DOSSIERS
Alle dossiers

Rechtspraak  

IEF 1746

uitgepootte aardappelknollen

Rechtbank ’s-Gravenhage, 7 maart 2006, KG ZA 06-158. Saatzucht Firlbeck GmbH & Co tegen Stet Holland. Kwekersrecht, licenties, Duits recht.

Firlbeck is houdster van het communautaire kwekersrecht dat is verleend voor het door haar ontwikkelde aardappelras Exquisa. Stet drijft een onderneming die zich o.a. bezig houdt met de vermeerdering van pootaardappelen en de handel in poot- en consumptieaardappelen, waaronder (poot)aardappelen van het ras Exquisa. (Exquisa vertoont de bijzonderheid dat één knol circa 20 nieuwe knollen van doorgaans klein formaat (kriel) zal opleveren).

Firlbeck en Stet hebben in 1998 een Vertrag für Kartoffelsorte Exquisa gesloten. Partijen zijn het erover eens dat de overeenkomst als gevolge van de daarin opgenomen rechtskeuze wordt beheerst door Duits recht.

De vorderingen van Firlbeck berusten alle op de vooronderstelling dat Stet inbreuk maakt op het kwekersrecht van Firlbeck omdat zij na de opzegging van de overeenkomst geen licentie meer heeft en haar ook uit hoofde van de uitloopregeling geen gebruiksrecht meer toekomt.  In correspondentie en ook in verband met dit kort geding hebben partijen hoofdzakelijk gediscussieerd vanuit de optiek van het kwekersrecht.

Beide partijen beroepen zich ieder voor zich op de door hen overgelegde opinie van een Duitse autoriteit op het gebied van kwekersrecht dan wel Patentrecht of IE recht in het algemeen. Uit de overgelegde opinies kan de voorzieningenrechter evenwel geen andere conclusie trekken dan dat een Duitse rechter zich nog niet eerder heeft gebogen over de vraag van uitleg van een uitloopbepaling van de overeenkomst.

Voorshands is de voorzieningenrechter van oordeel dat de overeenkomst qua uitvoering en uitleg met name beoordeeld moet worden aan de hand van de regels die in Duitsland gelden in het algemene contractenrecht en in het bijzonder het recht betreffende duurovereenkomsten zoals distributieovereenkomsten. De overeenkomst in dit geding heeft immers voor alles de kenmerken van een exclusieve distributie overeenkomst, vergelijk artikel 1 betreffende het doel van de overeenkomst. Opmerkelijk is ook dat de bepaling omtrent de duur van de overeenkomst de Vertretung betreft, niet de duur van de licentie. 

Ter zitting is besproken dat niet aannemelijk is dat het Duitse recht betreffende de uitleg van overeenkomsten wezenlijk afwijkt van het Nederlandse recht. Met betrekking tot de wijze waarop distributie overeenkomsten worden uitgevoerd en met name onder welke voorwaarden zij kunnen worden beëindigd lijkt dit evenwel anders te zijn.

Kort gezegd heeft naar Duits recht de distributeur, zonodig tegen andersluidende afspraken in de overeenkomst in, recht op vergoeding van zijn investeringen. De Duitse rechtspraak zoekt hier wegen analoog aan de regelgeving voor de agent. In de Duitse rechtspraak wordt het recht van de distributeur gerealiseerd ofwel door een langere beëindigingtermijn dan overeengekomen ofwel door betaling van een passende vergoeding, dan wel mengvormen hiervan.

Naar de kern genomen stelt Stet dat de overeenkomst, met name de uitloopregeling opgenomen in de overeenkomst, moet worden uitgelegd op een wijze waardoor zij de kans krijgt haar investeringen terug te verdienen.  Volgens Stet brengt de uitloopregeling met zich mee dat zij gerechtigd is ook na 31 december 2005 vermeerderingshandelingen te blijven verrichten, met de oogst die ten tijde van de opzegging te velde stond. De uitloopregeling komt dan ten einde op het moment dat dit pootgoed, dat zij in het laatste contractsjaar heeft geproduceerd, alle gebruikelijke vermeerderingsstadia heeft doorlopen en als gecertificeerd Z materiaal op de markt kan worden gebracht.   

Volgens Firlbeck biedt de uitloopregeling Stet de mogelijkheid na de beeindiging van de overeenkomst om vermeerderingshandelingen die ten tijde van de beëindiging reeds waren aangevangen, af te maken en de oogst daarvan te verkopen. Zij biedt daarom aan van Stet het beschikbare pootgoed over te nemen. Dit met de bedoeling deze hoeveelheid door te leveren aan de licentienemer die Stet zal opvolgen. 

Alles te zamen genomen is naar voorlopig oordeel de kans dat de overeenkomst moet worden afgewikkeld en beëindigd op de door Firlbeck voorgestelde wijze niet zeer groot te achten. De voorzieningenrechter weegt mee hetgeen hierboven is overwogen met betrekking tot de geldigheid van de opzegging voor de groep landen waartoe Frankrijk behoort. Er lijkt dan ook een gerede kans te zijn dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat de licentie van Stet niet is vervallen of dat deze voortduurt in de beperkte vorm van een uitloopregeling. Onder die omstandigheden dienen de vorderingen van Firlbeck alle te worden afgewezen.  

