Punitief karakter van AV Fotografenfederatie
Ktr. Rechtbank Rotterdam 6 februari 2015, IEF 15001, ECLI:NL:RBROT:2015:1345 (Winterbanden)Auteursrecht. Foto. Eiser is een professionele fotograaf en maakt reclamecampagnes voor onder meer Profile Tyre Center. Hij heeft een fotoserie gemaakt en deze in exclusieve licentie gegeven aan haar voor de promotie van winterbanden. De foto is ook gebruikt op de website van gedaagde, die het websitebouwerverweer afgewezen ziet worden. De algemene voorwaarden van de Fotografenfederatie zijn niet tussen partijen overeengekomen, de verhoging van de schadeberekening hebben een duidelijk punitief karakter en dat is aan het Nederlandse schadevergoedingsrecht vreemd en er kan geen grondslag voor worden gevonden in de Handhavingsrichtlijn (noch in 27 lid 2 Aw). Voor de schadebegroting wordt uitgegaan van een (fictieve) gederfde licentievergoeding van € 750,00 en een verhoging van 50% vanwege het ontbreken van de naam.
De proceskosten voor deze juridische uiterst eenvoudige zaak, waarbij gebruik is gemaakt van in hoge mate gestandaardiseerde modeldocumenten.
4.8. Overwogen wordt als volgt. Voorop staat dat een berekening van de schade onder integrale toepassing van de bepalingen van de AV FotografenFederatie in het onderhavige geval niet in de rede ligt, nu toepasselijkheid van deze voorwaarden niet tussen partijen is overeengekomen. Bovendien hebben de verhogingen zoals in deze voorwaarden bepaald een duidelijk punitief karakter dat aan het Nederlandse schadevergoedingsrecht vreemd is en waarvoor ook geen grondslag kan worden gevonden in de Handhavingsrichtlijn (Richtlijn 2004/48/EG) als geïmplementeerd in onder meer artikel 27 lid 2 Aw. Om deze reden kan evenmin de hierboven genoemde door [eiser] geciteerde rechtsoverweging worden gevolgd.
4.9. Een en ander neemt niet weg dat het aanknopen bij de vergoeding die [eiser] zou hebben kunnen bedingen indien wel toestemming voor het gebruik van de foto’s was gevraagd, ter vaststelling van de schadevergoeding als een forfaitair bedrag een gebruikelijke en heel wel binnen ons rechtssysteem passende methode is. Daarin voorziet ook artikel 13 lid 1, tweede alinea, sub b van de Handhavingsrichtlijn. Anders dan [gedaagde1] meent, is een vergoeding van € 750,00 voor het gebruik van een foto op een commerciële website als de onderhavige niet onredelijk te noemen, gelet ook op de door [gedaagde1] in het geding gebrachte informatie met betrekking tot de prijsopgave van een derde voor het gebruik van een foto als deze. Daaraan kan niet afdoen het feit dat [eiser], zo blijkt uit de overgelegde e-mails, voor het gebruik van andere foto’s in het kader van een schoolproject genoegen zou hebben genomen met een koopprijs van € 25,00 “of een hele vette dikke slagroomtaart”. [eiser] heeft daarbij immers aangegeven dat – anders dan in het onderhavige geval – als uitgangspunt geldt dat er geen commerciële belangen spelen en dat voor het gebruik van de daar betreffende foto kennelijk geen exclusieve licentie aan derden was verleend. Voor het begroten van de schade wordt daarom, met [eiser], uitgegaan van een (fictieve) gederfde licentievergoeding van € 750,00.
4.10. Voor het begroten van de daarnaast nog geleden schade is allereerst van belang dat met betrekking tot de litigieuze foto een exclusieve licentie is verleend aan Profile Tyre Center. Deze exclusiviteit wordt door het gebruik van de foto door derden aangetast, waarin (nog) niet is voorzien in voormelde licentievergoeding. Bovendien staat als onbetwist vast dat de foto is afgebeeld zonder vermelding van de naam van [eiser], zodat sprake is van een inbreuk op de persoonlijkheidsrechten. Gelet hierop acht de kantonrechter een verhoging van de vergoeding met 50 % gerechtvaardigd.
