Geluid van openen drankblikje is geen klankmerk
Gerecht EU 7 juli 2021, IEF 20072, IEFbe 3246; ECLI:EU:T:2021:420 (Ardagh Metal Beverage tegen EUIPO) Ardagh heeft een Uniemerkaanvraag bij het EUIPO ingediend. Het merk waarvan inschrijving is aangevraagd, is het klankteken dat doet denken aan het geluid dat ontstaat bij het openen van een drankblikje, gevolgd door een stilte van ongeveer één seconde en gebruis van ongeveer negen seconden. Het Gerecht begint met de opmerking dat een dergelijk klankmerk een onderscheidend vermogen dient te hebben, zodat de consument het aanmerkt als merk. Een element van functionele aard valt hier niet onder. Omdat het openen van een blikje onlosmakelijk verbonden is met een technische oplossing voor het hanteren van dranken kan dit geluid niet worden opgevat als een aanduiding van de commerciële herkomst van deze blikjes. Het Gerecht houdt de weigering van de aanvraag door het EUIPO in stand.
Overheidstoezicht. Het heeft zijn voor- en nadelen
Rechtenorganisaties in Nederland staan via de Wet Toezicht op Collectieve beheersorganisaties onder toezicht van het CvTA (het College van Toezicht Auteursrechten), de door de overheid benoemde toezichthouder. Dat heeft zijn oordelen: het toezicht kan voor zowel musici en andere auteurs en artiesten, als voor gebruikers van muziek en ander beschermd werk, een garantie zijn op kostenefficiënt werken, redelijke tarieven en goede navolging van de wet. Maar het kan ook een last zijn.
Lees hier verder.
Deze bijdrage verschijnt deze week in Muziekwereld, het blad van de Vakgroep Muziek Kunstenbond/Ntb vakbond voor musici.
Artikel ingezonden door Erwin Angad-Gaur, senior adviseur Kunstenbond/Ntb en directeur VCTN.
Normaal?
Het lijkt zover: we mogen open. De simpele samenvatting: bijna alles kan, op anderhalve meter.
De deuren van de cultuursector, van winkels en horeca mogen weer open onder reguliere openingstijden, op volle capaciteit, en de mondkapjesplicht vervalt grotendeels. Ook de beperking van anderhalve meter vervalt met een corona-toegangsbewijs. Het lijkt inmiddels bijna onwerkelijk, maar een terugkeer naar ‘normaal’ lijkt werkelijk een feit. Voor wie zich ‘normaal’ herinneren kan. Het lijkt een eeuwigheid geleden.
Lees hier verder.
Deze column verschijnt deze week in Muziekwereld, het blad van de Vakgroep Muziek Kunstenbond/Ntb vakbond voor musici.
Geen belang want geen uitlatingen op internet
Rechtbank Rotterdam 17 juni 2021, IEF 20069, IT 3585; ECLI:NL:RBROT:2021:5655 (Eiser tegen gedaagde) Eiser is de rechtsopvolger van een budgetbeheer bedrijf. Gedaagde was klant bij het bedrijf en heeft een aantal keer Google reviews geschreven die onwaarheden bevatten. Eiser vordert dat het gedaagde verboden wordt om nog langer zulke uitlatingen te doen. Op het moment dat deze zaak voor de rechter komt, staan er geen uitlatingen van gedaagde op internet. Mede om deze reden wordt geoordeeld dat eiser geen belang bij de vordering heeft. Ook staat gedaagde inmiddels weer onder professionele begeleiding, waardoor het aannemelijk wordt geacht dat gedaagde zich niet langer negatief zal uitlaten op internet over eiser.
Uitspraak ingezonden door Lenneke van Gaal, LWSL.
Woordmerk 'Miley Cyrus' heeft een duidelijke en specifieke semantische inhoud
Gerecht EU 16 juni 2021, IEF 20068; ECLI:EU:T:2021:372 (Smiley Miley tegen EUIPO) Smiley Miley heeft in 2014 het woordmerk 'Miley Cyrus' geregistreerd. Het EUIPO heeft in eerste aanleg bepaald, dat er sprake is van verwarring ten aanzien van de merknaam Cyrus, een verkoper van onder andere muziekinstallaties. Smiley Miley komt daar in deze zaak tegen in beroep en voert aan dat de vergelijking minimaal is. Het Gerecht vernietigt de uitspraak van het EUIPO. Ze stelt dat de naam Miley Cyrus voor het relevante publiek een duidelijke en specifieke semantische inhoud heeft, omdat zij bij het grote publiek bekend staat als een internationale zangeres. Deze specifieke inhoud geldt niet voor de merknaam Cyrus, waardoor er geen sprake kan zijn van verwarringsgevaar.
