Alle rechtspraak  

IEF 23624

Eén hervulde Benegas-statiegeldfles voldoende voor merkinbreukverbod

Rechtbank Noord-Holland 4 jun 2026, IEF 23624; ECLI:NL:RBNHO:2026:6393 (Benegas tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/een-hervulde-benegas-statiegeldfles-voldoende-voor-merkinbreukverbod

Rb. Noord-Holland 4 juni 2026, IEF 23624; RB 4026; ECLI:NL:RBNHO:2026:6393 (Benegas tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter verbiedt [gedaagde] om zonder toestemming statiegeldflessen van Benegas te vullen en draagt haar op haar website aan te passen, omdat één vastgestelde hervulling voldoende is voor een verbod wegens merkinbreuk. De website mocht daarnaast niet langer de indruk wekken dat [gedaagde] als depothouder namens Benegas gerechtigd was om Benegas-statiegeldflessen te vullen. Benegas exploiteert propaangas in statiegeldflessen die eigendom blijven van Benegas en alleen door het Benegas-vulcentrum in België mogen worden hervuld. [gedaagde] is al jarenlang contractspartij en afnemer van Benegas, onder meer op basis van een overeenkomst voor tankverhuur en gasverkoop, maar zij was niet bevoegd om statiegeldflessen van Benegas te vullen. In 2023 was [gedaagde] al aangesproken op merkinbreuk en had zij een onthoudingsverklaring ondertekend. Bij een steekproef in september 2025 is opnieuw vastgesteld dat een medewerker van [gedaagde] tegen betaling een Benegas-fles heeft gevuld. Benegas vordert onder meer een verbod, aanpassing of rectificatie van de website, opgave van gegevens, een boete en vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

IEF 23628

Geen voorlopige IE-voorziening tegen VIARO wegens ontbreken van spoedeisend belang

Rechtbank Den Haag 5 jun 2026, IEF 23628; ECLI:NL:RBDHA:2026:14952 (Varo tegen Viaro), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-voorlopige-ie-voorziening-tegen-viaro-wegens-ontbreken-van-spoedeisend-belang

Rb. Den Haag 5 juni 2026, IEF 23628; ECLI:NL:RBDHA:2026:14952 (Varo tegen Viaro). Varo vordert in kort geding een EU-wijd verbod op het gebruik door Viaro Energy en RockRose Energy van de tekens VIARO, Viaro Energy, het Viaro-logo en de aanduiding “part of Viaro Group” voor energieproducten en daaraan gerelateerde diensten. Varo beroept zich primair op haar Uniewoordmerk VARO, ingeschreven voor onder meer brandstoffen, olie- en gasproducten, handel, transport, distributie, raffinage en exploratie van energieproducten, en stelt dat sprake is van verwarringsgevaar in de zin van art. 9 lid 2 onder b UMVo. Subsidiair vordert Varo een verbod op het gebruik van Viaro en Viaro Energy als handelsnaam in Nederland. Volgens Varo zijn partijen actief in dezelfde energiesector en dreigt bovendien reputatieschade door negatieve Britse publicaties over de CEO van Viaro. Viaro betwist de gestelde merk- en handelsnaaminbreuk en voert aan dat haar activiteiten hoofdzakelijk plaatsvinden in het Verenigd Koninkrijk en het Noordzeegebied, dat operationele activiteiten worden verricht onder de naam RockRose Energy, dat de aanduiding VIARO in de EU slechts beperkt en in corporate context wordt gebruikt, en dat partijen verschillen in positie binnen de energieketen, producten en klantenkring. De voorzieningenrechter acht zich voor de Uniemerkvordering bevoegd met werking voor de gehele Europese Unie, omdat Viaro buiten de EU is gevestigd en Varo in Nederland; voor de Nederlandse handelsnaamvordering is de bevoegdheid niet betwist.

