Alle rechtspraak  

IEF 23604

Gerecht bevestigt weigering O-beeldmerk voor kleding wegens verwarringsgevaar met ouder O-merk van Olymp

Gerecht EU (voorheen GvEA) 3 jun 2026, IEF 23604; ECLI:EU:T:2026:366 ((Osculati tegen EUIPO - Olymp Bezner)), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-o-beeldmerk-voor-kleding-wegens-verwarringsgevaar-met-ouder-o-merk-van-olymp

Gerecht EU 3 juni 2026, IEF 23604; ECLI:EU:T:2026:366 (Osculati tegen EUIPO - Olymp Bezner). Het Gerecht van de Europese Unie heeft het beroep van Osculati afgewezen tegen een beslissing van het EUIPO waarbij bescherming in de Europese Unie werd geweigerd aan een internationale registratie van een beeldmerk bestaande uit een gestileerde letter “O” voor diverse kleding- en modeproducten in klasse 25. Het geschil speelde tussen Osculati en Olymp Bezner, houder van een ouder Uniemerk dat eveneens bestaat uit een gestileerde letter “O”. Het Gerecht oordeelt dat voor een niet te verwaarlozen deel van het relevante publiek, met name het Duitse publiek, sprake is van verwarringsgevaar in de zin van artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Daarbij benadrukt het Gerecht dat verwarringsgevaar in een deel van de Unie – hier Duitsland – al voldoende is om de inschrijving op Unieniveau te weigeren. Osculati had in 2021 een internationale merkregistratie met aanwijzing van de Europese Unie aangevraagd voor onder meer jassen, sportjassen, regenjassen, vissersjassen, handschoenen, truien, baretten, laarzen en bootschoenen. Tegen die aanwijzing stelde Olymp Bezner oppositie in op basis van haar oudere Uniemerk, bestaande uit een gestileerde letter “O”, geregistreerd voor onder meer overhemden, polo’s, T-shirts, truien en andere kledingstukken in klasse 25. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Hoewel de oppositie aanvankelijk werd afgewezen door de oppositieafdeling, werd die beslissing in beroep vernietigd door de Kamer van Beroep. Een eerdere beslissing van de Kamer van Beroep was door diezelfde kamer al op grond van artikel 103 UMVo herroepen, waarna een eerste procedure bij het Gerecht (T‑98/24) zonder uitspraak ten gronde is geëindigd. Osculati stelde daarop beroep in bij het Gerecht. Een belangrijk onderdeel van het geschil betrof de vraag of de Kamer van Beroep aanvullende bewijsstukken mocht meenemen die Olymp Bezner pas in de beroepsfase had overgelegd. Die stukken hadden betrekking op het versterkte onderscheidend vermogen van het oudere merk in Duitsland. Het Gerecht bevestigt dat de Kamer van Beroep deze stukken terecht heeft toegelaten. Volgens het Gerecht waren de stukken relevant voor de beoordeling van het onderscheidend vermogen van het oudere merk en vormden zij een aanvulling op reeds tijdig overgelegde stukken, zoals facturen, catalogi, verklaringen en verkoopgegevens. Dat sommige documenten al tijdens de oppositieprocedure beschikbaar waren geweest, maakt dit niet anders. Het Uniemerkenrecht verlangt niet dat een partij aantoont dat eerdere overlegging onmogelijk was, en vereist evenmin dat de partij een uitvoerige rechtvaardiging geeft voor de latere overlegging. De EUIPO-richtlijnen over late bewijsindiening zijn volgens het Gerecht niet bindend voor de uitleg van het Unierecht. Ten aanzien van het relevante publiek oordeelt het Gerecht dat de betrokken waren zijn gericht op het algemene publiek, dat een gemiddeld aandachtsniveau heeft.

