Gepubliceerd op donderdag 22 oktober 2026
IEF 23954
HvJ EU ||
22 okt 2026,
HvJ EU 22 okt 2026,, IEF 23954; ECLI:EU:C:2026:892 (VG Wort tegen TL), https://ie-forum.nl/artikelen/hvjeu-cbo-s-mogen-auteursrechtelijke-vergoedingen-niet-gebruiken-ten-behoeve-van-niet-rechthebbenden

HvJEU: CBO's mogen auteursrechtelijke vergoedingen niet gebruiken ten behoeve van niet-rechthebbenden

HvJ EU 22 oktober 2026, IEF 23954; IEFbe 4363; ECLI:EU:C:2026:892; C-840/24 (VG Wort/TL). Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat collectieve beheersorganisaties (CBO's) inkomsten uit auteursrechten mogen gebruiken voor de financiering van sociale, culturele en educatieve voorzieningen, mits deze uitsluitend ten goede komen aan rechthebbenden. Voor niet-verdeelbare bedragen geldt een uitzondering: deze mogen onder bepaalde voorwaarden ook worden ingezet ten behoeve van personen die geen rechthebbenden zijn. De zaak draait om de Duitse collectieve beheersorganisatie VG Wort, die een deel van de geïnde auteursrechtelijke vergoedingen, waaronder thuiskopie- en uitleenvergoedingen, gebruikte voor de financiering van het Förderungsfonds Wissenschaft (FFW). Dit fonds ondersteunt wetenschap en onderzoek, onder meer door bij te dragen aan de publicatie van wetenschappelijke werken. Twee auteurs maakten bezwaar tegen deze financiering, omdat de middelen ook ten goede konden komen aan personen die geen auteursrechthebbenden waren. Het Bundesgerichtshof stelde prejudiciële vragen over de verenigbaarheid van deze financiering met Richtlijn 2014/26/EU betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten.

Het Hof overweegt dat artikel 12 lid 4 van Richtlijn 2014/26/EU weliswaar toestaat dat CBO's inhoudingen op rechteninkomsten verrichten voor sociale, culturele en educatieve doeleinden, maar dat de daarmee gefinancierde voorzieningen uitsluitend aan rechthebbenden ten goede mogen komen. Een andere uitleg zou ertoe leiden dat rechthebbenden een deel van de inkomsten wordt onthouden waarop zij aanspraak hebben. Daarbij verwijst het Hof naar zijn eerdere rechtspraak over de thuiskopievergoeding en de vergoeding voor openbare uitlening, waaruit volgt dat deze vergoedingen volledig, rechtstreeks of indirect, aan rechthebbenden ten goede moeten komen. Voor zogenoemde *niet-verdeelbare bedragen* ligt dit anders. Dit zijn inkomsten die, ondanks de nodige inspanningen van de CBO om de rechthebbenden te identificeren en te lokaliseren, niet binnen drie jaar na afloop van het betreffende boekjaar kunnen worden verdeeld. Het Hof oordeelt dat deze bedragen ook mogen worden gebruikt voor voorzieningen ten behoeve van niet-rechthebbenden, mits de algemene ledenvergadering van de CBO hiermee heeft ingestemd en de betrokken lidstaat dit gebruik niet heeft beperkt. Tot slot verduidelijkt het Hof dat rechthebbenden geen actueel recht op vergoeding hoeven te hebben om voor de uit inhoudingen gefinancierde voorzieningen in aanmerking te komen. Evenmin is een rechtstreekse beheersovereenkomst met de CBO vereist, zolang het beheer van hun rechten direct of indirect binnen het werkterrein van de betrokken organisatie valt.

80      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Vijfde kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 11, lid 4, gelezen in samenhang met artikel 12, lid 4, en artikel 13, leden 4 en 6, van richtlijn 2014/26/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor het online gebruik ervan op de interne markt

moet aldus worden uitgelegd dat

deze bepaling, enerzijds, eraan in de weg staat dat op grond van een nationale regeling krachtens welke collectieve beheerorganisaties werken van cultureel belang dienen te bevorderen, de statuten van een dergelijke organisatie bepalen dat een deel van de „rechteninkomsten” in de zin van artikel 3, onder h), van deze richtlijn wordt gewijd aan de financiering van sociale, culturele of educatieve diensten die ten goede komen aan personen die geen auteursrechthebbenden zijn, wanneer die financiering gebeurt door middel van inhoudingen op die inkomsten en, anderzijds, zich niet verzet tegen die statuten wanneer die financiering gebeurt door middel van „niet-verdeelbare bedragen” in de zin van artikel 13, lid 4, van die richtlijn.

2)      Artikel 12, lid 4, van richtlijn 2014/26

moet aldus worden uitgelegd dat

sociale, culturele en educatieve diensten die door een collectieve beheerorganisatie worden verleend en worden gefinancierd uit inhoudingen op de „rechteninkomsten” in de zin van artikel 3, onder h), van deze richtlijn, ten goede kunnen komen aan „rechthebbenden” in de zin van artikel 3, onder c), van deze richtlijn, ongeacht of deze rechthebbenden een actueel recht op vergoeding hebben en ongeacht of zij een beheersovereenkomst met die organisatie hebben gesloten, mits het beheer van de rechten namens die rechthebbenden direct of indirect tot de activiteiten van de organisatie in kwestie behoort.