Alle rechtspraak  

IEF 23652

Rb. Den Haag: logistieke dienstverleners maken geen merkinbreuk door verwerking Temu- en AliExpress-pakketten

Rechtbank Den Haag 29 jun 2026,, IEF 23652; ECLI:NL:RBDHA:2026:16647 ((Puma tegen Shaoke NL en E-Com)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-logistieke-dienstverleners-maken-geen-merkinbreuk-door-verwerking-temu-en-aliexpress-pakketten

Rb. Den Haag 17 juni 2026, IEF 23652; ECLI:NL:RBDHA:2026:16647 (Puma tegen Shaoke NL en E-Com). In deze zaak tussen Puma en Shaoke Logistics B.V. en E-Com Global Logistics (samen Shaoke NL c.s.) staat de vraag centraal of een logistieke dienstverlener en een douaneverlener merkinbreuk plegen of onrechtmatig handelen door pakketjes met mogelijk inbreukmakende Puma-producten afkomstig van Chinese webshops te verwerken. Puma meent dat de ondernemingen een essentiële schakel vormen in de distributieketen van namaak- en parallel geïmporteerde goederen die via platforms als Temu en AliExpress rechtstreeks aan Nederlandse consumenten worden verkocht. De rechtbank wijst alle vorderingen af. Van merkinbreuk is geen sprake, omdat Shaoke NL c.s. de Puma-merken niet gebruiken in hun eigen commerciële communicatie. Evenmin handelen zij onrechtmatig door hun logistieke en douanediensten te verlenen. De rechtbank verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Puma is houdster van diverse Uniemerken voor sportkleding, schoenen en accessoires. Shaoke Logistics verwerkt in Nederland zogenoemde overpacks met pakketjes die afkomstig zijn van Chinese verkopers en maakt deze gereed voor bezorging door vervoerders als PostNL en DHL. E-Com verzorgt daarbij de douaneformaliteiten. Tijdens douanecontroles en door Puma gelegde beslagen zijn in sommige pakketten goederen aangetroffen die waren voorzien van Puma-merken. Volgens Puma had zij geen toestemming verleend voor invoer vanuit China, zodat iedere dergelijke zending inbreuk opleverde. Daarnaast stelde Puma dat Shaoke NL c.s. de handel in inbreukmakende producten faciliteerden door onder meer de inklaring te verzorgen, goederen tijdelijk op te slaan en als retouradres te fungeren. Zij vorderde onder meer een verbod, opgave van gegevens, vernietiging van de goederen (onder meer door DWZ op kosten van gedaagden te laten vernietigen), schadevergoeding en volledige proceskosten. De rechtbank stelt voorop dat voor merkinbreuk vereist is dat een derde het merk zelf gebruikt in het economische verkeer. Daarbij moet sprake zijn van een actieve gedraging en van rechtstreekse of indirecte controle over het gebruik van het merk, waarbij het merk bovendien wordt gebruikt in de eigen commerciële communicatie. Puma baseert haar merkinbreukgrondslag op gebruik in de zin van artikel 9 lid 2 van de Uniemerkenverordening. De rechtbank verwijst daarbij naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, waaronder Daimler, Google France, Coty Germany en TOP Logistics.

IEF 23651

Geen inbreuk op model- en auteursrechten Cobefa-grasbetonplaten

Rechtbank Den Haag 19 jun 2026,, IEF 23651; ECLI:NL:RBDHA:2026:16620 ((Cobefa tegen [gedaagde])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-inbreuk-op-model-en-auteursrechten-cobefa-grasbetonplaten

