IEF 21272
2 april 2025
Artikel

DeLex zoekt juridisch redactioneel stagiair voor juli 2025 t/m september 2025

 
IEF 22635
3 april 2025
Uitspraak

Aanvraag Uniewoordmerk 'Cannafair' terecht geweigerd wegens beschrijvend karakter

 
IEF 22634
2 april 2025
Artikel

Pinsent Masons Nederland benoemt Arjan Reijns tot partner

 
IEF 7916

Berendsen Blogt

Kees BerendsenKees Berendsen, Croon Davidovich: Hoe vrij is de fotograaf?

“Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft onlangs een uitspraak gedaan die volgens Rémy Chavannes op nu.nl en NRC grote gevolgen heeft voor de Nederlandse media. Die gevolgen zijn er, zeker. Maar zijn ze zo groot als Chavannes stelt? Corien Prins en Remco Nehmelman plaatsten - in het NRC - ook al hun kanttekeningen daarbij.

De uitspraak [Chamber judgment Reklos and Davourlis v. Greece 15.01.09, lees de uitspraak hier - IEF] gaat – kort gezegd - over de vraag of iemand recht heeft op zijn eigen afbeelding als zodanig. 'Ja' zegt het EHRM. De eigen afbeelding maakt deel uit van het recht op privacy conform artikel 8 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens. De zaak betrof het portret van een baby gemaakt door een fotograaf met instemming van het ziekenhuis waar de baby verbleef, maar zonder toestemming van de ouders. (…)  Moet de fotograaf anders gezegd op grond van deze uitspraak telkens als hij een foto wil (openbaar)maken toestemming vragen.

Mijn stelling is anders dan die van Chavannes, dat dat niet het geval is. Het EHRM geeft in zijn uitspraak in de eerste plaats duidelijk aan dat het haar oordeel baseert op een afweging in deze specifieke zaak. Het zegt in overweging 41: 'In this connection it should be noted that the applicant's son (de baby), not being a public or newsworthy figure, did not fall within a category which in certain circumstances may justify, on public-interest grounds, the recording of a person's image without his knowledge or consent'.

Lees het hele commentaar hier (IE-IDEE, weblog Kees Berendsen, met reactie Frank Heideman).

IEF 7915

De dubbelsymetrische vlakverdeling

Bureaustoel 2031Rechtbank Amsterdam, 6 augustus 2008, HA ZA 07-1262, Steffex B.V.  tegen W.

Rechtbank Amsterdam, 13 mei 2009, HA ZA 07-1262, Steffex B.V, tegen W. (met dank aan Leonie Kroon, DLA Piper)

Modellenrecht. Auteursrecht. Modeldepot bureaustoel is nietig wegens nieuwheidsschadelijke handelingen deposant. Gedaagde W., houder van het model, stelt dat eiser met een door eiser op de markt gebrachte overeenstemmende stoel inbreuk maakt op zijn modelrechten. Eiser Steffex stelt echter succesvol dat gedaagde de als model gedeponeerde stoel al 13 maanden vóór het depot aan eiser heeft geleverd. W. wordt wel toegelaten tot het bewijs dat hij de maker van en de auteursrechthebbende op degedeponeerde bureaustoel.

2.7. De conclusies die Steffex verbindt aan hetgeen valt af te leiden uit haar uitdraai uit haar digitaal productsysteem zijn door W.  c.s. slechts afgedaan met zijn stelling dat aan die productie geen bewijskracht toekomt omdat dit een intern document zou betreffen. De rechtbank is echter van oordeel dat W. c.s. ter betwisting van deze stellingen in ieder geval een verklaring had behoren aan te dragen waarom een interne productcode van Steffex op de afbeelding bij het modeldepot voorkomt. Nu dit achterwege is gebleven, staat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast dat W. c.s. de 2031 [afbeelding] al aan Steffex heeft geleverd in februari 2004, derhalve 13 maanden vóór het modeldepot ervan.

