24 jun 2026,
Uitspraak ingezonden door Olivia van Rikxoort en Els Doornhein, De Vos & Partners.
Geen merkinbreuk op FeelGoodClubs-beeldmerk door Basic-Fit-slogan ‘Join the Feel Good Club’
Rb. Noord-Holland 24 juni 2026, IEF 23763; C/15/376812 / KG ZA 26-194 (Stichting FeelGoodClubs tegen Basic Fit). In dit kort geding vordert Stichting FeelGoodClubs (FGC) dat Basic Fit ieder gebruik van het teken ‘Feel Good Club’, waaronder de slogans ‘Welcome to the Feel Good Club’ en ‘Join the Feel Good Club’, in de Benelux staakt en haar bestaande reclame-uitingen verwijdert. FGC exploiteert sinds 2012 een platform op het gebied van fitness en lifestyle en is houdster van verschillende in 2015 geregistreerde Benelux-beeldmerken met woordelementen, waaronder het beeldmerk ‘FeelGoodClubs’, voor onder meer gezondheids-, fitness- en sportdiensten. Basic Fit startte in januari 2026 een reclamecampagne waarin zij ‘Join the Feel Good Club’ gebruikte. Volgens FGC maakt dit gebruik inbreuk op haar merkrechten op grond van art. 2.20 lid 2 onder a, b en c BVIE, omdat sprake is van overeenstemming voor soortgelijke diensten, verwarringsgevaar en aantasting van het onderscheidend vermogen van haar merken. Basic Fit betwist de inbreuk en voert onder meer aan dat de bescherming van FGC ziet op de beeldmerken als geheel, dat de woorden ‘feel good’ en ‘club’ beschrijvend dan wel weinig onderscheidend zijn en dat de totaalindruk van haar reclamecampagne duidelijk afwijkt van die van de FGC-merken.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de merkenrechtelijke bescherming in beginsel toekomt aan het beeldmerk als geheel. De daarin opgenomen woordbestanddelen dragen wel bij aan de totaalindruk, maar genieten niet zonder meer zelfstandige merkenrechtelijke bescherming. FGC heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar beeldmerk bij een relevant deel van het publiek zodanig bekend of ingeburgerd is dat de losse woorden ‘Feel Good Clubs’ zelfstandig als herkomstaanduiding functioneren. Basic Fit gebruikt ‘Feel Good Club’ volgens de rechter wél als merk, omdat de aanduiding in de reclame verwijst naar de positieve of heilzame effecten van de aangeboden fitnessdiensten en daarmee een voldoende verband met die diensten bestaat. Vervolgens acht de voorzieningenrechter echter onvoldoende aannemelijk dat bij het relevante publiek verwarringsgevaar bestaat. De grafische elementen van het FGC-beeldmerk ontbreken in de uitingen van Basic Fit, de slogan wordt steeds gebruikt in samenhang met het eigen, bekende merk Basic Fit en de visuele totaalindruk verschilt aanzienlijk. Ook komt aan de bestanddelen ‘club’ en ‘feelgood’ slechts beperkte onderscheidende kracht toe: ‘club’ is gebruikelijk voor sport- en fitnessclubs en ‘feelgood’ heeft een beschrijvend of weinig onderscheidend karakter voor diensten op het gebied van gezondheid, welzijn, sport en fitness. Ook visueel bestaan aanzienlijke verschillen in onder meer de toevoeging ‘JOIN THE’, enkelvoud tegenover meervoud, typografie, kleurgebruik, hoofdletters en grafische vormgeving. De verschillen wegen volgens de rechter minstens zo zwaar als de overeenkomsten. Het is daarom onvoldoende aannemelijk dat het publiek zal denken dat de Basic Fit-uitingen afkomstig zijn van FGC of dat tussen partijen een economische of organisatorische band bestaat. De gevraagde voorzieningen worden afgewezen en FGC wordt op grond van art. 1019h Rv veroordeeld in de redelijke en evenredige proceskosten van Basic Fit, begroot op € 15.924.
4.4. De bescherming komt in beginsel toe aan het beeldmerk als geheel. Daarbij zijn de daarin opgenomen woordbestanddelen weliswaar medebepalend voor de visuele totaalindruk die het merk oproept, maar zij kunnen niet los worden gezien van de overige grafische elementen waaruit het merk is samengesteld. De afzonderlijke woordelementen genieten geen zelfstandige merkenrechtelijke bescherming en kunnen door FGC ook niet als zodanig worden ingeroepen.
4.12 De voorzieningenrechter acht daarom onvoldoende aannemelijk dat het relevante publiek de reclame-uiting van Basic Fit zal opvatten als afkomstig van FGC, dan wel zal menen dat tussen partijen een economische of organisatorische band bestaat. Van verwarringsgevaar in de zin van artikel 2.20 lid 2 onder b BVIE is voorshands onvoldoende gebleken. De gevraagde voorzieningen zullen daarom worden geweigerd.