Rb. Den Haag 19 juni 2026, IEF 23651; ECLI:NL:RBDHA:2026:16620 (Cobefa tegen [gedaagde]). In deze zaak oordeelt de voorzieningenrechter dat er geen sprake is van inbreuk op de model- en auteursrechten van de grasbetonplaten van Cobefa en evenmin slaafse nabootsing. Zowel Cobefa als [gedaagde] zijn producent van betonproducten, waaronder grasbetonplaten. Cobefa houdt verscheidene Uniemodelregistraties voor de grasbetonplaten. Na een sommatiebrief van Cobefa richting [gedaagde] hebben partijen nader overlegd, maar dit heeft niet tot een oplossing geleid. [gedaagde] heeft vervolgens de verkoop niet gestaakt. Cobefa vordert een verbod op inbreuk op haar model- en auteursrechten op de Cobefa-grasbetonplaten en een verbod op slaafse nabootsing, met nevenvorderingen en een dwangsom. Volgens Cobefa maakt [gedaagde] met de verhandeling van de [modelnaam] inbreuk op haar modelrechten, omdat het product bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt dan de Cobefa-modellen. Daarnaast stelt Cobefa dat de grasbetonplaten auteursrechtelijk beschermde werken zijn en dat de creatieve elementen daarvan herkenbaar zijn overgenomen in de [modelnaam]. Ook zou [gedaagde] onrechtmatig handelen door de Cobefa-grasbetonplaten slaafs na te bootsen. [gedaagde] betwist de gestelde inbreuken en voert aan dat de Cobefa-modellen nietig zijn wegens gebrek aan nieuwheid en eigen karakter en omdat de vormgeving technisch bepaald is. Volgens [gedaagde] wekt de [modelnaam] bovendien een andere algemene indruk. Ook is volgens [gedaagde] geen sprake van auteursrechtinbreuk, omdat Cobefa geen auteursrechthebbende zou zijn en de grasbetonplaten geen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. Voor zover wel sprake is van auteursrechtelijke bescherming, zijn de creatieve elementen niet herkenbaar overgenomen. Verder betwist [gedaagde] dat sprake is van slaafse nabootsing en voert zij aan dat de slaafse nabootsingsleer in strijd is met Europees recht.

IEF 23650

Uitspraak ingezonden door Rik Balk, Balk Legal

BenGH over merk NIELSON: kwade trouw en incidenteel beroep buiten de beroepstermijn

BenGH 29 jun 2026,, IEF 23650; C 2021/18/V (([verzoeker] tegen [verweerders])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/bengh-over-merk-nielson-kwade-trouw-en-incidenteel-beroep-buiten-de-beroepstermijn

BenGH 15 april 2026, IEF 23650; IEF-Be 4243; C 2021/18/V ([verzoeker] tegen [verweerders]). In deze zaak tussen [verzoeker] en [verweerders] gaat het om de vraag of de Eerste Kamer van het Benelux‑Gerechtshof aanleiding ziet een arrest van de Tweede Kamer te corrigeren, waarin een Benelux‑woordmerk NIELSON (gedeeltelijk) nietig is verklaard wegens depot te kwader trouw. Daarnaast speelt de vraag of incidenteel beroep tegen een beslissing van het BBIE mogelijk is nadat de in het BVIE opgenomen beroepstermijn is verstreken. [verzoeker] heeft in 2013 het Benelux‑woordmerk NIELSON aangevraagd, dat in 2013 is ingeschreven voor diensten in de klassen 35, 41 en 42. In 2020 hebben [verweerders] bij het BBIE een vordering ingediend tot vervallenverklaring en nietigverklaring van het merk voor de in klasse 41 aangeduide diensten. Zij hebben zich daarbij beroepen op verval wegens het ontbreken van normaal gebruik en op kwade trouw bij de aanvraag. Het BBIE heeft het merk vervallen verklaard voor een groot deel van de diensten in klasse 41, maar de inschrijving in stand gelaten voor de diensten van een DJ. Het beroep op kwade trouw is door het BBIE afgewezen. Daarbij is onder meer overwogen dat het gebruik van het teken “Mister Nielson” voor DJ‑diensten niet afdoet aan het onderscheidend vermogen van het ingeschreven merk, dat voor DJ‑diensten normaal gebruik is aangetoond, dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat [verzoeker] ten tijde van de aanvraag geen gebruiksintentie had en dat voor de aanvraag een commerciële logica bestond. [verweerders] hebben beroep ingesteld bij de Tweede Kamer van het Benelux‑Gerechtshof. [verzoeker] heeft incidenteel beroep ingesteld tegen de beslissing van het BBIE. De Tweede Kamer heeft dat incidentele beroep niet‑ontvankelijk verklaard omdat het na afloop van de in artikel 1.15bis BVIE genoemde beroepstermijn van twee maanden is ingesteld en BVIE, het Verdrag betreffende de instelling en het statuut van een Benelux‑Gerechtshof en het Reglement op de procesvoering geen grondslag bieden voor incidenteel beroep buiten die termijn. Voorts heeft de Tweede Kamer de beslissing van het BBIE vernietigd voor zover het beroep op kwade trouw was afgewezen. Samengevat heeft zij geoordeeld dat de inschrijving te kwader trouw is aangevraagd voor diensten die identiek zijn aan of overeenstemmen met de diensten waarvoor het teken Nielson op het moment van de aanvraag werd gebruikt, waarbij onder meer betekenis is toegekend aan de (door de Tweede Kamer vastgestelde) bekendheid van de artiest Nielson, de bekendheid van [verzoeker] met dat gebruik, diens eigen gebruik van “Mister Nielson” en diens beweegredenen voor het depot. Voor de overige diensten in klasse 41 is het merk reeds vervallen verklaard.

