Gepubliceerd op maandag 23 maart 2026
IEF 23387
Rechtbank Den Haag ||
12 mrt 2026
Rechtbank Den Haag 12 mrt 2026, IEF 23387; ECLI:NL:RBDHA:2026:5128 (ARDEX tegen ADEX), https://ie-forum.nl/artikelen/vorderingen-van-ardex-tegen-adex-wegens-gestelde-merk-en-handelsnaaminbreuk-en-onrechtmatige-daad-afgewezen

Vorderingen van ARDEX tegen ADEX wegens gestelde merk- en handelsnaaminbreuk en onrechtmatige daad afgewezen

Rb. Den Haag 12 maart 2026, IEF 23387; ECLI:NL:RBDHA:2026:5128 (ARDEX tegen ADEX). In dit kort geding traden ARDEX GmbH en ARDEX Nederland B.V. op tegen ADEX Projecten B.V., ADEX Diensten B.V., ADEX Grondstoffen B.V., ADEX Milieu B.V., ADEX Materieel B.V. en Aannemingen Beheer B.V.. ARDEX stelde dat ADEX door het gebruik van ADEX als teken, handelsnaam en domeinnaam inbreuk maakte op de ARDEX-Uniemerken en het ingeroepen Benelux-/internationale merk, primair op grond van artikel 9 lid 2 sub c UMVo en artikel 2.20 lid 2 sub c BVIE, en subsidiair op grond van artikel 9 lid 2 sub b UMVo en artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE. Daarnaast beriep ARDEX zich op artikel 5 Hnw, artikel 5a Hnw en subsidiair op artikel 6:162 BW. De voorzieningenrechter achtte zich bevoegd en nam spoedeisend belang aan, omdat ARDEX na ontdekking van de naamswijziging van Bnext.nl naar ADEX in het voorjaar van 2025 voldoende voortvarend had gehandeld met een sommatiebrief, een BBIE-procedure en daarna dit kort geding; de eenzijdige onthoudingsverklaring van ADEX Diensten en ADEX Grondstoffen van 12 februari 2026 nam dat spoedeisend belang niet weg, omdat die verklaring niet volledig tegemoetkwam aan wat ARDEX vorderde.

De voorzieningenrechter wees alle vorderingen af. Het beroep op artikel 9 lid 2 sub c UMVo en artikel 2.20 lid 2 sub c BVIE faalde omdat ARDEX niet voorshands aannemelijk had gemaakt dat de ARDEX-merken bekende merken zijn bij een aanmerkelijk deel van het relevante publiek; de overgelegde promotie- en advertentiestukken toonden vooral investeringen, maar niet dat de merken daardoor bekend zijn geworden, terwijl ook de door ARDEX genoemde marktaandelen onvoldoende waren onderbouwd. Het beroep op artikel 9 lid 2 sub b UMVo en artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE faalde omdat ADEX het teken ADEX niet gebruikt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten als waarvoor de ARDEX-merken zijn ingeschreven: ARDEX verkoopt speciale bouwchemische producten, gereedschappen, opleidingen en bouwadviezen, terwijl ADEX zich bezighoudt met sloop-, sanerings- en ontmantelingswerkzaamheden en met de verkoop van menggranulaat en uit sloop afkomstige materialen. Daarom bestond ook geen reëel verwarringsgevaar. Om dezelfde reden strandden ook de beroepen op artikel 5 Hnw en artikel 5a Hnw. De subsidiaire grondslag van onrechtmatige daad slaagde evenmin, omdat die in wezen neerkwam op hetzelfde verwijt en bovendien niet aannemelijk was dat ADEX bewust had aangehaakt bij de bekendheid van de ARDEX-merken. ARDEX werd daarom als verliezende partij op grond van artikel 1019h Rv veroordeeld in de proceskosten van ADEX, begroot op € 18.924, bestaande uit € 18.000 aan advocaatkosten, € 735 griffierecht en € 189 nakosten, vermeerderd met wettelijke rente en eventuele extra nakosten bij betekening.

Merkinbreuk

Sub c

4.6.

