Het merk achter de jurk (2)
HVJ EG, 30 maart 2006, in zaak C-259/04, Elizabeth Florence Emanuel tegen Continental Shelf 128 Ltd.
Elizabeth Emanuel, de ontwerpster van de trouwjurk van Lady Di, maakt bezwaar tegen het (en haar voormalige) merk 'Elizabeth Emanuel', nu zij zelf, kort gezegd, niet meer bij het merk is betrokken.
HvJ vindt dat er in dit soort zaken in beginsel geen aanleiding is om misleiding aan te nemen, maar vindt tegelijkertijd wel dat de nationale rechter per geval moet onderzoeken of er sprake is van bedrieglijke manoeuvres van de (nieuwe) merkhouder. In casu: of de merkhouder de consument wil doen geloven dat Emanuel nog steeds de ontwerpster is van de waren waarop dit merk is aangebracht, of aan de creatie ervan heeft deelgenomen.
“Met betrekking tot een merk dat overeenkomt met de naam van een persoon, doet de overweging van openbare orde die ten grondslag ligt aan het in artikel 3, lid 1, sub g, van richtlijn 89/104 vervatte verbod van inschrijving van een merk dat tot misleiding van het publiek kan leiden, te weten de bescherming van de consument, noodzakelijkerwijs de vraag rijzen welk verwarringsgevaar een dergelijk merk bij de gemiddelde consument dreigt te doen ontstaan, met name wanneer de persoon met wiens naam het merk overeenkomt, aanvankelijk de producten personifieerde waarop dit merk was aangebracht.
De in artikel 3, lid 1, sub g, van richtlijn 89/104 bedoelde gevallen van weigering van inschrijving onderstellen evenwel dat een werkelijke misleiding of een voldoende ernstig risico van misleiding van de consument kan worden vastgesteld.
In casu kan de gemiddelde consument weliswaar bij zijn aankoop van een kledingstuk van het merk „ELIZABETH EMANUEL” worden beïnvloed doordat hij ervan uitgaat dat verzoekster in het hoofdgeding aan de creatie van dit kledingstuk heeft deelgenomen, maar blijven de kenmerken en de kwaliteit van dit kledingstuk gewaarborgd door de onderneming die houder is van het merk.
Bijgevolg kan niet worden aangenomen dat de naam Elisabeth Emanuel op zichzelf kan leiden tot misleiding van het publiek over de aard, de hoedanigheid of de plaats van herkomst van de erdoor aangeduide waren.
De nationale rechter dient evenwel te onderzoeken of de onderneming die de aanvraag tot inschrijving van het merk „ELIZABETH EMANUEL” heeft ingediend, door de wijze waarop zij dit merk presenteert, de consument wil doen geloven dat Emanuel nog steeds de ontwerpster is van de waren waarop dit merk is aangebracht, of aan de creatie ervan heeft deelgenomen. In dat geval gaat het immers om een manoeuvre dat als bedrieglijk zou kunnen worden aangemerkt, maar dat niet kan worden geanalyseerd als een misleiding in de zin van artikel 3 van richtlijn 89/104, en bijgevolg het merk zelf, en dus de mogelijkheid om het in te schrijven, niet aantast.
Het Hof van Justitie (Derde kamer) verklaart voor recht:
1) De inschrijving van een merk dat overeenkomt met de naam van de ontwerper en eerste producent van de waren waarop dit merk is aangebracht, kan wegens deze bijzonderheid alleen niet worden geweigerd op grond dat dit merk tot misleiding van het publiek zou leiden in de zin van in artikel 3, lid 1, sub g, van richtlijn 89/104/EEG van de Raad van 21 december 1988 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten, met name wanneer de clientèle die is verbonden aan het betrokken merk, dat voorheen onder een andere grafische vorm was ingeschreven, is overgedragen samen met de onderneming die de waren produceert waarop het merk betrekking heeft.
2) Een merk dat overeenkomt met de naam van de ontwerper en eerste producent van de waren waarop dit merk is aangebracht, kan wegens deze bijzonderheid alleen niet vervallen worden verklaard op grond dat het het publiek zou misleiden in de zin van artikel 12, lid 2, sub b, van richtlijn 89/104, met name wanneer de aan het betrokken merk verbonden clientèle is overgedragen samen met de onderneming die de waren produceert waarop het merk betrekking heeft.”
Morgen bij het HVJ EG: Conclusie AG Sharpston in zaak C-108/05, Bovemij Verzekeringen. Uitlegging van artikel 3, lid 3, van de Merkenrichtlijn: Bekendheid van merk in gehele Beneluxgrondgebied of in aanzienlijk deel ervan (bijvoorbeeld in Nederland), inaanmerkingneming van taalgebieden.
Rechtbank 's-Gravenhage, 28 maart 2006, rolnr. 258909/KG ZA 06-127. Hästens Sangar A.B. tegen Rock Raamsveld B.V.
HvJ EG, conclusies AG Damaso Ruiz-Jarabo Colomer, 23 maart 2006, zaken C-25/05 P en C-24/05 P. Storck tegen OHIM (Nog geen Nederlandse vertaling beschikbaar).
Telecomaanbieder Orange heeft het internetbedrijf OrangeTip uit Emmen voor de kortgedingrechter in Den Haag gedaagd, zo meldt het Dagblad van het Noorden. Het bedrijf uit Emmen zou inbreuk op het merkenrecht van Orange maken. "OrangeTip lijkt in woord en beeld te veel op Orange en dat leidt tot verwarring bij het publiek". Nu beide bedrijven zich tevens bezighouden met het samenstellen van adressenbestanden voor publicatie op het internet, neemt de chaos nog meer toe, zo stelt de advocaat van Orange. Orange eist bij de rechter elk van de drie aandeelhouders van OrangeTip te veroordelen tot een direct opeisbare dwangsom van 10.000 euro per dag.
Rechtbank Breda, 8 februari 2006, HA ZA 04-1471. Van Gelderen Advocaten B.V. tegen Dhr. S.F. Mensen / Bureau Finview.
Gerechtshof ’s-Gravenhage, 26 januari 2006 en 17 november 2005 Suriname Alcoholic Beverages tegen Bharat B.P.L. & Son V.O.F Over beëindigde licenties en oude voorraden.
Hof van Justitie EG, 23 maart 2006, zaak C-206/04. Mülhens tegen OHIM. Woordmerk ZIRH, oppositie door houder van gemeenschapsmerk SIR.