Gepubliceerd op donderdag 11 juni 2026
IEF 23617
Rechtbank Gelderland ||
6 jun 2026
Rechtbank Gelderland 6 jun 2026, IEF 23617; ECLI:NL:RBGEL:2026:4331 ((de zussen tegen [gedaagden])), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-gelderland-geen-preventief-verbod-op-boek-over-zedenzaak-binnen-gezin

Rb. Gelderland: geen preventief verbod op boek over zedenzaak binnen gezin

Rb. Gelderland 6 juni 2026, IEF nummer; ECLI:NL:RBGEL:2026:4331 (de zussen tegen [gedaagden]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland heeft de vorderingen van de zussen afgewezen, die waren gericht op het voorkomen van de publicatie van een boek dat door een andere zus is geschreven over haar levensverhaal in relatie tot een omvangrijke zedenzaak binnen het gezin. Volgens de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de voorgenomen publicatie onrechtmatig is. Ook de gevorderde inzage in het manuscript wordt afgewezen. Aanleiding voor het geschil vormt een strafzaak waarin de ouders van partijen in eerste aanleg zijn veroordeeld wegens seksueel misbruik en mishandeling van hun dochters. Tegen die veroordelingen loopt nog hoger beroep. Eén van de dochters heeft samen met een journalist een boek geschreven waarin haar ervaringen centraal staan. Kort voor de geplande publicatie startten [eiser 1] en [eiser 2] een kort geding tegen [gedaagden]. De zussen vorderden inzage in het manuscript en een verbod op publicatie totdat het hoger beroep in de strafzaak tegen hun ouders zou zijn afgerond. Volgens hen levert publicatie een ontoelaatbare inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer op en bestaat het risico op psychische schade en hernieuwd slachtofferschap. Daarnaast vrezen zij dat het boek gevolgen kan hebben voor het nog lopende strafproces, bijvoorbeeld doordat getuigenverklaringen worden beïnvloed of aanvullende getuigenverhoren noodzakelijk worden. [gedaagden] beriepen zich op de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van publicatie. Zij voerden aan dat het boek een onderwerp van maatschappelijk belang behandelt, dat gebruik wordt gemaakt van gefingeerde namen en dat geen nieuwe strafrechtelijk relevante informatie of bijzonder privacygevoelige gegevens over [eiser 1] en [eiser 2] worden openbaar gemaakt. Volgens [gedaagden] is een preventief publicatieverbod slechts in uitzonderlijke gevallen toelaatbaar. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een voorafgaand publicatieverbod een zeer ingrijpende beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting, beschermd door artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet. Voor een dergelijke maatregel geldt daarom een hoge drempel.

Daarbij acht de rechtbank van belang dat zij slechts over enkele passages uit het manuscript beschikte. Uit die fragmenten bleek niet dat het boek nieuwe strafrechtelijk relevante feiten bevat of zeer indringende informatie over de zussen openbaar maakt die verder gaat dan wat reeds uit de strafvonnissen en eerdere publiciteit bekend is geworden. De rechtbank wijst er daarbij op dat de reeds gepubliceerde strafvonnissen zelf al uitvoerig ingaan op de gezins- en misbruiksituatie. Bij de afweging tussen het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de zussen en de vrijheid van meningsuiting van [gedaagden] oordeelt de voorzieningenrechter dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat publicatie zal leiden tot een zodanig ernstige en onevenredige aantasting van de privacy of psychische integriteit van [eiser 1] en [eiser 2] dat sprake is van een onrechtmatige publicatie. Dat publicatie mogelijk leidt tot hernieuwde media-aandacht of emotionele belasting acht de rechtbank onvoldoende om een preventief publicatieverbod te rechtvaardigen. Ook het argument van de zussen dat het boek gevolgen zou kunnen hebben voor het nog lopende hoger beroep overtuigt de rechtbank niet. Het risico dat verklaringen worden beïnvloed of dat aanvullende getuigenverhoren noodzakelijk worden, acht de voorzieningenrechter te speculatief en onvoldoende concreet onderbouwd. Dit vormt daarom geen grond voor een verbod op publicatie. De gevorderde inzage in het manuscript wordt eveneens afgewezen. Volgens de rechtbank vormt ook een inzagegebod een inmenging in de publicatievrijheid. Nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat de voorgenomen publicatie onrechtmatig zal zijn, ontbreekt een grondslag voor een dergelijke maatregel. De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen af. Er komt geen inzage in het manuscript, geen voorlopig publicatieverbod en geen dwangsom. De zussen worden veroordeeld in de proceskosten.