IEF 23602

Geen merkrechtelijk verwarringsgevaar tussen Acta Endocrinologica-merken

Gerecht EU (voorheen GvEA) 3 jun 2026, IEF 23602; ECLI:EU:T:2026:368 ((Societatea Româna de Endocrinologie tegen EUIPO - Acta Endocrinologica)), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-merkrechtelijk-verwarringsgevaar-tussen-acta-endocrinologica-merken

Gerecht EU 3 juni 2026, IEF 23602 ; ECLI:EU:T:2026:368 (Societatea Româna de Endocrinologie tegen EUIPO, Acta Endocrinologica). Het Gerecht van de Europese Unie heeft het beroep van de Roemeense Vereniging voor Endocrinologie afgewezen tegen een beslissing van het EUIPO over een oppositieprocedure tussen twee partijen die actief zijn rondom het tijdschrift Acta Endocrinologica. Centraal stond de vraag of het aangevraagde beeldmerk Acta Endocrinologica (Buc) voor onder meer bezorgingsdiensten van tijdschriften en medische rapportagediensten verwarringsgevaar opleverde met het oudere Uniewoordmerk ACTA ENDOCRINOLOGICA (BUC), The International Journal of Romanian Society of Endocrinology / Registered in 1938 New Series. Het beroep bij het Gerecht had uitsluitend betrekking op de weigering van de oppositie voor de diensten in klassen 39 en 44 van de merkaanvraag, in verhouding tot de waren in klasse 16 van het oudere merk. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 sub b UMVo. Het oudere merk was onder meer geregistreerd voor publicaties, drukwerk, tijdschriften, boeken en andere goederen in klasse 16, en voor diensten in de klassen 35 en 41. Het aangevraagde merk was onder meer aangevraagd voor bezorging, verzending en distributie van tijdschriften in klasse 39 en voor het opstellen, samenstellen en uitbrengen van medische rapporten in klasse 44. De Oppositieafdeling had het bezwaar voor deze diensten afgewezen, waarna de zaak bij de Kamer van Beroep en vervolgens bij het Gerecht terechtkwam. Voor het Gerecht voerde de opposant aan dat de betrokken goederen en diensten wel degelijk soortgelijk waren. Volgens haar moesten de bezorgdiensten worden opgevat als diensten die uitsluitend betrekking hebben op het tijdschrift Acta Endocrinologica en waren zowel de goederen als de diensten gericht op hetzelfde gespecialiseerde publiek van endocrinologen en andere medische professionals. Daarnaast wees zij op de nauwe professionele banden tussen partijen en stelde zij dat de betrokken goederen en diensten complementair zijn. Het Gerecht stelt voorop dat bij de beoordeling van de soortgelijkheid van goederen en diensten in de zin van artikel 8 lid 1 sub b UMVo moet worden uitgegaan van de goederen- en dienstenomschrijvingen zoals opgenomen in de registratie en de aanvraag, en niet van de wijze waarop de merken in de praktijk worden gebruikt. Verder verwijst het Gerecht naar de vaste rechtspraak dat bij de vergelijking alle relevante factoren in aanmerking moeten worden genomen, zoals aard, doel, gebruik, concurrentieverhouding en eventuele complementariteit. De diensten in klasse 39 zijn omschreven als bezorging, verzending en distributie van tijdschriften en publicaties in algemene zin en zijn niet beperkt tot endocrinologische of medische publicaties.

IEF 23598

Gerecht bevestigt EUIPO: geen kwade trouw bij registratie merk BLACK voor alcoholische dranken

HvJ EU 3 jun 2026, IEF 23598; ECLI:EU:T:2026:364 ((Amber Latvijas balzams AS tegen EUIPO) ), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-euipo-geen-kwade-trouw-bij-registratie-merk-black-voor-alcoholische-dranken

