UPC CoA: tegenvordering tot nietigverklaring mag afhankelijk worden gesteld van vaststelling van inbreuk
UPC CoA 17 augustus 2026, IEF 23853; IEFbe 4313; UPC_CoA_40/2026; UPC_CoA_123/2026 (AorticLab tegen Emboline). In deze zaak tussen Emboline en AorticLab staat de vraag centraal of een tegenvordering tot nietigverklaring afhankelijk mag worden gesteld van de voorwaarde dat het octrooi inbreuk maakt, en welke gevolgen zo’n voorwaardelijke tegenvordering heeft in hoger beroep. Emboline had AorticLab aangesproken wegens inbreuk op EP 2 129 425. AorticLab stelde een tegenvordering tot nietigverklaring in, maar maakte deze tijdens de mondelinge behandeling afhankelijk van een vaststelling van octrooi-inbreuk door het gerecht. De Local Division Munich oordeelde dat geen sprake was van inbreuk en besliste daarom niet inhoudelijk op de tegenvordering. Het Court of Appeal oordeelt dat een inbreukvordering en een tegenvordering tot nietigverklaring onder het UPCA en de Rules of Procedure afzonderlijke procedures zijn. Een voorwaarde waarbij de tegenvordering tot nietigverklaring afhankelijk wordt gesteld van een vaststelling van inbreuk, is daarom geen zuiver intra-procedurele maar een ‘inter-procedural’ voorwaarde. Dat onderscheid is met name van belang voor de wijze waarop hoger beroep moet worden ingesteld: bij een inter-procedurele voorwaarde moet tegen de beslissing in de tegenvorderingsprocedure afzonderlijk beroep worden ingesteld en kan niet worden volstaan met een cross-appeal in de inbreukprocedure.
Artikel geschreven door Joost Becker en Dieuwertje Bouchier, Dirkzwager.
De EmpCo-Richtlijn: wat verandert er per 27 september 2026 omtrent duurzaamheidsclaims?
Joost Becker en Dieuwertje Bouchier, 25 augustus 2026.
De ‘Empowering Consumers for the Green Transition Directive’ (de ‘EmpCo-Richtlijn’) introduceert strengere regels voor duurzaamheidsclaims. Wat betekent dit voor uw onderneming? Wij zetten de belangrijkste veranderingen en aandachtspunten op een rij.
Boetebeding uit onthoudingsverklaring ziet alleen op specifiek genoemde foto’s
Rb. Overijssel 15 september 2026, IEF 23860; ECLI:NL:RBOVE:2026:5540 ([eiser] tegen [gedaagde]). [eiser] en [gedaagde] zijn directe concurrenten op het gebied van elektrotechnische infrastructuur. Nadat [gedaagde] zonder toestemming twee foto’s van [eiser] op haar website had geplaatst, verstrekte zij een onthoudingsverklaring. Daarin erkende zij dat [eiser] rechthebbende was op de in de voorafgaande correspondentie bedoelde foto’s, erkende zij daarop inbreuk te hebben gemaakt, zegde zij toe ieder gebruik van die foto’s te staken en gestaakt te houden en verbond zij daaraan een boete van € 500 per dag met een maximum van € 10.000. Enkele maanden later verscheen een andere, derde foto van [eiser] op de website van [gedaagde]. [eiser] stelde dat daarmee de maximale boete uit de onthoudingsverklaring was verbeurd. De kantonrechter stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat de onthoudingsverklaring een eenzijdige rechtshandeling is. De uitleg daarvan vindt daarom plaats aan de hand van de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 en 3:35 BW. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en komt geen beslissend gewicht toe aan uitsluitend de taalkundige betekenis van de gebruikte bewoordingen.
Article written by Frederiek Fernhout, Stijn de Jong and Branda Katan, Stibbe.
AI Copyright Claims in Europe: Key Considerations
Frederiek Fernhout, Stijn de Jong and Branda Katan, 4 September 2026.
As AI copyright litigation accelerates in the United States, technology companies operating in Europe face a structurally different legal landscape. Unlike in the US, fair use does not exist under Dutch or EU copyright law. The DSM Directive's text and data mining exceptions are narrow, subject to opt-out, and have been interpreted restrictively by German courts. The WAMCA, combined with developing case law on EU-wide jurisdiction, suggests that large-scale collective AI copyright and privacy claims in the Netherlands may be a question of timing rather than probability. This article sets out the key legal considerations, the most significant pending cases – including the Advocate General opinion in Like Company v. Google – and the steps technology companies may wish to consider to assess their exposure across European markets.
