Gepubliceerd op donderdag 16 februari 2017
IEF 16592
Rechtbank Den Haag ||
8 feb 2017
Rechtbank Den Haag 8 feb 2017, IEF 16592; ECLI:NL:RBDHA:2017:1087 (Tower Living tegen De Kleine Winst), https://ie-forum.nl/artikelen/niet-naleven-van-beheersovereenkomst-gezamenlijke-ie-rechten-heeft-geen-derdenwerking

Niet naleven van beheersovereenkomst gezamenlijke IE-rechten heeft geen derdenwerking

Rechtbank Den Haag 8 februari 2017, IEF16592; ECLI:NL:RBDHA:2017:1087 (Tower Living tegen De Kleine Winst) Uitputting. Tower Living is een groothandel in meubel- en interieurproducten. Bestuurder A en Indonesische vennootschap X ontwikkelen de Daan-collectie die op internationale beurs IFEX als Aimann Collection wordt aangeboden. X en A spreken een gezamenlijk auteursrecht af. Ze distribueert via geselecteerd netwerk Jouw Meubel. DKW drijft een (web)winkel in meubels en woondecoraties. Na sommatie aan DKW, volgt een vaststellingsovereenkomst met boeteclausule en een daarna gestelde overtreding daarvan door DWK. Echter X heeft de Kolony-meubels in de EER gebracht en er wordt met succes een beroep gedaan op uitputting. Ex 14 lid 2 GModVo komt het (niet-geregistreerd Gemeenschaps)modelrecht hun ook gezamenlijk toe. Nu sprake is van economische verbondenheid, moet het in de handel brengen van de Kolony-meubels in beginsel worden geacht te zijn geschied met toestemming van A. Het niet naleven van de beheersovereenkomst door X heeft geen auteursrechtelijke of modelrechtelijke derdenwerking. Vorderingen - ook tot nietigverklaring Gemeenschapsmodellen en niet bestaan van auteursrecht - worden afgewezen.

4.6. Voor zover niet reeds op grond van de – voor [B c.s.] niet kenbare – beheersregeling moet worden aangenomen dat toestemming van [A] vereist was voor levering van de Kolony-meubels, geldt dat ook bij afwezigheid van een specifieke afspraak, toestemming van [A] nodig zou zijn. Immers, de vraag of toestemming van de rechthebbenden gezamenlijk vereist is voor de exploitatie van een gemeenschappelijk Gemeenschapsmodel- of auteursrecht – een daad van beheer – dient in dat geval te worden beoordeeld naar Nederlands recht (voor het niet-ingeschreven Gemeenschapsmodel volgt dit uit artikel 27 lid jo lid 3 aanhef en sub a GModVo). Het beheer van gemeenschappelijke rechten geschiedt, bij het ontbreken van een specifieke wettelijke regeling of andersluidende overeenkomst, uitsluitend door de deelgenoten tezamen (artikel 3:170 lid 2 BW). [A c.s.] heeft onbetwist gesteld dat hij [X] geen toestemming heeft gegeven om aan Kolony te leveren, zodat [X] onbevoegd namens de gemeenschap heeft gehandeld.

4.7. Vervolgens moet worden beoordeeld of de exploitatie van het gemeenschappelijke recht, ondanks het onbevoegd handelen van [X] , jegens [B c.s.] heeft te gelden als het in de handel brengen met impliciete toestemming van de gezamenlijke rechthebbenden. Uitputting en de in dat verband vereiste toestemming, zijn Unierechtelijke begrippen. Uit de door het Hof van Justitie – in het kader van het merkenrecht – ontwikkelde ‘uitputtingsjurisprudentie’5, volgt dat impliciete toestemming geacht wordt te zijn gegeven, wanneer sprake is van economische verbondenheid tussen de houder van het recht en degene die de voorwerpen in het verkeer heeft gebracht6. De ratio daarachter is dat de rechthebbende bij economische verbondenheid de mogelijkheid heeft om controle uit te oefenen op de exploitatie. Van economische verbondenheid is onder meer sprake wanneer de producten in het verkeer worden gebracht door dezelfde onderneming, door een licentiehouder, of door, kort gezegd, bedrijven die tot hetzelfde concern behoren7. Deze merkenrechtelijke jurisprudentie is van overeenkomstige toepassing bij auteursrechtelijke en modelrechtelijke uitputting. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van mede-gerechtigden in het algemeen sprake van economische verbondenheid omdat zij het recht gezamenlijk exploiteren of daartoe andersluidende afspraken maken, zodat zij daarop invloed kunnen uitoefenen. Ook in dit geval is sprake van economische verbondenheid tussen [X] en [A] . Zij hebben, naar [A c.s.] heeft gesteld, afspraken gemaakt over de exploitatie van het gemeenschappelijk recht, in die zin dat [X] de meubels waarop de rechten rusten produceert en deze, afhankelijk van het territorium, hetzij rechtstreeks, hetzij, in ieder geval voor wat betreft de EER, exclusief via [A c.s.] , aan derden levert. Nu sprake is van economische verbondenheid, moet het in de handel brengen van de Kolony-meubels in beginsel worden geacht te zijn geschied met toestemming van [A] . Omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zijn door [A c.s.] – op wie ten aanzien van die mogelijke uitzonderingssituatie de stelplicht rust8 – niet gesteld, noch is daarvan anderszins gebleken. Het niet naleven van de beheersovereenkomst door [X] , is daartoe onvoldoende; dit heeft geen auteursrechtelijke of modelrechtelijke derdenwerking. Het eventuele tekortschieten van [X] jegens [A c.s.] zal via de mogelijkheden die het verbintenissenrecht biedt, moeten worden opgelost.