IEF 23629

Geen merkinbreuk: Container Centralen onderbouwt handel in eurocontainers onvoldoende

Rechtbank Den Haag 3 jun 2026, IEF 23629; ECLI:NL:RBDHA:2026:14890 ((Container Centralen tegen Celieplant).), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-merkinbreuk-container-centralen-onderbouwt-handel-in-eurocontainers-onvoldoende

Rb. Den Haag 3 juni 2026, IEF 23629; ECLI:NL:RBDHA:2026:14890 (Container Centralen tegen Celieplant). In deze zaak tussen Container Centralen en Celieplant staat de vraag centraal of Celieplant toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomsten, merkinbreuk heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door eurocontainers van Container Centralen of daarop gelijkende containers op te slaan en in circulatie te brengen. De Rechtbank Den Haag oordeelt dat Container Centralen haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Alle vorderingen worden afgewezen. De eerder ten laste van Celieplant gelegde bewijsbeslagen worden opgeheven. Container Centralen exploiteert een rouleersysteem van zogenoemde CC Eurocontainers, die veel worden gebruikt in de bloemen- en potplantenbranche. Zij is houdster van een Uniebeeldmerk voor onder meer deze containers. Het modelrecht en het octrooirecht op de CC Eurocontainer zijn inmiddels verlopen. Celieplant is actief als importeur, exporteur en commissionair van planten en was tot 2023 deelnemer aan het CC Eurocontainer Poolsysteem. Daarnaast huurt zij ook eurocontainers van andere marktpartijen. Aanleiding voor het geschil vormde een bewijsbeslag dat Container Centralen in maart 2024 liet leggen bij J.B.B. Pack. Volgens het proces-verbaal van de deurwaarder werden daar zowel "originele EC-containers" als "nagenoeg identieke imitatie EC-containers" aangetroffen. Ook bij Celieplant werd later bewijsbeslag gelegd. Container Centralen stelde dat Celieplant haar contractuele verplichtingen had geschonden door CC Eurocontainers op het terrein van JBB te stallen en daarnaast merkinbreuk maakte door originele en namaakcontainers aan te bieden, te verhuren of anderszins in circulatie te brengen. Volgens Container Centralen leidde dit bovendien tot vervuiling van haar poolsysteem, omdat namaakcontainers niet van originele containers zouden zijn te onderscheiden. De rechtbank volgt die redenering niet. Zij stelt voorop dat de CC Eurocontainers die Celieplant op grond van de OWS-overeenkomsten huurt een gesloten route afleggen: Container Centralen levert de containers af en haalt deze ook zelf weer op bij de eindafnemer. Die containers kunnen daarom niet bij Celieplant achterblijven. Verder heeft Celieplant voldoende onderbouwd dat zij ook eurocontainers van andere marktpartijen huurt. Tussen partijen staat vast dat inmiddels meerdere ondernemingen vergelijkbare eurocontainers produceren en aanbieden. Omdat zowel het modelrecht als het octrooirecht van Container Centralen zijn verlopen, mogen andere marktpartijen dergelijke containers in beginsel vervaardigen en verhuren. Het staat Celieplant eveneens vrij om deze te huren.

IEF 23625

GvEU vernietigt EUIPO-besluit: parkeerdiensten wel complementair aan parkeerapps

Gerecht EU (voorheen GvEA) 17 jun 2026, IEF 23625; ECLI:EU:T:2026:402 ((Parkster tegen EUIPO en Ühisteenused)), https://ie-forum.nl/artikelen/gveu-vernietigt-euipo-besluit-parkeerdiensten-wel-complementair-aan-parkeerapps