2.8. Nu op grond van het vorenoverwogene aangenomen wordt dat zowel de -aan de 2031 nagenoeg identieke - 203 als de 2031 zelf meer dan 12 maanden voorafgaand aan het modeldepot van de 2031 door W. c.s. al door Steffex werd besteld bij W. c.s., wordt eveneens voorbij gegaan aan de stellingen van W. c.s. dat geen sprake zou zijn van een relevante bekendmaking. Nog los van het feit dat het aanbieden van een stoel aan een belangrijke afnemer op de Nederlandse markt slecht vergeleken kan worden met verkoop van modellen op een dorpsmarkt in China, zoals door W. c.s. wel werd gesteld, kan op basis van deze feiten niet geoordeeld worden dat het model niet bekend is geworden aan de ingewijden in de betrokken sector.

 2.9. Ook aan de stelling van W. c.s. dat een eventuele aanbieding geschied zou zijn onder stilzwijgende voorwaarde van geheimhouding wordt voorbij gegaan. Nog los van de omstandigheid dat ook deze stelling gelet op de overige stellingen van W. c.s. nadere motivering behoefde, blijkt uit de als vaststaand aangenomen feiten dat de 203 en 2031 ook daadwerkelijk besteld zijn. De rechtbank kan zich bezwaarlijk een situatie voorstellen waarbij bureaustoelen voor verkoop geleverd zouden worden onder voorwaarde van geheimhouding.

2.10. Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank met Steffex van oordeel dat het modeldepot van W. c.s. van de 2031 aan nieuwheid heeft ontbroken en derhalve nietig is. De hierop ziende vordering van Steffex ligt daarmee voor toewijzing gereed.

2.11. W. c.s. stelt echter terecht dat de sommatie aan Intergamma daarmee niet op zichzelf onrechtmatig was, nu hij zich daarnaast op zijn auteursrecht heeft beroepen. Op grond van de overwegingen 4.9 tot en met 4.11 van het tussenvonnis, zal W. c.s. worden toegelaten tot het bewijs dat hij de maker is van bureaustoel 2031.

Lees de vonnissen hier en hier.

IEF 7914

de nieuwsexceptie

Kamerstukken II 2008/09, 31876, nr. 7. Wijziging van de Mediawet 2008 en de Tabakswet ter implementatie van de richtlijn Audiovisuele mediadiensten; Nota n.a.v. het verslag 

"De flitsenregeling brengt voor omroepaanbieders (de exclusief rechthebbenden) de verplichting met zich om beelden van evenementen af te staan. Met andere woorden: iedere andere aanbieder van omroepdiensten heeft het recht om korte fragmenten op te vragen en heeft daarin ook een eigen keuze. De nieuwsexceptie van het auteursrecht geeft een ieder wel de mogelijkheid om zonder toestemming van de auteursrechthebbende nieuwsfragmenten uit te zenden, maar die mogelijkheid is afhankelijk van de feitelijke toegang tot het materiaal."

Lees de nota hier

IEF 7913

Kwakzalvers

Hoge Raad, 15 mei 2009, LJN: BH1193, Vereniging Tegen De Kwakzalverij tegen Sickesz.

Onrechtmatige daad; vrijheid van meningsuiting (waarschuwing tegen kwakzalverij in publicaties van vereniging), botsende grondrechten; rechtmatigheid woordgebruik (“kwakzalver”); maatstaf; taalkundige kenbronnen.