IEF 23642

Landgericht Berlin: geen merkinbreuk door AI-gegenereerde zoekresultaten over parfumdupes

Duitse Gerechten 1 jun 2026,, IEF 23642; 52 O 62/26 9 (([Antragstellerin] tegen [Antragsgegnerin])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/landgericht-berlin-geen-merkinbreuk-door-ai-gegenereerde-zoekresultaten-over-parfumdupes

Landgericht Berlin 1 juni 2026, IEF 23642; IT 5322; 52 O 62/26 9 ([Antragstellerin] tegen [Antragsgegnerin]). In deze zaak tussen een parfum- en cosmeticaconcern en de exploitant van een bekende zoekmachine staat de vraag centraal of AI-gegenereerde zoekresultaten waarin bekende parfums worden gekoppeld aan zogenoemde Duftzwillinge of parfumdupes een merkinbreuk opleveren. Het Landgericht Berlin oordeelt dat daarvan geen sprake is. Volgens de rechtbank gebruikt de zoekmachine de betrokken merken niet zelf in de zin van de Uniemerkenverordening, maar schept zij slechts de technische voorwaarden voor het weergeven en ordenen van informatie van derden in een nieuw zoekresultaten format. De verzoekende partij maakt deel uit van een internationaal parfum- en cosmeticaconcern en brengt verschillende bekende parfums op de markt die zijn beschermd door Uniemerken. De wederpartij exploiteert vanuit Ierland een zoekmachine die recent twee AI-functies heeft toegevoegd: een automatisch gegenereerd overzicht van zoekresultaten (Übersicht mit KI) en een interactieve AI-modus waarin gebruikers vragen kunnen stellen en vervolgvragen kunnen stellen. Beide functies genereren antwoordteksten op basis van informatie die afkomstig is van websites van derden. Daarbij worden de geraadpleegde websites door middel van links, snippets en voorbeeldafbeeldingen weergegeven. Op elke zoekopdracht worden de overzichts- en antwoordteksten opnieuw gegenereerd, zodat de uitkomsten niet vast en herhaalbaar zijn. De zaak draait om zoekopdrachten naar parfumdupes. Wanneer gebruikers bijvoorbeeld zoeken naar "duftzwillinge" of naar een bekend parfum in combinatie met de vraag naar alternatieven, verschijnen in de AI-overzichten en AI-antwoorden lijsten met vergelijkbare parfums van andere aanbieders. Daarbij worden ook websites van deze aanbieders getoond en in sommige gevallen verschijnen boven de AI-samenvatting gesponsorde advertenties voor zowel het originele parfum als de alternatieve geuren. Volgens de parfumproducent maakt de zoekmachine hiermee ongeoorloofd gebruik van haar merken en worden consumenten actief naar aanbieders van imitatieparfums geleid. De vordering is daarbij toegesneden op het verbieden van de merknamen in de KI-overzichten en KI-antwoorden zelf, niet op het verbieden van specifieke gelinkte zoekresultaten of concrete URL’s van derdewebsites. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling, behandelt zij de internationale bevoegdheid. Omdat de exploitant van de zoekmachine in Ierland is gevestigd, kan de bevoegdheid niet worden gebaseerd op de hoofdregel van artikel 125 lid 1 UMVo. Wel is het Landgericht Berlin bevoegd op grond van artikel 125 lid 5 UMVo, omdat de gewraakte AI-resultaten in het Duits zijn opgesteld en zich richten tot gebruikers in Duitsland. De bevoegdheid strekt zich echter uitsluitend uit tot handelingen die in Duitsland plaatsvinden of dreigen plaats te vinden, gelet op artikel 126 lid 2 UMVo. Een Uniewijd verbod kan de rechtbank daarom niet uitspreken. De rechtbank verwerpt eerst het verweer dat de vorderingen te onbepaald zouden