IEF 23504
28 april 2026
Artikel

Online update: AI & auteursrecht op woensdag 13 mei

 
IEF 23503
28 april 2026
Uitspraak

Rb. Den Haag: buitenlandse eiser hoeft geen zekerheid te stellen bij voldoende verhaal in Nederland

 
IEF 23502
28 april 2026
Uitspraak

Hof Den Haag na verwijzing: geen voorafgaand oordeel over partijdeskundigenrapport; incident afgewezen wegens doelmatige procesvoering

 
IEF 23496

Gerecht bevestigt nietigverklaring van het Crocs-model wegens ontbreken van eigen karakter

Gerecht EU (voorheen GvEA) 22 apr 2026, IEF 23496; ECLI:EU:T:2026:280 (Crocs tegen EUIPO en Gor Factory), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-nietigverklaring-van-het-crocs-model-wegens-ontbreken-van-eigen-karakter

Gerecht EU 22 april 2026, IEF 23496; IEFbe 4198; ECLI:EU:T:2026:280 (Crocs tegen EUIPO en Gor Factory). In zaak T-228/25 heeft het Gerecht het beroep van Crocs verworpen tegen de beslissing van de Derde Kamer van Beroep van het EUIPO waarbij een ingeschreven EU-model voor schoeisel nietig was verklaard. De nietigheidsvordering was ingesteld door Gor Factory, SA op grond van art. 25 lid 1, onder b, van Verordening nr. 6/2002 (in de versie van vóór Verordening 2024/2822), gelezen in samenhang met art. 4 en art. 6 van die verordening, omdat het model volgens Gor Factory geen eigen karakter had ten opzichte van een eerder model van Holey Soles-klompen. Vast stond dat dit oudere model vóór de door Crocs ingeroepen prioriteitsdatum van 28 mei 2004 aan het publiek beschikbaar was gesteld, namelijk op 13 en 14 april 2003 via een Amerikaanse design patent application (No 29/206 427). Het Gerecht onderschrijft verder de uitgangspunten van de Kamer van Beroep dat de betrokken productsector die van schoeisel, meer in het bijzonder klompen, is, dat de geïnformeerde gebruiker van die producten een relatief hoog aandachtsniveau heeft en dat de ontwerpvrijheid van de ontwerper van klompen groot is. Dat een klomp bepaalde basiskenmerken heeft die verband houden met ergonomie en functie, zoals een stevige zool en bovenwerk, sluit ruime ontwerpvrijheid volgens het Gerecht niet uit, omdat nog steeds veel variatie mogelijk blijft in onder meer materiaal, kleur, patronen, decoratieve elementen en in de aanwezigheid, het aantal, de vorm, de grootte en de plaatsing van gaten en uitsparingen.

IEF 23495

Gerecht bevestigt weigering van het Uniewoordmerk ROSE voor klasse 25 wegens beschrijvend karakter

Gerecht EU (voorheen GvEA) 22 apr 2026, IEF 23495; ECLI:EU:T:2026:282 (Rose Bikes tegen EUIPO), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-van-het-uniewoordmerk-rose-voor-klasse-25-wegens-beschrijvend-karakter

Gerecht EU 22 april 2026, IEF 23495; IEFbe 4197; ECLI:EU:T:2026:282 (Rose Bikes tegen EUIPO). In zaak T-56/25 heeft het Gerecht het beroep verworpen tegen de weigering om het woordmerk ROSE als Uniemerk in te schrijven voor waren in klasse 25, namelijk kleding, schoeisel en hoofddeksels. Die weigering berustte op art. 7 lid 1, onder c, UMVo, gelezen in samenhang met art. 7 lid 2 UMVo. Het Gerecht vertrekt van het niet bestreden uitgangspunt dat het relevante publiek bestaat uit het grote publiek in de Unie, in elk geval het Engels- en Franstalige deel daarvan, en dat het woord “rose” door dat publiek onmiddellijk wordt begrepen als aanduiding van de kleur roze. Vervolgens herhaalt het Gerecht de vaste maatstaf dat een teken beschrijvend is wanneer het, voor de betrokken waren of diensten, een voldoende directe en concrete samenhang heeft met een kenmerk daarvan, zodat het relevante publiek daarin onmiddellijk en zonder verder nadenken een beschrijving van die waren of van een van hun kenmerken ziet. Daarbij benadrukt het Gerecht dat zo’n kenmerk wel objectief, aan de aard van het product inherent en intrinsiek en permanent moet zijn. Het enkele feit dat kledingproducten in allerlei kleuren voorkomen, dat kleur een rol speelt bij de aankoopbeslissing of dat webwinkels filteren op kleur, is dus op zichzelf nog niet genoeg om een kleurbenaming beschrijvend te achten.

