Gerecht bevestigt weigering van Pol’s FREEZE FRESH wegens reputatie van PAUL
Gerecht EU 4 maart 2026, IEF 23321; IEFbe 4115; ECLI:EU:T:2026:169 (Pols Erm Tarim Anonim Sirketi tegen EUIPO en Holder SAS). Het Gerecht heeft het beroep van Pols Erm Tarim Anonim Sirketi volledig verworpen en daarmee in stand gelaten dat het Uniemerk Pol’s FREEZE FRESH voor het grootste deel van de betrokken waren niet kan worden ingeschreven. Het geschil draaide uiteindelijk niet om verwarringsgevaar in de zin van artikel 8, lid 1, onder b, UMVo, maar om de ruimere reputatiebescherming van artikel 8, lid 5, UMVo. Alleen voor “live animals, organisms for breeding” in klasse 31 had de kamer van beroep de oppositie al afgewezen; voor de overige waren in de klassen 29, 30, 31 en 32 bleef de oppositie dus overeind. Het Gerecht oordeelde bovendien dat het niet bevoegd is EUIPO op te dragen de oppositie opnieuw te onderzoeken. Voor de inhoudelijke beoordeling nam het Gerecht alleen het oudere merk PAUL depuis 1889 als uitgangspunt, omdat de reputatie van PAUL LE CAFE niet was aangetoond. Volgens het Gerecht heeft PAUL in het oudere merk een normaal onderscheidend vermogen, terwijl “freeze fresh” voor de betrokken levensmiddelen en dranken beschrijvend of niet-onderscheidend is en “pol’s” het meest onderscheidende element van het aangevraagde merk vormt.
Artikel geschreven door Christopher Cats, Holla.
Waar eindigt de mens en begint de machine?
Christopher Cats, 3 maart 2026.
In deze zaak kreeg het Amtsgericht München de vraag voorgelegd hoe auteursrechtelijke bescherming moet worden toegepast op AI‑gegenereerde content. Waar mijn collega Luuk Jonker eerder schreef over AI‑gegenereerde songteksten, richt deze nieuwe zaak zich op iets visueels: drie door AI gemaakte logo’s.
De grens tussen mens en machine
Het Amtsgericht München oordeelde op 13 februari 2026 dat deze logo’s géén auteursrechtelijke bescherming genieten. Interessant is vooral hoe het Amtsgericht München een grens probeert te trekken tussen “handwerk van de mens” en “output van een model”, en hoeveel prompting (lees: instructies aan het AI-model) nodig is om überhaupt over een werk in auteursrechtelijke zin te kunnen spreken.
De zaak
Eiser maakte drie logo’s met behulp van generatieve AI, namelijk:
- een handdruk tussen twee personen met verschillende huidskleuren en een rinkelende bel;
- een envelop voor een gebouw met zuilen;
- een laptop met een boek en paragraafteken dat voor het scherm zweeft.
Eiser werkte met zowel eenvoudige als zeer gedetailleerde prompts en schaafde de gegenereerde resultaten verder bij via meerdere ‘iteraties’ (opeenvolgende rondes waarin hij de AI telkens nieuwe aanwijzingen gaf om de afbeelding stapsgewijs aan te passen). De logo’s gebruikte hij op zijn eigen website. De gedaagde, een bekende van eiser gebruikte dezelfde beelden op zijn eigen website met een (vermeende) auteursrechtelijke inbreuk als gevolg. Eiser stelt immers dat híj de maker was van drie auteursrechtelijk beschermde logo’s.
Het Amtsgericht München begint bij de basis: om auteursrechtelijke bescherming te krijgen, moet er sprake zijn van een eigen intellectuele schepping waarin de persoonlijke creatieve keuzes van een mens tot uitdrukking komen. Dat criterium is helder wanneer een mens met pen, penseel of camera iets creëert, maar wordt diffuus zodra AI tussen maker en resultaat komt te staan.
Precies daar ontstaat de kern van de discussie bij AI‑gegenereerde output: waar eindigt de autonomie van het model en waar begint de creatieve invloed van de mens?
Bij traditionele werken kan die creatieve invloed relatief eenvoudig worden herleid tot individuele keuzes. Volgens het Amtsgericht München moet bij AI‑output worden onderzocht of en in welke mate menselijke creatieve keuzes nog waarneembaar zijn terug te vinden in het uiteindelijke resultaat, ondanks het feit dat de feitelijke vormgeving door een autonoom systeem wordt gegenereerd. Het Amtsgericht München gebruikt dit uitgangspunt om scherp te kijken naar de rol van prompting. Prompts kunnen richting geven, maar zijn pas relevant voor het auteursrecht wanneer ze daadwerkelijk creatieve beslissingen afdwingen die zichtbaar doorwerken in de output. Zodra de AI zelf de inhoudelijke vormgeving bepaalt blijft de creatieve schepping in essentie autonoom aan het model, en ontbreekt de menselijke “stempel” die het auteursrecht vereist.
