Gepubliceerd op dinsdag 23 juni 2026
IEF 23638
Rechtbank Amsterdam ||
24 mrt 2026
Rechtbank Amsterdam 24 mrt 2026, IEF 23638; ECLI:NL:RBAMS:2026:6010 (([eiser 1] en [eiser 2]) tegen [gedaagde 1] en Meanwhile)), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-amsterdam-wijst-vorderingen-af-in-geschil-over-dj-naam

Rb. Amsterdam wijst vorderingen af in geschil over DJ-naam

Rb. Amsterdam 24 maart 2026, IEF 23638; ECLI:NL:RBAMS:2026:6010 ([eiser 1] en [eiser 2]) tegen [gedaagde 1] en Meanwhile). In deze zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] enerzijds en [gedaagde 1] en Meanwhile anderzijds staat een geschil centraal over het gebruik van de naam '(DJ) [eiser 1 alias]'. [eiser 1] treedt sinds 1990 op als techno-dj onder deze naam. Op 14 augustus 2003 heeft [eiser 1] het Benelux-woordmerk 'DJ [eiser 1 alias]' gedeponeerd, dat op 1 november 2003 is ingeschreven en op 14 augustus 2013 is vervallen wegens niet-verlenging. Zijn holding [eiser 2] verkreeg vervolgens in 2022 opnieuw een Benelux-woordmerk voor 'DJ [eiser 1 alias]' (aanvraag 27 juni 2022, inschrijving 7 september 2022) voor onder meer entertainmentdiensten. De Britse DJ [gedaagde 1] treedt echter eveneens op onder de naam '[eiser 1 alias]' of '[eiser 1 alias .]' en gebruikt deze naam al jaren in het Verenigd Koninkrijk en daarbuiten, waaronder in Nederland (in ieder geval sinds 2018). Meanwhile is sinds 2020 zijn Nederlandse boekingskantoor. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] maken [gedaagde 1] en Meanwhile inbreuk op hun merk- en handelsnaamrechten. Zij voeren aan dat '[eiser 1 alias .]' vrijwel identiek is aan het merk 'DJ [eiser 1 alias]', omdat het onderscheidende bestanddeel '[eiser 1 alias]' volledig is overgenomen. Daarnaast zou verwarringsgevaar bestaan, mede omdat beide partijen als dj actief zijn. Zij baseren zich voor merkinbreuk op artikel 2.20 lid 2 onder a en b BVIE en stellen dat [gedaagde 1] zich niet kan beroepen op oudere rechten van plaatselijke betekenis als bedoeld in artikel 2.23 lid 2 BVIE. Ook stellen zij dat [eiser 1] al sinds 1990 onder de naam 'DJ [eiser 1 alias]' naar buiten treedt en daarom oudere handelsnaamrechten bezit, zodat gebruik door [gedaagde 1] en Meanwhile tevens in strijd is met artikel 5 Handelsnaamwet. Verder voeren zij aan dat [gedaagde 1] en Meanwhile onrechtmatig handelen doordat zij profiteren van de bekendheid en goodwill die [eiser 1] gedurende tientallen jaren heeft opgebouwd. [gedaagde 1] betwist de vorderingen. Hij stelt dat hij de naam '[eiser 1 alias .]' al vóór de merkregistratie van 2022 gebruikte en daardoor oudere handelsnaamrechten heeft in de zin van artikel 2.23 lid 2 BVIE. Daarnaast heeft hij bij het Benelux Merkenbureau een procedure tot doorhaling van het merk 'DJ [eiser 1 alias]' gestart wegens een volgens hem te kwader trouw verricht depot. Ook betwist hij dat [eiser 1] de naam 'DJ [eiser 1 alias]' daadwerkelijk als handelsnaam gebruikt. Volgens hem treedt [eiser 1] slechts incidenteel onder die naam op en gebruikt hij deze niet als naam waaronder hij zijn onderneming drijft; hij wijst erop dat [eiser 1] geen KvK-registratie, contracten, facturen, website of commerciële socialmedia-accounts onder de naam 'DJ [eiser 1 alias]' heeft. Verder voert hij aan dat geen sprake is van verwarringsgevaar, onder meer omdat de punt achter de naam een verschil oplevert, partijen in verschillende (sub)genres actief zijn en er vele andere (DJ) [eiser 1 alias]’s zijn. Meanwhile voert aanvullend aan dat zij '[eiser 1 alias .]' uitsluitend gebruikt ter promotie van haar artiest en niet als eigen handelsnaam.