Gepubliceerd op maandag 27 juli 2026
IEF 23711
Overig ||
2 jul 2026,
Overig 2 jul 2026,, IEF 23711; A/26/02126 (Volkswagen tegen Argenta Spaarbank), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/argenta-moet-gegevens-rekeninghouder-verstrekken-voor-onderzoek-naar-mogelijke-merkinbreuk

Uitspraak ingezonden door Xavier Koehoorn, Dillinger Law & Kristien Wevers, GSJ Advocaten.

Argenta moet gegevens rekeninghouder verstrekken voor onderzoek naar mogelijke merkinbreuk

Ondernemingsrechtbank Antwerpen 2 juli 2026, IEF 23711; IEFbe 4266; IT 5391; A/26/02126 (Volkswagen tegen Argenta Spaarbank). In deze zaak vordert Volkswagen dat Argenta Spaarbank wordt bevolen de identiteit en contactgegevens te verstrekken van de houder van een bankrekening waarop inkomsten uit vermeend nagemaakte wieldoppen met het Volkswagen-logo zijn ontvangen. Volkswagen heeft vastgesteld dat dergelijke wieldoppen via 2dehands.be worden verkocht. Uit een door de anti-namaakorganisatie ABAC-BAAN verrichte proefaankoop blijkt dat de betrokken verkoper gebruikmaakt van een bankrekening bij Argenta. Volkswagen verzoekt om verstrekking van de volledige naam, de adresgegevens, het eventuele ondernemingsnummer, het telefoonnummer en het e-mailadres van de rekeninghouder, om te kunnen onderzoeken of sprake is van een inbreuk op haar merkrechten en daartegen zo nodig op te treden. Argenta betwist de vordering tot verstrekking van deze gegevens in essentie niet en gedraagt zich wat dat betreft naar de wijsheid van de rechtbank. Zij verzet zich wel tegen de oplegging van een dwangsom, omdat zij aankondigt het vonnis te zullen naleven.

De rechtbank stelt vast dat de gevraagde gegevens persoonsgegevens zijn en dat de verstrekking daarvan een verwerking in de zin van artikel 4 lid 2 AVG vormt. De rechtmatigheid van die verwerking wordt beoordeeld aan de hand van artikel 6 lid 1 onder f AVG. Op grond van deze bepaling is een verwerking rechtmatig wanneer zij noodzakelijk is voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, tenzij de belangen of de grondrechten en fundamentele vrijheden van de betrokkene zwaarder wegen. Tegenover het in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie gewaarborgde recht op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens staat het in artikel 17 lid 2 van het Handvest beschermde intellectuele-eigendomsrecht van Volkswagen. Tussen deze grondrechten moet een juist evenwicht worden verzekerd, met inachtneming van onder meer het evenredigheidsbeginsel. Artikel 8 lid 3 onder e Handhavingsrichtlijn bepaalt dat het in artikel 8 lid 1 neergelegde recht op informatie de wettelijke bepalingen inzake de verwerking van persoonsgegevens onverlet laat. Het Unierecht verzet zich er niet tegen dat lidstaten voorzien in een verplichting om persoonsgegevens aan particulieren te verstrekken met het oog op de civielrechtelijke handhaving van intellectuele-eigendomsrechten, maar verplicht hen evenmin om een dergelijke regeling in te voeren. Voor het merkenrecht heeft de Beneluxwetgever daarin voorzien in artikel 2.22 leden 4 en 5 BVIE, waarmee uitvoering wordt gegeven aan artikel 8 lid 1 onder c Handhavingsrichtlijn. Op grond van artikel 2.22 lid 4 BVIE kan de rechter in een gerechtelijke procedure wegens merkinbreuk bevelen dat informatie over de herkomst en de distributiekanalen van de betrokken goederen of diensten wordt verstrekt, voor zover die maatregel gerechtvaardigd en redelijk voorkomt. Op grond van lid 5 kan een dergelijk bevel tevens worden opgelegd aan een persoon die op commerciële schaal diensten heeft verleend die bij inbreukmakende handelingen worden gebruikt. Volgens de rechtbank valt ook een bankinstelling binnen het toepassingsgebied van deze informatieverplichting. Het informatiebevel kan daarom aan Argenta worden opgelegd, hoewel haar zelf geen inbreuk op de merkrechten van Volkswagen wordt verweten. Bij de belangenafweging stelt de rechtbank vast dat uit de door partijen aangebrachte gegevens niet blijkt dat de belangen van de rekeninghouder zwaarder wegen dan het belang van Volkswagen om mogelijke schendingen van haar intellectuele-eigendomsrechten nader te kunnen onderzoeken en daartegen zo nodig op te treden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de rekeninghouder mogelijk betrokken is bij handelingen die als namaak zouden kunnen worden gekwalificeerd en zowel civielrechtelijk als strafrechtelijk relevant kunnen zijn. De rechtbank stelt daarmee niet vast dat daadwerkelijk sprake is van namaak of merkinbreuk, of dat de rekeninghouder daarvoor verantwoordelijk is. De vordering tot identificatie van de rekeninghouder wordt daarom gegrond verklaard. De rechtbank verbindt aan het informatiebevel een dwangsom. De aankondiging van Argenta dat zij het vonnis vrijwillig zal naleven, vormt volgens de rechtbank onvoldoende reden om daarvan af te zien. Een reeds opgelegde dwangsom kan op grond van artikel 1385quinquies Gerechtelijk Wetboek naderhand worden verminderd of verhoogd, terwijl een dwangsom die aanvankelijk niet is opgelegd achteraf niet alsnog kan worden opgelegd. De rechtbank legt daarom een beperktere dwangsom op dan Volkswagen heeft gevorderd. Argenta wordt veroordeeld tot verstrekking van de gegevens op straffe van een dwangsom van € 100 per dag vertraging, met een maximum van € 10.000. De dwangsom kan pas worden verbeurd vanaf één week na betekening van het vonnis. Argenta wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Omdat zij in deze procedure in wezen als buitenstaander optreedt, herleidt de rechtbank de rechtsplegingsvergoeding tot het minimumbedrag van € 117,73. De proceskosten worden verder vereffend op € 459,07 aan dagvaardingskosten. Daarnaast wordt Argenta veroordeeld tot betaling van € 165 aan rolrechten aan de FOD Financiën.