IEF 23494

Gerecht bevestigt afwijzing nietigheidsvordering tegen Uniemerk G MOTION: geen verwarringsgevaar en geen aangetoonde reputatie van het oudere merk

Gerecht EU (voorheen GvEA) 22 apr 2026, IEF 23494; ECLI:EU:T:2026:275 (Barranco Rodriguez en Barranco Schnitzler tegen EUIPO en Snowacki e.a.), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-afwijzing-nietigheidsvordering-tegen-uniemerk-g-motion-geen-verwarringsgevaar-en-geen-aangetoonde-reputatie-van-het-oudere-merk

Gerecht EU 22 april 2026, IEF 23494; IEFbe 4196; ECLI:EU:T:2026:275 (Barranco Rodriguez en Barranco Schnitzler tegen EUIPO en Snowacki e.a.). In zaak T-349/25 heeft het Gerecht van de Europese Unie het beroep verworpen van de aanvragers van de nietigheidsvordering tegen het Uniemerk G MOTION. Die nietigheidsvordering was ingesteld tegen een op 17 januari 2023 ingeschreven Uniemerk voor waren in klasse 7 en was gebaseerd op het oudere Uniemerk GM Germany Motions, onder aanvoering van art. 60 lid 1, onder a, UMVo gelezen in samenhang met art. 8 lid 1, onder b, en art. 8 lid 5 UMVo. Het Gerecht sluit zich aan bij de Kamer van Beroep dat voor de beoordeling van art. 8 lid 1, onder b, kan worden uitgegaan van de voor de aanvragers gunstigste veronderstelling dat de betrokken waren identiek zijn, terwijl het relevante publiek bestaat uit professionele afnemers van machines, motoren en transmissieonderdelen met een hoog aandachtsniveau. Bij de tekenvergelijking oordeelt het Gerecht dat de woorden “motion” en “motions” voor deze waren beschrijvend, althans sterk allusief, zijn omdat zij verwijzen naar beweging, een kenmerk van de betrokken producten. Ook de letter “g” heeft slechts een zwakke onderscheidingskracht: een enkele letter is op zichzelf weinig onderscheidend en de stilering als tandwiel verwijst bovendien rechtstreeks naar de betrokken waren. Daarom komt aan de overeenstemming in de letter “g”, in de woordelementen “motion/motions” en in het gebruik van rood slechts beperkt gewicht toe. De tekens verschillen daarentegen duidelijk in hun grafische vormgeving, compositie, rangschikking en kleurgebruik. Het Gerecht bevestigt daarom het oordeel van de Kamer van Beroep dat de tekens visueel slechts in geringe mate, fonetisch in gemiddelde mate en begripsmatig opnieuw slechts in geringe mate overeenstemmen. Omdat het oudere merk bovendien slechts zwak inherent onderscheidend is en de betrokken waren normaliter na visuele inspectie worden gekocht, is er ondanks de veronderstelde identiteit van de waren geen gevaar voor verwarring in de zin van art. 8 lid 1, onder b, UMVo.

IEF 23493

Kort geding over EP 2 700 765 voor trapbekleding: vorderingen afgewezen wegens serieuze kans op vernietiging van het octrooi

Rechtbank Den Haag 10 apr 2026, IEF 23493; ECLI:NL:RBDHA:2026:8972 (I4F tegen Van Dijk), https://ie-forum.nl/artikelen/kort-geding-over-ep-2-700-765-voor-trapbekleding-vorderingen-afgewezen-wegens-serieuze-kans-op-vernietiging-van-het-octrooi