4.8. De voorzieningenrechter overweegt dat de zussen daartegen onvoldoende hebben ingebracht waaruit kan worden afgeleid dat sprake zal zijn van een disproportionele schending van hun privacy. De reeds voorafgaand aan deze kortgedingprocedure met de zussen gedeelde fragmenten uit het boek geven daar in ieder geval geen aanwijzingen voor, ook niet ter zake van een specifiek door de advocaten van de zussen aangehaald voorbeeld.4 Voor zover de inhoud van het boek al voor het bredere publiek zou zijn te herleiden naar de zussen, moet worden meegewogen dat in de gepubliceerde vonnissen in de strafzaken van de ouders zeer gedetailleerde en privacygevoelige informatie over de zussen en [gedaagde 3] naar voren is gekomen en de zaak ook in de media veel aandacht heeft gekregen. De vrees van de zussen dat zij, ondanks het gebruik van pseudoniemen, met de personages in het boek in verband zullen worden gebracht en dat met publicatie van het boek alle gebeurtenissen opnieuw worden opgerakeld, is zonder meer voorstelbaar. Maar op basis van wat nu bekend is over de inhoud van het boek kan in dit kort geding niet worden vastgesteld dat publicatie jegens de zussen onrechtmatig is en tot onherstelbare schade zal leiden, zodat dit geen grond oplevert om de vordering tot inzage en/of uitstel van publicatie toe te wijzen. De omstandigheid dat eiseres [eiser 2] ten tijde van dit vonnis nog (net) minderjarig is, kan het voorgaande niet anders maken. Dit levert, zonder nadere toelichting, geen bijzondere omstandigheid op in de hiervoor bedoelde zin.

4.9. Ook de mogelijkheid dat publicatie van het boek leidt tot nieuwe verzoeken om de zussen als getuige te horen in de strafzaken in hoger beroep kan er niet toe leiden dat de publicatie naar verwachting als onrechtmatig moet worden gekwalificeerd. Ter zitting is gebleken dat er al verzoeken tot het opnieuw horen van de zussen (inclusief [gedaagde 3] ) door de verdediging van de ouders zijn of zullen worden gedaan. Dat dit veel impact zal hebben op de zussen begrijpt de voorzieningenrechter, maar niet is gebleken dat juist de inhoud van het boek doorslaggevend zal zijn voor het indienen van dergelijke verzoeken en de toewijzing daarvan door het gerechtshof. Het risico daarop lijkt beperkt nu uit het beschikbaar gestelde voorwoord van het boek blijkt dat het gaat om het verhaal van [gedaagde 3] , dat niet beoogt tot in detail waarheidsgetrouw te zijn, maar vooral tot doel heeft inzicht te geven in de gevaren van gesloten geloofsgemeenschappen en de soms falende hulpverlening en mensen die in vergelijkbare omstandigheden opgroeien tot steun te zijn. Ook de omstandigheid dat er (enig) risico is dat de zussen specifiek naar aanleiding van (publicatie van) het boek zullen worden bevraagd, is, hoe vervelend en mentaal belastend ook, onvoldoende om nu te oordelen dat het aannemelijk is dat de publicatie om die reden jegens de zussen (naar verwachting) onrechtmatig is. Deze omstandigheid is niet zwaarwegend genoeg om de vergaande inbreuk op het recht van vrijheid van meningsuiting van [gedaagden] te rechtvaardigen

4.10.Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er dus geen sprake van de in r.o. 4.4 genoemde zeer uitzonderlijke omstandigheden die vereist zijn voor het vooraf ingrijpen bij een voorgenomen publicatie. Dat betekent dat de vorderingen tot inzage, en daarmee ook de vorderingen tot staking van de verspreiding van vooraankondigingen en opschorting van de publicatie, moeten worden afgewezen. De gevorderde dwangsommen worden daarmee ook afgewezen.