Van inbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 aanhef sub c UMVo (en artikel 2.20 lid 2 sub c BVIE) is sprake als het betrokken teken gelijk is aan of overeenstemt met het merk, ongeacht of dit teken wordt gebruikt voor waren of diensten die gelijk zijn aan of overeenstemmen met die waarvoor het merk is ingeschreven, wanneer het een in de Unie (dan wel de Benelux) bekend merk betreft en wanneer door het gebruik van het teken zonder geldige reden ongerechtvaardigd voordeel wordt gehaald uit of afbreuk wordt gedaan aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk.

4.7.

Volgens vaste jurisprudentie is sprake van een bekend merk in de zin van voornoemde artikelen als het merk een zekere mate van bekendheid geniet bij een aanmerkelijk deel van het publiek waarvoor de onder het merk aangeboden waren of diensten bestemd zijn. Bij de beoordeling of aan deze voorwaarde is voldaan, moet rekening worden gehouden met alle relevante feiten van de zaak, in het bijzonder het marktaandeel van het merk, de intensiteit, de geografische reikwijdte en de duur van het gebruik ervan, en de omvang van de investering die de onderneming heeft gedaan in de promotie ervan. Voldoende is dat het merk bekend is bij een aanmerkelijk deel van het desbetreffende publiek in een aanzienlijk deel van het grondgebied, hetgeen in voorkomend geval een gedeelte van één van de Benelux-landen kan zijn.7

4.8.

ARDEX stelt dat de ARDEX-merken bekend zijn bij een aanzienlijk deel van de specifieke beroepsgroep in de Europese Unie/Benelux. Zij heeft daartoe aangevoerd dat ARDEX sinds 1949 in Europa en sinds 1980 in de Benelux investeert in haar waren en diensten onder de ARDEX-merken en daardoor is uitgegroeid tot een wereldmarktleider in hoogwaardige bouwmaterialen en gereedschappen voor de bouw- en renovatiesector. Ter onderbouwing hiervan heeft zij een verklaring van de CFO en managing director van de ARDEX-groep overgelegd waaruit volgt dat ARDEX haar marktaandeel in Europa op ongeveer 5% schat, gebaseerd op gerapporteerde uitgaven voor nieuwbouw en renovatie en een verondersteld aandeel voor speciale bouwchemische producten. ARDEX heeft verder diverse stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij haar merken intensief promoot en daarmee adverteert. In Europa bedraagt het jaarlijkse budget voor promotie € 17 miljoen en in de Benelux ongeveer € 330.00,- per jaar. ARDEX heeft een promotiefilm overgelegd en voorbeelden van reclame-uitingen, promotiemateriaal, advertenties, artikelen, uitingen op haar websites en sociale mediakanalen en beurzen waar zij aan heeft deelgenomen ter promotie van haar producten en diensten.

4.9.

De voorzieningenrechter stelt vast dat uit de overgelegde stukken voornamelijk blijkt dat en welke investeringen ARDEX heeft gedaan ter promotie van haar ARDEX-merken. Daaruit volgt echter niet dat die promotie een dusdanig effect heeft gehad dat de merken bekend zijn geworden bij een aanmerkelijk deel van het publiek waarvoor haar producten en diensten bestemd zijn. Daardoor is naar voorshands oordeel van de voorzieningenrechter, tegenover de betwisting door ADEX, niet aannemelijk geworden dat de ARDEX-merken bekend zijn in de zin van artikel 9 lid 2 sub c UMVo. Daarbij komt dat – voor zover een marktaandeel van 5% is aan te merken als een aanmerkelijk deel van het publiek in een aanzienlijk deel van de Europese Unie – niet met stukken is gestaafd hoe die schatting van 5% (door ARDEX zelf) tot stand is gekomen.

4.10.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat geen sprake is van inbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 sub c UMVo.

Sub b

4.11.