zijn. Zij acht de onder het motto "wenn dies geschieht wie folgt" geformuleerde verzoeken voldoende concreet, omdat daarmee wordt aangesloten bij de specifieke wijze waarop de merktekens in de KI-overzichten en KI-antwoorden verschijnen. Nu de eiseres niet de verwerking van bepaalde zoekresultaten of specifieke derde-URL’s wil verbieden, maar de merknamen in de KI-teksten als zodanig, acht de rechtbank het voorwerp van het gevorderde verbod voldoende scherp omlijnd. De rechtbank verwerpt vervolgens het beroep op het merkenrecht. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie vereist een merkinbreuk dat sprake is van een eigen gebruik van het teken in het economisch verkeer. Daarvoor is nodig dat de aangesproken partij een actieve rol speelt, invloed uitoefent op het gebruik van het teken en het teken gebruikt in haar eigen commerciële communicatie. De rechtbank verwijst in dit verband onder meer naar de rechtspraak over zoekwoorden advertenties en online marktplaatsen. De vraag of een normaal geïnformeerde en redelijk oplettende gebruiker een verband legt tussen het tekengebruik en de commerciële communicatie van de platform exploitant zelf is daarbij doorslaggevend.

IEF 23644

BenGH: beroep op niet-geregistreerd Tsjechisch merk strandt bij gebrek aan onderbouwing

BenGH 2 jun 2026,, IEF 23644; C 2025/12 ((Mogador tegen Panon).), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/bengh-beroep-op-niet-geregistreerd-tsjechisch-merk-strandt-bij-gebrek-aan-onderbouwing

BenGH 2 juni 2026, IEF 23644; IEFbe 4241; C 2025/12 (Mogador tegen Panon). In deze zaak tussen Mogador s.r.o. en Panon Healthy Food d.o.o. staat een oppositie tegen een Benelux-woord-/beeldmerk voor rijstepap en rijstproducten centraal. Mogador beroept zich daarbij op artikel 2.14 lid 2 onder b jo. artikel 2.2ter lid 3 onder b BVIE en stelt dat Panon een teken heeft aangevraagd waarop zij oudere niet-geregistreerde Tsjechische merkrechten bezit. Het Benelux-Gerechtshof moet beoordelen of Mogador voldoende heeft aangetoond dat zij naar Tsjechisch recht als houdster van dergelijke oudere merkrechten kan worden aangemerkt. Panon heeft bij het BBIE een Benelux-woord-/beeldmerk aangevraagd voor rijstepap en rijstproducten voor het snel bereiden van gerechten in klasse 30. Mogador heeft tegen deze aanvraag oppositie ingesteld. Volgens Mogador was sprake van oudere niet-geregistreerde merken waarvan zij houdster was en had Panon het teken als vertegenwoordiger of handelspartner zonder toestemming op eigen naam aangevraagd. Het BBIE wees de oppositie af, waarna Mogador beroep instelde bij het Benelux-Gerechtshof. Voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling verwerpt het Hof een ontvankelijkheidsverweer van Panon. Het Hof oordeelt op basis van het BVIE en het Reglement op de procesvoering dat, nu de beroepstermijn op een zondag verstreek, de vervaldag verschoof naar de eerstvolgende werkdag (2 juni 2025), zodat het beroep tijdig is ingesteld.Het Hof stelt voorop dat artikel 2.2ter lid 3 onder b BVIE ertoe strekt misbruik door gemachtigden of vertegenwoordigers van een merkhouder tegen te gaan. Het Hof wijst erop dat een beroep op deze bepaling alleen kan slagen wanneer onder meer vaststaat dat de opposant houder is van een ouder merk. Dat begrip omvat niet alleen ingeschreven merken, maar kan ook niet-geregistreerde merken omvatten, voor zover het recht van het land van oorsprong dergelijke rechten erkent.

