Herstelvonnis corrigeert verwijzingen in dwangsombepalingen Audi en Volkswagen
Rb. Den Haag 20 augustus 2026, IEF 23827; ECLI:NL:RBDHA:2026:25190 (Audi c.s.tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter herstelt op verzoek van Audi en Volkswagen twee kennelijke fouten in het dictum van het kortgedingvonnis van 27 juli 2026. In dictumonderdeel 5.5 werd voor de aan Audi verbonden dwangsom verwezen naar de bevelen onder 5.1, 5.4 en 5.4, terwijl dit 5.1, 5.3 en 5.4 moest zijn. In dictumonderdeel 5.6 werd voor Volkswagen verwezen naar 5.2, 5.4 en 5.4, waar 5.2, 5.3 en 5.4 was bedoeld. Gedaagde kreeg gelegenheid zich over het herstelverzoek uit te laten en liet de beoordeling aan de rechtbank. De voorzieningenrechter oordeelt dat sprake is van kennelijke fouten in de zin van artikel 31 Rv die zich voor eenvoudig herstel lenen, mede omdat in rechtsoverweging 4.13 van het oorspronkelijke vonnis al was opgenomen dat de onder III gevorderde dwangsommen zouden worden toegewezen.
Jong IE-borrel – donderdag 15 oktober 2026
Ha mede Jong IE’er,
Zoals aangekondigd, is het weer tijd voor een borrel zónder juridische opschepperij cq. fijnslijperij! We zien jullie graag allemaal op donderdag 15 oktober bij café de Sluyswacht.
Heb je nieuwe kantoorgenoten die ook toe zijn aan een gezellige borrel met jonge vakgenoten? Stuur deze uitnodiging vooral door. Willen zij voortaan zelf onze uitnodigingen ontvangen? Stuur dan een mail met naam en kantoor naar Ploon Meijer (ploon.meijer@hoogenhaak.nl).
Wie? Alle zich jong voelende IE’ers
Wat? Een borrel, zónder juridische opschepperij cq. fijnslijperij
Waar? Café de Sluyswacht, Jodenbreestraat 1, 1011 NG Amsterdam (Cafe de Sluyswacht)
Wanneer? Donderdag 15 oktober 2026, vanaf 18:00 uur
Wij hebben er veel zin in. Tot snel!
Yiyi Song
Bram Bogaerts
Nathalie Rodriguez
Luna Snellenberg
Uitspraak ingezonden door Jan Jacobi en Margot Vergeest, BarentsKrans.
Gluggle Jug visvaas niet beschermd door slaafse nabootsing en merkenrecht, merk ‘Gluggle Jug’ wel geldig
Rb. Den Haag 2 september 2026, IEF 23825; ECLI:NL:RBDHA:2026:25453 (Gluggle Jug c.s. tegen ITA). De rechtbank oordeelt dat het Uniewoordmerk GLUGGLE JUG geldig is, maar slechts een beperkt onderscheidend vermogen heeft. Jug is beschrijvend voor kannen en vazen en gluggle heeft geen zelfstandige betekenis in het Engels, maar is wel afgeleid van het klanknabootsende woord glug, dat verwijst naar het gorgelende geluid dat bij het schenken van vloeistof ontstaat. Het merk is daarom niet uitsluitend beschrijvend en kan de commerciële herkomst van de waren aanduiden. Ook is onvoldoende aangetoond dat gluggle jug door toedoen of nalaten van de merkhouder in de Europese Unie tot soortnaam voor visvazen is verworden, zodat zowel de vordering tot nietigverklaring als die tot vervallenverklaring van het Uniemerk wordt afgewezen. Het gebruik van The Bubble Jug/Bubble Jug voor visvazen levert geen merkinbreuk op grond van artikel 9 lid 2 onder b UMVo op. Hoewel de tekens visueel en auditief in geringe mate overeenstemmen en voor identieke waren worden gebruikt, bestaat volgens de rechtbank geen verwarringsgevaar, mede gelet op het gemiddelde aandachtsniveau van het publiek en het geringe onderscheidend vermogen van GLUGGLE JUG. Het beroep van ITA op de neutralisatieleer wordt verworpen, omdat geen sprake is van een duidelijke en vaste begripsmatige betekenis die de visuele en auditieve overeenstemming neutraliseert. Wel levert het gebruik van #glugglejug voor visvazen merkinbreuk op grond van artikel 9 lid 2 onder a UMVo op. Ook het gebruik van gluggle en van gluggling, glug en/of glugging in combinatie met jug levert wegens de grote mate van overeenstemming en het daardoor ontstane verwarringsgevaar merkinbreuk op grond van artikel 9 lid 2 onder b UMVo op. Gebruik van gluggling, glug en glugging zonder jug levert daarentegen geen merkinbreuk op.