Rb. Den Haag 10 april 2026, IEF 23493; ECLI:NL:RBDHA:2026:8972 (I4F tegen Van Dijk). In dit kort geding tussen I4F Licensing NV en Van Dijk Postforming & Vlakverlijming B.V. stond de handhaving centraal van het Nederlandse deel van Europees octrooi EP 2 700 765, dat ziet op een paneel voor onder meer trapbekleding. Octrooihoudster is Vakman Interieur Concepten B.V. (VIC); I4F beschikt over een exclusieve licentie en was door VIC gemachtigd het octrooi jegens derden te handhaven. I4F stelde dat de door Van Dijk geproduceerde en verkochte MexForm LVT-trappanelen inbreuk maakten op conclusie 1 en de afhankelijke conclusies 2 tot en met 13 van EP 765, en vorderde onder meer een inbreukverbod, opgave, recall, afgifte ter vernietiging, proceskosten ex art. 1019h Rv en bepaling van een termijn ex art. 1019i Rv. De voorzieningenrechter achtte zich bevoegd op grond van art. 4 Brussel I-bis, terwijl de relatieve bevoegdheid volgde uit art. 80 lid 2, onder a, ROW 1995; ook het spoedeisend belang werd aangenomen wegens de gestelde voortdurende inbreuk. Bij de inhoudelijke beoordeling stelde de rechter voorop dat een voorlopige maatregel wegens octrooi-inbreuk in beginsel moet worden geweigerd wanneer een serieuze, niet te verwaarlozen kans bestaat dat het ingeroepen octrooi in een bodemprocedure nietig zal worden geoordeeld.

IEF 23492

Uitspraak ingezonden door Marloes Smilde, Markedly

Gymshark blokkeert inschrijving “Sharkys Gym” wegens verwarringsgevaar met GYMSHARK-merk

BBIE 26 jan 2026, IEF 23492; N° 2020307 ((Gymshark Unlimited tegen Sharkys Gym)), https://ie-forum.nl/artikelen/gymshark-blokkeert-inschrijving-sharkys-gym-wegens-verwarringsgevaar-met-gymshark-merk

BOIP, 26 januari 2026, IEF23492, IEF-BE4195, N° 2020307, (Gymshark Limited tegen Sharkys Gym). In deze procedure staat Gymshark Limited tegenover Sharkys Gym. Laatstgenoemde had een Benelux-aanvraag ingediend voor een gecombineerd woord-/beeldmerk “SHARKYS GYM” voor sport- en fitnessdiensten in klasse 41. Gymshark stelde oppositie in op grond van drie oudere GYMSHARK-merken. Het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom beoordeelt de oppositie om proceseconomische redenen uitsluitend aan de hand van het woordmerk GYMSHARK. Centraal staat de vraag of sprake is van verwarringsgevaar in de zin van artikel 2.2ter lid 1 sub b BVIE. Het Bureau past de vaste globale beoordeling toe, waarbij alle relevante factoren in onderlinge samenhang worden gewogen, waaronder de mate van overeenstemming tussen de tekens, de soortgelijkheid van de diensten, het onderscheidend vermogen van het oudere merk en het relevante publiek. Daarbij wordt uitgegaan van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende consument, in dit geval het algemene publiek met een gemiddeld aandachtsniveau. Ten aanzien van de diensten stelt het Bureau vast dat de door Sharkys Gym aangevraagde sport- en fitnessdiensten in klasse 41 identiek dan wel sterk overeenstemmend zijn met de diensten waarvoor het woordmerk GYMSHARK is ingeschreven. Het gaat in beide gevallen om (onder meer) sport-, fitness- en trainingsdiensten. Het Bureau benadrukt daarbij dat deze vergelijking uitsluitend plaatsvindt op basis van de omschrijvingen in het register, zodat feitelijk gebruik – zoals het onderscheid tussen sportkleding en sportschooldiensten – buiten beschouwing blijft. Bij de vergelijking van de tekens staat de totaalindruk centraal, met bijzondere aandacht voor de onderscheidende en dominerende bestanddelen. Het woordmerk GYMSHARK zal door het relevante publiek worden opgevat als een samenstelling van “gym” en “shark”, waarbij “gym” beschrijvend is voor sportgerelateerde diensten en “shark” het meest onderscheidende element vormt. In het betwiste teken “SHARKYS GYM” geldt een vergelijkbare analyse: ook hier is “gym” beschrijvend, terwijl “sharkys” het meest onderscheidende woordelement is. Hoewel het teken daarnaast grafische elementen bevat, waaronder een gestileerde haaienkop en aanvullende tekst (“the leg day paradise”), zal het publiek zich met name richten op de prominente woordelementen.

