Rechter wijst vordering tot gebruiksafhankelijk Buma-tarief af, geen misbruik van machtspositie
Rb. Amsterdam 21 maart 2025, IEF 22623; ECLI:NL:RBAMS:2025:1887 (ID&T Holding tegen Buma). Deze zaak betreft een geschil tussen ID&T Holding en Buma over de licentietarieven voor muziekgebruik. ID&T Holding is eigenaresse van verschillende werkmaatschappijen die grote dance evenementen organiseren. Tijdens deze evenementen worden muziekwerken gebruikt die onder het beheer van Buma vallen. De tarieven van Buma variëren van 3% tot 7% van de recette, afhankelijk van het aandeel Buma-repertoire dat tijdens een evenement wordt gebruikt. ID&T Holding wil dat het tarief wordt gebaseerd op daadwerkelijk gebruikte muziek in plaats van een vast percentage van de recette. Na overleg en correspondentie tussen partijen is er geen overeenstemming bereikt, waarna ID&T Holding zich tot de voorzieningenrechter wendt.
Rechtbank: Octrooi EP 248 van Novartis voor formulering van antilichaam omalizumab niet nieuw
Rb. Den Haag 26 maart 2025, IEF 22625, LSR 2285; ECLI:NL:RBDHA:2025:4895 (Celltrion tegen Novartis). Novartis heeft het antilichaam omalizumab ontwikkeld. Omalizumab wordt door Novartis op de markt gebracht als Xolair, onder andere in de vorm van een oplossing voor injectie (hierna: de Xolair formulering). Novartis is (gezamenlijk) houdster van Europees Octrooi EP 3 805 248 B1 (hierna: EP 248 of het octrooi) voor “Process for concentration of antibodies and therapeutic products thereof”, waarin de Xolair formulering is opgenomen. Celltrion heeft het product Omlyclo ontwikkeld, dat een biosimilar van omalizumab bevat. De formulering van Omlyclo (hierna: de Omlyclo formulering) is gebaseerd op de Xolair formulering. Celltrion vordert in conventie primair om het Nederlandse deel van EP 248 te vernietigen. Hiertoe voert zij onder andere aan dat het octrooi niet nawerkbaar is, een ongeoorloofde toegevoegde materie bevat, niet nieuw is en niet inventief is. In conventie voert Novartis hier verweer tegen. In reconventie vordert Novartis onder andere om voor recht te verklaren dat Omlyclo formulering inbreuk maakt op EP 248. In reconventie voert Celltrion verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, onder andere opnieuw omdat EP 248 niet nieuw is.
Artikel ingezonden door Hendrik Gommer.
Artikel: Als het recht kantelt, een herinterpretatie

Artikel geschreven door Hendrik Gommer.
In 2006 verscheen mijn debuut in het NJB ‘Als het recht kantelt’.[1] Het artikel was ingegeven door een gevoel van onrecht dat ik had ervaren naar aanleiding van de uitspraak waarin de rechter oordeelde dat het auteursrecht van De Groene Leguaan niet geschonden was door de Friesland Bank. [2] De herhaalde constatering dat het positieve recht lang niet altijd tot een rechtvaardige uitkomst leidt, bleek achteraf de kiem voor mijn Biologische Theorie van het Recht. Kort gezegd houdt de theorie in dat je normen van biologische feiten kunt afleiden via de band van groepscohesie c.q. samenwerking. De groep bepaalt normen, opdat haar leden overleven en optimaal hun genetische informatie kunnen verspreiden. Het voordeel van het funderen van het recht in de empirie, want dat is wat deze theorie doet, is dat het op termijn mogelijk zal zijn om geobjectiveerde wetten te laten ‘uitrekenen’. Aan de hand van die wetten kan de computer dan zelfs een juridische beslissing nemen in een individueel geval, waarbij de omstandigheden aan de computer worden voorgelegd.
Gerecht laat merk ROZALIYA jewelry for enlightenment in stand wegens aangetoond gebruik voor sieraden

Gerecht van de Europese Unie 5 maart 2025, IEF 22619; IEFbe 3894; ECLI:EU:T:2025:216 (Rosalia Vila Tobella tegen EUIPO, Raphael Europe Ltd). Het Gerecht heeft het beroep verworpen van Rosalia Vila Tobella tegen de beslissing van de Kamer van Beroep over het Uniemerk ROZALIYA jewelry for enlightenment. Het merk is ingeschreven op naam van Raphael Europe Ltd voor waren in klasse 14, waaronder sieraden, kettingen en decoratieve artikelen voor persoonlijk gebruik. Aanleiding voor het geschil was een verzoek tot vervallenverklaring van het merk wegens gebrek aan gebruik. De Afdeling Nietigverklaringen gaf dit verzoek gedeeltelijk toe en verklaarde het merk vervallen voor een groot deel van de geregistreerde waren. Voor onder meer sieraden en kettingen werd het merk gehandhaafd. Tegen die gedeeltelijke handhaving richtte verzoekster haar beroep. Volgens verzoekster kon het overgelegde bewijs hoogstens gebruik aantonen met betrekking tot diensten zoals detailhandel in juwelen, maar niet voor de betrokken waren zelf. Het Gerecht volgt dat betoog niet. De Kamer heeft vastgesteld dat het merk zichtbaar werd gebruikt in commerciële documenten, waaronder facturen, productomschrijvingen, stempels en online advertenties. Die documenten waren gericht aan eindgebruikers. Op basis daarvan werd een duidelijk verband aangenomen tussen het merk en de verhandeling van de betrokken waren.
Poppers vallen buiten geregistreerde waren: Gerecht bevestigt vervallenverklaring JUNGLE PREMIUM volledig