6. De rechtbank moet de belangen van de betrokkene, natuurlijke persoon, afwegen tegen de belangen van Volkswagen als merkhouder. Uit de gegevens die partijen bijbrengen, kan de rechtbank niet vaststellen dat de belangen van deze betrokkene, die mogelijkerwijze betrokken is bij handelingen die zowel burgerrechtelijk, als strafrechtelijk, als namaak zouden kunnen worden gekwalificeerd, zwaarder wegen dan de belangen van Volkswagen, die moet kunnen optreden tegen schendingen van haar intellectuele eigendomsrechten. De vordering tot identificatie van deze betrokkene moet daarom gegrond worden verklaard.

7. Tenslotte betwist Argenta de opportuniteit van een dwangsom, nu zij de vordering in essentie niet betwist en zich nu naar de wijsheid van de rechtbank gedraagt. Zij kondigt aan dit vonnis te zullen naleven. Uit artikel 1385quinquies volgt dat een opgelegde dwangsom kan worden verminderd of verhoogd. Het is echter niet mogelijk om een dwangsom achteraf op te leggen, wanneer dit aanvankelijk niet is gebeurd. Daarom acht de rechtbank het wel degelijk aan de orde om een dwangsom uit te spreken, zij het beperkter dan wat Volkswagen vordert. Het staat Argenta hierbij vrij om de betekening van dit vonnis niet af te wachten en er reeds aan te voldoen na communicatie tussen de raadlieden. Daarom wordt de overlegging van de identiteit van de rekeninghouder bevolen onder de verbeurte van een dwangsom, waarbij de dwangsom door de rechtbank overeenkomstig artikel 1385ter Gerechtelijk Wetboek bepaald wordt op 100 per dag per dag vertraging, met een maximum bedrag van 10.000,00 waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt. Verder komt het de rechtbank gepast voor om ARGENTA een termijn van één week na betekening van het vonnis te geven om te voldoen aan de veroordeling tot overlegging en de dwangsom zal pas na afloop van deze termijn kunnen verbeuren.