Geen handelsnaaminbreuk met ‘Duivensportbond’, maar verwijzingen naar NPO op website wel onrechtmatig
Rb. Noord-Holland 1 september 2026, IEF 23859; ECLI:NL:RBNHO:2026:11605 (NPO tegen Compuclub en de Stichting). De Nederlandse Postduivenhouders Organisatie (NPO) en Duivensportbond Data Nederland B.V. (Compuclub) werken al jarenlang samen binnen de Nederlandse postduivensport. In kort geding ontstaat onder meer een geschil over het gebruik van de aanduiding Duivensportbond en verwijzingen naar de NPO op de website neerlandspostduivenorgaan.nl. Compuclub stelt dat het gebruik door de NPO van de aanduiding Duivensportbond, waaronder via de domeinnaam duivensportbond.nl, inbreuk maakt op haar handelsnaam Duivensportbond Data Nederland B.V. in de zin van art. 5 Hnw. De voorzieningenrechter verwerpt dat beroep. Vaststaat dat Compuclub de aanduiding Duivensportbond Data Nederland B.V. niet als handelsnaam gebruikt, zodat zij geen bescherming aan art. 5 Hnw kan ontlenen. Bovendien blijkt uit de domeinnaamgegevens dat de NPO de domeinnaam duivensportbond.nl al op 2 november 2017 had geregistreerd, terwijl Compuclub pas op 24 januari 2018 is opgericht.
UPC CoA: R. 190 RoP biedt geen ruimte voor fishing expeditions
UPC CoA 27 augustus 2026, IEF 23856; IEFbe 4316; UPC_CoA_76/2026 (Xingi Technology e.a. tegen Avient Protective Materials). In deze zaak tussen Xingi Technology c.s. en Avient Protective Materials staat de toepassing van R. 190 RoP centraal. Avient stelt dat verschillende door Xingi aangeboden UHMWPE-vezels, UD-fabrics en ballistische producten inbreuk maken op EP 2 791 402. Nadat Xingi had aangevoerd dat inbreuk op conclusies 13 tot en met 15 niet door berekeningen en extrapolaties, maar alleen door daadwerkelijke ballistische tests kon worden vastgesteld, verzocht Avient om overlegging van onder meer monsters van verschillende UD-fabrics, interne testrapporten en Engelstalige versies van een introductievideo. De judge-rapporteur van de Local Division Den Haag wees het verzoek gedeeltelijk toe en beval Xingi onder meer om van twee UD-fabricvarianten telkens 30 kilogram beschikbaar te stellen en de Engelstalige introductievideo over te leggen.
UPC CoA: beroep tegen afwijzing bewijsverzoek moet binnen 15 dagen worden ingesteld
UPC CoA 17 augustus 2026, IEF 23852; IEFbe 4312; UPC_CoA_69/2026; UPC_CoA_71/2026; UPC_CoA_72/2026 (Network System Technologies tegen Qualcomm). In deze zaak tussen Network System Technologies (NST) en Qualcomm staat de vraag centraal binnen welke termijn beroep moet worden ingesteld tegen de afwijzing van een verzoek om overlegging van bewijs op grond van artikel 59 UPCA en R. 190 RoP. NST had Qualcomm in drie inbreukprocedures verzocht broncode en technische documentatie met betrekking tot haar NoC-technologie over te leggen. De Munich Local Division wees deze verzoeken af en nam die afwijzing op in haar beslissingen in de hoofdprocedures. NST stelde daartegen pas in haar beroep tegen die beslissingen bezwaren aan de orde en diende daarnaast bij het Court of Appeal opnieuw verzoeken op grond van R. 190 RoP in.
