Gepubliceerd op dinsdag 20 januari 2026
IEF 23221
Rechtbank Gelderland ||
19 dec 2025
Rechtbank Gelderland 19 dec 2025, IEF 23221; ECLI:NL:RBGEL:2025:11550 ([eisers] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/geldige-exclusieve-licentie-doorslaggevend-bij-handelsnaam-en-merkrechtgeschil

Geldige exclusieve licentie doorslaggevend bij handelsnaam- en merkrechtgeschil

Rb. Gelderland 19 december 2025, IEF 23221; ECLI:NL:RBGEL:2025:11550 ([eisers] tegen [gedaagde]). In dit kort geding beoordeelt de rechtbank een geschil over het gebruik van een handelsnaam, merkrechten en een octrooi voor een isolatieproduct. Eisers stellen dat zij op grond van een in juni 2025 gesloten licentieovereenkomst (LO2) exclusieve rechten hebben verkregen en dat gedaagde inbreuk maakt door het gebruik van dezelfde handelsnaam en merken. Gedaagde verweert zich met de stelling dat zij al eerder, op 12 februari 2025, op grond van een andere licentieovereenkomst (LO1) een exclusieve licentie heeft verkregen op het octrooi, de handelsnaam en de bijbehorende merken. De voorzieningenrechter stelt voorop dat sprake is van spoedeisend belang, maar beoordeelt vervolgens of de vorderingen in een bodemprocedure een reële kans van slagen hebben.

De rechtbank oordeelt dat het in kort geding aannemelijk is dat de licentie uit februari 2025 rechtsgeldig tot stand is gekomen. De uitvinder en patenthouder was bevoegd om die licentie te verlenen en gedaagde mocht er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de licentie ook het gebruik van de handelsnaam en merken omvatte, ondanks dat de overeenkomst zonder juridische bijstand was gesloten en niet alle rechthebbenden expliciet waren genoemd. Niet is gebleken dat deze licentie rechtsgeldig is beëindigd. Daardoor waren de licentiegevers op het moment van het sluiten van de latere overeenkomst met eisers niet meer bevoegd om opnieuw exclusieve rechten te verlenen. Eisers kunnen hun gestelde rechten daarom niet tegenover gedaagde handhaven. Alle gevraagde voorzieningen worden afgewezen en eisers worden veroordeeld in de proceskosten volgens het liquidatietarief, omdat het geschil vooral draait om de uitleg en geldigheid van licentieovereenkomsten en niet om zuivere IE-handhaving.

4.12.

Voor zover [eisers] (ook) in dit kort geding heeft willen stellen dat de LO1, voor zover deze al bevoegdelijk is gesloten, rechtsgeldig is opgezegd vanwege het vermeende ongebruikt laten van het patent door [gedaagde] en de daarmee samenhangende mogelijkheid van tussentijdse opzegging van de LO1, geldt dat [eisers] in dit kort geding onvoldoende heeft aangevoerd om die conclusie te kunnen rechtvaardigen. Allereerst is [bedrijf 2] geen partij bij dit kort geding maar nog afgezien daarvan heeft [eisers] in dit verband geen andere stellingen ingenomen dan de stellingen die blijkens het vonnis van 16 september 2025 zijn ingenomen in de procedure bij de rechtbank Limburg. Het was aan [eisers] geweest om in dit kort geding te onderbouwen dat dat vonnis (bijvoorbeeld) een kennelijke misslag bevatte maar dat heeft [eisers] niet gedaan. Zij heeft haar pijlen in de dagvaarding maar ook ter zitting gericht op de (on)bevoegdheid van [betrokkene 1] om op 12 februari 2025 licentie(s) te verstrekken ter zake de [product] producten aan [gedaagde] . Bovendien heeft [gedaagde] ter zitting aangevoerd dat zij het patent wel degelijk gebruikt voor de productie van [product] producten zodat zich geen situatie voordeed waarin de overeenkomst tussentijds kon worden beëindigd.

4.13.

Nu binnen het bestek van dit kort geding aannemelijk is geworden dat [betrokkene 1] op 12 februari 2025 een rechtsgeldige licentie op de (handels)naam [product] en de [product] -merken (en het patent) aan [gedaagde] heeft verstrekt en niet is komen vast te staan dat deze licenties op enig moment voor 30 juni 2025 rechtsgeldig zijn opgezegd, waren [bedrijf 2] en [product] ten tijde van het sluiten van de LO2 met [eiser 1] op 30 juni 2025 (of op enige andere datum na 12 februari 2025) niet meer bevoegd om een exclusieve licentie te verlenen ter zake de handelsnaam (en het patent) respectievelijk de [product] -merken aan [eiser 1] . Dat betekent dat [eisers] deze rechten niet ten opzichte van [gedaagde] kan handhaven. De stellingen van partijen over en weer over (de totstandkoming) van de LO2 behoeven daarom, wat er verder ook van zij, geen bespreking. De slotsom is dat de vorderingen van [eisers] zullen worden afgewezen.