HvJ EU 3 juni 2026, IEF 23598; ECLI:EU:T:2026:364 (Amber Latvijas balzams AS tegen EUIPO). Het Gerecht van de Europese Unie heeft het beroep van Amber Latvijas balzams afgewezen tegen een beslissing van het EUIPO waarbij een verzoek tot nietigverklaring van het Uniemerk BLACK was afgewezen. Volgens Amber had merkhouder Foodcare het merk in 2019 te kwader trouw aangevraagd voor onder meer alcoholische dranken, omdat het bedrijf actief was in de markt voor energiedranken en geen reële intentie zou hebben gehad om het merk voor alcoholische producten te gebruiken. Het Gerecht volgt dat standpunt niet en oordeelt dat onvoldoende aanwijzingen bestaan om kwade trouw aan te nemen. Foodcare had kort vóór de merkaanvraag haar activiteiten op het gebied van productie en verkoop van alcoholische dranken uit het Poolse handelsregister laten verwijderen. Amber stelde dat deze timing aantoonde dat Foodcare geen voornemen had om het merk voor alcoholische dranken te gebruiken. Het Gerecht wijst er echter op dat de Poolse wetgeving ondernemingen ertoe noopte het aantal geregistreerde activiteiten te beperken en dat de Poolse overheid had aanbevolen alleen de actuele activiteiten in het register te laten staan. Foodcare had toegelicht dat zij daarom uitsluitend haar actuele activiteiten in het register liet opnemen. Dat alcoholgerelateerde activiteiten uit het register werden verwijderd, vormt volgens het Gerecht daarom geen bewijs van een gebrek aan gebruiksintentie of van kwade trouw. Ook acht het Gerecht van belang dat dergelijke activiteiten eerder wél in het register waren opgenomen, hetgeen juist kan wijzen op een bestaande interesse in uitbreiding naar die markt. Daarnaast voerde Amber aan dat de Poolse regelgeving inzake alcoholreclame het voor Foodcare feitelijk onmogelijk maakte om het merk BLACK zowel voor alcoholische als voor niet-alcoholische dranken te gebruiken. Volgens het Gerecht volgt daaruit echter niet dat Foodcare het merk niet te goeder trouw heeft aangevraagd. Een Uniemerk heeft werking in de gehele Europese Unie en Foodcare kan het merk ook buiten Polen gebruiken in lidstaten waar dergelijke beperkingen niet gelden.

IEF 23597

Uitspraak ingezonden door Liselotte Bekke, NautaDutilh

Rb. Den Haag: gebruik van ‘legoblokken’ voor betonnen stapelblokken levert merkinbreuk op

Rechtbank Den Haag 27 mei 2026, IEF 23597; C/09/688082 ((LEGO Groep tegen Boon Beton)), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-gebruik-van-legoblokken-voor-betonnen-stapelblokken-levert-merkinbreuk-op

Rb. Den Haag 27 mei 2026, IEF 23597; C/09/688082 (LEGO Groep tegen Boon Beton). In deze zaak tussen LEGO Groep en Boon Beton staat de vraag centraal of het gebruik van de aanduidingen ‘Lego’, ‘legoblokken van beton’ en ‘betonnen legoblokken’ voor betonnen stapelblokken inbreuk maakt op de bekende LEGO-merken. Boon Beton gebruikte deze aanduidingen op haar website voor de promotie van betonnen stapelblokken. Volgens LEGO maakte Boon Beton daarmee ongerechtvaardigd gebruik van de reputatie van haar merken. Boon Beton stelde daartegenover dat de term ‘lego’ binnen de bouwsector al jarenlang wordt gebruikt als aanduiding voor stapelbare modulaire betonblokken en dat sprake was van toegestaan beschrijvend gebruik. De rechtbank gaat allereerst uit van de geldigheid van de LEGO-merken. Hoewel Boon Beton had aangevoerd dat ‘lego’ binnen de bouwsector een voor de hand liggende aanduiding zou zijn geworden en zelfs als soortnaam wordt gebruikt, had zij geen vordering tot nietigverklaring van de merken ingesteld. Om die reden gaat de rechtbank uit van de geldigheid van de ingeroepen merkrechten. Vervolgens beoordeelt de rechtbank het beroep van LEGO op de bescherming van bekende merken. Daarbij acht zij van belang dat Boon Beton de tekens veelvuldig op haar website gebruikte. Daarnaast verwijst de rechtbank naar uitlatingen van Boon Beton waaruit volgt dat zij zonder gebruik van de term LEGO minder goed vindbaar zou zijn in zoekmachines, omzet zou verliezen en op achterstand zou worden gezet ten opzichte van concurrenten. Volgens de rechtbank volgt hieruit dat Boon Beton voordeel probeerde te halen uit de aantrekkingskracht, reputatie en bekendheid van de LEGO-merken. Daarmee wordt ongerechtvaardigd voordeel getrokken uit het onderscheidend vermogen en de reputatie van die merken. De rechtbank baseert haar oordeel op de zogenoemde c-grond voor bekende merken. Daarbij merkt zij op dat het gebruik van de tekens door Boon Beton moet worden aangemerkt als gebruik ter onderscheiding van waren of diensten.

