Alle rechtspraak  

IEF 23807

Uitspraak ingezonden door Rogier de Vrey, Jeroen Boelens, Yasar Celebi en Eline Wit, CMS.

Modelrechtelijke beschermingsomvang QiO Compact-fiets beperkt door vormgevingserfgoed

Rechtbank Den Haag 8 sep 2026, IEF 23807; 707086 / KG ZA 26-648 (Hartje tegen Tenways), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/modelrechtelijke-beschermingsomvang-qio-compact-fiets-beperkt-door-vormgevingserfgoed

Rb. Den Haag 3 september 2026, IEF 23807; 707086 / KG ZA 26-648 (Hartje tegen Tenways). In deze zaak tussen Hermann Hartje KG en Tenways Technovation Europe B.V. staat de vraag centraal of de elektrische fiets AGO Compact Performance van Tenways inbreuk maakt op het model- en auteursrecht van Hartje met betrekking tot de QiO Compact bike. Hartje is houdster van een internationaal model met gelding in de EU voor het frame van de QiO Compact en stelt dat Tenways verschillende kenmerkende vormgevingselementen daarvan heeft overgenomen. Tenways betwist de inbreuk en voert aan dat het model slechts een beperkte beschermingsomvang heeft, omdat veel kenmerken al in het vormgevingserfgoed voorkwamen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beschermingsomvang van een model mede wordt bepaald door de afstand tot eerdere modellen. Een model dat verschillende bekende elementen uit oudere modellen overneemt, kan daarom een beperktere beschermingsomvang hebben. De geïnformeerde gebruiker zal bovendien meer gewicht toekennen aan elementen die afwijken van het vormgevingserfgoed dan aan reeds bekende elementen. Tegelijkertijd betekent het voorkomen van een afzonderlijk element in het vormgevingserfgoed niet dat de combinatie waarin dat element is opgenomen geen bijdrage meer kan leveren aan het eigen karakter van het model als geheel.

IEF 23806

Hof stelt vertrouwelijkheidsregime in voor bedrijfsgeheime financiële informatie in IE-procedure tegen Pilot

Hof Den Haag 1 sep 2026, IEF 23806; ECLI:NL:GHDHA:2026:2736 (Polmos tegen Pilot), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-stelt-vertrouwelijkheidsregime-in-voor-bedrijfsgeheime-financiele-informatie-in-ie-procedure-tegen-pilot

Hof Den Haag 1 september 2026, IEF 23806; ECLI:NL:GHDHA:2026:2736 (Polmos tegen Pilot). Polmos, rechthebbende op merken die zij op flessen wodka aanbrengt, procedeert tegen distributeur Pilot wegens gestelde merk- en auteursrechtinbreuk en onrechtmatig handelen. De rechtbank had haar vorderingen grotendeels toegewezen en voor de schadevergoeding verwezen naar de schadestaatprocedure. In hoger beroep wil Polmos haar primaire schadevordering van € 10 per namaakfles, althans een ander forfaitair bedrag per fles, nader onderbouwen met aanvullende producties over de inkoop- en verkoopprijzen en nettowinsten van haarzelf en haar licentienemers binnen het Moët Hennessy-concern. Pilot stelt dat Polmos niet-ontvankelijk is in haar incidentele vordering, omdat de schadevergoedingsvordering buiten de omvang van het hoger beroep zou vallen. Het hof verwerpt dit verweer. Polmos heeft nog geen memorie van grieven genomen en haar appeldagvaarding bevat geen beperking van het hoger beroep. Bovendien heeft de rechtbank de schadevordering opgevat als primair een vergoeding van € 10 per fles of een ander forfaitair bedrag en subsidiair schadevergoeding op te maken bij staat, zodat niet aannemelijk is dat sprake was van gelijkwaardige alternatieven zonder onderlinge rangorde. Het hof oordeelt vervolgens dat de aanvullende financiële stukken kwalificeren als bedrijfsgeheimen in de zin van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen. Het gaat om interne, niet algemeen toegankelijke informatie met handelswaarde, die ondanks de datering uit 2022 nog voldoende actueel is en door geheimhoudingsafspraken en technische toegangsbeperkingen wordt beschermd.