IEF 23638

Rb. Amsterdam wijst vorderingen af in geschil over DJ-naam

Rechtbank Amsterdam 24 mrt 2026,, IEF 23638; ECLI:NL:RBAMS:2026:6010 (([eiser 1] en [eiser 2]) tegen [gedaagde 1] en Meanwhile)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-wijst-vorderingen-af-in-geschil-over-dj-naam

Rb. Amsterdam 24 maart 2026, IEF 23638; ECLI:NL:RBAMS:2026:6010 ([eiser 1] en [eiser 2]) tegen [gedaagde 1] en Meanwhile). In deze zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] enerzijds en [gedaagde 1] en Meanwhile anderzijds staat een geschil centraal over het gebruik van de naam '(DJ) [eiser 1 alias]'. [eiser 1] treedt sinds 1990 op als techno-dj onder deze naam. Op 14 augustus 2003 heeft [eiser 1] het Benelux-woordmerk 'DJ [eiser 1 alias]' gedeponeerd, dat op 1 november 2003 is ingeschreven en op 14 augustus 2013 is vervallen wegens niet-verlenging. Zijn holding [eiser 2] verkreeg vervolgens in 2022 opnieuw een Benelux-woordmerk voor 'DJ [eiser 1 alias]' (aanvraag 27 juni 2022, inschrijving 7 september 2022) voor onder meer entertainmentdiensten. De Britse DJ [gedaagde 1] treedt echter eveneens op onder de naam '[eiser 1 alias]' of '[eiser 1 alias .]' en gebruikt deze naam al jaren in het Verenigd Koninkrijk en daarbuiten, waaronder in Nederland (in ieder geval sinds 2018). Meanwhile is sinds 2020 zijn Nederlandse boekingskantoor. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] maken [gedaagde 1] en Meanwhile inbreuk op hun merk- en handelsnaamrechten. Zij voeren aan dat '[eiser 1 alias .]' vrijwel identiek is aan het merk 'DJ [eiser 1 alias]', omdat het onderscheidende bestanddeel '[eiser 1 alias]' volledig is overgenomen. Daarnaast zou verwarringsgevaar bestaan, mede omdat beide partijen als dj actief zijn. Zij baseren zich voor merkinbreuk op artikel 2.20 lid 2 onder a en b BVIE en stellen dat [gedaagde 1] zich niet kan beroepen op oudere rechten van plaatselijke betekenis als bedoeld in artikel 2.23 lid 2 BVIE. Ook stellen zij dat [eiser 1] al sinds 1990 onder de naam 'DJ [eiser 1 alias]' naar buiten treedt en daarom oudere handelsnaamrechten bezit, zodat gebruik door [gedaagde 1] en Meanwhile tevens in strijd is met artikel 5 Handelsnaamwet. Verder voeren zij aan dat [gedaagde 1] en Meanwhile onrechtmatig handelen doordat zij profiteren van de bekendheid en goodwill die [eiser 1] gedurende tientallen jaren heeft opgebouwd. [gedaagde 1] betwist de vorderingen. Hij stelt dat hij de naam '[eiser 1 alias .]' al vóór de merkregistratie van 2022 gebruikte en daardoor oudere handelsnaamrechten heeft in de zin van artikel 2.23 lid 2 BVIE. Daarnaast heeft hij bij het Benelux Merkenbureau een procedure tot doorhaling van het merk 'DJ [eiser 1 alias]' gestart wegens een volgens hem te kwader trouw verricht depot. Ook betwist hij dat [eiser 1] de naam 'DJ [eiser 1 alias]' daadwerkelijk als handelsnaam gebruikt. Volgens hem treedt [eiser 1] slechts incidenteel onder die naam op en gebruikt hij deze niet als naam waaronder hij zijn onderneming drijft; hij wijst erop dat [eiser 1] geen KvK-registratie, contracten, facturen, website of commerciële socialmedia-accounts onder de naam 'DJ [eiser 1 alias]' heeft. Verder voert hij aan dat geen sprake is van verwarringsgevaar, onder meer omdat de punt achter de naam een verschil oplevert, partijen in verschillende (sub)genres actief zijn en er vele andere (DJ) [eiser 1 alias]’s zijn. Meanwhile voert aanvullend aan dat zij '[eiser 1 alias .]' uitsluitend gebruikt ter promotie van haar artiest en niet als eigen handelsnaam.