WIPO: geen kwade trouw bij registratie thescentstories.com
WIPO 18 augustus 2026, IEF 23857; IEFbe 4317; D2026-2697 (Red Matter Holdings Inc. (d/b/a MiN NEW YORK) tegen Anirudh Jhawar, The Scent Stories). Red Matter Holdings, exploitant van het luxe parfumhuis MiN NEW YORK, verzoekt op grond van de Uniform Domain Name Dispute Resolution Policy (UDRP) om overdracht van de domeinnaam <thescentstories.com>. Red Matter gebruikt SCENT STORIES sinds 2013 voor een parfumcollectie en beschikt over een Amerikaanse merkregistratie voor SCENT STORIES uit 2014. De Indiase verweerder exploiteert onder de naam THE SCENT STORIES een multibrand parfumerie en registreerde de betwiste domeinnaam op 3 november 2025. Daarnaast beschikt hij sinds 10 oktober 2025 over een Indiase merkregistratie voor THE SCENT STORIES. Volgens Red Matter stemt de domeinnaam verwarringwekkend overeen met haar oudere merk en is deze te kwader trouw geregistreerd en gebruikt om internetgebruikers voor commercieel gewin naar een concurrerende parfumwinkel te leiden. Het WIPO-panel stelt vast dat SCENT STORIES volledig in de domeinnaam is opgenomen en dat de toevoeging van “the” niet verhindert dat sprake is van verwarringwekkende overeenstemming. Daarmee is aan het eerste vereiste van paragraaf 4(a) UDRP voldaan. Of verweerder rechten of legitieme belangen bij de domeinnaam heeft, laat het panel in het midden, omdat de klacht reeds op het vereiste van registratie en gebruik te kwader trouw strandt.
Gevangenisstraf voor opzettelijk in voorraad hebben van valse merken
Hof Amsterdam 2 september 2026, IEF 23851; ECLI:NL:GHAMS:2026:2507 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). Op 16 oktober 2021 is in Amsterdam onder de verdachte een grote partij kleding, tassen, schoenen en een zonnebril in beslag genomen. Het hof acht bewezen dat de verdachte deze goederen, valselijk voorzien van onder meer de beschermde woord- en/of beeldmerken Adidas, Balenciaga, Burberry, Christian Dior, Dolce & Gabbana, Givenchy, Gucci, Louis Vuitton, Moncler, Prada en Stone Island, opzettelijk in voorraad heeft gehad. De verdediging heeft vrijspraak bepleit vanwege onzorgvuldigheden en discrepanties in het dossier, onder meer tussen de aantallen goederen in het proces-verbaal van bevindingen en de kennisgevingen van inbeslagname en vanwege een aanvankelijk onjuist proces-verbaalnummer bij de aangifte. Het hof verwerpt dit verweer. De processen-verbaal stemmen op de relevante onderdelen, waaronder de merken en soorten kleding, in overwegende mate overeen en de verschillen in aantallen zijn volgens het hof van ondergeschikt belang en aan te merken als kennelijke telfouten. Ook staat naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel vast dat de aan de controleur getoonde monsters afkomstig waren uit de partij die onder de verdachte was inbeslaggenomen. Het voorwaardelijke verzoek om twee verbalisanten als getuigen te horen wordt afgewezen, omdat hun verhoor volgens het hof onmiskenbaar irrelevant of overbodig is. De relevante feiten waren reeds buiten redelijke twijfel komen vast te staan en op verzoek van de verdediging waren bovendien drie aanvullende processen-verbaal opgesteld waarin de gesignaleerde discrepanties voldoende waren toegelicht. Het gebruik van de bevindingen van de verbalisanten is daarom volgens het hof verenigbaar met art. 6 EVRM en de vereiste ‘overall fairness of the trial’.
Wie mag na een bandsplit verder onder de bandnaam: de merkinschrijving bij het BOIP, artikel 5 Handelsnaamwet en het gezamenlijk beheer van artikel 3:170 BW
Twee identieke brandijzers, één gloeiend en één koud, en één gedeeld brandmerk in het hout: de patstelling om een bandnaam na een split.
Mauritz Kop, 7 september 2026.
Een band die uit elkaar gaat, verdeelt eerst de spullen. De versterkers, de bus, de harde schijf met de sessies. De naam blijft liggen tot er twee maanden later een boeking binnenkomt, en dan blijkt dat twee groepen mensen menen dat zij die avond mogen spelen. Wie er gelijk heeft, hangt zelden af van wie de naam heeft bedacht. Het hangt af van drie regelingen die los van elkaar werken: de merkinschrijving bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom, de Handelsnaamwet, en het gemeenschapsrecht van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Wat er bij een vertrek van één lid met naam, masters en boekingen gebeurt, beschreef MusicaJuridica eerder in Als een bandlid vertrekt, blijven naam, masters en boekingen achter. Dit artikel gaat alleen over de naam, en over de situatie waarin de band als geheel uiteenvalt.