IEF 23804

Hof stelt vertrouwelijkheidsregime in voor bedrijfsgeheime financiële informatie in IE-procedure

Hof Den Haag 1 sep 2026, IEF 23804; ECLI:NL:GHDHA:2026:2738 (Polmos tegen Sasha), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-stelt-vertrouwelijkheidsregime-in-voor-bedrijfsgeheime-financiele-informatie-in-ie-procedure

Hof Den Haag 1 september 2026, IEF 23804; ECLI:NL:GHDHA:2026:2738 (Polmos tegen Sasha). Polmos, rechthebbende op merken die zij aanbrengt op flessen wodka, procedeert tegen distributeur Sasha wegens gestelde merk- en auteursrechtinbreuk en onrechtmatig handelen. De rechtbank had haar vorderingen grotendeels toegewezen, maar voor de schadevergoeding verwezen naar de schadestaatprocedure. In hoger beroep wil Polmos haar primaire vordering van € 10 schadevergoeding per namaakfles nader onderbouwen met aanvullende producties over de inkoop- en verkoopprijzen van haar producten en die van licentienemers binnen het Moët Hennessy-concern, alsmede de daarmee behaalde nettowinsten in 2022. Zij verzoekt daarom om een vertrouwelijkheidsregime. Het hof oordeelt dat deze informatie als bedrijfsgeheim in de zin van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen kwalificeert: zij is slechts voor een beperkte groep toegankelijk, vertegenwoordigt handelswaarde omdat concurrenten daarmee hun commerciële positie kunnen verbeteren, is ondanks het feit dat zij uit 2022 dateert nog voldoende actueel en wordt door geheimhoudingsafspraken en technische toegangsbeperkingen beschermd. Het hof benadrukt daarbij dat ook financiële bedrijfsinformatie een bedrijfsgeheim kan vormen.

IEF 23802

HvJ EU: politieke parodie rechtvaardigt gebruik bekend merk alleen als belang van gebruiker zwaarder weegt

HvJ EU 8 sep 2026, IEF 23802; ECLI:EU:C:2026:721 (Inter IKEA Systems), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-politieke-parodie-rechtvaardigt-gebruik-bekend-merk-alleen-als-belang-van-gebruiker-zwaarder-weegt

HvJ EU 8 september 2026, IEF 23802; IEFbe 4293; ECLI:EU:C:2026:721 (Inter IKEA Systems). In het arrest Inter IKEA Systems (C-298/23) beantwoordt de Grote kamer van het Hof van Justitie prejudiciële vragen van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel over de verhouding tussen de bescherming van bekende merken en de vrijheid van meningsuiting. Aanleiding is de campagne van Vlaams Belang uit 2022 onder de titel “IKEA-plan – Immigratie Kan Echt Anders”, waarin een politiek programma over de hervorming van het Belgische asiel- en immigratiebeleid werd gepresenteerd met tekens en visuele elementen die verwezen naar de bekende IKEA-merken en naar de montagehandleidingen van IKEA. Inter IKEA stelde wegens dit gebruik een merkinbreukvordering in tegen onder meer Algemeen Vlaams Belang en Vrijheidsfonds; de verwijzende rechter verklaarde die vordering uitsluitend ten aanzien van Vrijheidsfonds ontvankelijk. Vrijheidsfonds, dat de campagne namens en voor rekening van Vlaams Belang of zijn vertegenwoordigers voerde, erkende de IKEA-merken zonder toestemming te hebben gebruikt en stelde dat de bekendheid daarvan was benut om de politieke boodschap kracht bij te zetten en de verspreiding ervan te vergroten. De verwijzende rechter vraagt of de vrijheid van meningsuiting, waaronder politieke meningsuiting en politieke parodie, een “geldige reden” kan vormen in de zin van artikel 9 lid 2 onder c UMVo en artikel 10 lid 2 onder c en lid 6 Merkenrichtlijn. Het Hof maakt daarbij eerst onderscheid tussen twee juridische routes. Artikel 9 lid 2 onder c UMVo en artikel 10 lid 2 onder c Merkenrichtlijn zien op gebruik van een bekend merk in het economische verkeer voor waren of diensten. Artikel 10 lid 6 Merkenrichtlijn laat daarentegen nationale bescherming toe tegen gebruik anders dan ter onderscheiding van waren of diensten; voor Benelux-merken is die bescherming opgenomen in artikel 2.20 lid 2 onder d BVIE. Een dergelijk gebruik kan zowel binnen als buiten het economische verkeer plaatsvinden, maar is in ieder geval geen gebruik voor waren of diensten. Het Hof kan op basis van de verwijzingsbeslissing niet vaststellen onder welke route het gebruik door Vrijheidsfonds valt en laat die beoordeling aan de nationale rechter. Daarbij is van belang dat ook een vereniging zonder winstoogmerk in het economische verkeer kan handelen wanneer zij als marktdeelnemer optreedt. Een politiek programma is op zichzelf geen waar of dienst, maar gebruik van een merk bij bijvoorbeeld politieke bijeenkomsten, op reclamemateriaal of in promotionele onlinecontent kan onder omstandigheden wel als gebruik voor waren of diensten worden aangemerkt.