IEF 23636

BenGH: FRAXEL-merken niet normaal gebruikt, PLAXEL PLASMA PEN blijft ingeschreven

BenGH 4 feb 2026,, IEF 23636; C 2023/28 ((Safety4yoU tegen Solta)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/bengh-fraxel-merken-niet-normaal-gebruikt-plaxel-plasma-pen-blijft-ingeschreven

BenGH 4 februari 2026, IEF-be 4239; C 2023/28 (Safety4yoU tegen Solta). In deze zaak tussen Safety4yoU en Solta staat de vraag centraal of Solta haar oudere FRAXEL-merken normaal heeft gebruikt en zich daarom met succes kan verzetten tegen de inschrijving van het woordmerk PLAXEL PLASMA PEN. Safety4yoU heeft in oktober 2021 een Benelux-inschrijving aangevraagd voor het woordmerk PLAXEL PLASMA PEN voor waren en diensten in de klassen 8, 10, 41 en 44. Tegen deze aanvraag heeft Solta oppositie ingesteld op basis van drie oudere FRAXEL-merken: een Beneluxmerk uit 2005 voor medische apparaten en instrumenten in klasse 10 en twee Uniemerken uit 2006 respectievelijk 2008 voor medische hulpmiddelen in klasse 10 en cosmetische, plastische en dermatologische behandelingen in klasse 44. Volgens Solta bestond verwarringsgevaar tussen de merken. Safety4yoU heeft zich verweerd met de stelling dat Solta haar oudere merken niet normaal heeft gebruikt. Het Benelux Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE) achtte slechts normaal gebruik bewezen voor medische hulpmiddelen bestaande uit lasers en onderdelen en accessoires daarvoor in klasse 10. De oppositie werd daarom gedeeltelijk toegewezen voor bepaalde waren in klasse 8 en alle waren in klasse 10, en gedeeltelijk afgewezen voor de overige waren en diensten. Safety4yoU stelde beroep in bij het Benelux-Gerechtshof. Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 2.16bis BVIE de merkhouder moet bewijzen dat het oudere merk in de relevante periode van 4 oktober 2016 tot 4 oktober 2021 normaal is gebruikt. Onder verwijzing naar de arresten Ferrari (Testarossa), Centrotherm en Maxxus/Globus overweegt het hof dat sprake moet zijn van een reële commerciële exploitatie die is gericht op het vinden of behouden van afzet voor de betrokken waren of diensten. De bewijslast rust volledig op de merkhouder. Ten aanzien van de diensten in klasse 44 voert Solta aan dat FRAXEL-behandelingen met haar toestemming worden aangeboden door 131 Europese klinieken. Het hof acht de door Solta opgestelde lijst van deze klinieken echter onvoldoende bewijs. Daarnaast heeft Solta historische websites van verschillende klinieken overgelegd waarop het woord FRAXEL voorkomt. Slechts drie van deze klinieken blijken echter ook voor te komen op de eigen lijst van Solta. Voor de overige klinieken ontbreekt een verklaring waarom zij niet op die lijst staan, zodat niet kan worden uitgesloten dat zij het merk zonder toestemming gebruikten. Bovendien zijn alleen voor de Nederlandse kliniek Kazem facturen voor de aanschaf van FRAXEL-producten overgelegd. Voor de Franse en Spaanse klinieken ontbreekt dergelijk bewijs, terwijl Solta zelf heeft gesteld dat deze producten noodzakelijk zijn voor iedere FRAXEL-behandeling.