4.14. Overwogen dat nu [gedaagde1] voorafgaand aan de procedure niet bereid leek tot betaling van enige vergoeding [eiser] goede grond had een gerechtelijke procedure te starten. Evenwel ziet de kantonrechter in de omstandigheden van het geval, het feit dat de inbreuk onmiddellijk is gestaakt en het geschil tussen partijen zich in de kern beperkt tot de hoogte van de te betalen schadevergoeding voor de gederfde licentie, het feit dat beide partijen op dat punt deels in het ongelijk zijn gesteld en dit geschil een juridisch uiterst eenvoudige zaak betreft, ter behandeling waarvan gebruik is gemaakt van in hoge mate gestandaardiseerde (model)documenten, de proceskosten te matigen tot een totaalbedrag van € 2.000,00 aan buitengerechtelijke kosten en kosten advocaat.
15.000
Dit is bericht nr. 15.000 op ons platform. Dank aan u als gebruiker die regelmatig IE-informatie naar ons toestuurt. IE-Forum.nl ontsluit op neutrale en onafhankelijke wijze zo veel mogelijk relevante IE-informatie voor de Nederlandse praktijk. Dat blijven we doen. En uiteraard blijft IE-Forum.nl, dankzij onze sponsors, gratis toegankelijk. Blijft u uw IE-informatie insturen naar: redactie@ie-forum.nl
Non-concurrentiebeding in franchiseverhouding niet onredelijk bezwarend
Hof Amsterdam 3 februari 2015, IEF 14999; ECLI:NL:GHAMS:2015:1968 (Dam Spirit tegen CoffeeCompany)Franchise. Contractenrecht. Het assortiment, de prijsstelling, de benaming van de producten, de inrichting, uitstraling en het personeel van Dam Spirit is gelijk gebleven aan die van de Coffee Company. De voorzieningenrechter heeft Dam Spirit veroordeeld tot staken van het gebruik van de naam Coffee Company en verboden om een gelijksoortige horecaonderneming te drijven gelijksoortig aan de onderneming uit licentieovereenkomst [IEF 13965]. Dam Spirit dient aan Coffee Company een contractuele boete van € 25.000 te betalen. Dam Spirit stelt dat het boetebeding onredelijk bezwarend is. Dam Spirit stelt in dit verband dat Coffee Company geen niet-octrooieerbare, praktische kennis aan Dam Spirit heeft overgedragen en er geen specifiek punt in de formule van de Coffee Company is aan te wijzen dat voor bescherming in aanmerking komt. Het hof volgt Dam Spirit niet in haar stellingname. Na beëindiging van de overeenkomst mag de licentiegeefster zich beroepen op non-concurrentie-, overname- en boetebeding. Diverse verweren zijn terecht door de eerste rechter verworpen.
3.5 Het hof volgt Dam Spirit niet in haar stellingname. Coffee Company heeft voorshands voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een eigen, kenmerkende formule heeft ontwikkeld door de selectie van de producten, de wijze van presentatie en alle andere elementen die deel uitmaken van haar formule. Een non-concurrentiebeding is onmisbaar voor de effectieve bescherming van een dergelijke formule. Dat het beding na afloop van de overeenkomst, die in het onderhavige geval acht jaar heeft geduurd, nog maximaal een jaar van kracht is en bovendien beperkt is tot ‘de huidige locatie’ (art. 18.2 Licentieovereenkomst), te weten Dam 8-10 te Amsterdam, maakt naar het voorlopig oordeel dat het non-concurrentiebeding zoals verwoord in artikel 18 Licentieovereenkomst niet als een onredelijk bezwarend beding is aan te merken. Evenmin is een beroep op dat beding gezien alle omstandigheden, zoals hierboven vermeld, op grond van de redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
3.11 Zoals hiervoor overwogen, is Coffee Company niet tekortgekomen of anderszins niet nagekomen, zodat zowel het beroep op opschorting als het beroep op ontbinding van Dam Spirit niet opgaan. In hoger beroep heeft Coffee Company toegelicht dat haar spoedeisend belang gelegen is in het creëren van duidelijkheid op korte termijn, in het bijzonder met het oog op haar andere franchisenemers waaronder grote onrust is ontstaan als gevolg van de ontwikkelingen rond de vestiging van Dam Spirit. Daarmee heeft Coffee Company naar het oordeel van het hof alsnog voldoende onderbouwd dat zij een spoedeisend belang heeft bij de toewijzing van de verbeurde boete. Het hof volgt Dam Spirit ook niet in haar stelling dat het onaanvaardbaar is dat zij aan het beding wordt gehouden.
