4 aug 2026,
Ex parte verbod tegen Meeuw Group wegens merkinbreuk door verhandeling van parfums
Rb. Den Haag 4 augustus 2026, IEF 23787; ECLI:NL:RBDHA:2026:23168 (verzoekster tegen gerekwestreerde). Coty Beauty Germany GmbH heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag verzocht om zonder voorafgaand verhoor maatregelen te treffen tegen Meeuw Group B.V. wegens gestelde inbreuk op haar intellectuele-eigendomsrechten. De voorzieningenrechter oordeelt voorshands dat geen reden bestaat om aan de geldigheid van de door Coty ingeroepen rechten te twijfelen en dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat Meeuw Group daarop inbreuk maakt. Ook acht de rechter het spoedeisend belang voldoende aannemelijk om een bevel zonder voorafgaand verhoor van Meeuw Group te rechtvaardigen. Voor zover het geschil betrekking heeft op de ingeroepen Uniemerken, kan de bevoegdheid van de rechtbank zich tot de gehele Europese Unie uitstrekken.
De voorzieningenrechter beveelt Meeuw Group om binnen zes uur na betekening van de beschikking de in het verzoekschrift omschreven inbreuk op de daarin genoemde merken in de Europese Unie te staken en gestaakt te houden. Meer specifiek moet zij het verhandelen, verkopen, leveren en aanbieden van de in het verzoekschrift bedoelde parfums beëindigen. Aan dit bevel wordt een dwangsom verbonden van € 50.000 per dag of gedeelte van een dag, dan wel € 500 per inbreukmakend product, ter keuze van Coty, met een maximum van € 1.000.000. Uit de beschikking volgt daarnaast dat de rechter, voor zover de betreffende onderdelen zijn aangekruist, verlof verleent voor onder meer conservatoire beslag- en bewijsmaatregelen. De termijn voor het instellen van de hoofdzaak als bedoeld in artikel 1019i Rv is bepaald op zes maanden en het meer of anders verzochte is afgewezen.
☒ 1.1. Voor zover het verzoek is gebaseerd op de gestelde inbreuk op (een) aan verzoekster toebehorend(e) Uniemerk(en) of Uniemodel(len) is de voorzieningenrechter internationaal (en relatief) bevoegd daarvan kennis te nemen nu gerekwestreerden gevestigd of woonachtig zijn in Nederland (artikel 123 lid 1, 124 onder a, 125 lid 1 en 131 lid 1 en lid 2 UMVo 20171 en artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk respectievelijk artikel 119 lid 1, 120 onder a, 129 lid 1 en 90 lid 1 en lid 3 UModVo2 en artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening betreffende Gemeenschapsmodellen). De bevoegdheid strekt zich uit tot de gehele Europese Unie.
aannemelijkheid van de inbreuk
☒ 2.1. Voorshands oordelend bestaat geen reden aan de geldigheid van de door verzoekster ingeroepen rechten te twijfelen en is voldoende aannemelijk gemaakt dat gerekwestreerden inbreuk op die rechten maken, althans dat de voor artikel 194 lid 1 Rv vereiste rechtsbetrekking bestaat, om de toe te wijzen maatregelen te rechtvaardigen. Hierbij wordt opgemerkt dat dit voorlopige oordeel waar het een beslag, monsterneming en/of beschrijving betreft slechts na summier onderzoek tot stand is gekomen waarbij (in dit geval) alleen de verzoeker is gehoord. De drempel om een beslagverlof af te geven is in het algemeen relatief laag.
aannemelijkheid van de vereiste spoedeisendheid van het gevraagde bevel
☒ 2.2. Gelet op hetgeen in het verzoekschrift is aangevoerd ten aanzien van het spoedeisend belang van verzoekster en gelet op de mate van aannemelijkheid van de inbreuk, bestaat voldoende grond voor toewijzing van het gevraagde bevel tot staking van de inbreuk zonder gerekwestreerden voorafgaand te horen.