deze zaak heeft het Gerecht van de Europese Unie uitspraak gedaan in het beroep van Wazdan Innovations Ltd tegen het European Union Intellectual Property Office. Het geschil betrof de weigering om het Uniewoordmerk “1 Coin” in te schrijven voor onder meer spellen, gaming-software en gokdiensten. EUIPO had de aanvraag grotendeels afgewezen wegens het ontbreken van onderscheidend vermogen in de zin van artikel 7 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001, ook nadat de lijst van waren en diensten was beperkt. De weigering had geen betrekking op de dienst “ontwerp van online spellen” (conception de jeux en ligne) in klasse 42. Wazdan verzocht het Gerecht primair om de bestreden beslissing te wijzigen en subsidiair om vernietiging daarvan. Het Gerecht oordeelde echter dat het niet bevoegd is om zelf een Uniemerk in te schrijven en beperkte zich daarom tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot vernietiging. Ten aanzien van het onderscheidend vermogen oordeelde het Gerecht dat het relevante publiek, bestaande uit het algemene publiek dat geïnteresseerd is in games, kansspelen en gokdiensten, en deels professionele afnemers met een hoger aandachtsniveau, het teken “1 Coin” zal opvatten als een verwijzing naar spelmechaniek, zoals inzet, spelregels of beloningen. Het element “coin” wordt in de gaming- en gokcontext algemeen gebruikt, onder meer voor fysieke of virtuele munten. Daardoor zal het teken niet worden gezien als een aanduiding van commerciële herkomst, maar als informatieve aanduiding. Het Gerecht bevestigde dat een teken ook zonder strikt beschrijvend te zijn toch niet-onderscheidend kan zijn.
Gerecht EU: geen herstel van kwekersrecht Melrose na te late betaling jaarlijkse taks
Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23506, LS&R 2379; IEFbe 4204; ECLI:EU:T:2026:295 (Romagnoli Fratelli SpA tegen Community Plant Variety Office). In Romagnoli Fratelli/CPVO bevestigt het Gerecht de beslissing van de Kamer van Beroep van het Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO) over de beëindiging van het communautaire kwekersrecht voor het aardappelras Melrose. Het kwekersrecht was in 2012 verleend en sinds 2018 in handen van Romagnoli Fratelli. Nadat de jaarlijkse taks niet tijdig was betaald, stuurde het CPVO een debetnota en vervolgens een formele herinnering via het elektronische gebruikersportaal MyPVR. Omdat betaling uitbleef, beëindigde het CPVO het kwekersrecht bij besluit van 21 maart 2022 op grond van artikel 21 lid 2 onder c Verordening 2100/94. Een eerder verzoek om restitutio in integrum wegens de gemiste betalingstermijn was al afgewezen; het beroep daartegen werd door het Gerecht en vervolgens door het Hof van Justitie verworpen. In deze procedure ging het om een tweede verzoek tot restitutio, gericht op herstel van de termijn om beroep in te stellen tegen het beëindigingsbesluit van 21 maart 2022. Dat beroep was pas op 6 januari 2023 ingesteld, terwijl de beroepstermijn op 30 mei 2022 was verstreken. De Kamer van Beroep achtte zichzelf bevoegd om over dat verzoek te beslissen, omdat het ging om een termijn die tegenover haarzelf in acht moest worden genomen. Het Gerecht bevestigt die bevoegdheid op basis van artikel 80 Verordening 2100/94, het beginsel van parallelle bevoegdheid en de vergelijkbare regeling bij EUIPO.
Rb. Midden-Nederland: Geen inbreuk op woordmerk of handelsnaam
Rb. Midden-Nederland 8 april 2026, IEF23508; ECLI:NL:RBMNE:2026:1658 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft in deze zaak geoordeeld over een geschil tussen [eiseres] en [gedaagde] over vermeende merkinbreuk en handelsnaaminbreuk. [eiseres] exploiteert een juridisch netwerk, detacheert juristen en is houdster van een woordmerk dat ook als handelsnaam wordt gebruikt. [gedaagde] houdt zich eveneens bezig met het detacheren van juristen. Zij gebruikt een handelsnaam en logo waarin deels dezelfde woorden voorkomen, aangevuld met een werkwoord en vormgegeven in een zogenoemde “I love”-stijl. [eiseres] vordert in kort geding een verbod op het gebruik van deze handelsnaam en het logo, plus nevenvoorzieningen. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang aanwezig, gezien de gestelde voortdurende inbreuk en de lopende activiteiten van partijen. Bij de inhoudelijke beoordeling stelt de rechter voorop dat het woordmerk van [eiseres] bestaat uit beschrijvende elementen. Deze verwijzen direct naar de aard van de juridische diensten en de manier waarop die worden georganiseerd. Het merk heeft daarom van huis uit een zeer zwak onderscheidend vermogen. Volgens [eiseres] is door gebruik vanaf 2020 enig onderscheidend vermogen ontstaan. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat sprake is van een zekere toename van onderscheidend vermogen door gebruik, maar oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd dat deze toename zodanig is dat het relevante publiek het merk met één specifieke onderneming associeert. Daardoor blijft de beschermingsomvang van het merk en de handelsnaam beperkt. Daarbij weegt mee dat beschrijvende aanduidingen beschikbaar moeten blijven voor andere marktpartijen. Bij de beoordeling van de gestelde merkinbreuk op grond van artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE stelt de voorzieningenrechter vast dat de diensten van partijen weliswaar soortgelijk zijn. Ook is er enige overeenstemming tussen de gebruikte aanduidingen. Toch wegen de verschillen in totaalindruk zwaarder. Het teken van [gedaagde] bevat een extra woord dat visueel en auditief opvalt. Daarnaast verschilt de betekenis duidelijk. Gezien het zwakke (en slechts in beperkte mate toegenomen) onderscheidend vermogen van het merk van [eiseres] en het ontbreken van concrete verwarringsgevallen, acht de rechter verwarringsgevaar niet voldoende aannemelijk.