Tweede conclusie P-G in de zaak WIKO tegen Philips
HR Conclusie P-G 2 juli 2021, IEF 20066; ECLI:NL:PHR:2021:669 (WIKO tegen Philips) Deze zaak is onderdeel van een aantal in het geding zijnde SEP octrooien. Philips is houder van een het octrooi EP525, dat de efficiëntie van de transmissie van datapakketten beoogt te verbeteren. Een SEP moet onder FRAND-voorwaarden in licentie worden gegeven. WIKO heeft een Frand-verweer gevoerd, omdat Philips EP 525 heeft aangemeld als standaard-essentieel voor de UMTS-standaard en zij de daaraan verbonden contractuele en mededingingsrechtelijke verplichtingen niet is nagekomen. WIKO heeft zich volgens het hof niet als een willing licensee getoond en daarnaast is niet voldaan aan de stel- en bewijsplicht die op WIKO rustte. De P-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Zie ook [IEF 20065].
Inhoudsopgave Berichten Industriële Eigendom
Inhoudsopgave van het tijdschrift Berichten Industriële Eigendom 3-2021.
Berichten uit het buitenland
Germany; a legal report: trade marks, designs, patents and unfair competition 2020 − Ulrich Hildebrandt 122
Terugblik
Ongeoorloofde mededinging 2020 − Rutger de Beer 136
Bedrijfsgeheimen − Maarten Schut 140
Rechtspraak
Conclusie P-G in de zaak WIKO tegen Philips
HR Conclusie P-G 2 juli 2021, IEF 20065, IT 3579; ECLI:NL:PHR:2021:670 (WIKO tegen Philips) Deze zaak is onderdeel van een aantal in het geding zijnde octrooien. Philips is houder van een SEP octrooi, dat voorkomt dat data bij een slechte kanaalkwaliteit met een excessief hoog vermogen worden verzonden. Een SEP moet onder FRAND-voorwaarden in licentie worden gegeven. WIKO heeft de vernietiging van het octrooi gevorderd, wegens gebrek aan inventiviteit. Ook voldoet volgens WIKO het licentie-aanbod van Philips niet aan de FRAND-voorwaarden. De P-G concludeert, dat WIKO niet heeft kunnen aantonen dat en waarom Philips misbruik maakt van haar machtspositie en dat de door Philips verleende licentie onder FRAND-voorwaarden discriminatoir is. Volgens het hof - en de P-G Van Peursem onderschrijft dit - zijn vergelijkbare gevallen niet zonder meer gelijk en kunnen er met verschillende afnemers verschillende FRAND-voorwaarden worden afgesproken. WIKO heeft daarnaast niet voldaan aan haar stel- en bewijsplicht. De P-G concludeert tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitspraak ingezonden door Tobias Cohen Jehoram, Renate Keijser en Geert Lokhorst, De Brauw Blackstone.
Onvoldoende bewijs voor normaal gebruik woordmerk
BOIP 29 juni 2021, IEF 20064, IEFbe 3244; CANC/3000225/DW (De Brauw tegen Forbitex) De Brauw vordert in deze zaak de doorhaling van het woordmerk AMALIA. Ze voert daartoe aan dat er geen sprake is van normaal gebruik van dit woordmerk. Het woordmerk wordt volgens eiser niet vermeld op facturen van Forbitex en is ook niet op de website te vinden. Forbitex heeft daarop twee relevante facturen overlegd, waar het woordmerk AMALIA wel wordt gebruikt. Volgens het bureau is dit echter onvoldoende om aan te nemen dat de commerciële exploitatie in het zakenleven reëel is. Zodoende is er volgens het Bureau geen sprake van normaal gebruik. De vordering tot vervallenverklaring wordt toegewezen.
Uitspraak ingezonden door Grégory Sorreaux en Matthieu Pierre, Thales.
Verzoek om schadedeskundige afgewezen
Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel 25 mei 2021, IEF 20063, IEFbe 3243; A/20/00670 (Del Ponti tegen Tulplast) Deze zaak maakt deel uit van een breder geschil tussen Del Ponti (een onderneming naar Belgisch recht) en Tulplast (een onderneming naar Pools recht) dat in 2014 begon voor de stakingsrechter te Brussel werd aangespannen. Del Ponti beschuldigde Tulplast ervan een van zijn producten te hebben gereproduceerd en gekopieerd in strijd met haar bij het OHIM geregistreerde model. Zowel de eerste rechter als de beroepsrechter bevestigden de inbreuk van Tulplast en bevallen ze derhalve de staking ervan.
In een daaropvolgende schadevergoedingsprocedure die eind 2019 werd ingeleid vorderde Del Ponti vergoeding van de schade die zij beweerde te hebben geleden. Del Ponti verzocht, in hoofdorde, de veroordeling van Tulplast tot betaling van een schadevergoeding, provisioneel begroot op 1.000.000 (later in de procedure verminderd tot 250.000) EUR en, ondergeschikt, deskundige aan te stellen ten einde haar schade concreet te begroten.