Procedures over CRISPR-Cas-octrooi EP 457 geschorst in afwachting van EOB-beroep
Rb. Den Haag 2 september 2026, IEF 23824; ECLI:NL:RBDHA:2026:25469 (Vertex tegen ToolGen en ToolGen tegen Lonza). De rechtbank schorst twee rolgevoegde procedures over Europees octrooi EP 4 357 457 van ToolGen, dat betrekking heeft op CRISPR-Cas-technologie. In de Vertex-zaak vordert Vertex vernietiging van het Nederlandse deel van EP 457, terwijl ToolGen in reconventie een verbod vordert tegen het volgens haar uitlokken, bevorderen en/of faciliteren van inbreuk op het octrooi. In de Lonza-zaak vordert ToolGen een verbod op inbreuk door Lonza en vordert Lonza in reconventie vernietiging van het Nederlandse deel van EP 457. Tegen de verlening van EP 457 zijn drie opposities bij het Europees Octrooibureau ingesteld, waaronder door Vertex. De Oppositiedivisie heeft het octrooi op 27 mei 2026 herroepen. Uit de op 28 juli 2026 gepubliceerde motivering volgt dat volgens de Oppositiedivisie zowel het octrooi zoals verleend als de in de oppositieprocedure ingediende hulpverzoeken op meerdere gronden niet voldoen aan artikel 76 lid 1 EOV wegens toegevoegde materie ten opzichte van de oorspronkelijk ingediende aanvraag. ToolGen heeft op 24 augustus 2026 tegen die beslissing beroep ingesteld bij de Technische Kamer van Beroep van het EOB.
Rb. Den Haag: MIG Switch-producten en R4 Game Lijst schenden auteurs- en merkrechten van Nintendo
Rb. Den Haag 2 september 2026, IEF 23823; ECLI:NL:RBDHA:2026:25479 (Nintendo c.s. tegen [gedaagde]). De rechtbank oordeelt dat een handelaar die via zijn websites MIG Switch Kaarten en MIG Switch Dumpers heeft aangeboden en verhandeld, onrechtmatig jegens Nintendo c.s. heeft gehandeld in strijd met artikel 29a Aw. Met deze producten kunnen de doeltreffende technische beschermingsmaatregelen van de Nintendo Switch worden omzeild, waardoor onrechtmatige kopieën van auteursrechtelijk beschermde Nintendo-videogames kunnen worden afgespeeld of gemaakt. Gedaagde heeft erkend dat hij deze producten van september tot en met december 2024 heeft aangeboden en verhandeld en daarmee inbreuk heeft gemaakt op de auteurs- en merkrechten van Nintendo c.s. De rechtbank stelt als onweersproken vast dat ook het tonen van Nintendo-merken bij het aanbieden van de MIG Switch-producten merkinbreuk oplevert in de zin van artikel 9 lid 2 onder a, b en c UMVo. Daarnaast levert het aanbieden van de zogenoemde R4 Game Lijst met hyperlinks naar ongeveer 400 onrechtmatige kopieën van Nintendo-videogames en instructies voor de installatie daarvan auteursrechtinbreuk op grond van artikel 12 Aw op, omdat daarmee een mededeling aan het publiek van hyperlinks naar onrechtmatige kopieën wordt verricht. Ook het gebruik op die lijst van titels die gelijk zijn aan of overeenstemmen met Nintendo-merken levert merkinbreuk op. Dat gedaagde zijn activiteiten na de eerste sommatie van Nintendo had gestaakt, neemt het belang bij de gevorderde verklaringen voor recht en verboden niet weg, omdat hij geen met een boete versterkte onthoudingsverklaring had afgegeven.
