Gepubliceerd op maandag 29 juni 2026
IEF 23651
Rechtbank Den Haag ||
19 jun 2026,
Rechtbank Den Haag 19 jun 2026,, IEF 23651; ECLI:NL:RBDHA:2026:16620 ((Cobefa tegen [gedaagde])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-inbreuk-op-model-en-auteursrechten-cobefa-grasbetonplaten

Geen inbreuk op model- en auteursrechten Cobefa-grasbetonplaten

Rb. Den Haag 19 juni 2026, IEF 23651; ECLI:NL:RBDHA:2026:16620 (Cobefa tegen [gedaagde]). In deze zaak oordeelt de voorzieningenrechter dat er geen sprake is van inbreuk op de model- en auteursrechten van de grasbetonplaten van Cobefa en evenmin slaafse nabootsing. Zowel Cobefa als [gedaagde] zijn producent van betonproducten, waaronder grasbetonplaten. Cobefa houdt verscheidene Uniemodelregistraties voor de grasbetonplaten. Na een sommatiebrief van Cobefa richting [gedaagde] hebben partijen nader overlegd, maar dit heeft niet tot een oplossing geleid. [gedaagde] heeft vervolgens de verkoop niet gestaakt. Cobefa vordert een verbod op inbreuk op haar model- en auteursrechten op de Cobefa-grasbetonplaten en een verbod op slaafse nabootsing, met nevenvorderingen en een dwangsom. Volgens Cobefa maakt [gedaagde] met de verhandeling van de [modelnaam] inbreuk op haar modelrechten, omdat het product bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt dan de Cobefa-modellen. Daarnaast stelt Cobefa dat de grasbetonplaten auteursrechtelijk beschermde werken zijn en dat de creatieve elementen daarvan herkenbaar zijn overgenomen in de [modelnaam]. Ook zou [gedaagde] onrechtmatig handelen door de Cobefa-grasbetonplaten slaafs na te bootsen. [gedaagde] betwist de gestelde inbreuken en voert aan dat de Cobefa-modellen nietig zijn wegens gebrek aan nieuwheid en eigen karakter en omdat de vormgeving technisch bepaald is. Volgens [gedaagde] wekt de [modelnaam] bovendien een andere algemene indruk. Ook is volgens [gedaagde] geen sprake van auteursrechtinbreuk, omdat Cobefa geen auteursrechthebbende zou zijn en de grasbetonplaten geen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. Voor zover wel sprake is van auteursrechtelijke bescherming, zijn de creatieve elementen niet herkenbaar overgenomen. Verder betwist [gedaagde] dat sprake is van slaafse nabootsing en voert zij aan dat de slaafse nabootsingsleer in strijd is met Europees recht.

De voorzieningenrechter acht zich bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen. Voor de modelrechtelijke vorderingen volgt de bevoegdheid uit de Uniemodellenverordening, omdat [gedaagde] in Nederland is gevestigd. Voor de auteursrechtelijke en onrechtmatige-daadgrondslag volgt de internationale bevoegdheid uit Brussel I bis en de relatieve bevoegdheid uit art. 102 Rv. Ook het spoedeisend belang is gegeven, nu Cobefa stelt dat de inbreuk op haar IE-rechten voortduurt. De vorderingen worden inhoudelijk afgewezen. De voorzieningenrechter laat de geldigheid van de Cobefa-modellen in het midden, omdat ook bij geldigheid geen sprake is van modelrechtinbreuk. De geïnformeerde gebruiker wordt aangemerkt als een bouwprofessional, zoals een architect of projectontwikkelaar, die bekend is met grasbetonplaten en aandacht heeft voor details. Uit het vormgevingserfgoed blijkt dat rechthoekige grasbetonplaten met vierkante openingen al bestonden. Het onderscheidende element van de Cobefa-modellen ligt vooral in het patroon waarbij open en dichte vlakken elkaar afwisselen. De beschermingsomvang strekt echter niet tot alle grasbetonplaten met zo’n afwisselend patroon. De [modelnaam] wijkt volgens de voorzieningenrechter voldoende af, onder meer doordat deze minder openingen heeft, meer beton toont, een andere vlakverdeling kent en een symmetrisch patroon heeft. Daardoor wekt de [modelnaam] bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk. Ook de auteursrechtelijke grondslag slaagt niet. De voorzieningenrechter laat in het midden of Cobefa auteursrechthebbende is en of de grasbetonplaten auteursrechtelijk beschermde werken zijn. Zelfs als daarvan wordt uitgegaan, zijn de gestelde creatieve elementen niet herkenbaar overgenomen. Het enkele volgen van dezelfde trend, namelijk een grasbetonplaat met afwisselend open en dichte vlakken, is onvoldoende voor auteursrechtinbreuk. De verschillen die bij het modelrecht zijn vastgesteld, maken ook hier dat geen sprake is van overname van een concreet identificeerbaar creatief element. Van slaafse nabootsing is evenmin sprake. De voorzieningenrechter laat het verweer dat de slaafse nabootsingsleer in strijd is met Europees recht onbesproken, omdat [gedaagde] met de [modelnaam] voldoende afstand heeft gehouden tot de vormgeving van de Cobefa-grasbetonplaten. Daardoor is geen verwarringsgevaar te duchten. Cobefa wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde]. De kosten worden begroot op € 19.218,25, bestaande uit een vergoeding voor het IE-deel op basis van art. 1019h Rv, een vergoeding voor het niet-IE-deel volgens het liquidatietarief, griffierecht en nakosten.

5.4. [gedaagde] heeft als meest verstrekkend verweer tegen de gestelde modelrechtinbreuk betoogd dat de Cobefa-modellen niet geldig zijn. Dit verweer kan in dit kort geding onbesproken blijven, omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat, indien en voor zover de modellen geldig zijn, [gedaagde] daarop geen inbreuk maakt.

5.18. Voor de beoordeling van de vraag of de [modelnaam] inbreuk maakt op de auteursrechten van Cobefa op de Cobefa-grasbetonplaten geldt – anders dan bij het modelrecht waarbij de vergelijking wordt gemaakt met (de afbeeldingen van) het model zoals dat is ingeschreven – dat de vergelijking moet worden gemaakt tussen de [modelnaam] en de Cobefa-grasbetonplaten zoals die door Cobefa op de markt zijn gebracht (de uitvoeringsvorm). Door partijen is echter niet betoogd, en het is de voorzieningenrechter ook niet gebleken, dat er een verschil is tussen de op de markt gebrachte exemplaren van de Cobefa-grasbetonplaten en de afbeeldingen van de Cobefa-modellen zoals die zijn ingeschreven. In dit geval zullen daarom de afbeeldingen uit de modelinschrijvingen en niet de uitvoeringsvormen van de Cobefa-grasbetonplaten worden vergeleken met de aangeboden [modelnaam]-grasbetonplaten.

5.21. Cobefa heeft als meest verstrekkende verweer tegen de gestelde slaafse nabootsing aangevoerd dat de slaafse nabootsingsleer in strijd is met Europees recht, zodat aan een oordeel dat sprake is van slaafse nabootsing geen rechtsgevolg worden gegeven. Ook dit verweer kan onbesproken blijven, omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat, indien en voor zover Cobefa wel een beroep kan doen op de slaafse nabootsingsleer, van onrechtmatig slaafs nabootsen geen sprake is.