IEF 23596

Uitspraak ingezonden door mr. M.R. Rijks & mr. drs. I.C.J. van der Heijdt, Winston Taylor.

Glossy Goo maakt inbreuk op GUI GUI-model, maar niet op GUI GUI-merk

Rechtbank Den Haag 27 mei 2026, IEF 23596; C/09/698004 ((Moose c.s. tegen UP)), https://ie-forum.nl/artikelen/glossy-goo-maakt-inbreuk-op-gui-gui-model-maar-niet-op-gui-gui-merk

Rb. Den Haag 27 mei 2026, IEF 23596; C/09/698004 (Moose c.s. tegen UP). In deze zaak stonden Moose Creative Management en Moose Toys (samen: Moose c.s.) tegenover UP International. Moose Toys brengt onder de naam GUI GUI een reeks slimeproducten op de markt die worden verkocht in een dubbelwandig potje. Voor de verpakking daarvan beschikt Moose Creative Management over een op 6 oktober 2025 gedeponeerd Uniemodel. UP introduceerde vervolgens een vergelijkbaar slimeproduct onder de naam Glossy Goo. Volgens Moose c.s. maakte UP daarmee inbreuk op haar model-, merk- en auteursrechten en handelde zij bovendien onrechtmatig. UP bestreed allereerst de geldigheid van het Uniemodel. Volgens haar was het model niet nieuw en ontbrak een eigen karakter, omdat vergelijkbare potjes al voorkwamen in het vormgevingserfgoed. De voorzieningenrechter volgt dat verweer niet. Een deel van de door UP overgelegde voorbeelden was ongedateerd, waardoor niet kon worden vastgesteld dat deze vóór het depot van het Moose-model openbaar waren gemaakt. De overige modelregistraties vertoonden wel overeenkomsten, maar bevatten volgens de voorzieningenrechter niet dezelfde combinatie van vormelementen. Daarbij acht de voorzieningenrechter met name van belang dat het model wordt gekenmerkt door de constructie van een binnen- en buitenpot, de specifieke verhoudingen tussen de verschillende onderdelen en de combinatie van rechte buitenwanden met een afgeronde onderzijde. Het model voldoet daarom volgens de voorzieningenrechter aan de vereisten van nieuwheid en eigen karakter. Bij de beoordeling van de beschermingsomvang overweegt de voorzieningenrechter dat sprake is van een druk ontwerpveld: potjes voor slime- en cosmeticaproducten bestaan in vele varianten. Ook merkt de voorzieningenrechter op dat Moose c.s. haar model in zwart-wit heeft gedeponeerd, zodat kleurkenmerken geen rol spelen bij de vergelijking. De beschermingsomvang van het model is daardoor beperkt. Dat neemt volgens de voorzieningenrechter echter niet weg dat de door UP aangeboden Glossy Goo-potjes bij de geïnformeerde gebruiker dezelfde algemene indruk wekken als het geregistreerde model van Moose c.s.

