Artikel Jonge Socialisten over vermeende huisjesmelker op feiten gesteund
Hof Amsterdam 1 december 2015, IEF 15508; ECLI:NL:GHAMS:2015:5022 (Jonge Socialisten PvdA tegen appellant)
Mediarecht. Centraal in dit geschil staan uitspraken van de Jonge Socialisten van de PvdA aangaande een vermeende huisjesmelker. Op de website van de JS is een artikel geplaatst waarin appellant als notoire huisjesmelker wordt neergezet die al eerder veroordeeld is en zou hij boterzuur door het raam van huurder hebben gegooid. Het hof is van oordeel dat beide beweringen voldoende steun vinden in de feiten. De grieven falen en het bestreden vonnis wordt bekrachtigd.
3.7. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat de bewering in het artikel op de website dat er een eerdere veroordeling en een (lopende) rechtszaak zijn naar aanleiding van uitbuiting en intimidatie van studenten op de [adres 2] , voldoende steun vindt in de feiten. [appellant] is immers veroordeeld voor het delict dwang, gepleegd tegen zijn huurders nadat zij bij de huurcommissie bezwaar hadden gemaakt tegen de hoogte van de huur. Dat het huurders van een ander huurcomplex, aan de [adres 3] , betrof is van onvoldoende betekenis. Tevens liep er een (civiele) rechtszaak tegen de vennootschap van [appellant] over de hoogte van de huur en de bejegening van de huurders. De gekozen bewoordingen, uitbuiting en intimidatie, zijn misschien gekleurd maar gelet op het door [appellant] gepleegde delict en de maatschappelijke lading van het artikel, niet over de grenzen van het toelaatbare. De procedures bij en met name de uitspraken van de huurcommissie ondersteunen voorts de bewering dat [appellant] te veel huur vraagt.
3.9. Het hof overweegt omtrent de bewering zoals in de vordering van [appellant] weergegeven onder d) het volgende. Uit de door JS c.s. in eerste aanleg overgelegde producties en de toelichting daarop, waarvan de inhoud door [appellant] niet is betwist, blijkt dat diverse media hebben bericht dat door het raam van woningen aan de [adres 3] boterzuur naar binnen is gegooid. Daarbij wordt op diverse wijzen een verband gelegd met de feiten die hiervoor zijn besproken. Zo meldt het Digitaal Universiteitsblad van 22 januari 2014 dat [appellant] ‘erachter zou zitten’ nadat een aantal bewoners een procedure was gestart bij de huurcommissie. In het artikel wordt tevens ingegaan op de strafzaak tegen [appellant] . RTV Utrecht meldt op 23 januari 2014 dat bij een pand aan de [adres 3] boterzuur naar binnen is gegooid nadat de bewoners bij de verhuurder hadden geklaagd. RTV Utrecht vermeldt op 15 januari 2015 in een artikel over de strafzaak tegen [appellant] het incident met het boterzuur. Tot slot meldt het AD op 20 februari 2015 dat [appellant] boterzuur naar binnen zou hebben gegooid bij twee huurders die eerder door [appellant] waren geïntimideerd omdat hij wilde voorkomen dat zij naar de huurcommissie zouden stappen.
3.13. Het hof is van oordeel dat gelet op de omstandigheden die in vorenstaande overwegingen naar voren zijn gekomen, het belang van JS c.s. bij publicatie van het artikel, afgezet tegen het belang van [appellant] om verschoond te blijven van aantasting van zijn eer en goede naam, in dit geval de doorslag geeft. Er is dan ook geen sprake van onrechtmatig handelen van de zijde van JS c.s.. Gevolg is dat er geen plaats is voor een gebod om citaten te verwijderen, zoals door [appellant] gevorderd. Hetgeen [appellant] heeft gesteld, geeft evenmin aanleiding tot het gebieden van een rectificatie. Hetgeen de voorzieningenrechter onder 4.7 heeft overwogen (kort gezegd: de beperkte ‘impact’ van het artikel op het publiek) draagt niet bij aan ’s hofs oordeel als zojuist weergegeven, zodat [appellant] belang mist bij zijn tegen deze overweging gerichte klacht.
Reclamerecht. Misleidende reclame. Art. 6:194 BW. Partijen zijn elkaars concurrenten fabriceren, leveren en onderhouden zogenoemde luchtwassers, soms gaswasser genoemd en adverteren met BWL-nummers. Robos vordert in kort geding met succes dat Inno+ verboden wordt reclame te maken dat de Junior en inbouwluchtwasser gekwalificeerd zijn als biologische gaswassers en door de overheid zijn erkend [
Handelsnaamrecht. Verzoekster drijft sinds 2003 een advocatenkantoor onder de naam LMR advocaten. Verweerster gebruikt een als merkingeschreven logo van lichtgrijze gestileerde hoofdletters LR advocaten op een rood vlak met een onderschrift. Het hof heeft correct in de visuele waarneming door het publiek van het logo (inclusief het onderschrift) van verweerster in combinatie met de toevoeging ‘Advocaten’, respectievelijk het gebruik op vervolgvellen en van het logo zonder onderschrift en toevoeging meegewogen. HR vernietigt
Eindvonnis na
Als randvermelding. Eiser had een geldlening van 24 miljoen gulden verstrekt aan Flügel Enterprise voor de koop van de economische eigendom van de merken. Gedaagde heeft die lening (en de rente) niet volledig afgelost en beroept zich op verrekening met een aan haar gecedeerde vordering van een van haar dochtermaatschappijen op eiser. Die vordering komt niet vast te staan. Het bewijsaanbod van gedaagde wordt als tardief gepasseerd. Het beroep van gedaagde op artikel 6:140 lid 3 BW slaagt ook niet, omdat sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat toepassing van dit wetartikel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Gebaseerd op het
Mediarecht. Defamation. Just satisfaction. Niskasaari is een journalist die werkt voor een groot weekblad dat door Otavamedia wordt uitgegeven. Niskasaari heeft zich over twee tv-documentaires kritisch uitgelaten, over gebruikte feiten en een onderzoekersverklaring waarvan de verslaggever wist dat die onjuist was. De journalist wordt in beroep veroordeeld voor laster en moet €240 betalen, daarbovenop nog eens € 2000 voor schade en Otavamedia € 4000 voor de schade en kosten. Vanwege een schikking wordt deze zaak geschrapt.
Deskundigen. Procesrecht. Bezwaren tegen benoemde deskundigen zijn gegrond, onder meer vanwege de kosten van het aantal uren dat de deskundigen aan deze zaak willen besteden. Nieuwe deskundigen.
Yarden-franchiseformule. Zie eerder
Oneerlijke handelspraktijk. Partijen hebben in 2003 een overeenkomst van vermogensbeheer gesloten. Geïntimeerde verschaft niet de essentiële informatie over 1) de risicokenmerken van de brugfinancieringen, 2) de door [geïntimeerde] ontvangen plaatsingscommissie en 3) de eigen deelname van [geïntimeerde] aan de brugfinancieringen. De conclusie van het voorgaande is dat [geïntimeerde] op de drie door [appellanten] gestelde punten essentiële informatie heeft weggelaten of op onvoldoende duidelijke wijze heeft verstrekt. Deze misleidende omissies maken dat, op grond van artikel 6:193d lid 1 BW, sprake is van een misleidende handelspraktijk.