Hof: registratie in EVR en Incidentenregister mocht niet in stand blijven
Hof Amsterdam 17 februari 2026, IEF 23318; ECLI:NL:GHAMS:2026:459 (Zilveren Kruis tegen [geïntimeerden]). Het Gerechtshof Amsterdam bekrachtigt de beschikking van de rechtbank dat Zilveren Kruis de persoonsgegevens van een zorgaanbieder en haar bestuurder moet verwijderen uit het Incidentenregister en het Externe Verwijzingsregister (EVR). Zilveren Kruis had hen wegens vermeende fraude met pgb-zorgdeclaraties voor acht jaar geregistreerd, maar het hof oordeelt dat de aangevoerde feiten en omstandigheden daarvoor onvoldoende zwaarwegend zijn. Voor opname van strafrechtelijke persoonsgegevens in deze registers is meer nodig dan een redelijk vermoeden van schuld: de beschikbare gegevens moeten een zwaardere verdenking opleveren die een bewezenverklaring van bijvoorbeeld valsheid in geschrift of oplichting redelijkerwijs kan dragen. Aan die maatstaf is hier niet voldaan. De verklaringen van budgethouders waren daarvoor te wisselend en onvoldoende betrouwbaar, mede omdat het ging om kwetsbare personen en nader objectief onderzoek grotendeels uitbleef. Ook andere door Zilveren Kruis genoemde onregelmatigheden in overeenkomsten, declaraties en administratie leveren volgens het hof onvoldoende bewijs van fraude op.
Rechtbank: JPS moet thuiskopievergoeding betalen en volledige opgave doen
Rb. Den Haag 18 februari 2026, IEF 23317; ECLI:NL:RBDHA:2026:3246 (Thuiskopie tegen JPS). De Rechtbank Den Haag oordeelt dat Just Phone Sales (JPS) de volledige door Stichting de Thuiskopie gevorderde thuiskopievergoeding over 2019 tot en met 2024 moet betalen, in totaal € 346.555,30. Op grond van de artikelen 16c, 16f en 16ga Auteurswet is een importeur of verkoper van vergoedingsplichtige voorwerpen gehouden om opgave te doen en de verschuldigde vergoeding af te dragen. JPS erkende in beginsel dat zij onder die regeling viel, maar stelde dat een deel van de betalingsplicht was vervallen door export van geïmporteerde producten, dat zij recht had op restitutie voor in Nederland ingekochte en daarna uitgevoerde producten, en dat voor refurbished voorwerpen een lager tarief gold. De rechtbank verwerpt die verweren, omdat JPS onvoldoende heeft bewezen dat de gestelde exporten daadwerkelijk hebben plaatsgevonden, dat die exporten deugdelijk aan importen of inkopen konden worden gekoppeld, en dat over de betrokken producten al thuiskopievergoeding was betaald. Ook het beroep op een lager refurbished-tarief is onvoldoende onderbouwd. De wettelijke rente wordt wel pas toegewezen vanaf de vervaldata van de facturen, omdat de betalingsverplichting wel bij invoer ontstaat, maar pas na opgave, facturering en het verstrijken van de betaaltermijn opeisbaar wordt.
Billijke compensatie: mogen uitgevers meedelen in thuiskopie‑ en leenrechtvergoedingen?
Conclusie A-G 26 februari 2026, IEF 23315; ECLI:EU:C:2026:123 (Verwertungsgesellschaft Wort (VG Wort) tegen TL). De zaak draait om de Duitse collectieve beheersorganisatie VG Wort, die vergoedingen int voor auteursrechtelijke en naburige rechten en deze uitkeert aan auteurs en andere rechthebbenden. Twee auteurs (TL en OS) zijn lid van VG Wort, hebben hun werken bij VG Wort aangemeld en jarenlang uitkeringen ontvangen; zij betwisten echter de interne verdeelsleutel, met name dat een deel van de geïnde vergoedingen niet rechtstreeks ten goede komt aan auteurs maar wordt gereserveerd voor andere doeleinden of voor andere rechthebbendencategorieën (zoals uitgevers) en voeren aan dat dit in strijd is met Unierechtelijke regels over de compensatie voor de thuiskopie‑ en leenrechtexcepties. In de nationale procedure vorderen zij dat de door VG Wort toegepaste verdeling en inhoudingen ongeldig worden verklaard en dat de hen toekomende vergoedingen volledig, zonder dergelijke inhoudingen of afvloeiing naar andere groepen, aan hen worden uitgekeerd. De Duitse Bundesgerichtshof twijfelt of het Unierecht toelaat dat een CBO de door de richtlijnen 2001/29 en 2006/115 vereiste compensatie/vergoeding niet volledig uitkeert aan de auteurs zelf maar (i) deels toewijst aan andere categorieën rechthebbenden (zoals uitgevers) en/of (ii) een deel reserveert of aanwendt voor bijvoorbeeld sociaal‑culturele of promotionele activiteiten, en legt daarom prejudiciële vragen voor over de uitlegging van onder meer artikel 2, lid 2, en artikel 5, lid 2, onder b, van richtlijn 2001/29, artikel 6 van richtlijn 2006/115 en artikel 4 en 12 van richtlijn 2014/26 (collectief beheer).