3.4.3 (…)  In het kader van het maatschappelijk debat, waarin de Vereniging c.s. zich klaarblijkelijk met hun publicaties wilden mengen, behoeven zij zich niet te laten weerhouden van het gebruik van het woord "kwakzalverij" en van het samenstellen en publiceren van lijsten met personen die zich volgens hen met "kwakzalverij" bezighouden in de daarbij door hen vermelde en toegelichte betekenis. Daarbij is in aanmerking te nemen dat de Vereniging c.s. blijkens de vaststellingen van het hof het grote publiek willen waarschuwen voor wat zij als kwakzalverij beschouwen, en dat zij zelf door de inhoud en context van hun publicaties geen onduidelijkheid laten bestaan over wat zij daarmee bedoelen. In dit verband beroepen zij zich terecht op de mede in art. 10 EVRM gewaarborgde vrijheid van meningsuiting. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het gebruik van het woord "kwakzalver" is het hof dan ook ten onrechte voorbijgegaan aan de specifieke betekenis die daaraan volgens de door de Vereniging c.s. gehanteerde definitie toekomt, te weten de meer neutrale betekenis, die ook in Van Dale is vermeld. De op het voorgaande gerichte klachten van onderdeel 2 zijn gegrond.

(…) 3.6 Op grond van het voorgaande kan het bestreden arrest niet in stand blijven. De overige onderdelen van het middel behoeven geen behandeling. Na verwijzing zal opnieuw moeten worden beoordeeld of de Vereniging c.s. onrechtmatig hebben gehandeld door Sickesz aan te duiden als kwakzalver, waarbij eventueel ook opnieuw aan de orde kan komen of grond bestaat voor persoonlijke aansprakelijkheid van [eiser 2].

Lees het arrest hier.

IEF 7912

Gelet op de zware bewijslast

Rechtbank Leeuwarden, 29 april 2009, HA ZA 08-96, Huis& Hypotheek Nederland B.V. c.s. tegen DSB Leeuwaren B.V.

Merkenrecht. Reclamerecht. Eerst even voor jezelf lezen. Uitgebreid vonnis waarin de Rechtbank Leeuwarden o.a. het Intel-bewijslastcriterium toepast. Voormalige franchisenemer van eiser Huis & Hypotheek verkoopt vestiging van Huis & Hypothee Leeuwarden aan de DSB-Bank. Eiser stelt dat DSB Bank onrechtmatig heeft gehandeld door in reclame-uitingen, mede met gebruik van de aanduiding Huis & Hypotheek (merk, reclamemateriaal (afbeeldingen in het vonnis), de suggestie op te roepen dat DSB de voortzetting is van de onderneming van Huis & Hypotheek. 

De Rechtbank verklaart voor recht dat DSB jegens Huis & Hypotheek onrechtmatig heeft gehandeld door, mede met gebruik van de aanduiding Huis & Hypotheek, in reclameuitingen, de suggestie op te roepen dat DSB de voortzetting van (de onderneming van) Huis & Hypotheek is.

De overwegingen met betrekking tot Intel zijn wellicht alvast het vermelden waard:

4.34. Voor zover Huis & Hypotheek zich op artikel 2.20 lid 1 sub d BVIE beroept, heeft DSB verwezen naar het arrest van het HvJEG van 27 november 2008, IER 2009,7 (Intel/Intelmark: hierna het Intel-arrest) en geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. De rechtbank overweegt dat voornoemd arrest niet ziet op artikel 2.20 lid 1 sub d BVIE maar op 2.20 lid 1 sub c BVIE.

4.35. Artikel 2.20 lid 1 sub d BVIE is gebaseerd op artikel 5 lid 5 van de Eerste richtlijn (89/104 EEG) van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB 1989, L 40, blz. 1 hierna: richtlijn). Deze bepaling valt volgens het HvJEG (HvJEG 21 november 2002, LJN AK2863) buiten de communautaire harmonisatie. Artikel 5 lid 5 van de richtlijn behoeft derhalve door het HvJEG niet te worden uitgelegd. De rechtbank acht het echter niet waarschijnlijk dat aan de begrippen "afbreuk doen aan het onderscheidend vermogen", "afbreuk doen aan de reputatie van een merk" en "ongerechtvaardigd voordeel trekken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk" zoals vermeld in artikel 2.20 lid 1 sub d BVIE een andere uitleg moet worden gegeven dan de overeenkomstige begrippen zoals vermeld in artikel 2.20 lid 1 sub c BVIE. De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een inbreuk als bedoeld in artikel 2.20 lid 1 sub d BVIE aanknoping zoeken bij hetgeen door het HvJEG omtrent deze begrippen o.a. in het Intel-arrest is beslist. Het enkele feit dat alleen 'bekende merken' een beroep kunnen doen op overtreding van  artikel 2.20 lid 1 sub c BVIE, maakt dit oordeel niet anders.