BBIE mei 2015
Merkenrecht. We beperken ons tot een maandelijks overzicht van de oppositiebeslissingen van het BBIE. Recentelijk heeft het BBIE een serie van 32 oppositiebeslissingen gepubliceerd die wellicht de moeite waard is om door te nemen. Zie voorgaand bericht in deze serie: BBIE-serie maart 2015.
29-05 | AMUNDI | CREDIMUNDI | Toegew. | fr | ||
18-05 | DEF | DEFT | Toegew. | nl | ||
12-05 | DENIM | CAST IRON PREMIUM DENIM | Afgew. | nl | ||
06-05 | Bally | BILLY X CLUB STREET CHIC CITY REBEL | Gedeelt. | nl | ||
06-05 | Bally | BILLY X CLUB CHIC CITY REBEL STREET | Gedeelt. | nl | ||
06-05 | Eau Croco | Toegew. | nl | |||
06-05 | APPLE | APPLE4EGG | Toegew. | nl |
Geen veminking nu wijziging een ondergeschikte, duidelijk zichtbare toevoeging is
Rechtbank Rotterdam 22 mei 2015, IEF 14997 ECLI:NL:RBROT:2015:3918 (Presentanza tegen Pay for People)Auteursrecht. Fictief makerschap. Persoonlijkheidsrechten. Presentanza is een adviesbureau gespecialiseerd in ‘inbound marketing en imago’. P4P houdt zich bezig met diensten gerelateerd aan de arbeidsmarkt, personeel en administratie. Presentanza ontwikkelt de complete huisstijl/logo’s voor P4P. Het logo heeft P4P HRM Services B.V. op 11 februari 2008 als beeldmerk geregistreerd. Uiteindelijk besluit P4P de opdracht voor een jubileumlogo niet aan Presentanza te geven, maar aan het bureau ‘Kontrast’, welk bureau het eerdere ontwerp enigszins aanpast. Presentanza wenst het bij haar rustende auteursrecht op het logo van P4P over te dragen aan P4P voor een bedrag van EUR 20.763,60. P4P weigert te betalen. Presentanza doet een beroep op het auteursrecht en persoonlijkheidsrechten. De kantonrechter overweegt dat P4P fictief maker is, en dat de persoonlijkheidsrechten die Presentaza zouden toekomen niet geschonden zijn, nu de wijziging beperkt is gebleven tot een duidelijk zichtbare toevoeging aan het oorspronkelijke logo van ondergeschikte betekenis, waarbij het oorspronkelijke ontwerp in tact is gebleven.
5.6. Vooropgesteld wordt dat het in opdracht van P4P ontworpen logo een werk is in de zin van de Auteurswet. Partijen verschillen daarover ook niet van mening. Voorts is de kantonrechter met Presentanza van oordeel dat de wijziging daarvan als thans in het geding, het toevoegen van de ‘jubileumspetter’, gekwalificeerd moet worden als een verveelvoudiging in gewijzigde vorm als bedoeld in artikel 13 Aw. Dit betekent dat, indien het auteursrecht ter zake aan Presentanza toekwam en bij haar is gebleven, met het aanbrengen van deze wijziging zonder haar toestemming inbreuk is gemaakt op het verveelvoudigingsrecht en Presentanza zich daartegen alsdan in beginsel kan verzetten.
De stelling van Presentanza dat deze wijziging als een verminking moet worden aangemerkt in de zin van artikel 25 sub d Aw deelt de kantonrechter echter niet, nu de wijziging beperkt is gebleven tot een duidelijk zichtbare toevoeging aan het oorspronkelijke logo van ondergeschikte betekenis, waarbij het oorspronkelijke ontwerp in tact is gebleven. Daarbij gevoegd dat deze toevoeging naar zijn aard van tijdelijke aard is geweest en Presentanza met deze wijziging wel, maar uitsluitend, akkoord heeft willen gaan onder de voorwaarde dat de auteursrechten tegen betaling van een bedrag van € 20.763,60 zouden worden overgedragen, wordt het alsnog geboden verzet hiertegen uit hoofde van artikel 25 sub c Aw in strijd met de redelijkheid geacht.