Uitnodiging: Oranjeborrel INTA – Londen
De INTA is niet compleet zonder de inmiddels legendarische Oranjeborrel. Dit jaar strijken we neer in de Marlborough Arms om bij te praten, te lachen, nieuwe connecties te leggen en oude verhalen op te halen. Gewoon zoals het hoort: in een goede pub, met een gevuld glas in de hand.
Datum: 2 mei
Tijd: 17:00 uur – 21:00 uur
Locatie: Marlborough Arms, 36 Torrington Place, Bloomsbury
Er is één vereiste voor toegang: een Nederlands paspoort.
Meld je aan via oranjeborrel@epc.nl. Neem je collega's mee? Geef dan bij de aanmelding door met hoeveel personen je komt.
Tot ziens bij de Oranjeborrel 2026!
EP&C, Patent Attorneys
Hendrik Jan Brookhuis
Christiaan Houben
Jordi Kox
Uitspraak ingezonden door Tobias Cohen Jehoram, Robert van Hattum, Florence Haverhals en Selmer Bergsma, De Brauw Blackstone Westbroek.
Geen litispendentie bij territoriaal beperkte EU-verboden: rechtbank laat Stokke/Cybex-procedure doorgaan
Rb Gelderland 25 februari 2026, IEF 23314; C/05/4544 70 / HA ZA 25-294 (STOKKE AS, PETER OPSVIK AS tegen BABYPARK B.V., BABY-DUMP B.V. en COLUMBUS TRADING-PARTNERS GMBH & CO. KG, CYBEX GMHB, CYBEX RETAIL GMHB). In dit incidentvonnis van de Rechtbank Gelderland staat een bevoegdheidsincident centraal in een civiele procedure tussen Stokke AS en Peter Opsvik AS (hierna: Stokke c.s.) en Babypark B.V., Baby-Dump B.V. en de Duitse vennootschappen Columbus Trading-Partners GmbH & Co. KG, Cybex GmbH en Cybex Retail GmbH (hierna gezamenlijk: Cybex c.s.). In de hoofdzaak hebben Stokke c.s., in een auteursrechtelijk geschil, pan-Europese (verbods)vorderingen ingesteld. Cybex c.s. vorderden in een incident aanhouding van de Nederlandse procedure op grond van artikel 29 van de Brussel I-bis-verordening, omdat zij reeds parallelle procedures aanhangig hadden gemaakt in Frankfurt en Rome. Volgens hen was sprake van litispendentie: dezelfde partijen, hetzelfde onderwerp en dezelfde oorzaak, zodat het Nederlandse gerecht de zaak moest aanhouden totdat de buitenlandse rechters over hun bevoegdheid hadden beslist. In reactie daarop hebben Stokke c.s. hun eis verminderd en verduidelijkt, in die zin dat zij Duitsland en Italië expliciet hebben uitgesloten van hun pan-Europese verbodsvorderingen. Ook beperkten zij onder meer een gevorderde rectificatie tot Nederlandse websites en pasten zij onderdelen van het petitum aan. Daarmee beoogden zij te bewerkstelligen dat de Nederlandse procedure geen betrekking meer had op de territoria waarvoor in Duitsland en Italië werd geprocedeerd.
Overnamegeschil over BLOS-merk: geen aansprakelijkheid van verkopers
Rb. Amsterdam 21 januari 2026, IEF 23313; ECLI:NL:RBAMS:2026:252 (BFNL tegen Verkopers). In deze zaak staat de vraag centraal of de verkopers van MC Child Holding aansprakelijk zijn tegenover koper BFNL. Na de overname spreekt Stichting Blosse BFNL aan, omdat het merk BLOS mogelijk inbreuk maakt op het oudere Benelux-woordmerk BLOSSE. BFNL stelt dat de verkopers vóór de overname informatie hadden moeten delen over een merkonderzoek uit 2018, waarin wordt gewaarschuwd dat BLOS een mogelijk “fataal obstakel” vormt vanwege het oudere merk BLOSSE. Ook beroept BFNL zich op garanties in de SPA, onder meer over de aanwezigheid van benodigde IE-rechten en over het niet achterhouden van materiële informatie in de Data Room. De rechtbank oordeelt dat de uitzondering in de SPA voor fraud (bedrog), wilful misconduct en intentional concealment (opzettelijke verzwijging) in beginsel ook geldt ten opzichte van de contractuele vervaltermijnen: als van zulke gedragingen sprake is, kan aansprakelijkheid dus niet alleen op die termijnen afstuiten. De rechtbank legt daarbij uit dat voor bedrog wordt aangesloten bij art. 3:44 lid 3 BW, en dat wilful misconduct in deze SPA niet wordt opgevat als roekeloosheid, maar als opzettelijk wangedrag.