Gerecht EU: “FI” is beschrijvend voor financiële en beleggingsdiensten
Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23505; IEFbe 4203; ECLI:EU:T:2026:299 (Fisher Investments Europe Ltd tegen EUIPO). In de gevoegde zaken T-465/25 en T-466/25, Fisher Investments Europe Ltd/EUIPO, heeft het Gerecht op 29 april 2026 de beroepen van Fisher Investments Europe Ltd tegen twee beslissingen van de Vijfde kamer van beroep van het EUIPO verworpen. De zaken betroffen twee aanvragen voor Uniebeeldmerken met het element “FI”, voor diensten in klasse 36, waaronder beleggingsbeheer, beleggingsadvies en beheerde beleggingsportefeuilles bestaande uit exchange traded funds, en klasse 41, waaronder seminars, persoonlijke optredens en spreekbeurten op het gebied van beleggingsbeheer en beleggingsadvies. Het EUIPO had de aanvragen geweigerd op grond van artikel 7 lid 1 onder b en c UMVo, gelezen in samenhang met artikel 7 lid 2 UMVo, omdat de tekens beschrijvend zouden zijn en onderscheidend vermogen zouden missen. De kamer van beroep oordeelde dat het relevante publiek, voor klasse 36 zowel het algemene als het gespecialiseerde publiek, en voor klasse 41 uitsluitend een professioneel of gespecialiseerd publiek, telkens met een hoog aandachtsniveau, het element “FI” kon begrijpen als afkorting van “financial institution” en/of als landcode voor Finland. Volgens de kamer van beroep konden de tekens daardoor informatie geven over kenmerken van de diensten: zij konden worden opgevat als diensten die worden aangeboden door een financiële instelling, dan wel als diensten die verband houden met investeringen in Finland of op de Finse effectenmarkt. Fisher Investments stelde daartegenover dat het verband tussen “FI” en de diensten onvoldoende direct en specifiek was, dat “FI” meerdere betekenissen kan hebben, dat de figuratieve vormgeving de tekens onderscheidend maakte en dat EUIPO vergelijkbare tekens eerder wél had geregistreerd.
Online update: AI & auteursrecht op woensdag 13 mei
In this Online Update Daniel Gervais (The American Law Institute, Vanderbilt University) will elaborate on several recent internatinal AI & copywrite rulings and the key lessons that can (so far) be drawn from them. More information will follow shortly. Gervais will address both input and output. On the output side, consider, for example, the recent case concerning photographs of dogs underwater, or the case involving corporate logos. On the input side, he will discuss the training of AI models, referring to cases such as Bartz v. Anthropic, Kadrey v. Meta, GEMA v. OpenAI, and Getty Images v. Stability AI.
Rather than providing summaries of these decisions, Gervais will focus on the broader perspective: what are the latest developments, and where is this heading in the future?
Within in one hour you will be up to date during the Online Update on AI & Copyright.
Paul Trapman, Ploum.