4.36. De rechtbank overweegt dat het aan Huis & Hypotheek is om te bewijzen dat DSB door gebruik van de benaming huis & hypotheek ongerechtvaardigd voordeel trekt uit of afbreuk doet aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk Huis & Hypotheek, dan wel bewijst dat er elementen zijn op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een ernstig gevaar dat een dergelijke inbreuk zich in de toekomst zal voordoen. Zoals ook in het vonnis van de Vzr. Rb. 's-Gravenhage van 15 december 2008 (IER 2009,9) in r.o. 4.10. is overwogen, heeft het HvJEG in het Intel-arrest de lat terzake de bewijslevering hoog gelegd.

4.37. Voor zover Huis & Hypotheek zich op het standpunt stelt dat de reclameuitingen van DSB afbreuk doen aan het onderscheidend vermogen van het merk Huis & Hypotheek moet worden geoordeeld dat dit beroep op artikel 2.20 lid 1 sub d BVIE niet kan slagen.
Blijkens het Intel-arrest moet terzake het begrip "afbreuk doen aan het onderscheidend vermogen" worden aangetoond dat het economisch gedrag van de gemiddelde consument van de waren of diensten waarvoor het oudere merk is ingeschreven, is gewijzigd als gevolg van het gebruik van het jongere merk of dat er grote kans bestaat dat dit gedrag in de toekomst wijzigt. Gelet op de zware bewijslast die blijkens het arrest op dit punt op Huis & Hypotheek rust moet geconcludeerd worden dat door Huis & Hypotheek onvoldoende feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat het economische gedrag van de gemiddelde consument als gevolg van de reclameuitingen van DSB is gewijzigd of in de toekomst zal wijzigen.

4.38. Van afbreuk doen aan de reputatie van het merk is sprake -kort samengevat- wanneer de waren of diensten waarop het teken van de derde betrekking heeft op zodanige wijze aan de zintuigen van het publiek kunnen appelleren dat de aantrekkingskracht van het merk erdoor vermindert. Dat er als gevolg van het gebruik van de benaming huis & hypotheek door DSB op de een of andere manier daadwerkelijk afbreuk is gedaan aan de reputatie van het merk Huis & Hypotheek is de rechtbank, gehoord partijen en gelezen de stukken, niet gebleken. Evenmin dat er sprake is van een ernstig gevaar dat een dergelijke inbreuk zich in de toekomst zal voordoen.

4.39. Van ongerechtvaardigd voordeel trekken uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk is sprake wanneer het imago van het merk of de door dit merk opgeroepen kenmerken worden overgedragen op de door het teken aangeduide waren of diensten van de derde, zodat de waren of diensten van de derde wegens de associatie met het merk gemakkelijker kunnen worden verhandeld. Of zoals de advocaat-generaal -P. Megozzi- bij het HvJEG het heeft geformuleerd: het teken van de derde krijgt een “impuls” dankzij het verband dat met het merk wordt gelegd (10 februari 2009, C-487/07, nr. 107). Door DSB is gemotiveerd weersproken dat zij enig voordeel heeft genoten van het gebruik van de term huis & hypotheek in voornoemde reclameuitingen. Ook op dit punt geldt dat er geen (begin van) bewijs aannemelijk geworden is dat DSB daadwerkelijk ongerechtvaardigd voordeel trekt uit het onderscheidend vermogen of de reputatie van het merk Huis & Hypotheek of dat er sprake is van een ernstig gevaar dat een dergelijke inbreuk zich in de toekomst zal voordoen.

Lees het vonnis hier.

