Afwijzing inzageverzoek na IE-bewijsbeslag in kwekersrechtzaak
Rb. Den Haag 18 maart 2026, IEF 23470; ECLI:NL:RBDHA:2026:8966 ([verzoekster] tegen gerekwestreerden). In deze eindbeschikking wijst de Rechtbank Den Haag een verzoek af tot inzage in bescheiden waarop eerder IE-bewijsbeslag was gelegd in een geschil over kwekersrecht. In de tussenbeschikking van 1 december 2025 had de rechtbank het oorspronkelijke verzoek te ruim geacht en verzoekster opgedragen haar verzoek te beperken tot concreet omschreven gegevens over de 750.000 bollen die in 2022 door [verweerders sub 1] waren verhandeld, met vermelding van van welke partij of partijen zij die gegevens wenste te verkrijgen. Verzoekster heeft vervolgens geen aangepast verzoekschrift ingediend, maar zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank van een onjuiste maatstaf was uitgegaan: volgens haar geldt onder het nieuwe bewijsrecht niet langer de specifieke IE-maatstaf dat aannemelijk moet zijn dat sprake is van een (dreigende) inbreuk op een IE-recht, maar slechts dat zij voldoende belang heeft bij de gevraagde inzage. Ook betoogde zij dat de licentieovereenkomst en de afstandsverklaring een zelfstandig contractueel controle- en inzagerecht boden. De rechtbank vat dit op als een verzoek om terug te komen van bindende eindbeslissingen uit de tussenbeschikking, maar wijst dat af. Zij overweegt dat van heroverweging alleen plaats is indien de eerdere beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, en daarvan is hier geen sprake. Onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis bevestigt de rechtbank dat het nieuwe bewijsrecht voor IE-zaken geen lagere drempel heeft ingevoerd.