IEF 23490

Verkoop van niet-authentieke AirPods levert voorshands merkinbreuk op

Rechtbank Den Haag 21 apr 2026, IEF 23490; ECLI:NL:RBDHA:2026:9585 (Apple tegen TTP), https://ie-forum.nl/artikelen/verkoop-van-niet-authentieke-airpods-levert-voorshands-merkinbreuk-op

Rb. Den Haag 21 april 2026, IEF 23490; ECLI:NL:RBDHA:2026:9585 (Apple tegen TTP). De voorzieningenrechter oordeelt dat het voorshands aannemelijk is dat TTP Concept in Style B.V. inbreuk heeft gemaakt op de Apple-merken door zonder toestemming van Apple AirPods te verkopen aan Action en Sligro en via de AH Voordeelshop. TTP had erkend dat zij deze producten, voorzien van de merken van Apple, in Nederland had verkocht, maar voerde aan dat het zou gaan om rechtmatig in de EER in het verkeer gebrachte, “remanufactured to new” of refurbished producten, zodat sprake zou zijn van uitputting. Dat verweer slaagt niet. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het in beginsel aan de door de merkhouder aangesproken derde is om aannemelijk te maken dat de betrokken producten eerder door of met toestemming van de merkhouder in de EER in het verkeer zijn gebracht. TTP heeft dat, hoewel dat wel op haar weg lag, niet aannemelijk gemaakt. Apple had haar stellingen bovendien onderbouwd met drie interne expert opinions, waarin onder meer werd gewezen op afwijkende verpakkingen, onbekende of niet-passende serienummers, een mismatch tussen serienummers en verpakking en het gebruik van third-party onderdelen. TTP heeft die bevindingen onvoldoende gemotiveerd weersproken en heeft ter zitting zelf verklaard er inmiddels ernstig rekening mee te houden dat de door haar verhandelde producten counterfeit kunnen zijn. Daarom acht de voorzieningenrechter voorshands aannemelijk dat TTP zonder toestemming van Apple de Apple-merken in het economisch verkeer heeft gebruikt voor waren die gelijk zijn aan die waarvoor die merken zijn ingeschreven, en dus inbreuk heeft gemaakt in de zin van artikel 9 lid 2, onder a, UMVo. Dat TTP naar eigen zeggen eerder op basis van informatie van derden meende dat de producten authentiek of uitgeput waren, komt in haar verhouding tot Apple voor haar eigen rekening en risico.

IEF 23491

Uitlatingen over brandveiligheid van isolatiemateriaal deels ongeoorloofd en misleidend

Rechtbank Gelderland 5 okt 2022, IEF 23491; ECLI:NL:RBGEL:2022:5713 (Rockwool tegen Kingspan), https://ie-forum.nl/artikelen/uitlatingen-over-brandveiligheid-van-isolatiemateriaal-deels-ongeoorloofd-en-misleidend