IEF 7911

Een zoekresultaat waarin de onjuiste indruk wordt gewekt

Rechtbank Amsterdam, 13 mei 2009, KG ZA 09-938 SR/MdB, Zwartepoorte Goes B.V. tegen Schoonderwoerd c.s.

Interessant vonnis. Exploitant website is verantwoordelijk voor Google-zoekresultaat. Gedaagde Schoonderwoerd wordt veroordeeld om “de inrichting van de website klup.nl zodanig aan te passen en aangepast te houden, dat niet langer via deze website, door middels van de website van Google, een zoekresultaat wordt weergegeven waarin de onjuiste indruk wordt gewekt dat Zwartepoorte failliet is.”

Blijkens mediaberichtgeving betreft het een kop/staart vonnis en volgt de uitgebreide motivatie van het vonnis door voorzieningenrechter Sjoukje Rullmann op 27 mei [update zie IEF 7940]. Volgens een artikel op emerce.nl zou het de volgende casus betreffen:

“Zoeken met de termen Zwartepoorte failliet leverde als eerste resultaat op: "zwartepoorte bedrijven.klup.nl - Informatie en meningen over ...†- [ Translate this page ] Volledige naam: Zwartepoorte Specialiteit: BMW ... Dit bedrijf is failliet verklaard, het is overgenomen door het motorhuis Ik heb bij Boot Rialto gewerkt ... zwartepoorte.bedrijven.klup.nl/"

Wie naar die pagina gaat ziet links op het scherm Zwartepoorte en rechts reacties over het andere bedrijf Boot Rialto. Dat heeft niets van doen met Zwartepoorte, maar de teksten worden  automatisch gegenereerd in een apart frame. De voorzieningenrechter beschouwt echter het Google-resultaat als een zelfstandige informatievoorziening.

Voor de koppeling en 'mededeling' dat Zwartepoorte failliet en verkocht is,  is niet Google verantwoordelijk volgens de rechter maar de exploitant van de webpagina. Die moet nu zijn pagina's uiterlijk 15 mei (morgen) aanpassen zodat het Google zoekresultaat als zodanig niet meer zal verschijnen, op straffe van een dwangsom van 500 euro per dag met een maximum” van 50.000 euro.”

Op de aangepaste website van gedaagde staat o.a. vermeld: “Zoals de rechter Sj.A. Rullman tijdens de zitting al zelf hintte is dit een zaak die tot aan de Hoge Raad kan gaan. Miljoenhuizen beraadt zich over een mogelijk hoger beroep, omdat het van mening is dat de verkeerde in de gedaagdenbank staat.”

Lees het vonnis hier. Artikel Emerce hier. Cache website hier. Aangepaste website hier.

IEF 7910

Personalia

Madeleine de Cock Buning"Minister Plasterk benoemt prof. mr. Madeleine de Cock Buning (42) per 1 juli 2009 als commissaris bij het Commissariaat voor de Media. Zij zal zich met name bezighouden met programmatoezicht en juridische zaken.
 
De Cock Buning is hoogleraar Media- Communicatie- en Auteursrecht bij het Molengraaff Instituut (CIER) van de faculteit Rechtsgeleerdheid van de Universiteit Utrecht. De afgelopen elf jaar was zij werkzaam als advocaat bij de sectie Intellectuele Eigendom & Informatie Communicatie Technologie van De Brauw Blackstone Westbroek in Amsterdam. Zij beschikt over een grote expertise op het gebied van onder meer auteursrecht, merkenrecht, oneerlijke mededinging, reclamerecht, mediarecht en publiek-private samenwerking. De Cock Buning bekleedt daarnaast diverse nevenfuncties. Onder meer is zij voorzitter van het College voor Klacht en Beroep van Stichting Internet Domeinnaamregistratie Nederland (SIDN), bestuurslid van de Stichting Machiavelli, bestuurslid van de Vereniging voor Auteursrecht (VvA) en arbiter bij de World Intellectual Property Organization (WIPO). Ook was zij lid van de visitatiecommissie die onlangs de prestaties van de publieke omroep in de voorbije periode heeft beoordeeld.
 