Lees het vonnis hier.

IEF 1640

Vooraf meer helderheid

Rechtbank ’s-Gravenhage, 15 februari 2006, KG 06/34. Novacap Agricola B.V. tegen Holland Bolroy Markt B.V. (Met dank aan mr. P.E. Mazel, Trip Advocaten)
       
Kwekersrecht. Executoriale en conservatoire beslagen (o.a. op tulpenbollen). Executiegeschil over de naleving van vonnis en verbeuren van dwangsommen. Heel kort: “HBM is als kwekers- en of merkengerechtigde de eerst aangewezen partij om in het kader van verificatie van aanspraken op betaling van royalty’s door Novacap ook aan Novacap op te geven om welke kwekers- en of merkenrechten het volgens haar gaat. Ter bevordering van een voortvarend en doelmatig boekenonderzoek en de op zichzelf gerede wens van Novacap een ‘fishing expedition’ te voorkomen, had het op de weg gelegen van HBM om vooraf meer helderheid te verschaffen.” Lees het vonnis hier.

IEF 1158

Eerst even voor jezelf lezen

Rechtbank ’s-Gravenhage, 4 november 2005, zaaknr. 250760. Triflor B.V. tegen Novacap Agricola B.V. Kwekersrecht, o.a. betreffende het toepasselijke tulpenras 'Alibi.'

"Waar het immers om gaat is of Triflor kan worden verondersteld toestemming te hebben gegeven voor de vermeerdering van de betreffende tulpenbollen. Dat is naar voorlopig oordeel niet het geval. Het is duidelijk dat Triflor die toestemming slechts heeft bedoeld te verlenen indien de betreffende afnemer/kweker voor de vermeerdering een licentiecontract sluit onder betaling van een licentievergoeding. In gelijke zin ware ook art. 16 onder a VCK op te vatten. Hiermee is evenwel nog niet alles gezegd." Lees het vonnis hier.

IEF 1023

Sturende vragen

Met dank aan De Brauw Blackstone Westbroek: Rechtbank Amsterdam, 6 oktober, KG 05-1716 SR. Tele2 tegen KPN Telecom. Nog een vergelijkende-telecomreclamezaak (zie hieronder KPN-Pretium), met het verschil dat dit kort geding wel een vrij duidelijke winnaar heeft.

Het is niet de eerste keer dat partijen onenigheid hebben over de correcte beantwoording van de vraag wat wel en niet mag in vergelijkende reclame. Deze keer is het Tele2 die bezwaar maakt, en wel tegen dagbladadvertenties en 1 op 1 reclame waarin KPN aanbood om een bel-analyse te doen om zo het voor de consument meest voordelige belpakket samen te stellen. Het voornaamste bezwaar van Tele2 tegen de campagne was dat KPN zou suggereren dat zij een analyse in vergelijking met andere aanbieders zou maken.

Ter onderbouwing van haar stellingen heeft Tele2 een uitgebreid marktonderzoek overgelegd. De Voorzieningenrechter overweegt echter dat de verweren van KPN dat de opzet en verslaglegging van dit onderzoek onbetrouwbaar zijn en de vragen sturend, niet zonder meer kunnen worden gepasseerd en dat daarom een nader onderzoek naar de feiten nodig is, waarvoor het kort geding zich niet leent. Tele2 maakte verder bezwaar tegen de verwijzing in de dagbladadvertenties naar een vergelijkend onderzoek van de Consumentenbond. Volgens de Voorzieningrechter was deze verwijzing niet onjuist en ook niet onvolledig omdat KPN de bron van het onderzoek had vermeld en de mededelingen voor de consument dus controleerbaar waren. Lees vonnis hier.

IEF 686

sneeuwwitje vrijgesproken

Rechtbank 's-Gravenhage, 13 juli 2005, zknr. 198763, Astée tegen Danziger. Tjeerd Overdijk van Steinhauser Hoogenraad bericht over deze Nederlandse Wereldprimeur:  

 "Voorzover bekend het eerste vonnis ter wereld (van een bodemrechter) over het afgeleide ras begrip ('Essentially Derived Variety' (EDV)) dat in de jaren '90 in de relevante kwekersrechtelijke wetgeving is opgenomen (1991 in UPOV-verdrag; 1994 in de Verordening op het Communautair Kwekersrecht; 1999 in de Nederlandse ZPW).

In deze zaak werd geoordeeld dat het nieuwe ras van de (beweerdelijke) inbreukmaker niet als een EDV kon worden beschouwd. In deze zaak hecht de rechtbank voor haar beslissing groot belang aan de aanzienlijke verschillen in uiterlijke kenmerken en laat de rechtbank in het midden welk belang kan worden gehecht aan de (gestelde) aanzienlijke genetische conformiteit tussen eisend en aangevallen ras." Lees hier het vonnis (Spaanse versie hier).