Van inbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 aanhef sub b UMVo (en artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE) is sprake als het betrokken teken gelijk is aan of overeenstemt met het merk en wordt gebruikt met betrekking tot waren of diensten die gelijk zijn aan of overeenstemmen met de waren of diensten waarvoor het merk is ingeschreven, indien daardoor bij het in aanmerking komende publiek van de desbetreffende waren of diensten (directe of indirecte) verwarring kan ontstaan. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van verwarringsgevaar moet in aanmerking worden genomen dat dit globaal dient te worden beoordeeld volgens de indruk die merk en teken bij de gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten achterlaten, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, met name (de onderlinge samenhang tussen) de overeenstemming van het merk en het teken en de soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten. De globale beoordeling van het verwarringsgevaar dient, wat de visuele, de auditieve en de begripsmatige vergelijking tussen het merk en teken betreft, te berusten op de totaalindruk die het merk en het teken wekken bij het relevante publiek, dat bestaat uit de normaal geïnformeerde en redelijk oplettende en omzichtige gemiddelde consument van de betrokken waren of diensten, waarbij in het bijzonder rekening dient te worden gehouden met hun onderscheidende en dominerende bestanddelen. Verder dient rekening te worden gehouden met het onderscheidend vermogen van het merk. Er moet sprake zijn van reëel verwarringsgevaar bij de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument van de betrokken waren of diensten. Een zekere mate van overeenstemming en een zekere mate van (soort)gelijkheid zijn daarbij cumulatieve voorwaarden.8

4.12.

De voorzieningenrechter overweegt dat - nog afgezien van de beoordeling in hoeverre het teken ADEX gelijk is aan of overeenstemt met de ARDEX-merken - een beroep op merkinbreuk ‘sub b’ naar voorshands oordeel al niet slaagt, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat ADEX het teken gebruikt voor dezelfde dan wel soortgelijke waren en diensten als waarvoor de ARDEX-merken zijn ingeschreven. ARDEX heeft een beroep gedaan op overeenstemmend gebruik voor waren in:

-

klasse 7 (egalisatiemachines; roerwerken; mortelpompen; snijschijven. messen en bladen voor elektrisch handgereedschap; stofzuigers voor gebruik bij de verwerking van bouwchemische producten),

-

klasse 19 (kant-en-klare bouwstoffen voor verwerking, die fijndelige bindmiddelen in de vorm van cement en/of gips bevatten)

en diensten in:

- klasse 42 (bouwadviezen met betrekking tot het gebruik van kant-en-klare bouwstoffen voor uiteenlopende doeleinden).

4.13.

Gebleken is echter dat ADEX het teken niet voor deze of soortgelijke waren en diensten gebruikt. ADEX houdt zich voornamelijk bezig met het uitvoeren van sloop- en saneringsprojecten, welke diensten niet zijn aan te merken als de bouwadviezen in klasse 42 waarvoor de ARDEX-merken zijn ingeschreven. De enige producten die ADEX levert, zijn het menggranulaat uit de puinbreker en de gebruikte materialen die vrijkomen bij sloopprojecten, die ADEX Grondstoffen eventueel bewerkt / opknapt en verkoopt om te worden hergebruikt. Deze producten zijn niet hetzelfde als of soortgelijk aan de machines/gereedschappen in klasse 7 of de kant-en-klare bouwstoffen in klasse 19 waarvoor de ARDEX-merken zijn ingeschreven. Dat beide partijen werkzaam zijn in de bouwsector – een sector waarin steeds meer aandacht is voor circulair bouwen, waarbij materialen die vrijkomen bij de sloop worden hergebruikt bij de bouw/renovatie – maakt dit niet anders. Bij het in aanmerking te nemen publiek - ook als wordt uitgegaan van professionele partijen binnen de bouwsector die zich richten op zowel sloop als nieuwbouw - bestaat geen gevaar voor verwarring, omdat ADEX een sloopbedrijf is dat zich met geheel andere activiteiten bezighoudt dan het verkopen van speciale bouwchemische producten zoals vloer- en tegellijm, mortel, cement en kit, die vooral in de afwerking worden gebruikt.

4.14.

Gelet hierop is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat ook geen sprake is van inbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 sub b UMVo.