5.9. Niet in geschil is dat (ook) P4P het logo openbaar heeft gemaakt en mocht maken in het kader van de gemaakte afspraken. Daarbij is geen natuurlijke persoon als maker vermeld. Nu hiervoor is geoordeeld dat partijen niet zijn overeengekomen dat het auteursrecht bij Presentanza is gebleven, heeft P4P als (fictieve) maker in de zin van artikel 8 Aw en daarmee als auteursrechthebbende te gelden. Voor zover zou moeten worden aangenomen dat de persoonlijkheidsrechten hier niet onder vallen, is de kantonrechter op grond van hetgeen hiervoor onder 5.6. reeds is overwogen van oordeel dat Presentanza geen beroep toekomt op artikel 25 lid 1 sub c en sub d Aw.
Prejudiciële vragen: is geluidversterking nieuw auteursrechtelijk gebruik?
Prejucidiële vraag aan HvJ EU 30 maart 2015, IEF 14996; C-151/15 (Sociedade Portuguesa de Autores tegen Ministério Público)Auteursrecht. Het Tribunal da Relação de Coimbra (Portugal) stelt de volgende vragen (via IPcuria.eu): 1. Moet het begrip mededeling van werken aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29 aldus worden uitgelegd dat daaronder mede valt de doorgifte van over de radio uitgezonden werken in commerciële lokalen als bars, cafés, restaurants of andere, gelijksoortige gelegenheden met behulp van televisieontvangsttoestellen, waarbij de verspreiding van de werken wordt versterkt met luidsprekers en/of versterkers, en in zoverre sprake is van nieuw gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken?
2. Is het voor de beantwoording van de eerste vraag van belang dat om het geluid te versterken gebruik wordt gemaakt van luidsprekers en/of versterkers, dat wil zeggen andere technische middelen dan een televisieontvangsttoestel?
Bas Kist: 'Afblijven van Roy Donders'
Bas Kist, 'Roy Donders wint rechtszaak over naam', NRC 3-6-2015.Bijdrage ingezonden door Bas Kist, Chiever. Roy Donders, de Brabantse stylist en kapper die vorige jaar tijdens het WK-voetbal grote bekendheid verwierf met zijn Roy Donders-juichpakken, is met succes opgetreden tegen JanssenConcepts, een marketingbureau dat de naam Roy Donders in 2013 als kledingmerk had geregistreerd.
COMMERCIËLE DEAL
Via deze merkregistratie hoopte het JanssenConcepts met de bekende Brabander aan tafel te komen om zo met hem een lucratieve deal te sluiten over de verkoop van Roy Donders-kleding. Dat gesprek met Donders vond inderdaad plaats, maar tot een deal kwam het niet. Toen Donders vervolgens in de zomer van 2014 samen met supermarkt Jumbo de Roy Donders-juichpakken introduceerde, dreigde het marketingbureau Jumbo met juridische stappen.
INBREUK?
Jullie maken met die Roy Donders-pakken inbreuk op onze merkrechten, aldus JanssenConcepts. Jullie merkrechten?, begon ook Donders zich met de zaak te bemoeien. Dat is toevallig wel mijn naam! Jullie wisten op het moment van registratie dondersgoed dat ik al kledingparties organiseerde, aldus Donders.
KWADE TROUW
Op 3 juni 2015 gaf de Rechtbank Zeeland-West-Brabant de stylist gelijk. Op het moment van de registratie was Donders al een BN’er en de merkregistratie van het marketingbureau is dan ook ‘te kwader trouw’ verricht en moet worden doorgehaald, aldus de rechtbank. Een wijze les voor handige jongens die denken via een merkregistratie een BN’er aan de haak te slaan.
Dit artikel werd eerder gepubliceerd in NRC Handelsblad Roy Donders wint rechtszaak over naam NRC 3-6-2015
De implicaties van het Google Spain-arrest voor uitingsvrijheid
F.J. Borgesius, S. Kulk, 'De implicaties van het Google Spain-arrest voor de uitingsvrijheid', NJCM-Bulletin, 2015-1, p. 3-19.Mediarecht. In deze bijdrage wordt het Google Spain-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie besproken, evenals de ontwikkelingen na het arrest. Centraal staat de vraag naar de gevolgen van het arrest voor de vrijheid van meningsuiting. De auteurs betogen dat het Hof onvoldoende aandacht schenkt aan de vrijheid van meningsuiting.
