Uitspraak ingezonden door C. Theunis, Artes.
Arrondissementsrechtbank Antwerpen: particulier kan ook in kort geding naar ondernemingsrechtbank
Arrondissementsrechtbank Antwerpen 21 april 2026, IEF 23572; IEF-BE 4227; 26/20/E ([particulier] tegen [persuitgevers]). In deze zaak tussen een particuliere eiser en twee persuitgevers als verwerende partijen stond de vraag centraal of de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, zetelend in kort geding, bevoegd is om kennis te nemen van een vordering ingesteld door een niet-onderneming tegen ondernemingen. Aanleiding voor het geschil vormden online nieuwsartikelen waarin eiseres – volgens haar ten onrechte en op identificeerbare wijze – werd neergezet in verband met strafrechtelijke feiten. Zij stelde dat de berichtgeving feitelijke onjuistheden en misleidende citaten bevatte en dat zij daardoor aanzienlijke reputatieschade had geleden. In kort geding vorderde zij onder meer dat de publicaties binnen 24 uur offline zouden worden gehaald, althans zouden worden geanonimiseerd en gecorrigeerd, telkens op straffe van een dwangsom van € 5.000 per dag of per overtreding. De zaak werd aanhangig gemaakt bij de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. De voorzitter stelde evenwel ambtshalve de vraag naar de materiële bevoegdheid. Hoewel vaststond dat de verwerende partijen ondernemingen zijn, is eiseres dat niet. In de rechtsleer bestaat een opvatting dat artikel 573, tweede lid Ger. W. – dat toelaat dat een niet-ondernemer een onderneming voor de ondernemingsrechtbank dagvaardt – niet geldt in kort geding. Volgens deze visie heeft die bepaling een uitzonderlijk karakter en moet zij restrictief worden uitgelegd, zodat zij enkel toepassing vindt in bodemprocedures en niet in spoedeisende procedures. Om die reden werd de zaak bij beschikking van 3 april 2026 verwezen naar de arrondissementsrechtbank Antwerpen, teneinde zich uit te spreken over deze bevoegdheidsvraag. De arrondissementsrechtbank verwerpt deze beperkende lezing en geeft een meer systematische interpretatie van artikel 573 Ger. W. Zij overweegt dat deze bepaling, mede in het licht van de Wet Natuurlijke Rechter, niet (langer) kan worden beschouwd als een uitzondering op de algemene bevoegdheidsregels.