Gepubliceerd op maandag 8 juni 2026
IEF 23603
Rechtbank Den Haag ||
20 mei 2026
Rechtbank Den Haag 20 mei 2026, IEF 23603; ECLI:NL:RBDHA:2026:12453 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-mand-met-bodem-valt-niet-onder-beschermingsomvang-van-model-van-mand-zonder-bodem-geen-slaafse-nabootsing

Rb. Den Haag: mand met bodem valt niet onder beschermingsomvang van model van mand zonder bodem, geen slaafse nabootsing

Rb. Den Haag 20 mei 2026, IEF 23603; ECLI:NL:RBDHA:2026:12453 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De rechtbank oordeelt dat de door [gedaagde] aangeboden ‘water baskets’ geen inbreuk maken op de Uniemodelrechten en het auteursrecht van [eiseres] op de Drypot‑manden en evenmin een slaafse nabootsing daarvan opleveren. [eiseres] exploiteert sinds 2013 zogenoemde Drypot‑manden: rotan manden zonder gevlochten bodem, gevlochten rond een plastic binnenpot, waarvoor zij diverse ingeschreven Uniemodellen houdt. [gedaagde] brengt vanaf 2022 “water baskets” (Seline, Bridget, Pauline) op de markt: eveneens rotan manden rond een plastic binnenpot, maar dan met een gevlochten rotanbodem. [eiseres] stelt dat deze water baskets inbreuk maken op haar Uniemodelrechten en auteursrechten op de Drypot‑manden en dat bovendien sprake is van slaafse nabootsing (onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW), en vordert brede verbods‑, recall‑, opgave‑ en afgiftemaatregelen, alsmede schadevergoeding. De Uniemodellen van [eiseres] zijn bij het EUIPO in stand gebleven. Nu [gedaagde] geen reconventionele nietigheidsvordering instelt, gaat de rechtbank uit van geldige modellen, maar bepaalt zij de beschermingsomvang in het licht van het vormgevingserfgoed.

 

 

Bij de modelrechtelijke inbreuktoets stelt de rechtbank vast dat de Drypot‑modellen grotendeels gebruikmaken van traditionele elementen uit het vormgevingserfgoed (materiaal rotan, conische vorm, naar binnen vallende bovenrand, vlechttechniek, randen aan boven‑ en onderzijde), zodat de ontwerper een gemiddelde ontwerpvrijheid had maar daarvan in het concrete ontwerp in zeer beperkte mate gebruik heeft gemaakt door grotendeels traditionele elementen te kiezen.Het enige wezenlijk onderscheidende element is het ontbreken van een gevlochten rotanbodem, waardoor de rand van de plastic binnenpot zichtbaar is en een “zwevend effect” ontstaat. De beschermingsomvang van de modellen is daarom gering en beperkt tot manden zonder gevlochten rotanbodem. Omdat de water baskets juist wél een gevlochten rotanbodem hebben, vallen zij buiten die beperkte beschermingsomvang en wekken zij bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk. Van modelinbreuk is daarmee geen sprake. Auteursrechtelijk kwalificeert de rechtbank de Drypot‑manden wél als werk. Ondanks de banale basisvormgeving vormt de keuze om de bodem weg te laten en daardoor de plastic binnenpot zichtbaar te maken een eigen intellectuele schepping van de ontwerper. In de water baskets is deze creatieve kern echter niet overgenomen, omdat zij een conventionele rotanbodem hebben. Er is dus geen auteursrechtinbreuk. Voor slaafse nabootsing geldt dat Drypot‑achtige manden in hun algemene verschijningsvorm standaard zijn en dat het eigen gezicht van de Drypot‑manden opnieuw uitsluitend ligt in het ontbreken van de bodem. Nu de water baskets dat element niet overnemen, is verwarringsgevaar niet te duchten en heeft [gedaagde] niet onrechtmatig gehandeld. Alle vorderingen van [eiseres] worden afgewezen en [eiseres] wordt in de proceskosten van [gedaagde] veroordeeld.

4.21 Partijen verschillen niet van mening over de door [eiseres] aangevoerde kenmerken van de Drypot-Modellen. Evenmin verschillen partijen niet van mening over de vraag of de water baskets van [gedaagde] voldoen aan de kenmerken (i) tot en met (viii) en (x). In zoverre staat daarmee vast dat de Drypot-manden en de water baskets dezelfde algemene indruk wekken bij de geïnformeerde gebruiker. Er bestaat tussen partijen echter ook geen verschil van inzicht over de vraag of de water baskets aan kenmerk (ix) voldoen: dat doen de water baskets niet.

4.37 De manden van beide partijen borduren voort op de traditionele vormentaal van gevlochten rotan-manden. Evenals bij haar verweer tegen de modelrechtelijke vorderingen van [eiseres] heeft [gedaagde] zich erop beroepen dat in haar manden ‘Seline’, ‘Bridget’ en ‘Pauline’ de gebruikelijke rotan-bodem is gevlochten. Dit verweert slaagt. De combinatie van onbeschermde elementen met de voor de hand liggende keuze van een niet-oorspronkelijk vormgegeven rotan-bodem maakt immers dat bij de water baskets slechts sprake is van een combinatie van banale en triviale keuzes, die niet de persoonlijkheid van een maker kunnen weerspiegelen. Zodoende heeft [gedaagde] niet de geïdentificeerde creatieve elementen overgenomen die eigen zijn aan de Drypot-manden, en is er bijgevolg geen sprake van inbreuk op het aan [eiseres] toekomende auteursrecht.

4.44 De Drypot-manden van [eiseres] onderscheiden zich van andere rotan-manden slechts door het ontbreken van een bodem. Zoals al is geconstateerd in het kader van de modelrechtelijke en de auteursrechtelijke beoordeling, hebben de water baskets van [gedaagde] nu juist wel een bodem, zodat verwarring tussen de water baskets en de Drypot-manden niet te vrezen valt. Ook valt niet in te zien hoe [gedaagde] had kunnen kiezen voor een ander materiaal dan rotan, noch ook waarom [gedaagde] een andere vlechtmethode had behoren te kiezen als de gekozen methode een traditionele werkwijze is. Ook de andere door [eiseres] genoemde eigenschappen zijn standaardeigenschappen en -vormen van rotan manden, zodat [gedaagde] daar niet vanaf hoefde te wijken. Uit dit alles volgt dat het beroep op slaafse nabootsing eveneens moet falen.