Lees verder
De Auteursrechtrichtlijn reloaded
Thema: Dat onze informatiemaatschappij niet stil heeft gezeten, is wel duidelijk. De digitalisering heeft grote veranderingen teweeg gebracht in de creatieve sector. Ondanks dat er in het auteursrecht een continue spanning heerst tussen exploitatie- en gebruiksvormen, is er een aantal spanningen in het bijzonder op te merken. Te denken valt aan: de toekomstbestendigheid van het verdienmodel voor traditionele auteurs, de illegale verspreiding en gebruik van auteursrechtelijk beschermde werken, territoriale versnippering van auteursrechten en een explosieve toename van het aantal auteurs dat tegenwoordig werken maakt en verspreidt. De schrijvers van dit artikel doen onderzoek naar deze vier spanningen. De vraag is of deze spanningen worden herkend en of er mogelijk andere invalshoeken zijn aan te wijzen. De onderzoeksgroep wil daarnaast graag weten wat uw mening is over de hieronder aangekaarte constateringen. |
De onderzoeksgroep zet de vier spanningen voor u op een rij. In de Verenigde Staten is een model van toepassing dat veel flexibeler kan omgaan met dit nieuwe fenomeen, ook wel fair use genoemd. De fair-use exceptie houdt in dat voor de rechtmatigheid van het gebruik van een auteursrechtelijk beschermd werk moet worden gekeken naar vier open criteria: het doel en het karakter van het gebruik, de aard van het beschermde werk, de omvang en het belang van het overgenomen deel in verhouding tot het beschermde werk als geheel en tenslotte het effect van het gebruik op de markt voor de waarde van het beschermde werk. |
Octrooi vernietigd wegens ongeoorloofde toevoeging van materie
Rechtbank Den Haag 3 juni 2015, IEF 14992; ECLI:NL:RBDHA:2015:6346 (Jetset Hydrotechniek tegen Hoffland en BIS)Uitspraak ingezonden door Francis van Velsen, FISAL IP Law. Zie eerder IEF 14724. Octrooirecht. Toegevoegde materie. Schikkingsregeling. Jetset is houder van EP1507630 voor een systeem voor het snijden van staalplaat, ofwel 'koud watersnijden'. Het octrooi verwijst naar een snijinrichting die zonder dat daarvoor menselijke aandrijving nodig is - en dus 'zelfstandig" - door de opslagtank kan rijden. Conclusie 1 van EP 630 zoals verleend, bevat technische informatie die in de daarvoor ingediende aanvrage niet voorkwam. EP 630 wordt vernietigd wegens ongeoorloofde toevoeging van materie. De schorsing van de schikkingsregeling die voorafgaand aan de bodemprocedure is getroffen omtrent het onthouden van handelingen die inbreuk maken op EP 630 wordt niet toegewezen. Strijd met de schikkingsregeling wordt evenmin toegewezen omdat een elektrisch aangedreven motor niet binnen de beschermingsomvang valt.
De vordering van Hoffland en BIS tot vergoeding van schade wegens beslaglegging ex 1019g Rv wordt toegewezen. De vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige octrooihandhaving wordt afgewezen vanwege het vrijwillig aangaan en nog voortbestaan (tot gezag van gewijsde) van de schikkingsregeling.
4.2. de geldigheid van EP 630
4.2.4. In het midden kan blijven of het in het octrooi voorkomende deelkenmerk ‘onafhankelijk ten opzichte van de staalplaat voort te bewegen’ zo moet worden uitgelegd dat de staalplaat fysisch geen (enkele) invloed op de voortbeweging van de snij inrichting
heeft (zoals Hoffland c.s. betoogt) of dat de snij inrichting in willekeurige richtingen, los van een geleidingsframe, over of langs de staalplaat in de olieopslagtank kan bewegen (zoals Jet Set c.s. betoogt). In beide interpretaties wordt ervan uitgegaan dat het kenmerk betrekking heeft op de relatie tussen de snij inrichting en de staalplaat. Een aldus begrepen onafhankelijkheid van de snijinrichting is niet, althans niet direct en ondubbelzinnig geopenbaard in de aanvrage.. De rechtbank overweegt daartoe - overeenkomstig het in r.o. 2.11. genoemde arrest van 3 maart 2015 van het Hof Den Haag, waarin (groten)deels dezelfde argumenten zijn gevoerd - als volgt.
