Gepubliceerd op maandag 5 januari 2026
IEF 23187
Rechtbank Den Haag ||
11 dec 2025
Rechtbank Den Haag 11 dec 2025, IEF 23187; ECLI:NL:RBDHA:2025:23583 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/art-1019i-rv-verval-voorlopige-voorzieningen-tast-proceskostenveroordeling-niet-aan

Art. 1019i Rv: verval voorlopige voorzieningen tast proceskostenveroordeling niet aan

Rb. Den Haag 11 december 2025, IEF 23187; ECLI:NL:RBDHA:2025:23583 ([eiser] tegen [gedaagde]). In dit kort geding stond een executiegeschil centraal naar aanleiding van een IE-kortgedingvonnis uit 2017. In dat eerdere vonnis waren voorlopige voorzieningen (verboden wegens auteurs- en handelsnaaminbreuk) opgelegd én was [eiser] veroordeeld tot betaling van proceskosten. Vast stond dat [eiser] geen bodemprocedure had gestart binnen de door de voorzieningenrechter gestelde termijn en dat vervolgens een verklaring ex art. 1019i Rv bij de griffie was ingediend. [eiser] stelde dat hierdoor niet alleen de voorlopige voorzieningen, maar ook de proceskostenveroordeling hun kracht hadden verloren, zodat de latere executie (inclusief beslag op zijn woning) onrechtmatig was. Daarnaast voerde hij aan dat sprake was van misbruik van bevoegdheid en subsidiair van (gedeeltelijke) verjaring van wettelijke rente.

De kantonrechter wijst alle vorderingen af. Op grond van art. 1019i Rv verliezen bij het uitblijven van een bodemprocedure uitsluitend de voorlopige voorzieningen hun werking; de proceskostenveroordeling blijft volledig in stand zolang het vonnis niet is vernietigd. Executie daarvan is dus toegestaan. Van misbruik van bevoegdheid is geen sprake: [gedaagde] heeft een geldige titel en een rechtens te respecteren belang bij executie, en er is geen noodsituatie of oneigenlijk doel aangetoond. Ten aanzien van de rente geldt dat [gedaagde] zijn aanspraak al had beperkt tot rente vanaf 15 december 2018, zodat [eiser] geen belang meer had bij zijn subsidiaire vordering. [eiser] wordt veroordeeld in de proceskosten ex art. 1019h Rv, begroot op € 6.000.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat wanneer de eis in de hoofdzaak niet binnen de gestelde termijn is ingesteld en verklaring is gedaan, slechts de voorlopige voorzieningen bedoeld in artikel 1019i Rv hun kracht verliezen. Dat zijn in dit geval de op aan [gedaagde] toekomende auteursrechten en handelsnaamrechten uitgesproken verboden. Uit artikel 1019i Rv volgt niet dat een proceskostenveroordeling in een vonnis waarvan de voorlopige voorzieningen hun kracht hebben verloren daarmee ook komt te vervallen. Zolang het vonnis van 29 augustus 2017 ten aanzien van de proceskostenveroordeling niet wordt vernietigd, blijft de proceskostenveroordeling in dit vonnis in stand en is [gedaagde] gerechtigd over te gaan tot executie van deze veroordeling.