4.8. Een en ander leidt tot de slotsom dat tussen partijen geldt dat de Kolony-meubels door dan wel met toestemming van de rechthebbenden in de EER in het verkeer zijn gebracht, zodat de rechten van [A] ten aanzien van die partij zijn uitgeput. [B c.s.] is dan ook niet tekort geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst, zodat de vordering van [A c.s.] tot betaling van de gestelde verbeurde boetes, zal worden afgewezen. De nevenvorderingen volgen dit lot.

Niet-ingeschreven Gemeenschapsmodelrecht?
4.12. De Daan-collectie heeft ook een eigen karakter, nu de door [B c.s.] weergegeven meubels een andere algemene indruk maken op de geïnformeerde gebruiker dan de meubels uit de Daan-collectie. Zo vertoont geen van de gestelde oudere meubels de naar het oordeel van de rechtbank voor de Daan-collectie specifieke en karakteristieke combinatie van deels afbladderende witte verf op geborsteld, midden-bruinkleurig hout. De niet-ingeschreven gemeenschapsmodellen van [A c.s.] verschillen daarmee in meer dan onbelangrijke details van het gestelde vormgevingserfgoed.

4.13. Voor zover het betoog van [B c.s.] ter zitting ten aanzien van de techniek moet worden begrepen als een beroep op nietigheid van de modellen omdat de uiterlijke kenmerken van de meubels van de Daan-collectie uitsluitend door de technische functie worden bepaald, wordt aan die stelling voorbij gegaan. [A c.s.] heeft onvoldoende toegelicht dat de vormgevingskenmerken van de Daan-collectie uitsluitend gedicteerd worden door technische functionaliteit; dit is ook niet gebleken.

4.14. De gevorderde verklaring voor recht tot nietigverklaring van de niet-ingeschreven Gemeenschapsmodellen zal dan ook worden afgewezen.

Auteursrechtelijk beschermd werk?
4.15. Ter onderbouwing van de gevorderde verklaring voor recht dat op de Daan-collectie geen auteursrecht rust, heeft [B c.s.] zich op vergelijkbare gronden beroepen als hiervoor in 4.11 beschreven. De rechtbank is van oordeel dat de Daan-collectie een eigen oorspronkelijk karakter heeft waarin het persoonlijk stempel van de maker tot uitdrukking komt. Dat gedeeltelijk gebruik is gemaakt van bestaande elementen, neemt niet weg dat de maker ten aanzien van de selectie van die elementen en de combinatie daarvan binnen één ontwerp, persoonlijke keuzes heeft gemaakt. De combinatie van de gebruikte kenmerken is niet banaal of triviaal, maar geeft blijk van vrije creatieve keuzes van de maker, dat de Daan-collectie een eigen karakter geeft. Op deze punten waren ook vele andere keuzes mogelijk geweest. Daarmee is een oorspronkelijk werk ontstaan. Dat de combinatie van alle genoemde kenmerken reeds in het vormgevingserfgoed voorkwam en daaraan zou zijn ontleend, is, zoals ook in het kader van het modelrecht is overwogen, gesteld noch gebleken. De meubels van de Daan-collectie zijn dan ook auteursrechtelijke beschermde werken, zodat de gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.