4.3. de schikkingsregeling(en)
de door Hoffland c.s. gevorderde schorsing
4.3.1. Hoffland c.s. heeft betoogd dat bij toewijzing van de vordering tot vernietiging van het Nederlandse deel van EP 630 ook aan de werking van de schikkingsregelingen (tijdelijk) een einde behoort te komen, omdat op een nietig octrooi geen inbreuk kan worden gemaakt en de schikkingsregelingen alsdan vanwege hun mededingingsbeperkende werking in strijd zijn met het in artikel 6 Mededingingswet neergelegde mededingingsverbod.
4.3.2. De rechtbank verwerpt dit betoog. Zoals Hoffland c.s. zelf heeft aangevoerd - met verwijzing naar Verordening 3 16/2014 en Mededeling 201 4/C 89/03 van de Europese Commissie - zijn schikkingsregelingen in het kader van technologiegeschillen in beginsel vrijgesteld van het bedoelde verbod. Weliswaar heeft Hoffland c.s. zich daarbij op het standpunt gesteld dat vrijstelling niet meer aan de orde is als het betreffende intellectuele eigendomsrecht nietig is verklaard of anderszins ongeldig is, maar niet valt in te zien dat de schikkingsregelingen daarmee niet in lijn zouden zijn, nu deze, naar tussen partijen niet in geschil is, slechts gelden voor de duur van het proces ter verkrijging van een definitief rechterlijk oordeel over de geldigheid van EP 630. Voor zover Hoffland c.s. stelt dat bij vernietiging van het octrooi door de rechtbank daarop geen inbreuk meer kan worden gemaakt, gaat zij voorts voorbij aan de door de Hoge Raad in het arrest Enka/Dupont geformuleerde - en naar het oordeel van de rechtbank ook voor het huidige octrooirecht geldende - regel dat een rechterlijke uitspraak waarbij een octrooi nietig wordt verklaard aan dat octrooi onmiddellijk de werking ontneemt, op voorwaarde dat die uitspraak te zijner tijd in kracht van gewijsde gaat. Ten aanzien van de periode waarin onzeker is of een rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde gaat, heeft Hoffland c.s. er zelf voor gekozen haar positie jegens Jet Set c.s. contractueel vast te leggen. De conclusie is dat voor de gevorderde schorsing van de schikkingsregelingen op basis van de stellingen van Hoffland c.s. geen grond bestaat.
4.3.3. Jet Set c.s. heeft met verwijzing naar de in r.o. 2.14. genoemde passage in het proces-verbaal van gerechtsdeurwaarder Schellekens betoogd dat BIS in strijd met de schikkingsregeling gebruik heeft gemaakt van een snijmachine die valt onder de conclusies van EP 630. Deze stelling wordt gelet op het navolgende niet gevolgd.
4.3.4. BIS heeft betwist dat de snijmachine onder de conclusies van EP 630 valt, [...].
4.4. de door Hoffland c.s. gevorderde schade
4.4.1. Hoffland c.s. heeft met een beroep op artikel 101 9g Rv vergoeding gevorderd van bij staat nader op te maken schade als gevolg van de door Jet Set c.s. getroffen beslagmaatregelen. De rechtbank acht aannemelijk dat het door Jet Set c.s. op 11 maart 2013 gelegde conservatoir bewijsbeslag en de gedetailleerde beschrijvingen die zij op die datum en op 25 maart 2014 heeft doen opmaken, impact hebben gehad op de bedrijfsorganisatie van Hoffland en BIS zoals zij hebben gesteld9, en dat daaruit schade is voortgevloeid. De vordering tot schadevergoeding kan in zoverre op de voet van artikel 1019g Rv worden toegewezen, aangezien is vastgesteld dat er geen inbreuk is gemaakt.
4.4.2. Het betoog van Jet Set c.s. dat in dit geval niet zomaar een risicoaansprakelijkheid mag worden aangenomen, kort gezegd omdat van misbruik van recht geen sprake zou zijn, wordt door de rechtbank verworpen. [...]
4.4.3. Hoffland c.s. heeft voorts met een beroep op onrechtmatige octrooihandhaving vergoeding gevorderd van schade voortvloeiend uit de (inhoud van de) schikkingsregelingen[...] De in de schikkingsregelingen neergelegde onthoudingsverklaring wordt Hoffland c.s. geacht vrijwillig te zijn aangegaan. Met Jet Set c.s. is de rechtbank van oordeel dat de gevolgen daarvan voor risico van Hoffland c.s. komt.