Rb. Gelderland 5 oktober 2022, IEF 23491; RB 4003; ECLI:NL:RBGEL:2022:5713 (Rockwool tegen Kingspan). De rechtbank beoordeelt een wederzijds geschil tussen Rockwool en Kingspan over uitlatingen over de brandveiligheid van steenwol- en kunststofisolatie in de nasleep van de brand in de Grenfell Tower. De rechtbank zet eerst uiteen dat voor misleidende reclame (art. 6:194 BW) en ongeoorloofde vergelijkende reclame (art. 6:194a BW) onder meer vereist is dat sprake is van een openbaar gemaakte mededeling die de relevante doelgroep kan misleiden en haar economisch gedrag kan beïnvloeden; maatgevend is daarbij de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone beroeps- of bedrijfsbeoefenaar, hier vooral aannemers en architecten. In conventie krijgt Rockwool slechts gedeeltelijk gelijk, en wel alleen tegenover Kingspan Insulation B.V.. De rechtbank oordeelt dat de website-uiting van Kingspan Insulation dat het classificeren van een materiaal als onbrandbaar niet betekent dat het materiaal niet brandt, kwalificeert als ongeoorloofde vergelijkende reclame, omdat daarin impliciet naar steenwolproducten van Rockwool wordt verwezen en de formulering, zonder voldoende nuancering, misleidend is. Hetzelfde geldt voor de uitlatingen tijdens de NEN Studiedagen, voor zover daarin werd gesteld dat een combinatie van A1-isolatiemateriaal en A2-gevelbekleding een brandtest had gefaald zonder dat daaraan onderling identieke en objectief vergelijkbare brandtests ten grondslag lagen. De overige verwijten van Rockwool slagen niet: de tweede website-uiting kon niet aan de gedagvaarde Kingspan-vennootschappen worden toegerekend omdat zij afkomstig was van Kingspan Unidek, de Position Paper werd niet misleidend geacht omdat daarin feitelijk en op basis van objectief vergelijkbare DCLG-tests werd gerapporteerd, de bedrijfsfilm werd niet aan de gedagvaarde Kingspan-entiteiten toegerekend, en voor het gevorderde algemene gebod om op verzoek feitelijke onderbouwing van toekomstige uitingen te verstrekken biedt art. 6:195 lid 1 BW jo. art. 3:296 BW volgens de rechtbank geen grondslag. De rechtbank verklaart daarom voor recht dat Kingspan Insulation onrechtmatig heeft gehandeld, verbiedt die specifieke uitingen, wijst een dwangsom toe en kent schadevergoeding op te maken bij staat toe; de gevorderde rectificatie wordt afgewezen. Kingspan Insulation wordt in conventie veroordeeld in de proceskosten van € 1.906,10.

IEF 23488

Algemene thema's zijn niet auteursrechtelijk beschermd, óók niet als AI het nabootst, aldus het Duitse Hof


Het Gerechtshof Düsseldorf oordeelde dat een met AI gegenereerde afbeelding van een hond onder water geen inbreuk maakt op het auteursrecht op de foto waar de afbeelding op is gebaseerd. Volgens het hof is alleen het onbeschermde motief van de foto overgenomen, en niet de beschermde creatieve keuzes van de fotograaf. In het auteursrecht geldt: niet stijl, idee of motief worden beschermd, maar alleen de concrete creatieve uitwerking.

De uitspraak is ook voor Nederland relevant. Het hof baseert zijn beoordeling op het Unierechtelijke werkbegrip en verwijst naar recente rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

In deze blog lichten we toe hoe het hof tot zijn oordeel komt, en welke belangrijke vraag het juist onbeantwoord laat.

IEF 23486

Uitspraak ingezonden door Max van Oostrum, Marga Verwoert en Willemijn Oskam, Leeway

Hof Arnhem-Leeuwarden vernietigt grensoverschrijdend verbod wegens auteursrechtinbreuk op Tripp Trapp-stoel

Hof Arnhem-Leeuwarden 14 apr 2026, IEF 23486; ECLI:NL:GHARL:2026:2224 ((Stokke c.s. tegen Cybex c.s.)), https://ie-forum.nl/artikelen/hof-arnhem-leeuwarden-vernietigt-grensoverschrijdend-verbod-wegens-auteursrechtinbreuk-op-tripp-trapp-stoel

Hof Arnhem-Leeuwarden 14 april 2026, IEF23486, ECLI:GHARL:2026:2224 (Stokke c.s. tegen Cybex c.s.). Op 14 april 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden uitspraak gedaan in het hoger beroep in de zaak tussen Stokke c.s. en Cybex c.s. Het Hof vernietigt het opgelegde grensoverschrijdende verbod dat door de voorzieningenrechter in eerste aanleg was opgelegd (IEF22786). Het hof concludeert dat er geen grensoverschrijdende bevoegdheid kan worden aangenomen omdat er in onvoldoende mate sprake is van feitelijke samenhang tussen de vorderingen tegen de Nederlandse ankergedaagden en gedaagden Cybex c.s. Dit maakt dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 8 punt 1 Verordening Brussel I-bis en dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid kan ontlenen aan dit artikel. Vervolgens oordeelt het hof dat de IRIS Chair (later: Iris-stoel) van Cybex c.s. auteursrechtinbreuk maakt op de Tripp Trapp van Stokke c.s. De vorderingen worden echter beperkt tot het Nederlands grondgebied.