IEF 23794

Geen verwarringsgevaar tussen driedimensionaal RIVES-merk en 1890 ESPECIAL EXÓTICA GIN PREMIUM; geen kwade trouw

Gerecht EU (voorheen GvEA) 2 sep 2026, IEF 23794; ECLI:EU:T:2026:507 (Jaime García Ávila tegen EUIPO en Rives Distillery, SA), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-verwarringsgevaar-tussen-driedimensionaal-rives-merk-en-1890-especial-exotica-gin-premium-geen-kwade-trouw

Gerecht EU 2 september 2026, IEF 23794; ECLI:EU:T:2026:507 (Jaime García Ávila tegen EUIPO en Rives Distillery, SA). Jaime García Ávila verzoekt het Gerecht om vernietiging en wijziging van de beslissing van de Eerste kamer van beroep van het EUIPO, waarbij zijn verzoek tot nietigverklaring van een driedimensionaal Uniemerk van Rives Distillery is afgewezen. Het betwiste merk bestaat uit een blauwe fles met verschillende figuratieve en woordelementen, waaronder ‘rives’, ‘sweet spirit’, ‘exótica’ en ‘gin’, en is ingeschreven voor onder meer alcoholhoudende dranken, gedistilleerde dranken, gin, cocktails en preparaten voor het maken van alcoholhoudende dranken in klasse 33. García Ávila baseert zijn verzoek onder meer op het oudere Spaanse beeldmerk 1890 ESPECIAL EXÓTICA GIN PREMIUM en op artikel 60 lid 1 onder a, gelezen in samenhang met artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het Gerecht bevestigt dat de betrokken waren deels identiek en deels soortgelijk zijn, maar dat de tekens slechts beperkt overeenstemmen. In het betwiste merk is ‘rives’ een dominant en normaal onderscheidend woordelement. ‘Exótica’ is daarentegen zwak onderscheidend, omdat het voor het Spaanse publiek verwijst naar bijzondere, ongebruikelijke of exotische ingrediënten of smaken. In het oudere merk zijn ‘1890’ en ‘exótica’, ondanks hun geringe onderscheidend vermogen, mededominant. De tekens stemmen visueel slechts in zeer geringe mate, fonetisch in geringe mate en begripsmatig in geringe tot zeer geringe mate overeen. De gemeenschappelijke elementen ‘exótica’ en ‘gin’ wegen daarbij beperkt, terwijl met name het onderscheidende en visueel prominente element ‘rives’ bijdraagt aan een verschillende totaalindruk.

IEF 23793

Verwarringsgevaar tussen NPhealthLABS+ en ondernemingsnaam Health Labs; EUIPO beoordeelt ‘health’ onjuist

Gerecht EU (voorheen GvEA) 2 sep 2026, IEF 23793; ECLI:EU:T:2026:506 (Health Labs Care S.A. tegen EUIPO en NP Supplements Monoprosopi I.K.E.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/verwarringsgevaar-tussen-nphealthlabs-en-ondernemingsnaam-health-labs-euipo-beoordeelt-health-onjuist

