19 jun 2026,
Concurrent moet gebruik van sterk overeenstemmende handelsnaam voor elektrische tweewielers staken
Rb. Den Haag 19 juni 2026, IEF 23690; ECLI:NL:RBDHA:2026:17794 ([eiser] tegen [gedaagde]). Een ondernemer die elektrische fietsen, scooters en steppen verkoopt, vorderde in kort geding dat een later opgerichte concurrent het gebruik van een sterk overeenstemmende handelsnaam en domeinnaam zou staken. De concurrent voerde aan dat niet zij, maar een zustervennootschap de onderneming onder de bestreden naam dreef. De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. De domeinnaam stond geregistreerd op naam van de gedaagde en via de bijbehorende website werden onder de bestreden naam fatbikes aangeboden. Mede gelet op de groepsstructuur, de gemeenschappelijke indirect bestuurder en een wijziging van de domeinnaamregistratie kort na de oprichting van de gedaagde, acht de voorzieningenrechter voorshands voldoende aannemelijk dat zij onder die naam aan het handelsverkeer deelnam. Ook acht hij voldoende aannemelijk dat de eiser zijn handelsnaam al vóór de start van de concurrerende onderneming voerde. De oudere handelsnaam is volgens de voorzieningenrechter niet zuiver beschrijvend, omdat uit de naam niet direct of indirect blijkt welke producten of diensten worden aangeboden, en heeft daarom onderscheidend vermogen.
De voorzieningenrechter oordeelt voorshands dat het gebruik van de jongere handelsnaam in strijd is met artikel 5 Handelsnaamwet. De ondernemingen hebben deels dezelfde bedrijfsactiviteiten, namelijk de verkoop van elektrische tweewielers, en richten zich via hun webwinkels op klanten in heel Nederland. De handelsnamen stemmen auditief, visueel en begripsmatig in zeer grote mate overeen en wijken slechts in zeer geringe mate van elkaar af, waardoor bij het publiek verwarring tussen de ondernemingen te duchten is. De gedaagde moet het gebruik van de handelsnaam binnen vier weken na betekening van het vonnis staken en gestaakt houden, op straffe van een dwangsom van € 2.500 per dag of gedeelte daarvan, met een maximum van € 150.000. Het afzonderlijke verbod op het gebruik van de domeinnaam wordt wegens gebrek aan belang afgewezen, omdat het toegewezen verbod ieder gebruik van de naam als handelsnaam omvat, waaronder het gebruik als domeinnaam. De gedaagde wordt op grond van artikel 1019h Rv veroordeeld in de proceskosten van € 9.393,67. De termijn voor het instellen van de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv wordt vastgesteld op zes maanden na de datum van het vonnis.
4.7.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat voorshands voldoende is gesteld omtrent de aanvangsdatum van de onderneming onder de naam [eiser]. Hoewel deze stelling bij de dagvaarding summier is onderbouwd, was op dat moment ook geen verweer op dit punt bekend. Zoals hiervoor onder 4.3 is overwogen, heeft [gedaagde] immers tot de mondelinge behandeling nergens op gereageerd. Eerst op zitting heeft zij betwist dat [eiser] over een oudere handelsnaam beschikt, welke betwisting is gebaseerd op het ontbreken van stukken daaromtrent aan de zijde van [eiser]. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de eigenaar van [eiser] desgevraagd verteld over de ontstaansgeschiedenis van de onderneming, dat hij rond corona zijn werkzaamheden in loondienst heeft beëindigd en hij eind 2020 het pand kon huren, waarin zijn winkel nog steeds is gevestigd. De advocaat van [eiser] heeft toegelicht, dat de opening van de winkel (21 juli 2021) in mei 2021 is aangekondigd op het Instagram account van [eiser], hetgeen nog steeds kan worden ingezien. Het bezwaar dat de advocaat van [gedaagde] tegen de nieuwe informatie heeft gemaakt, snijdt geen hout. Dat deze nieuwe feiten naar voren worden gebracht, is immers een gevolg van het door [gedaagde] pas op de mondelinge behandeling opgeworpen verweer. In het kader van dit kort geding gaat de voorzieningenrechter er dus van uit dat sinds juli 2020 de onderneming onder de naam [eiser] wordt gedreven.
4.8.
[gedaagde] heeft betoogd dat [eiser] sterk beschrijvend is in de elektrische mobiliteitssector (‘[naamgedeelte 1]’ verwijst naar elektriciteit, ‘[naamgedeelte 2]’ naar wielen/vervoersmiddelen/fietsen), dus een handelsnaam zonder onderscheidend vermogen. [eiser] heeft dit betwist. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] geen zuiver beschrijvende naam is. Uit de naam zelf valt niet direct of indirect af te leiden welke diensten [eiser] aanbiedt dan wel welke producten zij verkoopt. Dat de bestanddelen indirect verwijzen naar kenmerken van de producten is daarvoor onvoldoende. De voorzieningenrechter is dus van oordeel dat [eiser] een handelsnaam is met onderscheidend vermogen.
4.9.
De aard van de ondernemingen komt overeen. De kernactiviteit van beide ondernemingen is de (online) verkoop van elektrische voertuigen met twee wielen.
4.10.
Zowel [eiser] als [gedaagde] hebben een fysieke winkel (in [plaats 1] respectievelijk in [plaats 2]) en een webwinkel. Nu deze webwinkels zich richten op heel Nederland (de levering is niet beperkt tot een bepaald deel van Nederland) speelt de in artikel 5 Hnw als relevante omstandigheid genoemde plaats van vestiging van de betrokken ondernemingen geen rol. Dat op de website van [eiser] staat dat zij ‘dé eBike specialist van [provincie]’ is, ziet eerder op de vestigingplaats (gelegen in [provincie]) dan op het werkgebied.
4.11.
Ten aanzien van de vergelijking van de handelsnaam [eiser] met de handelsnaam [gedaagde] overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Beide handelsnamen bestaan uit twee samengestelde delen, waarvan het eerste deel ([naamgedeelte 1]) gelijk is en het tweede deel ([naamgedeelte 2] / [naamgedeelte 2]) voor wat betreft de eerste vier letters gelijk is en alleen bij [gedaagde] een vijfde letter (z) aan het tweede deel is toegevoegd. Dit betekent dat de klank van het tweede deel iets afwijkend is nu er bij [gedaagde] nog een (z) achteraan komt. Dit verschil in uitspraak is echter ondergeschikt aan het overeenstemmende eerste en tweede deel en in hun geheel bezien, komen de handelsnamen auditief nagenoeg volledig overeen. Visueel stemmen de handelsnamen in zeer grote mate overeen. De volledige handelsnaam, bestaande uit 9 letters, van [eiser] is overgenomen in de handelsnaam [gedaagde], waarbij de spatie ontbreekt en de ‘z’ is toegevoegd. In het licht van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de handelsnaam die [gedaagde] voert slechts in zeer geringe mate afwijkt van de handelsnaam van [eiser]. Ook begripsmatig komen de namen overeen.
4.12.
Het voorgaande brengt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat gevaar voor verwarring tussen beide ondernemingen te duchten is bij het publiek.