Entertainment Top 10 in het kort (in willekeurige volgorde) - Michiel Odink (Leeway) en Marijn Kingma (Höcker)
Pelham II – HvJ EU 14 april 2026 – IEF 23472
Een pastiche is een creatie die een bestaand werk oproept maar daarvan merkbaar verschilt, en die met dat werk een artistieke of creatieve dialoog aangaat die als zodanig herkenbaar is. De subjectieve bedoeling van de maker is niet vereist; de beoordeling is objectief.
GEMA/Suno – LG München I 31 juli 2026 – IEF 23733
Volgens het LG München I kan de TDM-exceptie wel betrekking hebben op het analyseren van beschermde werken om statistische patronen voor AI-training te verkrijgen, maar niet op reproducties van beschermde werken die volgens de rechtbank in de parameters van het AI-model zelf zijn opgenomen. In deze zaak achtte de rechtbank Suno verantwoordelijk voor die reproducties en de inbreukmakende output.
Deze uitspraak is nog niet definitief en hoger beroep is aangekondigd.
Universal/De Kapotte Kachels – Rb. Midden-Nederland 29 juli 2026 – IEF 23721
Voor een parodie is vereist dat zij een bestaand werk oproept maar daarvan duidelijke verschillen vertoont en een uiting van humor of spot vormt. Ook als aan die voorwaarden is voldaan, moet een rechtvaardig evenwicht worden gevonden tussen de belangen van de auteursrechthebbende en de vrijheid van meningsuiting van de gebruiker. In deze zaak viel die belangenafweging uit in het voordeel van Universal.
Kunstenbond/Universal & Schrader/Armada – IEF 23027 & IEF 23325
In deze zaken oordeelde de rechtbank dat exploitatie via streamingplatforms op grond van de betreffende contracten niet kwalificeerde als licentieverlening aan derden waarop de overeengekomen 50%-vergoeding van toepassing was. Daaruit volgt niet dat streaming in algemene zin nooit exploitatie via derden kan zijn. De rechtbank oordeelde bovendien niet in algemene zin over de hoogte van een billijke streamingvergoeding.
Agecop – conclusie A-G Szpunar 16 juli 2026 – IEF 23700
Volgens A-G Szpunar is de kring van rechthebbenden die voor een billijke compensatie in aanmerking kan komen niet noodzakelijk beperkt tot degenen die in art. 2 Auteursrechtrichtlijn uitdrukkelijk worden genoemd; ook personen of ondernemingen die auteursrechten door overdracht hebben verkregen kunnen daaronder vallen.
Opzegging en ontbinding managementovereenkomst – Rb. Amsterdam 29 oktober 2025 – IEF 23821
In deze zaak was de administratieplicht een kernverplichting van de managementovereenkomst. Schending daarvan kon ontbinding rechtvaardigen. Daarnaast kunnen opzegging en ontbinding naast elkaar een rol spelen. Door het contractuele beding waarin was bepaald dat bij tekortkoming direct verzuim intreedt, was voor ontbinding geen ingebrekestelling nodig.
Disney/Buma Stemra – Hof Amsterdam – IEF 23678
Art. 2l Wtcb verplicht een cbo en gebruikers om in goed vertrouwen te onderhandelen en elkaar de noodzakelijke informatie te verstrekken voor objectieve en niet-discriminerende tarieven. In deze zaak moest Buma/Stemra daarom inzicht geven in de criteria, factoren en omstandigheden die bij de tariefbepaling voor andere SVOD-aanbieders een rol speelden en in de redenen voor eventuele kortingen, maar niet in de concrete tarieven, kortingspercentages of identiteit van andere aanbieders.
Mio & Konektra – HvJ EU 4 december 2025 – IEF 23142
Voor werken van toegepaste kunst geldt geen hogere originaliteitsdrempel dan voor andere werken. Voor auteursrechtelijke bescherming moet het voorwerp de persoonlijkheid van de maker weerspiegelen door vrije en creatieve keuzes; louter technisch of functioneel bepaalde keuzes tellen niet mee. Bij de inbreukbeoordeling is beslissend of auteursrechtelijk beschermde elementen waarin die creatieve keuzes tot uitdrukking komen herkenbaar zijn overgenomen.