Uitspraak ingezonden door Jeroen Dijkman, HKD Advocaten; Polo van der Putt, Vondst Advocaten; en Vivien Rorsch, LaRorsch.
Payingit/Workrate: impliciete softwarelicentie bij overlappende broncode
Parket bij de Hoge Raad 20 februari 2026, IEF 23312, IT&R 5121; ECLI:NL:PHR:2026:186 (Payingit B.V., Payingip B.V., NRD Holding B.V., CMC Holding B.V., [eiser 5], [eiser 6], eisers tot cassatie tegen Workrate Holding B.V.). In de conclusie van het Parket staat een geschil centraal tussen Payingit c.s. (kopers) en Workrate (verkoper) over de uitleg van een koop- en licentieovereenkomst uit 2016 betreffende software. Workrate had drie softwarepakketten ontwikkeld: Workstate (voor beveiligingsprocessen), Workmate (later Usemate) en Academy. Deze applicaties vertoonden gedeeltelijke overlap in broncode, onder meer via gedeelde modules en interfaces. In 2016 verkochten Workrate en haar mede-aandeelhouders de aandelen in Usemate (later PayingIT) en werd de Usemate-software geleverd aan PayingIP, met overdracht van auteursrechten en een gelijktijdige licentie aan Workrate voor gebruik van de software. In geschil is welke omvang de auteursrechtoverdracht had en of Workrate met haar verdere exploitatie van Workstate, waarin overlappende broncode voorkomt, inbreuk maakt op de overgedragen rechten dan wel tekortschiet in de nakoming van de overeenkomsten. Workrate vorderde in conventie onder meer verklaringen voor recht dat zij geen auteursrechtinbreuk pleegt en niet tekortschiet. Payingit c.s. vorderde in reconventie juist verklaringen voor recht dat het volledige auteursrecht op de in een specificatiedocument genoemde mappen was overgedragen, dat Workrate inbreuk maakte, boetes had verbeurd en schadeplichtig was. De rechtbank en het hof oordeelden, na uitleg volgens het Haviltex-criterium, dat de auteursrechten op de in het document gespecificeerde broncode weliswaar aan PayingIP zijn overgedragen, maar dat Workrate een impliciet contractueel gebruiksrecht behoudt voor zover die broncode ook deel uitmaakt van Workstate. Ook ten aanzien van het gebruik door een derde (KlasseStudent/KlasseNet) werd geoordeeld dat dit binnen de bedoeling van partijen viel. Het hof achtte nader deskundigenonderzoek naar de precieze mate van overlap niet beslissend en veroordeelde Payingit c.s. in de proceskosten op grond van art. 1019h Rv, gemaximeerd op het indicatietarief voor een complexe bodemzaak.
Omgevingsvergunning carwash en Texaco-reclame: vergunning grotendeels houdbaar, maar motiveringsgebrek bij welstand
Rb. Noord-Nederland 8 december 2025, IEF 23308; RB 3974; ECLI:NL:RBNNE:2025:5888 ([eiser] tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân). De Rechtbank Noord-Nederland doet een tussenuitspraak (bestuurlijke lus) over een omgevingsvergunning voor een perceel met tankstation/carwash (Dilledyk 1, Easterwierrum). Omdat de aanvraag vóór 1 januari 2024 is ingediend, blijft de Wabo van toepassing. De vergunning ziet op (i) het veranderen/legaliseren van een carwash, (ii) het plaatsen van een prijzenbord/reclamezuil, (iii) het aanbrengen van TEXACO-reclame (letters/logo) op de overkapping van het pompeiland en een beperkte gebruikswijziging. De rechtbank verwerpt de procedurele klachten (o.a. onvolledige heroverweging, “verlopen” aanvraag, late publicatie, vooringenomenheid). Inhoudelijk acht zij de vergunning voor het prijzenbord en de carwash rechtmatig: het college mocht het peil voor de hoogtebepaling hanteren zoals gedaan en een beperkte planafwijking voor het prijzenbord vergunnen zonder strijd met een goede ruimtelijke ordening; de carwash voldoet aan de planregels (met name de goothoogte), en klachten over (geluids)overlast of het Bouwbesluit leveren hier geen weigeringsgrond op binnen het limitatief-imperatieve toetsingskader.