Hof: uitlatingen zijn in bodemprocedure waarschijnlijk niet onrechtmatig
Hof Amsterdam 30 september 2025, IEF 23011; ECLI:NL:GHAMS:2025:2542 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]). [appellant 1] en [appellant 2] woonden op een woonboot en verkochten in 2015 de naastgelegen woonboot aan [geïntimeerde]. Na de verkoop ontstonden er spanningen tussen partijen, volgens [geïntimeerde] zelfs pesterijen en getreiter. [geïntimeerde] heeft in een andere procedure een verklaring afgelegd. Hierin staat onder andere dat het voor [geïntimeerde], "een regelrechte ramp" was om naast [appellanten] te wonen. [appellanten] spanden daarop een kort geding aan en eisten rectificatie van de verklaringen van [geïntimeerde], op straffe van een dwangsom. De voorzieningenrechter wees deze vordering af, omdat niet aannemelijk was dat een bodemrechter de uitlatingen als onrechtmatig zou aanmerken. [appellanten] hebben in hoger beroep zeven grieven aangevoerd die erop neerkomen dat de voorzieningenrechter een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd of onjuist heeft getoetst bij de vraag of de uitlatingen van [geïntimeerde] onrechtmatig zijn.