Rb. Den Haag: geen overdracht auteursrechten aan Clingendael op rapportages West-Afrika
Rb. Den Haag 29 april 2026, IEF 23553; ECLI:NL:RBDHA:2026:10358 ([eiser] tegen Clingendael). De Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat Clingendael geen auteursrechten heeft verkregen op rapportages van een onafhankelijk adviseur over geweldsincidenten in West-Afrika. Partijen werkten van 2022 tot en met 2024 samen op basis van opdrachtovereenkomsten waarbij de adviseur informatie uit zijn eigen netwerk verzamelde en verwerkte in wekelijkse rapportages voor Clingendael. Nadat de samenwerking over 2025 stukliep wegens een discussie over overdracht van het netwerk van de adviseur, weigerde Clingendael een openstaande factuur van €7.000 te betalen en stelde zij dat de adviseur met een later voor de Konrad-Adenauer-Stiftung opgesteld rapport inbreuk maakte op haar auteursrechten, bedrijfsgeheimen en databankenrechten. De rechtbank verwerpt die stellingen. Volgens de rechtbank voorziet artikel 9 van de opdrachtovereenkomsten niet in overdracht van auteursrechten. De bepaling dat “all rights of usage, including all secondary rights” eigendom van Clingendael zouden zijn, ziet volgens de rechtbank op gebruiksrechten en niet op overdracht van auteursrechten als vermogensrechten. Daarbij benadrukt de rechtbank dat art. 2 Auteurswet voor overdracht van auteursrechten een daadwerkelijke akte vereist die expliciet op die overdracht is gericht. Omdat tussen professionele partijen geen dergelijke overdrachtsakte was opgenomen, blijven eventuele auteursrechten bij de adviseur rusten. De rechtbank hoeft daarom niet meer te beoordelen of de rapportages of de daarin opgenomen nieuwsfeiten auteursrechtelijk beschermd zijn. Ook de stelling dat de adviseur verplicht was Clingendael toegang te geven tot zijn netwerk wordt verworpen: uit de overeenkomsten, correspondentie en financiering van het netwerk volgt volgens de rechtbank geen dergelijke verplichting.