IEF 23624

Ingezonden door Lex Keukens, TeekensKarstens advocaten notarissen

Eén hervulde Benegas-statiegeldfles voldoende voor merkinbreukverbod

Rechtbank Noord-Holland 4 jun 2026,, IEF 23624; ECLI:NL:RBNHO:2026:6393 (Benegas tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/een-hervulde-benegas-statiegeldfles-voldoende-voor-merkinbreukverbod

Rb. Noord-Holland 4 juni 2026, IEF 23624; RB 4026; ECLI:NL:RBNHO:2026:6393 (Benegas tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter verbiedt [gedaagde] om zonder toestemming statiegeldflessen van Benegas te vullen en draagt haar op haar website aan te passen, omdat één vastgestelde hervulling voldoende is voor een verbod wegens merkinbreuk. De website mocht daarnaast niet langer de indruk wekken dat [gedaagde] als depothouder namens Benegas gerechtigd was om Benegas-statiegeldflessen te vullen. Benegas exploiteert propaangas in statiegeldflessen die eigendom blijven van Benegas en alleen door het Benegas-vulcentrum in België mogen worden hervuld. [gedaagde] is al jarenlang contractspartij en afnemer van Benegas, onder meer op basis van een overeenkomst voor tankverhuur en gasverkoop, maar zij was niet bevoegd om statiegeldflessen van Benegas te vullen. In 2023 was [gedaagde] al aangesproken op merkinbreuk en had zij een onthoudingsverklaring ondertekend. Bij een steekproef in september 2025 is opnieuw vastgesteld dat een medewerker van [gedaagde] tegen betaling een Benegas-fles heeft gevuld. Benegas vordert onder meer een verbod, aanpassing of rectificatie van de website, opgave van gegevens, een boete en vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

IEF 23628

Geen voorlopige IE-voorziening tegen VIARO wegens ontbreken van spoedeisend belang

Rechtbank Den Haag 5 jun 2026,, IEF 23628; ECLI:NL:RBDHA:2026:14952 (Varo tegen Viaro), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-voorlopige-ie-voorziening-tegen-viaro-wegens-ontbreken-van-spoedeisend-belang

Rb. Den Haag 5 juni 2026, IEF 23628; ECLI:NL:RBDHA:2026:14952 (Varo tegen Viaro). Varo vordert in kort geding een EU-wijd verbod op het gebruik door Viaro Energy en RockRose Energy van de tekens VIARO, Viaro Energy, het Viaro-logo en de aanduiding “part of Viaro Group” voor energieproducten en daaraan gerelateerde diensten. Varo beroept zich primair op haar Uniewoordmerk VARO, ingeschreven voor onder meer brandstoffen, olie- en gasproducten, handel, transport, distributie, raffinage en exploratie van energieproducten, en stelt dat sprake is van verwarringsgevaar in de zin van art. 9 lid 2 onder b UMVo. Subsidiair vordert Varo een verbod op het gebruik van Viaro en Viaro Energy als handelsnaam in Nederland. Volgens Varo zijn partijen actief in dezelfde energiesector en dreigt bovendien reputatieschade door negatieve Britse publicaties over de CEO van Viaro. Viaro betwist de gestelde merk- en handelsnaaminbreuk en voert aan dat haar activiteiten hoofdzakelijk plaatsvinden in het Verenigd Koninkrijk en het Noordzeegebied, dat operationele activiteiten worden verricht onder de naam RockRose Energy, dat de aanduiding VIARO in de EU slechts beperkt en in corporate context wordt gebruikt, en dat partijen verschillen in positie binnen de energieketen, producten en klantenkring. De voorzieningenrechter acht zich voor de Uniemerkvordering bevoegd met werking voor de gehele Europese Unie, omdat Viaro buiten de EU is gevestigd en Varo in Nederland; voor de Nederlandse handelsnaamvordering is de bevoegdheid niet betwist.