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een handelsnaam de naam is waaronder feitelijk handel wordt gedreven en waarmee op commerciële wijze aan het economisch verkeer wordt deelgenomen. Voor artiesten geldt dat zij regelmatig en duurzaam onder die naam naar buiten moeten treden en als zodanig bij het publiek bekend moeten staan. De rechter oordeelt dat [gedaagde 1] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de naam '[eiser 1 alias .]' al vóór de merkregistratie van 2022 in de Benelux gebruikte. Uit de overgelegde stukken blijkt onder meer dat hij onder deze naam optrad op festivals (blijkens flyers/posters), contracten sloot voor Nederlandse optredens en releases, facturen verstuurde, sociale media gebruikte en via een eigen website merchandise verkocht. Daarmee heeft hij voorshands oudere handelsnaamrechten verkregen die in beginsel aan handhaving van het merk van [eiser 2] in de weg staan. Vervolgens beoordeelt de voorzieningenrechter het beroep van [eiser 1] op nog oudere handelsnaamrechten. [eiser 1] heeft aangevoerd dat hij sinds 1990 onder de naam 'DJ [eiser 1 alias]' optreedt en heeft daarvoor onder meer oude publicaties (zoals Bacardi DJ Guide 2003 en Dance Valley a decade of dance), flyers en overzichten van optredens (Partyflock-agenda 2018–2026) overgelegd. Volgens [gedaagde 1] is dat onvoldoende om handelsnaamgebruik aan te nemen, omdat [eiser 1] de naam niet gebruikt als naam van zijn onderneming, hij vanaf circa 2009 gemiddeld nog maar 2 à 3 keer per jaar optreedt onder die naam en geen KvK-registratie, contracten, facturen, website of commerciële socialmedia-accounts onder ‘DJ [eiser 1 alias]’ heeft. De voorzieningenrechter acht beide standpunten verdedigbaar en oordeelt dat in kort geding niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of [eiser 1] inderdaad oudere handelsnaamrechten bezit. Daarvoor is nader onderzoek of bewijslevering nodig, waarvoor een kort geding zich niet leent. Daar komt bij dat de geldigheid van het Benelux-woordmerk 'DJ [eiser 1 alias]' al ter beoordeling voorligt bij het Benelux Merkenbureau. [gedaagde 1] heeft daar een doorhalingsverzoek ingediend wegens vermeend depot te kwader trouw, terwijl [eiser 2] tevens oppositie heeft ingesteld tegen de EU-woordmerkaanvraag '[eiser 1 alias .]' van [gedaagde 1], welke oppositieprocedure bij het EUIPO is geschorst in afwachting van de beslissing van het Benelux Merkenbureau. In die doorhalingsprocedure wordt eveneens gediscussieerd over de vraag of het merk te kwader trouw is gedeponeerd. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om op die uitkomst vooruit te lopen.Ook hebben [eiser 1] en [eiser 2] volgens de voorzieningenrechter onvoldoende concreet gemaakt dat zij op dit moment een spoedeisend belang hebben bij een voorlopige voorziening. Zij hebben niet voldoende onderbouwd dat sprake is van daadwerkelijke verwarring of van concrete schade die niet langer kan voortduren.De voorzieningenrechter concludeert daarom dat niet voldoende aannemelijk is geworden dat sprake is van merk- of handelsnaaminbreuk. Alle gevraagde voorzieningen worden afgewezen. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de vorderingen tegen Meanwhile vooral zijn ingesteld om een Nederlandse forumkeuze mogelijk te maken en dat Meanwhile de naam '[eiser 1 alias .]' niet als eigen handelsnaam gebruikt. [eiser 1] en [eiser 2] worden veroordeeld in de volledige proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, waarbij is aangesloten bij de IE‑indicatietarieven. Zij moeten € 16.557 betalen aan [gedaagde 1] en € 12.497 aan Meanwhile.

4.7. Een handelsnaam is, gelet op artikel 1 Hnw, de naam waaronder men feitelijk handelt, de naam die naar buiten toe wordt gebruikt als aanduiding van de onderneming en waarmee op commerciële wijze aan het economisch verkeer wordt deelgenomen. Uit jurisprudentie volgt dat voor een artiest handelsnaamgebruik betekent dat hij of zij regelmatig en duurzaam onder de handelsnaam naar buiten treedt en aan het economisch verkeer deelneemt en als zodanig bij het publiek bekend staat4, en dat contracten en mogelijk facturen die op eigen naam staan hieraan niet afdoen.

