Gepubliceerd op vrijdag 10 februari 2017
IEF 16581
Rechtbank Den Haag ||
8 feb 2017
Rechtbank Den Haag 8 feb 2017, IEF 16581; ((Inashco tegen TU Delft) en (Bakker tegen Inashco)), https://ie-forum.nl/artikelen/schorsing-vanwege-aanhangige-nietigverklaringsvordering-in-vro-procedure

Uitspraak ingezonden door Tjerk Sigterman en Otto Swens, Vondst advocaten.

Schorsing vanwege aanhangige nietigverklaringsvordering in VRO-procedure

Rechtbank Den Haag 8 februari 2017, IEF 16581 (Inashco tegen TU Delft) en (Bakker tegen Inashco) Incident. Schorsing. Bakker en Inashco zijn verwikkeld in een octrooiconflict betreffende EP1800753 B1. Inashco heeft een onthoudingsverklaring ondertekend waarna Bakker een kort geding heeft ingetrokken. Bakker is vervolgens een bodemprocedure gestart tegen Inashco, waarin zij onder meer een verklaring voor recht, schadevergoeding en inzage in inbeslaggenomen stukken vordert. Inashco heeft vervolgens TU Delft in vrijwaring opgeroepen. Intussen is Urban Mining, een derde partij, een VRO-procedure gestart waarin de vernietiging van EP753 wordt gevorderd. Inashco en TU Delft stellen beide een incidentele vordering in waarin de rechtbank vragen de bodemprocedure en de vrijwaringsprocedure te schorsen totdat beslist is in de VRO-procedure. Bakker stelt dat schorsing niet opportuun is, omdat niet zeker is dat het vonnis in de VRO-procedure eerder afkomt dan het vonnis in de bodemprocedure en omdat Inashco ook zelf de geldigheid van EP753 kan betwisten. Subsidiair verzoekt Bakker de rechtbank pas te beslissen over de schorsing na de inhoudelijke behandeling van de bodemprocedure. Meer subsidiair verzoekt Bakker van de bodemprocedure te voegen met de VRO-procedure. TU Delft vordert dat deze zaak wordt geschorst op voet van artikel 83 lid 1 ROW totdat in de VRO-procedure vonnis is gewezen of anders is geëindigd. Vordering wordt toegewezen en de zaak wordt geschorst. Verzoek om schorsing ná inhoudelijke behandeling wordt niet gehonoreerd. De rechtbank schorst de bodemprocedure en wijst het verzoek tot voeging af.

Uit Bakker/Inashco:

4.2. Tussen partijen is niet in geschil dat de beslissing in de VRO-procedure van invloed kan zijn op de beslissing in dit geschil in de zin van artikel $3 lid 3 ROW. Naar het oordeel van de rechtbank zal, gelet op het pleidooirooster, het vonnis in de VRO-procedure waarschijnlijk eerder worden gewezen dan dat het vonnis in de onderhavige zaak gewezen kan worden. Dit mede omdat in de onderhavige procedure, gezien de aard ervan, valt te verwachten dat de rechtbank re- en dupliek zal bepalen. Verder staat tussen partijen vast dat Inashco een onthoudingsverklaring heeft getekend, waardoor ervan moet worden uitgegaan dat momenteel geen inbreukmakend handelen plaatsvindt of dreigt plaats te vinden. Het belang van Bakker bij haar vorderingen heeft met name betrekking op het verkrijgen van inzage in stukken teneinde de omvang van de gestelde inbreuk vast te kunnen stellen. Het belang bij het achteraf kunnen vaststellen van de omvang van een reeds gestaakte inbreuk wordt niet spoedeisend geacht. Dat bij de inzage mogelijk informatie wordt verkregen over voortgezette inbreuk door een derde acht de rechtbank een te speculatief argument. Dit leidt tot de conclusie dat Bakker, alles afwegend, geen bijzonder belang heeft dat zich tegen schorsing verzet.

4.3. Ten aanzien van het subsidiair gevoerde verweer, inhoudende een verzoek tot voeging, oordeelt de rechtbank als volgt. In wezen is sprake van een voegingsincident, ingesteld door Bakker. Het verzoek kan niet worden gehonoreerd omdat de consequentie daarvan is dat de VRO-procedure uit het VRO-regime zou moeten worden gehaald. Bakker heeft geen verklaring van eiseressen in de VRO-procedure overgelegd waaruit blijkt dat die daarmee instemmen. Reeds daarom kan het verzoek niet gehonoreerd worden. Bovendien heefi de door Inashco gevorderde schorsing op grond van artikel 83 lid 3 ROW ook tot gevolg dat er geen tegenstrijdige beslissingen worden gegeven.

4.4. Ook het verzoek om schorsing na inhoudelijke behandeling wordt niet gehonoreerd. Inzet van de VRO-procedure is vernietiging van het octrooi. Als eiseressen in de VRO-procedure daarin slagen, strandt daarmee de hele vordering van Bakker in de onderhavige procedure. Zoals hiervoor overwogen ligt het in de lijn der verwachting dat in deze zaak tot en met dupliek wordt geconcludeerd. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het belang van Bakker bij voortvarende voortzetting van de procedure niet opwegen tegen het belang van Inashco om in dit stadium van de procedure geen proceshandelingen te hoeven verrichten.