Gerecht EU 2 september 2026, IEF 23783; ECLI:EU:T:2026:506 (Health Labs Care S.A. tegen EUIPO en NP Supplements Monoprosopi I.K.E.). Health Labs Care verzoekt het Gerecht om vernietiging van de beslissing van de Tweede kamer van beroep van het EUIPO, waarbij haar oppositie tegen de aanvraag voor het figuratieve Uniemerk NPhealthLABS+ is afgewezen. De aanvraag ziet op onder meer voedingssupplementen en dieetpreparaten in klasse 5 en gezondheids-, hygiëne- en schoonheidsdiensten in klasse 44. De oppositie is gebaseerd op artikel 8 lid 4 UMVo en onder meer op de in Polen beschermde ondernemingsnaam Health Labs. Voor dit oudere teken is gebruik in het economisch verkeer van meer dan plaatselijke betekenis in Polen vastgesteld voor verschillende soorten supplementen. Voor de beoordeling of Health Labs Care op grond van het toepasselijke Poolse recht het gebruik van het jongere merk kan verbieden, worden de criteria voor verwarringsgevaar van artikel 8 lid 1 onder b UMVo overeenkomstig toegepast. Het Gerecht verwerpt het oordeel van de kamer van beroep dat het gehele relevante Poolse publiek het Engelse woord ‘health’ begrijpt en dat dit bestanddeel daarom slechts zwak onderscheidend is. Kennis van een Engels woord mag bij een niet-Engelstalig publiek niet zonder meer worden verondersteld. ‘Health’ behoort bovendien niet tot de Engelse basiswoordenschat waarvan mag worden aangenomen dat zij algemeen bekend is bij consumenten in de Unie, terwijl het Poolse equivalent ‘zdrowie’ visueel noch fonetisch overeenstemt met ‘health’. Voor een niet-verwaarloosbaar deel van het Poolse algemene publiek heeft ‘health’ daarom geen betekenis en beschikt dit bestanddeel over een gemiddeld onderscheidend vermogen. Gelet op hun centrale plaats en relatieve omvang kunnen ‘health’ en ‘labs’ voor dat deel van het publiek bovendien als medebepalend voor de totaalindruk van NPhealthLABS+ worden beschouwd.

IEF 23792

ROYAL mist zowel intrinsiek als door gebruik verkregen onderscheidend vermogen

Gerecht EU (voorheen GvEA) 2 sep 2026, IEF 23792; ECLI:EU:T:2026:505 (Royal tegen EUIPO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/royal-mist-zowel-intrinsiek-als-door-gebruik-verkregen-onderscheidend-vermogen

Gerecht EU 2 september 2026, IEF 23792; ECLI:EU:T:2026:505 (Royal tegen EUIPO). Royal verzoekt het Gerecht om vernietiging van de beslissing van de Vierde kamer van beroep van het EUIPO, waarbij de aanvraag voor het figuratieve Uniemerk ROYAL wordt geweigerd voor waren en diensten in de klassen 29, 31 en 35, waaronder bevroren fruit, verse groenten, zaden en andere landbouw-, tuinbouw- en bosbouwproducten en daarmee verband houdende reclame-, import-, export-, groot- en detailhandelsdiensten. De kamer van beroep gaat uit van het Engelstalige relevante publiek van de Unie, met name het publiek in Ierland en Malta, en oordeelt dat dit publiek het woord ‘royal’ onmiddellijk zal begrijpen als een lovende aanduiding die verwijst naar een bovengemiddelde of superieure kwaliteit. Het Gerecht bevestigt dit oordeel. Dat ‘royal’ geen concrete eigenschap van de betrokken waren en diensten beschrijft, verhindert niet dat het teken een uitsluitend promotionele betekenis heeft: een teken kan ook laudatief zijn doordat het abstracte kwaliteiten van waren of diensten aanprijst. Het relevante publiek zal ‘royal’ daarom opvatten als een aanprijzing van vermeend superieure kwaliteit, en niet als een aanduiding van commerciële herkomst. Ook de figuratieve vormgeving verleent het teken geen onderscheidend vermogen. Het gouden lettertype, de grotere beginletter ‘R’ en de overige grafische elementen zijn onvoldoende om de aandacht af te leiden van de promotionele betekenis van het woordelement; de gouden kleur versterkt volgens het Gerecht juist de associatie met koninklijkheid en hoge kwaliteit.

IEF 23791

EUIPO schendt recht om te worden gehoord door niet alle vertalingen van bewijsstukken door te sturen

Gerecht EU (voorheen GvEA) 2 sep 2026, IEF 23791; ECLI:EU:T:2026:525 (Stratio Big Data Inc. tegen EUIPO en Stra, SA), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/euipo-schendt-recht-om-te-worden-gehoord-door-niet-alle-vertalingen-van-bewijsstukken-door-te-sturen