Sena/Ziggo – Hof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2026 – IEF 23449
Het hof legt art. 7 Wnr richtlijnconform uit en gaat ervan uit dat rechthebbenden voor het gebruik van hun prestatie in een synchronisatie één billijke vergoeding moeten ontvangen. Is bij de totstandkoming van de synchronisatie al een billijke vergoeding betaald, dan hoeft bij doorgifte niet nogmaals op grond van art. 7 Wnr te worden betaald. Is dat niet gebeurd, dan kan bij de doorgifte alsnog een vergoedingsplicht bestaan.
Van Driest (DJ Rossi)/Rossi. – Rb. Amsterdam 24 maart 2026 – IEF 23638
Het enkele gebruik van een artiestennaam betekent niet automatisch dat die naam ook als handelsnaam wordt gebruikt. Voor handelsnaamgebruik is van belang of onder die naam op voldoende bestendige wijze een onderneming wordt gedreven en naar buiten wordt getreden. Factoren als regelmatig en duurzaam gebruik, bekendheid, goodwill en op Nederland gerichte ondernemingsactiviteiten kunnen daarbij relevant zijn.
Welke zien we volgend jaar terug bij Entertainment & Recht op woensdag 8 september 2027?
Een goede kanshebber is AI en auteursrecht, zeker gezien het aangekondigde hoger beroep in GEMA/Suno en de snelle ontwikkelingen rond generatieve AI. Ook Sena/Ziggo kan een vervolg krijgen, nu cassatie is ingesteld. Daarnaast lijken discussies over streaming, exploitatiecontracten en de positie van artiesten tegenover labels en platforms voorlopig nog niet uitgeput. Genoeg ontwikkelingen dus om ook de Top 10 van 2027 weer te vullen.
Gerecht: geen verwarringsgevaar tussen MOOVA AlmavivA Group en MOOVIT voor software en IT-diensten
Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23819; IEFbe 4302; ECLI:EU:T:2026:547 (MOOVA AlmavivA Group). Het Gerecht vernietigt de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO voor zover daarin verwarringsgevaar was aangenomen tussen het Uniebeeldmerk MOOVA AlmavivA Group en het oudere Uniewoordmerk MOOVIT voor de nog betrokken waren en diensten in de klassen 9 en 42. De waren in klasse 9 zijn deels identiek en deels in hoge mate soortgelijk; de diensten in klasse 42 zijn deels identiek en deels in gemiddelde mate soortgelijk. De kamer van beroep mocht haar beoordeling richten op het Frans- en Spaanstalige publiek van de Unie. Voor de waren in klasse 9 bestaat dat publiek uit zowel professionele gebruikers met een bovengemiddeld aandachtsniveau als, in mindere mate, het algemene publiek met een gemiddeld aandachtsniveau; voor de diensten in klasse 42 gaat het om professionals met een bovengemiddeld aandachtsniveau. Bij de tekenvergelijking oordeelt het Gerecht dat ‘moov(i)a’ weliswaar het visueel dominante element van het aangevallen merk is, maar dat ‘almaviva group’ niet verwaarloosbaar is, omdat dit element de commerciële herkomst van de waren en diensten aanduidt en daarom in de vergelijking moet worden betrokken. Anders dan de kamer van beroep meende, zal het relevante publiek bovendien MOOVIT ontleden in ‘moov’ en ‘it’ en begrijpen als de Engelse aansporing ‘move it’, waarmee het begrip beweging wordt opgeroepen. Omdat de betrokken waren en diensten verband houden met mobiliteit, is dit betekenisaspect beschrijvend of evocatief en heeft het oudere merk slechts een zwak intrinsiek onderscheidend vermogen. Dat er andere merken met het bestanddeel ‘moov’ in registers voorkomen, maakt dat niet anders, nu Almaviva de daadwerkelijke aanwezigheid van dat bestanddeel op de relevante markt niet had aangetoond.