Gerecht van de Europese Unie 5 maart 2025, IEF 22622; IEFbe 3895; ECLI:EU:T:2025:204 (Funline International Corp. tegen EUIPO, MS Trade s. r. o). Het Gerecht doet uitspraak in een zaak tussen Funline International Corp. en het EUIPO, met MS Trade s. r. o. als interveniënte. Het geschil betreft de geldigheid van het Uniemerk JUNGLE PREMIUM, dat door Funline is ingeschreven voor chemicaliën voor de vervaardiging van afrodisiaca en chemische preparaten ter stimulering van seksuele activiteit (klasse 1), alsook voor zepen, parfumerieën, etherische oliën, cosmetica, intieme gels, massageoliën en kamergeuren met afrodiserende werking (klasse 3). MS Trade had een verzoek tot vervallenverklaring ingediend voor alle waren. Funline had een eerste set bewijs overgelegd ter staving van daadwerkelijk gebruik van het merk. De Afdeling Nietigverklaringen stelde vast dat dit bewijs uitsluitend betrekking had op poppers, een eindproduct dat niet onder de geregistreerde klassen viel, en verklaarde het merk volledig vervallen. Funline stelde vervolgens beroep in bij de Kamer van Beroep en diende aanvullend bewijs in. Na verweer van MS Trade legde zij een derde set documenten over. De Kamer oordeelde dat het merk alleen was gebruikt voor poppers, en dat deze niet overeenkwamen met de ingeschreven waren. Zij bevestigde de volledige vervallenverklaring.
Persbericht.
EP&C Patent Attorneys benoemt Thomas Remmerswaal tot Associate Partner

Met trots kondigen de partners van EP&C aan dat Thomas Remmerswaal is benoemd tot Associate Partner. Thomas is sinds 2015 werkzaam bij EP&C en heeft de afgelopen tien jaar bewezen een deskundige en toegewijde octrooigemachtigde te zijn.
Met zijn strategische denkwijze, scherpe analyses en sterke klantgerichtheid heeft hij een bloeiende praktijk opgebouwd en een solide reputatie verworven. Johan Volmer, voorzitter van de partnergroep, zegt: “We zijn blij met de ontwikkeling die Thomas heeft doorgemaakt en zien een belangrijke rol voor hem, zowel nu als richting de toekomst van EP&C."
Thomas zegt zelf over zijn benoeming: “Ik ben vereerd met het vertrouwen dat spreekt uit mijn benoeming tot Associate Partner en heb veel zin om ook vanuit die rol bij te dragen aan een mooie toekomst voor EP&C!”
Met de benoeming van Thomas onderstreept EP&C haar inzet voor het continu verbeteren van haar dienstverlening. We kijken ernaar uit om, samen met onze klanten en partners, te blijven werken aan sterke ideeën, slimme strategieën en succesvolle samenwerkingen.
Uitspraak ingezonden door Lotte Oranje en Simon Niens, Kennedy Van der Laan.
Zembla uitzending over ontduiking van sancties tegen Iran heeft ondanks één onzorgvuldigheid een voldoende solide feitelijke basis en is niet onrechtmatig

Rb. Den Haag 19 maart 2025, IEF 22618, IT 4821; ECLI:NL:RBDHA:2025:4367 (O1 International tegen Zembla). Deze zaak gaat over een uitzending van Zembla over ‘Sluitroute Iran’. O1 International stelt dat zij in deze uitzending ten onrechte is beschuldigd van het werven van fondsen voor de Iraanse Islamitische Revolutionaire Garde en betrokken is bij mensenrechtenschendingen. Zij vordert in dit geding een verklaring van onrechtmatige publicatie, verwijdering van de publicatie, een verbod op soortgelijke beschuldigingen, het plaatsen van een rectificatie en vergoeding van de geleden schade. Volgens O1 vinden de beschuldigingen geen steun in de feiten. Zembla betwist de onrechtmatigheid van de uitingen en stelt dat er wel voldoende steun in het feitenmateriaal is. Voorafgaand aan de uitzending is immers voldoende uitgebreid en zorgvuldig onderzoek gedaan, met ruimte voor hoor en wederhoor.
Geen onderscheidend vermogen bij beeldmerk terreinvoertuig van Mercedes-Benz

