Verslag implementatie verweesde-werkenrichtlijn
Verslag implementatie van de verweesde-werkenrichtlijn, kamerstukken II, 2013-2014, 33 892, nr. 5.
Billijke vergoeding kan nihil zijn. Criteria zorgvuldig onderzoek: nationale in plaats van geïntegreerde Europese bronnenlijst. Hoe vergoedingen snel en in redelijkheid tot stand kunnen komen en wie economisch en juridisch gezien eventuele risico’s en kosten van claims en vrijwaringen het beste kan dragen?
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van bovengenoemd wetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen. Kan een limitatieve lijst van gebruiksmogelijkheden voor archiefproducties worden gegeven? Is door de regering onderzocht op welke wijze digitale ontsluiting van bepaalde auteursrechtelijk beschermde werken en nabuurrechtelijk beschermde prestaties vergemakkelijkt kan worden, anders dan door implementatie van de Richtlijn?
(...)
Daarnaast vragen deze leden of reeds meer kan worden gezegd over de te raadplegen bronnen op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat voldaan is aan het criterium van het doen van zorgvuldig onderzoek als genoemd in artikel 3, eerste lid van de Richtlijn, dat is geïmplementeerd in artikel 16p van de Auteurswet. Is de lijst van deze bronnen reeds ingesteld? Zo ja, is deze lijst een limitatieve opsomming van de te raadplegen bronnen? Zijn dit reeds bestaande bronnen of worden deze speciaal voor de uitvoering van de Richtlijn vormgegeven?
De leden van de SP-fractie vragen de regering bij welke omstandigheden de billijke vergoeding nihil kan zijn. Klopt de aanname van onder meer VOI©E dat hiervan alleen sprake kan zijn als de rechthebbende van een billijke vergoeding afziet?
(...)
Gesteld wordt dat de billijke vergoeding, afhankelijk van de omstandigheden, van beperkte omvang of zelfs nihil kan zijn. Voornoemde leden vragen onder welke omstandigheden dit het geval kan zijn. Klopt het dat daarvan alleen sprake kan zijn als de rechthebbende afziet van een billijke vergoeding?
De leden van de D66-fractie vragen de regering toe te lichten waarom ervoor gekozen is de uitwerking van de bronnenlijst op stellen via een AMvB, in plaats van deze bronnenlijst op te nemen in de voorliggende wetswijziging. Kan de regering tevens toelichten waarom er is gekozen voor uitwerking via nationale bronnenlijsten in plaats van een integrale Europese bronnenlijst?
Deze leden constateren dat de regering op grond van artikel 6, tweede lid van de Richtlijn heeft bepaald dat instellingen inkomsten mogen genereren met de beschikbaarstelling van verweesde werken. Graag ontvangen zij een toelichting van de regering op de voorwaarden die worden gesteld aan deze te genereren inkomsten: wanneer en in welke gevallen mag er wel of niet een vergoeding worden gevraagd; hoe vaak mag dit en wat is de maximale hoogte van deze vergoeding? Ook vragen zij de regering toe te lichten wat wordt verstaan onder het uitgangspunt «dat de inkomsten uitsluitend mogen worden gebruikt ter financiering van de kosten van de digitalisering». Aan welke kosten denkt zij dan, en op welke manier wil de regering hierop toezien en dit handhaven?
(...)
3. Consultatie, administratieve lasten en nalevingskosten
(...)
De leden van de CDA-fractie merken op dat de noodzaak om een onderzoek naar de rechthebbende uit te voeren niet voortvloeit uit de Richtlijn, maar uit het feit dat het om auteursrechtelijk beschermde werken gaat die de instelling wil reproduceren en/of beschikbaar stellen. Waarom is dit niet (ook) in de Richtlijn opgenomen?
(...)Voornoemde leden merken op dat de Commissie Auteursrecht heeft gewezen op de mogelijkheid van «extended collective licensing», zoals bepleit door erfgoedorganisaties, rechthebbenden en collectieve beheersorganisaties in hun gezamenlijke brief van 10 september 2013 voor massadigitalisering. Dit is een mogelijkheid die een nuttige en praktische aanvulling kan vormen op de beperking die op grond van de Richtlijn wordt ingevoerd. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voert onderzoek uit naar de voor- en nadelen van dergelijke en andere collectieve oplossingen, waarvan naar verwachting medio 2014 de resultaten bekend zijn. Kan naar aanleiding daarvan nadere aanpassing van de wet- en regelgeving aan de orde zijn? Gaat dit onderzoek uit van keuzevrijheid van partijen? Wordt daarin nagegaan wat de effectiefste wijze van rechtenverwerving is voor exploitatie van audiovisuele producties (individueel of collectief), hoe vergoedingen snel en in redelijkheid tot stand kunnen komen en wie economisch en juridisch gezien eventuele risico’s en kosten van claims en vrijwaringen het beste kan dragen?