VMC studiemiddag: Wetsvoorstel hervorming van de landelijke publieke omroep
VMC Studiemiddag – Wetsvoorstel hervorming van de landelijke publieke omroep
Vrijdagmiddag 27 november 2026, 14.00-17.00 uur, aansluitend een borrel (tot 18.30 uur) OBA Oosterdok, Oosterdokskade 143, 1011 DL Amsterdam
Op 4 april 2025 kondigde de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in een kamerbrief een ingrijpende hervorming van de landelijke publieke omroep aan. Naar verwachting gaat op korte termijn een aanpassing van de Mediawet hierover in consultatie. Tijdens deze studiemiddag staan we stil bij de gevolgen van deze plannen voor de uitvoering van de publieke media-opdracht. Hoe ziet een gesloten stelsel met vaste omroephuizen er straks uit? We bespreken hoe het vormen van vier of vijf omroephuizen de onderlinge dynamiek verandert, wat betekent dit voor de individuele omroepen, maar ook voor de rol van de NPO? Ook onderzoeken we hoe de maatschappelijke worteling en de pluriformiteit van geluiden en perspectieven in de samenleving geborgd blijven wanneer het traditionele ledencriterium vervalt en er geen nieuwe omroepen meer toetreden.
Gerecht: oppositie tegen WALLAPOP raakt zonder voorwerp nadat oudere Spaanse merken tijdens procedure verstrijken
Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23815; IEFbe 4301; ECLI:EU:T:2026:550 (wallapop). Het Gerecht verwerpt het beroep van Unipreus tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO in de oppositieprocedure tegen het aangevraagde Uniebeeldmerk WALLAPOP. Unipreus had haar oppositie voor bepaalde diensten in klasse 35 gebaseerd op drie oudere Spaanse beeldmerken. In een eerder arrest uit 2018 had het Gerecht de toenmalige beslissing van de kamer van beroep gedeeltelijk vernietigd, omdat die ten onrechte had geoordeeld dat de betrokken diensten verschillend waren; het Gerecht stelde vast dat zij ten minste in geringe mate soortgelijk waren. Daarmee stond echter nog niet vast dat sprake was van verwarringsgevaar, omdat overeenstemming van de tekens en identiteit of soortgelijkheid van de waren of diensten cumulatieve voorwaarden zijn en de kamer van beroep destijds nog geen volledige beoordeling van het verwarringsgevaar had verricht. Nadat dat arrest definitief was geworden, moest de kamer van beroep opnieuw beslissen en daarbij zowel het eerdere arrest als relevante nieuwe omstandigheden meenemen. Tijdens die vervolgprocedure bleek dat de inschrijvingen van de oudere Spaanse merken wegens niet-vernieuwing waren verstreken; dit verlies van geldigheid was uiteindelijk bevestigd door definitieve nationale rechterlijke beslissingen van 25 oktober 2023 en 7 maart 2024.
Gerecht Curaçao: Kortijn moet onrechtmatig aanhaken bij LOVERS-merk staken
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 8 september 2026, IEF 23818; ECLI:NL:OGEAC:2026:177 (Liusa tegen Kortijn). Het Gerecht oordeelt in kort geding over een geschil tussen Lovers Industrial U.S.A. LLC (Liusa) en Packers Provisions Curaçao N.V. (Kortijn) na de overname door Kortijn van de activa van de failliete Lovers Industrial Corporation B.V. (Lic). Partijen stellen over en weer rechthebbende te zijn op het LOVERS-merk en aanverwante rechten. Het Gerecht stelt voorop dat in dit kort geding niet kan worden vastgesteld wie rechthebbende is op de merken en/of de handelsnaam, mede omdat hierover nog een procedure in de Verenigde Staten loopt. Evenmin kan voorshands worden vastgesteld dat Liusa haar merkregistratie te kwader trouw heeft verricht. Voor de voorlopige beoordeling neemt het Gerecht daarom tot uitgangspunt wat Liusa en Lic jarenlang zelf als uitgangspunt hebben gehanteerd: Liusa gold als merkgerechtigde en Lic was op basis van licenties bevoegd de merken en recepten te gebruiken. Daarbij weegt mee dat Kortijn bij de activatransactie bekend was met deze licentieconstructie en het bestaande geschil over de IE-rechten, dat de curatoren bij de overdracht uitdrukkelijk geen garantie gaven over het bestaan, de status of overdraagbaarheid van die rechten en dat Kortijn nadien met Liusa over een licentie heeft onderhandeld zonder zich toen op het standpunt te stellen dat zij zelf merkhouder was. Onder deze omstandigheden kan Kortijn zich volgens het Gerecht in dit kort geding niet in redelijkheid op het standpunt stellen dat Liusa niet tegen haar gebruik van het LOVERS-merk mag optreden.