Gerecht van de Europese Unie 19 maart 2025, IEF 22617; IEFbe 3893; ECLI:EU:T:2025:317 (Mercedes-Benz Group AG tegen EUIPO). Mercedes-Benz Group AG heeft bij het EUIPO een aanvraag ingediend om een beeldmerk te registreren. Het ging om een afbeelding van een voertuig dat een helling oprijdt, bedoeld voor producten zoals motorvoertuigen, onderdelen daarvan, banden en wielen. De aanvraag is deels afgewezen omdat het beeldmerk volgens het EUIPO geen onderscheidend vermogen heeft. Mercedes-Benz is daartegen in beroep gegaan.De Kamer van beroep van het EUIPO heeft dat beroep afgewezen. De Kamer stelt dat de producten vooral bedoeld zijn voor eindgebruikers die extra aandachtig zijn bij hun aankoop, omdat het meestal om dure producten gaat. Het relevante publiek bestaat uit consumenten in de hele Europese Unie. Volgens de Kamer toont het beeldmerk een zijaanzicht van een terreinwagen met een rechthoekige vorm, grote banden en een reservewiel aan de achterkant, in een typische rijsituatie. Het beeld benadrukt eigenschappen van terreinwagens, maar bevat niets wat de consument zou onthouden als verwijzing naar de herkomst van het product. Mercedes-Benz voert aan dat het beeldmerk ongebruikelijk en uniek is, en daardoor wél onderscheidend. Ook stelt zij dat al een klein beetje onderscheidend vermogen genoeg zou moeten zijn voor registratie, en dat bij de beoordeling moet worden gekeken naar alle manieren waarop het merk in de praktijk gebruikt kan worden. Het EUIPO is het daarmee niet eens.
Schadevergoeding en verbod wegens merkinbreuk op Grey Goose
Rb. Den Haag 19 maart 2025, IEF 22616; ECLI:NL:RBDHA:2025:4464 (Bacardi And Company Limited tegen Claymont Brands Hk Limited, Top Logistics B.V.). Bacardi is houdster van het Uniemerk Grey Goose voor alcoholhoudende dranken. Op 25 augustus 2022 heeft zij conservatoir bewijsbeslag laten leggen op 1.510 dozen die waren opgeslagen bij TOP Logistics. Volgens Bacardi bevatten deze dozen namaak Grey Goose-producten. Uit informatie van TOP Logistics blijkt dat de producten afkomstig zijn van Claymont Brands HK Limited. In de periode van 20 juli 2022 tot en met 12 augustus 2022 zijn in totaal vijf zendingen met samen 46.758 flessen van deze producten binnengebracht in het entrepot van TOP Logistics. Bacardi vordert onder meer een verbod op merkinbreuk in Nederland, opgave, schadevergoeding van € 10 per fles, winstafdracht, afgifte ter vernietiging van de 1.510 dozen en een volledige proceskostenveroordeling.
Onrechtmatige uitlatingen op sociale media: verboden en schadevergoeding wegens reputatieschade

Rb. Noord-Holland 22 januari 2025, IEF 22614, IT 4819; ECLI:NL:RBNHO:2025:502 (Stichting c.s. tegen gedaagden). In deze zaak vordert de Stichting Linh Son Tempel samen met eiser sub 2 en eiser sub 3 verboden, een rectificatie en schadevergoeding wegens uitlatingen die volgens hen onrechtmatig zijn en die gedaagde sub 1 heeft gepubliceerd op haar sociale media. Volgens de Stichting c.s. zijn ernstige, lasterlijke uitlatingen gedaan, waarbij eiser sub 2 (een monnik) en eiser sub 3 zonder geldige reden worden beschuldigd van diefstal en seksueel misbruik. Hun eer, goede naam en reputatie worden hierdoor ernstig aangetast. De rechtbank heeft eerder in het tussenvonnis van 4 september 2024 vastgesteld dat een vertaling door een beëdigd vertaler van de uitlatingen van gedaagde sub 1 ontbreekt en heeft de Stichting c.s. de gelegenheid gegeven zo’n vertaling alsnog in te dienen. De Stichting c.s. heeft daarna vertalingen van de gestelde lasterlijke uitlatingen ingediend. Wegens de omvang van de teksten zijn alleen de lasterlijke gedeelten vertaald. Volgens de Stichting c.s. tonen deze vertalingen aan dat de beschuldigingen in hun dagvaarding juist zijn. Zij verwijzen hierbij naar de notitie van vertaler Vu over bepaalde woorden in het Vietnamees die als respectloos en beledigend worden ervaren. De Stichting c.s. vindt dat de kosten voor deze vertalingen onderdeel zijn van de proceskosten en vraagt de rechtbank daarom gedaagde sub 1 ook hierin te veroordelen.