IEF 23592

Achthoekige kartonnen verpakking nietig wegens technische vorm

Gerecht EU (voorheen GvEA) 3 jun 2026, IEF 23592; ECLI:EU:T:2026:365 (Lami Packaging (Kunshan) Co. Ltd tegen EUIPO en Tetra Laval Holdings & Finance SA), https://ie-forum.nl/artikelen/achthoekige-kartonnen-verpakking-nietig-wegens-technische-vorm

Gerecht EU 3 juni 2026, IEF 23592; ECLI:EU:T:2026:365 (Lami Packaging (Kunshan) Co. Ltd tegen EUIPO en Tetra Laval Holdings & Finance SA). Het Gerecht vernietigt de beslissing van de kamer van beroep van het EUIPO over het driedimensionale Uniemerk van Tetra Laval voor de vorm van een achthoekige kartonnen verpakking voor verpakkingscontainers en verpakkingsmateriaal van papier of met plastic bedekt papier. Omdat de merkaanvraag in 2000 was ingediend, toetst het Gerecht materieel aan Verordening 40/94. Lami Packaging had nietigverklaring gevorderd op grond van art. 51 lid 1 onder a jo. art. 7 lid 1 onder e, ii, omdat het teken uitsluitend zou bestaan uit de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen. De kamer van beroep had die grond afgewezen, omdat de technische voordelen volgens haar alleen zagen op het fabricageproces en niet op het gebruik van de verpakking. Het Gerecht bevestigt dat art. 7 lid 1 onder e, ii ziet op technische uitkomsten bij het gebruik van de waar en niet op de enkele wijze van vervaardiging, maar oordeelt dat de kamer van beroep die maatstaf verkeerd heeft toegepast.

IEF 23591

Geen merkinbreuk door enkel aanbieden van ICE-gerelateerd IE-portfolio

Rechtbank Den Haag 21 mei 2026, IEF 23591; ECLI:NL:RBDHA:2026:12616 (IEH tegen GEM c.s.), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-merkinbreuk-door-enkel-aanbieden-van-ice-gerelateerd-ie-portfolio

Rb. Den Haag 21 mei 2026, IEF 23591; ECLI:NL:RBDHA:2026:12616 (IEH tegen GEM c.s.). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag wijst in kort geding de vorderingen van Intercontinental Exchange Holdings af tegen GEM c.s. over het gebruik van ICE-gerelateerde tekens. IEH is houdster van Uniewoordmerken ICE voor onder meer financiële diensten, cryptovaluta, digitale tokens en online marktplaatsdiensten. Zij stelde dat GEM c.s. inbreuk maakte op deze merken door tekens als ICE, ICE Crypto, ICE Carbon en verschillende ICE-domeinnamen te gebruiken voor cryptomunten, handelsplatformdiensten en als handelsnaam. De rechtbank acht zich bevoegd voor de gehele Europese Unie, omdat IEH via Nederlandse dochtervennootschappen een vestiging in Nederland heeft in de zin van de UMVo. Ook is er spoedeisend belang, omdat GEM c.s. haar IE-portfolio actief te koop aanbiedt en naar buiten heeft aangekondigd strategische partners of investeerders te zoeken.

IEF 23566

MUKA/LAMUCCA: nietigverklaring van Uniebeeldmerk wegens verwarringsgevaar voor restaurantdiensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 13 mei 2026, IEF 23566; ECLI:EU:T:2026:341 (Ixo Restauración, SL tegen EUIPO en Promollum 142 B, SL), https://ie-forum.nl/artikelen/muka-lamucca-nietigverklaring-van-uniebeeldmerk-wegens-verwarringsgevaar-voor-restaurantdiensten