Met de aanstelling van Madeleine de Cock Buning is de vacature vervuld die ontstond na het vertrek van Inge Brakman. Het college van commissarissen bestaat verder uit Tineke Bahlmann (voorzitter) en Jan van Cuilenburg."

IEF 7909

Mac Donald-fans welkom bij Quick

Klik op afbeelding voor vergrotingMooie tentamencasus (tip JB): “De Nederlandse voetballer Sherill MacDonald (ex-Ajax nu de Belgische eersteklasser Germinal Beerschot) is het middelpunt van een strijd tussen fastfoodketens Quick en McDonald's. Quick, de hoofdsponsor van Germinal, heeft nu een maaltijd op het menu gezet met de naam ‘MacDonald’.

Quick is zelfs een speciale campagne gestart met de slogan ‘Mac Donald-fans welkom bij Quick’. De slogan ‘Mac Donald-fans welkom bij Quick’ wordt op affiches ondersteund met de afbeelding van een hamburger met het logo van Germinal Beerschot en voetballer MacDonald in een paars-wit tenue." (Klik op afbeelding voor vergroting)

Lees hier meer (Distrifood).

IEF 7908

De uiterlijke vorm dicht te benaderen

Bas Kist, ShieldmarkZacco:  Echt, net echt of bijna namaak. Rondleiding door de supermarkt als het museum van bijna-namaak. Over de strijd tussen A-merken en huismerken (NRC 13 mei 2009)

“De aanleiding voor deze guided tour zijn de opmerkingen van de Vice President Legal Affairs van merkartikelenfabrikant Sara Lee, Hans Voorberg, die vorige maand tijdens een congres over merken stelde dat de positie van het A-merk door de Nederlandse supermarkten op verschillende manieren wordt ondergraven.

(…) We beginnen onze tour in de Snack Room van het museum. Aan uwrechterhand ziet u meteen al een pronkstuk uit de collectie: de Temptations Sweet Chili chips. Dit is recent werk van de huismerkdesigners en ik kan u zeggen dat het een ongekend succes is. De combinatie van de naam, kleurstelling en ingrediënten roept bij al onze bezoekers meteen de gedachte op aan de grote inspiratiebron, de Sensations Sweet Chili chips van Lay’s. En zoals bij veel topstukken in dit museum roept het meteen vragen op als: is het namaak, of bijna-namaak, of origineel? Het gaat hier om zo subtiel gemaakte verschillen dat het de vraag is of hier in juridische zin sprake is van namaak.

Als we hier de hoek om gaan komen we in de Sauzen & Soepen Sectie van het museum. Hier maakt u kennis met een ander staaltje raffinement van de in-house-ontwerpers. Zij laten zich niet alleen door het design van de verpakkingen van A-merken inspireren, ze kijken ook goed naar de vorm. Aan uw linkerhand ziet u hoe de designers er in geslaagd zijn de uiterlijke vorm van de bekende Heinz-ketchupfles heel dicht te benaderen. En wat vindt u van deze, hier op rechts? Dat is de populaire Kop Soep, de poedersoep van het museum. Zonder twijfel geïnspireerd op het Amerk Cup a Soup. Een gedurfd meesterwerkje, met die herkenbare P zo groot op de verpakking.”

Lees het artikel hier.

IEF 7907

Afdalen in de dieptes van de heraldiek

HvJ EG, 12 mei 2009, Conclusie A-G Dámaso Ruiz-Jarabo Colomer in gevoegde zaken C-202/08 P en C-208/08 P, American Clothing Associates SA tegen OHIM en vice versa.

Merkenrecht en 6ter Parijs. Fabrieks- of handelsmerken die gelijk zijn aan of overeenstemmen met staatsembleem. Weigering van inschrijving beeldmerk bestaande uit de weergave van een esdoornblad en de letters RW (kleding) wegens gelijkenis met het esdoornblad-embleem van Canadese. Voor waren was die weigering volgens het GvEA (IEF 5728) terecht, voor diensten was de interpretatie van het OHIM van 6ter echter te ruim. Het beroep wordt afgewezen, maar de De A-G concludeert wel “dat de uitbreiding van de bescherming van nationale emblemen ten opzichte van dienstmerken [weliswaar] niet uit het Verdrag van Parijs volgt, maar uit de nationale of communautaire regelgeving.