Gerecht EU 2 september 2026, IEF 23791; ECLI:EU:T:2026:525 (Stratio Big Data Inc. tegen EUIPO en Stra, SA). Stratio Big Data Inc. verzoekt om vernietiging van de beslissing van de Vierde kamer van beroep van het EUIPO in een procedure tot vervallenverklaring van het Uniewoordmerk STRATIO van Stra SA. De vordering tot vervallenverklaring is gebaseerd op artikel 58 lid 1 onder a UMVo wegens het ontbreken van normaal gebruik gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar. De nietigheidsafdeling verklaart het merk vervallen voor het merendeel van de betrokken diensten, maar handhaaft de inschrijving voor bepaalde diensten in klasse 42, waaronder diensten voor het ontwerpen van computers en software en IT-diensten. Stratio Big Data voert in beroep onder meer aan dat zij niet alle Spaanse vertalingen heeft ontvangen van de bewijsstukken waarop het gestelde normale gebruik is gebaseerd. Door een technisch probleem in het IT-systeem van het EUIPO zijn bepaalde door Stra SA ingediende vertalingen niet aan Stratio Big Data doorgestuurd. De kamer van beroep baseert haar beslissing niettemin mede op die bewijsstukken.

IEF 23796

A-G: Uniemerkinbreukprocedure moet in beginsel worden geschorst bij later ingestelde nietigheidsprocedure bij EUIPO

HvJ EU 3 sep 2026, IEF 23796; ECLI:EU:C:2026:699 (Bodegas Sanviver, SL tegen Bodegas Vega Sicilia, SA), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/a-g-uniemerkinbreukprocedure-moet-in-beginsel-worden-geschorst-bij-later-ingestelde-nietigheidsprocedure-bij-euipo

HvJ EU 3 september 2026, IEF 23796; IEFbe 4289; ECLI:EU:C:2026:699 (Bodegas Sanviver, SL tegen Bodegas Vega Sicilia, SA). Bodegas Vega Sicilia is houdster van het Uniewoordmerk UNICO voor wijnen en stelt in Spanje een inbreukprocedure in tegen Bodegas Sanviver wegens het gebruik van het teken ÚNICO voor vermout. Nadat de inbreukprocedure is gestart, dient Sanviver bij het EUIPO een vordering tot nietigverklaring van het merk in, zonder bij de nationale rechter een reconventionele nietigheidsvordering in te stellen. Het EUIPO verklaart het merk vervolgens nietig op absolute nietigheidsgronden, maar die beslissing is nog niet definitief. De Spaanse Tribunal Supremo oordeelt dat Sanviver de geldigheid van het merk via een procedure bij het EUIPO mocht betwisten en dat de inbreukprocedure na het instellen daarvan in beginsel had moeten worden geschorst. De Audiencia Provincial de Alicante twijfelt aan die uitleg en vraagt het Hof van Justitie onder meer of een verweerder na aanvang van een Uniemerkinbreukprocedure nog een nietigheids- of vervallenverklaringsprocedure bij het EUIPO kan starten en welke gevolgen dat heeft voor de lopende gerechtelijke procedure.

IEF 23790

Verwarringsgevaar tussen NEWBLUE en JETBLUE/BYBLUE; gemeenschappelijk bestanddeel ‘BLUE’ weegt zwaar

Gerecht EU (voorheen GvEA) 2 sep 2026, IEF 23790; ECLI:EU:T:2026:504 (World 2 Meet Travel, SL tegen EUIPO en JetBlue Airways Corp.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/verwarringsgevaar-tussen-newblue-en-jetblue-byblue-gemeenschappelijk-bestanddeel-blue-weegt-zwaar

Gerecht EU 2 september 2026, IEF 23790; ECLI:EU:T:2026:504 (World 2 Meet Travel, SL tegen EUIPO en JetBlue Airways Corp.). World 2 Meet Travel verzocht het Gerecht om nietigverklaring van de beslissing van de Vierde kamer van beroep van het EUIPO, waarbij de weigering van haar aanvraag voor het figuratieve Uniemerk NEWBLUE was gehandhaafd. JetBlue Airways had oppositie ingesteld op grond van artikel 8 lid 1 onder b UMVo, onder meer op basis van de oudere Uniewoordmerken JETBLUE en BYBLUE. De aanvraag zag op waren en diensten in de klassen 16, 35, 39, 41 en 43. De kamer van beroep had vastgesteld dat de betrokken waren en diensten identiek of soortgelijk waren aan die waarvoor de oudere merken bescherming genoten; World 2 Meet Travel bestreed die beoordeling niet. Voor het verwarringsgevaar mocht worden uitgegaan van het Engelstalige deel van het relevante publiek, dat bestaat uit zowel het algemene publiek als professionele afnemers en, afhankelijk van de betrokken waren en diensten, een gemiddeld tot hoog aandachtsniveau heeft.