24 sep 2026,
A-G: kosten van EUIPO-nietigheidsprocedure vallen volgens bijzondere kostenregeling
Conclusie AG HvJ EU 24 september 2026, IEF 23868; IEFbe 4319; ECLI:EU:C:2026:792 (Suzhou Anri Child Products). In zaak C-573/25 staat de vraag centraal of advocatenkosten die zijn gemaakt in nietigheidsprocedures bij het EUIPO kunnen worden betrokken bij de kostenbegroting van een afzonderlijke nationale procedure over een voorlopige maatregel. Cybex had bij het Landgericht Düsseldorf een voorlopige maatregel verkregen waarmee Suzhou werd verboden haar S63-kinderwagen in Duitsland aan te bieden, daarvoor reclame te maken, deze op de markt te brengen, in te voeren, uit te voeren of voor die doeleinden in bezit te hebben wegens gestelde inbreuk op twee ingeschreven Gemeenschapsmodellen van Cybex. Die maatregel werd later opgeheven. Cybex stelde hoger beroep in, maar trok dat vervolgens in, waarna zij in de kosten van de nationale procedure werd verwezen. Het Landgericht Düsseldorf begrootte die kosten op € 8.748,04. Parallel daaraan had Suzhou bij het EUIPO twee nietigheidsprocedures tegen de modellen van Cybex ingesteld. Suzhou wilde de daarmee gemoeide advocatenkosten eveneens in de nationale kostenbegroting betrekken, waardoor zij uitkwam op € 100.966,77. A-G Campos Sánchez-Bordona adviseert het Hof de hierover gestelde zevende tot en met negende prejudiciële vraag niet-ontvankelijk te verklaren. Omdat de EUIPO-procedures nog aanhangig zijn, staat nog niet vast welke partij daarin in het gelijk of ongelijk zal worden gesteld en dus evenmin wie de daar gemaakte kosten moet dragen. Bovendien heeft het hoofdgeding bij de Duitse rechter betrekking op de kosten van de nationale procedure over de voorlopige maatregel en niet op de afzonderlijke nietigheidsprocedures bij het EUIPO. Volgens de A-G zijn de betreffende prejudiciële vragen daarom niet relevant voor de beslechting van het hoofdgeding.
Voor het geval het Hof de vragen toch ontvankelijk acht, concludeert de A-G subsidiair dat artikel 70 van Verordening 6/2002 en artikel 79 lid 7 van Verordening 2245/2002 een bijzondere en uitputtende regeling vormen voor de verdeling en vaststelling van de kosten in nietigheidsprocedures bij het EUIPO. Vergoeding van de daar gemaakte advocatenkosten kan volgens hem uitsluitend plaatsvinden overeenkomstig die regeling en voor zover de betrokken partij in de EUIPO-procedure in het gelijk wordt gesteld. Die kosten kunnen niet daarnaast op grond van artikel 14 Handhavingsrichtlijn als kosten van de nationale procedure worden gevorderd. Evenmin kunnen zij volgens de A-G worden aangemerkt als schade die door de voorlopige maatregel is veroorzaakt in de zin van artikel 9 lid 7 Handhavingsrichtlijn. Suzhou heeft er zelf voor gekozen afzonderlijke nietigheidsprocedures bij het EUIPO te starten, terwijl zij de nietigheid van de betrokken modellen op grond van artikel 90 lid 2 van Verordening 6/2002 ook in de nationale procedure over de voorlopige maatregel had kunnen opwerpen. Ten aanzien van de in de EUIPO-regeling vastgestelde maximumbedragen merkt de A-G op dat de geldigheid daarvan in deze zaak niet is betwist en dat deze maxima aansluiten bij het vereenvoudigde en laagdrempelige karakter van de procedure en bijdragen aan voorspelbaarheid en rechtszekerheid.
94. Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de zevende, de achtste en de negende prejudiciële vraag van het Landgericht Düsseldorf niet-ontvankelijk te verklaren.
Subsidiair geef ik het Hof in overweging deze prejudiciële vragen te beantwoorden als volgt:
„Artikel 70, leden 1 en 6, van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende Gemeenschapsmodellen en artikel 79, lid 7, onder h), van verordening nr. 2245/2002 van de Commissie van 21 oktober 2002 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 6/2002 van de Raad betreffende Gemeenschapsmodellen
moeten aldus worden uitgelegd dat
zij het stelsel voor de verdeling en vaststelling van de kosten in de bij het EUIPO gevoerde procedures tot nietigverklaring van een ingeschreven Gemeenschapsmodel uitputtend regelen. De verplichting tot vergoeding van de aan deze procedures verbonden kosten die ten gunste van de in die procedures in het gelijk gestelde partij moeten worden erkend, valt wat betreft de honoraria van een raadsman niet onder artikel 14 van richtlijn 2004/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele-eigendomsrechten.”