A-G Colomer, de man van de mooie bespiegelingen in Picasso ("dass ein Erbgut der Menschheit, auf ein Handelsobjekt, eine Ware reduziert wird") en Opel/Autec (“Proustischen Madeleine der Erwachsenen”), formuleert het ook deze keer weer beeldend: 

"Het onderzoek van deze aspecten impliceert dat het ingewikkelde kluwen van internationaal recht en gemeenschapsrecht wordt ontward, en vereist tevens dat we afdalen in de dieptes van de heraldiek, ten einde de grenzen van de bescherming van nationale emblemen tegen pogingen tot toe-eigening ervan voor commerciële doeleinden, te onderzoeken.

Deze wetenschap van de wapenkunde doet denken aan de twisten en avonturen uit andere tijden, zoals dat waarin Don Quichot stond tegenover de Ridder van de Witte Maan, die aldus werd genoemd omdat zijn schild was versierd met dit stralende hemellichaam; gelukkig gaat het evenwel niet om de beslechting van geschillen inzake de „voorrang van schoonheid” tussen twee dames, maar om het gebruik van de kunst van de heraldiek bij de afbakening van de grenzen van de bescherming van een nationaal embleem."

Het beroep tegen het arrest van het Gerecht dient volgens de A-G grotendeels te worden afgewezen, aangezien de uitkomst juist was. De enige correctie betreft het juridisch inzicht van het GvEA:

107. Het Gerecht vergist zich dan ook wanneer het gedeeltelijk de bescherming van emblemen weigert op grond van artikel 6 ter, aangezien deze bepaling weliswaar dienstmerken niet omvat, maar het evenmin aan deze bepaling staat om in extenso de omvang van de absolute bescherming van emblemen te regelen. De betrokken bepaling vereist enkel dat de staten die partij zijn bij het Verdrag, geen fabrieks- of handelsmerken inschrijven die identiek zijn aan een nationaal embleem of een dergelijk embleem bevatten. Het staat de ondertekenende landen evenwel vrij om de werkingssfeer van de regel uit te breiden tot dienstmerken. In dit opzicht stelt het BHIM terecht dat het Verdrag van Parijs een „minimumregeling ” is, en niet een „eenvormige wet”. In het gemeenschapsrecht zijn er genoeg voorbeelden van dit type van regelingen die de lidstaten toelaten om verder te gaan dat de in een richtlijn vastgestelde vereisten, op basis van de zogenaamde methode van „minimumharmonisatie”.

108. Anders dan het BHIM betoogt, biedt artikel 6 sexies van het Verdrag van Parijs evenwel geen steun voor een ruime uitlegging van artikel 6 ter van dit Verdrag. Artikel 6 sexies verzoekt de ondertekenende landen enkel om dienstmerken te beschermen, zonder de inschrijving ervan te eisen. Derhalve worden de modaliteiten van deze bescherming geregeld door elke staat, die dus dienstmerken kan gelijkstellen met fabrieks- en handelsmerken, of een bijzondere regeling kan vaststellen. In elk geval, met uitzondering van concrete verwijzingen naar diensten in het Verdrag, zoals die in de artikelen 2 en 3 juncto artikel 5,(61) staat het aan de nationale wetgever om vast te stellen in welke mate merken ter aanduiding van diensten gelijkwaardig zijn aan merken die zijn aangebracht op consumptiegoederen.(62)

109. Kort gezegd, de uitbreiding van de bescherming van nationale emblemen ten opzichte van dienstmerken volgt niet uit het Verdrag van Parijs, maar uit de nationale of communautaire regelgeving.

Lees de conclusie hier.