Gerecht EU 13 mei 2026, IEF 23566; IEFbe 4223; ECLI:EU:T:2026:341 (Ixo Restauración, SL tegen EUIPO en Promollum 142 B, SL). In dit arrest gaat het om een nietigheidsprocedure tegen het Uniebeeldmerk MUKA, bestaande uit het woordelement “muka” in licht gestileerde zwarte hoofdletters, geregistreerd voor catering-/restaurantdiensten in klasse 43. Promollum 142 B, SL verzocht om nietigverklaring op basis van haar oudere Spaanse woordmerk LAMUCCA, eveneens geregistreerd voor catering-/restaurantdiensten in klasse 43. De nietigheidsgrond was artikel 60 lid 1 onder a UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8 lid 1 onder b en artikel 8 lid 5 UMVo, maar de nietigheidsafdeling en vervolgens de Kamer van Beroep wezen de nietigheid toe op grond van verwarringsgevaar ex artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Ixo Restauración betoogde bij het Gerecht onder meer dat normaal gebruik van het oudere merk niet was bewezen, omdat het bewijs volgens haar vooral betrekking had op voedingsmiddelen of verkoopdiensten en niet op restaurantdiensten. Het Gerecht verwerpt dat betoog. Voor de relevante perioden, 20 september 2018 tot en met 19 september 2023 en, vanwege de vijfjaarstoets op de datum van aanvraag van het jongere merk, 8 april 2017 tot en met 7 april 2022, had Promollum voldoende bewijs overgelegd van daadwerkelijk gebruik van LAMUCCA voor restaurantdiensten in Spanje. Daarbij ging het onder meer om persartikelen, belasting- en btw-aangiften, leveranciersverklaringen, kassabonnen, facturen en stukken waaruit bleek dat restaurants binnen de LAMUCCA-groep onder dat teken diensten aanboden. Dat sommige stukken betrekking hadden op eten of ingrediënten deed daaraan niet af, omdat de kassabonnen wezen op bereide gerechten die ter plaatse werden geconsumeerd, bijvoorbeeld in de zaal of op het terras, en leveranciersfacturen zagen op onder meer bestek, ingrediënten en drank voor restaurants die onder LAMUCCA exploiteerden. Ook gebruik door restaurants zoals “Lamucca Andes”, “Lamucca Carmen” en “Lamucca Fuencarral” kon worden meegewogen, omdat dat gebruik door de merkhouder was toegestaan. Bovendien kan gebruik als handelsnaam of vennootschapsnaam als merkgebruik gelden wanneer de betrokken diensten zelf onder dat teken worden aangeboden, wat hier het geval was.

IEF 23565

OBELIX en wapens: EUIPO beoordeelde de reputatiebescherming te beperkt

Gerecht EU (voorheen GvEA) 13 mei 2026, IEF 23565; ECLI:EU:T:2026:343 (Les Éditions Albert René tegen EUIPO en WERKEN 11 MICHAŁ LUBIŃSKI), https://ie-forum.nl/artikelen/obelix-en-wapens-euipo-beoordeelde-de-reputatiebescherming-te-beperkt

Gerecht EU 13 mei 2026, IEF 23565; IEFbe 4222; ECLI:EU:T:2026:343 (Les Éditions Albert René tegen EUIPO en WERKEN 11 MICHAŁ LUBIŃSKI). In dit arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 13 mei 2026 staat een nietigheidsprocedure centraal over het Uniewoordmerk Obelix, dat door WORKS 11 Michał Lubiński was geregistreerd voor wapens, munitie en aanverwante producten in klasse 13. Les Éditions Albert René, rechthebbende achter de Asterix- en Obelix-franchise, vorderde nietigverklaring op basis van haar oudere Uniewoordmerk OBELIX, geregistreerd voor onder meer waren en diensten in de klassen 9, 16, 25, 28 en 41. De vordering was gebaseerd op artikel 60 lid 1 onder a UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8 lid 1 onder b en artikel 8 lid 5 UMVo. De nietigheidsafdeling wees het verzoek af wegens onvoldoende bewijs van normaal gebruik van het oudere merk. De Kamer van Beroep liet het normaal gebruik vervolgens uit proceseconomische overwegingen in het midden en beoordeelde de zaak alsof normaal gebruik was aangetoond. Zij oordeelde dat geen verwarringsgevaar bestond, omdat de betrokken waren en diensten ongelijksoortig waren, en dat artikel 8 lid 5 UMVo evenmin toepassing vond, omdat de reputatie van het oudere merk niet voldoende was bewezen en het relevante publiek geen verband zou leggen tussen Obelix voor wapens en het oudere merk OBELIX. Het Gerecht verwerpt de motiveringsklacht van Les Éditions Albert René: de beslissing was niet innerlijk tegenstrijdig, omdat de Kamer van Beroep normaal gebruik slechts hypothetisch aannam en vervolgens afzonderlijk de reputatie van het oudere merk beoordeelde. Ook heeft de Kamer van Beroep daarmee niet de geldigheid van het oudere merk ter discussie gesteld en evenmin geoordeeld dat namen van fictieve personages niet als merk kunnen functioneren.

