29 jul 2026,
Herstelvonnis Coty/Petite Mort: dwangsom geldt voor alle opgelegde verboden en bevelen
Rb. Den Haag 29 juli 2026, IEF 23767; ECLI:NL:RBDHA:2026:21392 (Coty tegen Petite Mort). In deze zaak herstelt de voorzieningenrechter op grond van artikel 31 Rv een kennelijke fout in het dictum van het op 11 juni 2026 tussen partijen gewezen vonnis [IEF 23622]. Coty verzocht om verbetering van dictumonderdeel 5.4, waarin stond dat Petite Mort een dwangsom verbeurt bij overtreding van de “onder I tot en met II opgelegde verboden c.q. bevelen”. Volgens Coty moest dit zijn: de “onder 5.1 tot en met 5.3 opgelegde verboden c.q. bevelen”, zodat duidelijk is dat de dwangsom ook ziet op het in onderdeel 5.3 opgenomen opgavebevel. Petite Mort verzette zich tegen het verzoek. Zij stelde onder meer dat het verzoek niet rechtsgeldig was ondertekend en dat geen sprake was van een kennelijke fout, omdat de gevraagde wijziging volgens haar de inhoud en omvang van de veroordeling zou uitbreiden. Ook wees zij erop dat inmiddels hoger beroep tegen het vonnis was ingesteld.
De voorzieningenrechter acht Coty ontvankelijk. Omdat het verzoek via het digitale systeem van de Rechtspraak door de advocaat zelf is ingediend en diens identiteit op persoonsniveau is geauthenticeerd, geldt het stuk op grond van art. 33 Rv en art. 5 lid 2 Besluit elektronisch procederen als ondertekend. Ook inhoudelijk wordt het herstelverzoek toegewezen. Uit r.o. 4.29 van het oorspronkelijke vonnis volgt dat de dwangsom “zoals gevorderd” zou worden opgelegd. Nu nergens is overwogen dat de dwangsom niet zou gelden voor het opgavebevel van dictumonderdeel 5.3, is volgens de voorzieningenrechter zonder nadere inhoudelijke beoordeling duidelijk dat de verwijzing naar “I tot en met II” een kennelijke fout is die zich voor eenvoudig herstel ex art. 31 Rv leent. Dictumonderdeel 5.4 wordt daarom gewijzigd in die zin dat Petite Mort een dwangsom van € 10.000 per overtreding en € 2.500 per dag, met een maximum van € 500.000, verbeurt bij overtreding van de onder 5.1 tot en met 5.3 opgelegde verboden en bevelen.
2.5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het vonnis van 11 juni 2026 sprake is van een kennelijke fout in de zin van artikel 31 Rv, die zich voor eenvoudig herstel leent. Daarbij gaat de voorzieningenrechter voorbij aan het bezwaar van Petite Mort. In r.o. 4.29 wordt uitdrukkelijk overwogen dat de dwangsom “zoals gevorderd” zal worden opgelegd. In het geval dat de voorzieningenrechter de vordering deels had willen afwijzen, zou daarover een overweging zijn opgenomen in het vonnis. Bij gebrek aan een dergelijke overweging, is daarmee duidelijk dat de in 5.4 van het dictum opgelegde dwangsom tevens ziet op het in 5.3 opgelegde opgavebevel.