IEF 23629

Geen merkinbreuk: Container Centralen onderbouwt handel in eurocontainers onvoldoende

Rechtbank Den Haag 3 jun 2026,, IEF 23629; ECLI:NL:RBDHA:2026:14890 ((Container Centralen tegen Celieplant).), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-merkinbreuk-container-centralen-onderbouwt-handel-in-eurocontainers-onvoldoende

Rb. Den Haag 3 juni 2026, IEF 23629; ECLI:NL:RBDHA:2026:14890 (Container Centralen tegen Celieplant). In deze zaak tussen Container Centralen en Celieplant staat de vraag centraal of Celieplant toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomsten, merkinbreuk heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door eurocontainers van Container Centralen of daarop gelijkende containers op te slaan en in circulatie te brengen. De Rechtbank Den Haag oordeelt dat Container Centralen haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Alle vorderingen worden afgewezen. De eerder ten laste van Celieplant gelegde bewijsbeslagen worden opgeheven. Container Centralen exploiteert een rouleersysteem van zogenoemde CC Eurocontainers, die veel worden gebruikt in de bloemen- en potplantenbranche. Zij is houdster van een Uniebeeldmerk voor onder meer deze containers. Het modelrecht en het octrooirecht op de CC Eurocontainer zijn inmiddels verlopen. Celieplant is actief als importeur, exporteur en commissionair van planten en was tot 2023 deelnemer aan het CC Eurocontainer Poolsysteem. Daarnaast huurt zij ook eurocontainers van andere marktpartijen. Aanleiding voor het geschil vormde een bewijsbeslag dat Container Centralen in maart 2024 liet leggen bij J.B.B. Pack. Volgens het proces-verbaal van de deurwaarder werden daar zowel "originele EC-containers" als "nagenoeg identieke imitatie EC-containers" aangetroffen. Ook bij Celieplant werd later bewijsbeslag gelegd. Container Centralen stelde dat Celieplant haar contractuele verplichtingen had geschonden door CC Eurocontainers op het terrein van JBB te stallen en daarnaast merkinbreuk maakte door originele en namaakcontainers aan te bieden, te verhuren of anderszins in circulatie te brengen. Volgens Container Centralen leidde dit bovendien tot vervuiling van haar poolsysteem, omdat namaakcontainers niet van originele containers zouden zijn te onderscheiden. De rechtbank volgt die redenering niet. Zij stelt voorop dat de CC Eurocontainers die Celieplant op grond van de OWS-overeenkomsten huurt een gesloten route afleggen: Container Centralen levert de containers af en haalt deze ook zelf weer op bij de eindafnemer. Die containers kunnen daarom niet bij Celieplant achterblijven. Verder heeft Celieplant voldoende onderbouwd dat zij ook eurocontainers van andere marktpartijen huurt. Tussen partijen staat vast dat inmiddels meerdere ondernemingen vergelijkbare eurocontainers produceren en aanbieden. Omdat zowel het modelrecht als het octrooirecht van Container Centralen zijn verlopen, mogen andere marktpartijen dergelijke containers in beginsel vervaardigen en verhuren. Het staat Celieplant eveneens vrij om deze te huren.