Rb. Den Haag: buitenlandse eiser hoeft geen zekerheid te stellen bij voldoende verhaal in Nederland
Rb. Den Haag 22 april 2026, IEF23503; C/09/696283 (Pop Mart c.s. tegen Erik Fruit). De Rechtbank Den Haag heeft in een incident ex artikel 224 Rv geoordeeld dat de buitenlandse Pop Mart-entiteiten geen zekerheid hoeven te stellen voor proceskosten in een lopende IE-inbreukzaak tegen Erik Fruit uit Rotterdam. In de hoofdzaak staan Pop Mart c.s. tegenover Erik Fruit. Pop Mart is producent van zogenoemde “designer toys”, waaronder het figuurtje Labubu, en stelt rechthebbende te zijn op diverse merken (POP MART, THE MONSTERS en LABUBU) en de bijbehorende auteursrechten. Volgens Pop Mart heeft Erik Fruit inbreuk gemaakt door de levering van namaakproducten, aangeduid als “Lafufu’s”, aan supermarktketen Jumbo. In dat verband vordert zij onder meer een verklaring voor recht, een inbreukverbod, schadevergoeding, opgave van gegevens en volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv. Erik Fruit betwist de gestelde inbreuken, verzoekt om matiging van een eventuele schadevergoeding tot € 14.000 en heeft in reconventie onder meer gevorderd dat Pop Mart op grond van artikel 22 Rv schikkingsovereenkomsten met Jumbo-franchisenemers overlegt. In het incident vordert Erik Fruit dat de in Singapore en China gevestigde Pop Mart-entiteiten zekerheid stellen voor de proceskosten tot een bedrag van € 25.000. Volgens Erik Fruit zijn deze vennootschappen buiten de Europese Unie gevestigd en vallen zij niet onder de werking van de EEX-Verordening, terwijl evenmin een verdrag bestaat dat de tenuitvoerlegging van een Nederlandse proceskostenveroordeling in Singapore en China waarborgt, zodat sprake is van een reëel verhaalsrisico.
Ingezonden door Arnout Groen, Visser Schaap & Kreijger.
Hof Den Haag na verwijzing: geen voorafgaand oordeel over partijdeskundigenrapport; incident afgewezen wegens doelmatige procesvoering
Hof Den Haag 14 april 2026, IEF23502; Zaaknummer 200.348.842/01 (ABMD c.s. tegen Buma Stemra). Na verwijzing door de Hoge Raad ligt de zaak tussen ABMD c.s. en Buma/Stemra opnieuw voor bij het Gerechtshof Den Haag. ABMD c.s. heeft bij haar antwoordmemorie na verwijzing een partijdeskundigenrapport overgelegd. Buma/Stemra vordert in een incident dat dit rapport buiten beschouwing wordt gelaten wegens strijd met de goede procesorde en de twee-conclusieregel. Het hof kwalificeert dit verzoek als een incidentele vordering en beoordeelt die aan de hand van artikel 209 Rv, waarbij het belang van een doelmatige procesvoering en het voorkomen van onnodig beslag op rechterlijke capaciteit centraal staat. Een oordeel over de toelaatbaarheid van het rapport vergt volgens het hof een inhoudelijke analyse van het dossier, die efficiënter kan plaatsvinden in het kader van de inhoudelijke behandeling, niet in een afzonderlijk incident. Het door Buma/Stemra gestelde belang om kosten voor een tegenrapport te vermijden weegt daarbij niet op tegen het belang van een doelmatige procesvoering; het is aan Buma/Stemra zelf om te beslissen of zij een tegenrapport laat opstellen. Het hof benadrukt dat na cassatie en verwijzing in beginsel ruimte bestaat om nieuwe producties over te leggen ter nadere onderbouwing en precisering van reeds bestaande geschilpunten, onder verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad. De incidentele vordering wordt afgewezen en Buma/Stemra wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident. De zaak wordt voortgezet met een mondelinge behandeling op 29 oktober 2026.
Gerecht EU: registratie van “Irish Grass Fed Beef” als BGA blijft in stand ondanks discussie over nationale oppositieprocedure
Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23501; 4201; ECLI:EU:T:2026:255 (Independent Farmers Organisation of Ireland Ltd tegen European Commission). Het Gerecht verwerpt het beroep van de Independent Farmers Organisation of Ireland Ltd tegen Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2666, waarbij “Irish Grass Fed Beef” als beschermde geografische aanduiding is geregistreerd. De oorspronkelijke aanvraag was in 2020 door An Bord Bia ingediend namens Ierland en had aanvankelijk betrekking op rundvlees uit Ierland. De Ierse landbouworganisatie had in de nationale Ierse oppositieprocedure bezwaar gemaakt, maar dat bezwaar werd afgewezen. Nadat de aanvraag op EU-niveau was gepubliceerd, diende het Verenigd Koninkrijk een ontvankelijke oppositie in, onder meer omdat het betrokken rundvlees ook in Noord-Ierland wordt geproduceerd en de term “Irish” historisch ook op producten uit dat gebied betrekking kan hebben. Na overleg tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk werd de productspecificatie substantieel gewijzigd, met name doordat het beschermde geografische gebied werd uitgebreid tot Noord-Ierland. De Commissie onderzocht de gewijzigde aanvraag opnieuw, publiceerde deze opnieuw in het Publicatieblad en registreerde de naam nadat op EU-niveau geen nieuwe oppositie was ingediend. De Ierse organisatie stelde vervolgens dat zij door de Commissie had moeten worden gehoord, dat de gewijzigde aanvraag als een nieuwe of gezamenlijke aanvraag had moeten worden behandeld, dat artikel 4 van Gedelegeerde Verordening 664/2014 was geschonden, dat de Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur had miskend en, subsidiair, dat Verordening 1151/2012 onrechtmatig was voor zover die geen effectieve participatie mogelijk zou maken.