4.8. [gedaagde 1] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de naam ‘ [eiser 1 alias .] ’ al vóór de merkregistratie van [eiser 2] in 2022 in het economisch verkeer gebruikte in de Benelux. Uit de door hem overgelegde producties blijkt namelijk dat hij: i) optrad onder de naam ‘ [eiser 1 alias .] ’ blijkens de flyers/posters van events en festivals, ii) contracten heeft gesloten ten aanzien van Nederlandse releases en optredens onder die naam, iii) facturen heeft verstuurd onder die naam, iv) deze naam gebruikte op sociale media, en v) al een eigen website had waarop hij [eiser 1 alias .] merchandise verkocht. Aangezien handelsnaamrechten ontstaan door gebruik en dit oudere rechten oplevert dan het merkrecht van [eiser 2] , kunnen [eiser 2] en [eiser 1] in beginsel niet optreden tegen het gebruik van het teken [eiser 1 alias .] door [gedaagde 1] .

4.12. Partijen verschillen dus van mening of het gebruik van de naam ‘DJ [eiser 1 alias] ’ door [eiser 1] kwalificeert als handelsnaamgebruik. [eiser 1] en [eiser 2] hebben voldoende gesteld dat zij menen dat dit wel handelsnaamgebruik is, maar [gedaagde 1] heeft dit op zijn beurt gemotiveerd betwist en betoogt dat een artiestennaam nog geen handelsnaamgebruik oplevert. Beide standpunten zijn goed verdedigbaar. Anders gezegd: de ene uitleg is niet zodanig meer overtuigend dan de andere dat daar in dit kort geding op vooruit gelopen kan worden. Voor toewijzing van de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] , voor zowel het verbod de inbreuk op het merkrecht als op de handelsnaamrechten te staken, is nodig dat voorshands aannemelijk is dat de bodemrechter hun stelling zal volgen dat [eiser 1] oudere handelsnaamrechten heeft en dat is dus niet aan de orde. Om dit kunnen vaststellen is nader onderzoek en/of bewijslevering nodig waar het kort geding zich niet voor leent.

4.13. Bovendien speelt hierbij mee dat de geldigheid van het merk ‘DJ [eiser 1 alias] ’ van [eiser 2] op dit moment al voorligt bij het Benelux merkenbureau, omdat [gedaagde 1] een doorhalingsprocedure is begonnen tegen het Benelux woordmerk vanwege een volgens hem depot te kwader trouw (wat hij overigens ook hier als verweer aanvoert). In die procedure spelen dezelfde argumenten en verweren (gelet op de door partijen in die procedure ingediende stukken). Er is dan ook geen reden om in dit kort geding op dat oordeel vooruit te lopen en de uitkomst van die procedure zal dus moeten worden afgewacht.

4.14. Bij dit alles komt dat [eiser 1] en [eiser 2] niet voldoende hebben aangetoond dat zij er belang bij hebben om nú een voorlopige voorziening te verkrijgen. Zij hebben in het kader van een belangenafweging niet voldoende concreet gemaakt dat zij op dit moment (daadwerkelijk) last hebben van (mogelijke) verwarring met [gedaagde 1] en dat daardoor bijvoorbeeld schade wordt geleden en dat dit niet langer kan voortduren.

4.15. De slotsom is dan ook dat niet voldoende aannemelijk is dat sprake is van een merkinbreuk en een handelsnaaminbreuk op het merk en de handelsnaam van [eiser 1] en [eiser 2] . Daarom worden de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] afgewezen. Dit ziet op de vorderingen zowel jegens [gedaagde 1] als jegens Meanwhile. Waarbij overigens geldt dat de vorderingen jegens Meanwhile, zoals door [eiser 2] en [eiser 1] erkend, enkel zijn ingesteld vanwege proceseconomische redenen, namelijk om een forum te creëren. Meanwhile heeft in dit verband terecht betoogd dat voor haar in ieder geval geen sprake is van een inbreukmakende handelsnaam omdat zij zelf de naam ‘ [eiser 1 alias .] ’ niet als handelsnaam gebruikt.