(...)
Voornoemde leden vragen de regering te verduidelijken of het wetsvoorstel pas in stemming wordt gebracht nadat de resultaten van het onderzoek naar de voor- en nadelen van massadigitalisering en andere collectieve oplossingen door het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is uitgevoerd. Deze leden vragen de regering eveneens te verduidelijken of de resultaten van dit onderzoek nog kunnen leiden tot een herziening van het wetsvoorstel. Zo ja, waarom is het wetsvoorstel dan nu al ingediend?
Merkenrecht. Daamen is houdster van Python Merken voor o.a. veiligheidsschoenen. Maxguard biedt via haar website een schoenmodel Python aan. Op grond van artikel 9 lid 1 sub b GMVo en 2.20 lid 1 sub b BVIE zijn de (Europese) stakingsvorderingen succesvol. Python (een slangensoort) roept niet de associatie van veiligheidsschoenen op of verwijst naar de bestemming van de waar, zodat het een groot merkenrechtelijk onderscheidend vermogen heeft. Maxguard c.s. moet een brief sturen naar alle afnemers van de veiligheidsschoen. Gevorderde adresgegevens van zakelijke afnemers, zijn wel toewijsbaar, echter zonder accountantscontrole.
Ieder jaar op 26 april vieren we de Wereld Dag van de Intellectuele Eigendom. Deze dag is bedoeld om wereldwijd de rol en het belang van Intellectueel Eigendom voor het bevorderen van creativiteit en innovatie te benadrukken. Het thema van dit jaar is uitgewerkt in een YouTube playlist '
Uitspraak mede ingezonden door Lisette Bieleveld en Marc Elshof,
Reclamerecht. Afwijzing. Het betreft de tekst op een blikje Potter’s droppastilles, die luidt: “Verbeterde formule Potter’s Verfrissende droppastilles Original”. Een pottertje is een halfhard kussenvormig dropje met een mentholachtige smaak. Sinds ongeveer een jaar zitten er ronde kogeltjes in het blikje die qua smaak wel wat weg hebben van een pottertje, maar die uiteenspatten als glas als men erop kauwt. Voor de huidige “pottertjes” behoort de naam “Potter’s” niet langer te worden gebruikt en het is misleidend deze “original” te noemen nu de formule is gewijzigd.
Octrooirecht. Uitvinder. Proceskosten bij opeising. Ferring brengt MINIRIN tabletten met desmopressin op de markt en vordert aanspraak op o.a. EP 419, de divisionals, en nationale aanvragen voor een low-dose concept. Uitvinding is niet door A gedaan, maar door X die hij presenteerde binnen de Ferringgroep. A heeft als consultant de kennis van low dose concept ontleend aan X en heeft na de werkzaamheden WO 707 aangevraagd. De rechtbank oordeelt dat X niet de uitvinder is van de in WO 707 geopenbaarde uitvinding en wijst de vorderingen af. De proceskosten worden volgens liquidatietarief begroot. De opeising van een octrooiaanvraag op de voet van onder meer artikel 61 EOV vormt geen situatie waarin een rechthebbende zich beroept op inbreuk op zijn octrooirecht. Deze procedure kan niet worden aangemerkt als een vooruitgeschoven inbreukverweer tegen dreigende handhaving door Reprise c.s..
Merkinbreuk. Domeinnaam staken. Connemills verhandelt, onderhoudt en repareert auto's van Audi c.s. vanuit een bedrijfspand waarop de merken van Audi c.s. vermeld staan. Diverse domeinnamen eindigend op -groningen.nl bevatten de merknamen van eisers. Connemills en X zijn niet als dealer aangesloten en de SEAT-uitingen zijn restanten van een voormalig dealerschap. Het verstekvonnis wordt bekrachtigd. Het gebruik van een domeinnaam met de woordmerken in combinatie met plaatsnaam, centrum, center of naam van X wordt verboden.
Uitspraak ingezonden door Bert-Jan van den Akker,
Procesvertegenwoordiging. Maatschap als gemachtigde. De gemachtigde van eiser wordt in de dagvaarding aangeduid met een bedrijfsnaam, waaruit de rechtsvorm niet is af te leiden. Eiser deelt mee dat zijn gemachtigde een maatschap is. De rechtbank oordeelt dat de mededeling dat haar gemachtigde een maatschap is, niet volstaat. Aanstonds moet duidelijk gemaakt worden wie van de vennoten de zaak behandelt. Ook een handelsnaam is ontoereikend als aanduiding van de gemachtigde in de dagvaarding, aangezien onder een handelsnaam meer dan één natuurlijke en/of rechtspersoon schuil kunnen gaan. Nietigverklaring van de dagvaarding.