IEF 23562

Gerecht: “K.”-teken Klarna slechts voor financiële diensten verwarrend ten opzichte van Kutxabank-merk

HvJ EU 13 mei 2026, IEF 23562; ECLI:EU:T:2026:344 ((Kutxabank tegen EUIPO en Klarna Bank)), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-k-teken-klarna-slechts-voor-financiele-diensten-verwarrend-ten-opzichte-van-kutxabank-merk

HvJ EU 13 mei 2026, IEF 23562; ECLI:EU:T:2026:344 (Kutxabank tegen EUIPO en Klarna Bank). In deze zaak staan twee vragen centraal: (i) of sprake is van verwarringsgevaar tussen het aangevraagde figuratieve Uniemerk bestaande uit de letter “K.” en de oudere Kutxabank-merken voor diensten in de klassen 35, 39, 42 en 45, en (ii) of dat wél het geval is voor de financiële diensten in klasse 36 ten opzichte van een ouder Kutxabank-beeldmerk met een gestileerde “k”. Aan de procedure ligt een oppositie van Kutxabank ten grondslag tegen een merkaanvraag van Klarna voor een figuratief teken waarin de letter “K” centraal staat, aangevraagd voor diensten in de klassen 35, 36, 39, 42 en 45. Kutxabank beroept zich op twee oudere Uniemerken: (i) een beeldmerk met een gestileerde “k” voor financiële diensten in klasse 36 (oudere merk 1), en (ii) een beeldmerk met een gestileerde “k” in combinatie met de woorden “kutxabank kredit” voor onder meer reclame- en zakelijke diensten in klasse 35 en financiële diensten in klasse 36 (oudere merk 2). Bij de beoordeling van het verwarringsgevaar hanteert het Gerecht de gebruikelijke globale benadering, waarbij de mate van overeenstemming tussen de tekens, de (soort)gelijkheid van de diensten en het onderscheidend vermogen van de oudere merken in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Voor oudere merk 1 oordeelt het Gerecht dat de diensten in de klassen 35, 39, 42 en 45 waarvoor de aanvraag is ingediend, niet soortgelijk zijn aan de financiële en monetaire diensten in klasse 36. Het betoog van Kutxabank dat sprake is van een economische samenhang of aanvullende diensten – bijvoorbeeld via software of beveiligingsdiensten – wordt verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. Alleen de diensten in klasse 36 zijn identiek. Voor oudere merk 2 geldt dat een deel van de diensten in klasse 35 identiek is, maar dat de diensten in de klassen 39, 42 en 45 niet soortgelijk zijn. Voor die laatste diensten ontbreekt daarmee een noodzakelijke voorwaarde voor verwarringsgevaar. De beoordeling concentreert zich vervolgens op de diensten waarvoor wél sprake is van identiteit: klasse 35 ten opzichte van oudere merk 2 en klasse 36 ten opzichte van oudere merk 1.