Gerecht EU 17 juni 2026, IEF 23625; ECLI:EU:T:2026:402 (Parkster tegen EUIPO en Ühisteenused). In deze zaak tussen de Zweedse onderneming Parkster en de Estse onderneming Ühisteenused staat de vraag centraal of diensten voor het aanbieden van parkeerplaatsen soortgelijk zijn aan software, mobiele applicaties en betaaldiensten voor het betalen van parkeergeld. Het Gerecht van de Europese Unie oordeelt dat het EUIPO ten onrechte heeft aangenomen dat van enige soortgelijkheid geen sprake is. Volgens het Gerecht bestaat tussen deze diensten en producten juist een nauwe samenhang, waardoor zij ten minste in geringe mate soortgelijk zijn. Die soortgelijkheid berust specifiek op de complementariteit: ook wanneer de betrokken software en apps niet strikt onmisbaar zijn, is voldoende dat zij belangrijk zijn voor het gebruik van de parkeerdiensten (en omgekeerd) om complementariteit en daarmee een (lage) mate van soortgelijkheid aan te nemen. Het besluit van de Kamer van Beroep wordt daarom vernietigd. De zaak begon met een aanvraag van Ühisteenused voor het Uniewoordmerk PARKNER voor onder meer diensten in klasse 39, waaronder parkeerdiensten, verhuur van parkeerplaatsen en garages, parkeerreserveringen, luchthavenparkeerdiensten en het verstrekken van informatie over parkeren. Tegen deze aanvraag stelde Parkster oppositie in op basis van haar oudere Uniewoordmerk PARKSTER en een Zweeds beeldmerk Parkster, die onder meer zijn ingeschreven voor software voor het betalen van parkeergelden, downloadbare mobiele applicaties voor het betalen van parkeergelden, parkeermeters en betaaldiensten voor parkeergelden via mobiele applicaties. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. De oppositieafdeling gaf Parkster gedeeltelijk gelijk. De aanvraag voor PARKNER werd geweigerd voor de waren en diensten in de klassen 9, 36 en 42, maar de oppositie werd afgewezen voor alle diensten in klasse 39. Volgens de oppositieafdeling bestond voor die diensten geen verwarringsgevaar. Parkster ging daartegen in beroep, maar de Tweede Kamer van Beroep van het EUIPO bevestigde dat oordeel. Zij achtte parkeerdiensten wezenlijk verschillend van software en betaaldiensten voor parkeergelden. Volgens de Kamer van Beroep verschilden de aard, het doel, de gebruikswijze en de distributiekanalen van de betrokken diensten en waren zij evenmin complementair. Dat een parkeerapp gebruikt kan worden om parkeerdiensten toegankelijker te maken, was volgens haar onvoldoende om soortgelijkheid aan te nemen. Het Gerecht stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op artikel 8 lid 1 onder b UMVo zowel sprake moet zijn van overeenstemming tussen de merken als van identieke of soortgelijke waren of diensten. Ontbreekt die laatste voorwaarde, dan kan de oppositie zonder verdere beoordeling worden afgewezen. De beoordeling van soortgelijkheid moet plaatsvinden aan de hand van alle relevante factoren, waaronder de aard van de waren of diensten, hun bestemming, gebruikswijze, onderlinge concurrentieverhouding en eventuele complementariteit. Het Gerecht volgt het EUIPO gedeeltelijk. De betrokken diensten en producten verschillen inderdaad in hun aard en primaire bestemming. Parkeerdiensten zijn gericht op het fysiek beschikbaar stellen van een parkeerplaats of het verstrekken van informatie daarover, terwijl de oudere merken betrekking hebben op software en diensten voor het betalen en beheren van parkeergelden.

IEF 23622

Uitspraak ingezonden door Paul Trapman, Ploum

'Geïnspireerd door' bekende parfummerken en gebruik van producttags levert merkinbreuk op

Rechtbank Den Haag 11 jun 2026, IEF 23622; C/09/703674 ((Coty tegen Petite Mort)), https://ie-forum.nl/artikelen/geinspireerd-door-bekende-parfummerken-en-gebruik-van-producttags-levert-merkinbreuk-op

Rb. Den Haag 11 juni 2026, IEF 23622; RB 4025; C/09/703674 (Coty tegen Petite Mort). In deze zaak tussen Coty en Perfumedia, handelend onder de naam Petite Mort, staat de vraag centraal of Petite Mort met de verkoop van zogenoemde imitatieparfums inbreuk maakt op de merkrechten van Coty en of haar vergelijkende reclame geoorloofd is. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag oordeelt voorshands dat Petite Mort op meerdere gronden inbreuk maakt op de Coty‑merken (art. 9 lid 2 onder a, b en c UMVo, in samenhang met de corresponderende bepalingen in het BVIE) en bovendien ongeoorloofde vergelijkende reclame maakt in de zin van artikel 6:194a BW. Coty maakt deel uit van de Coty Group, die wereldwijd schoonheidsproducten en parfums verhandelt van onder meer de merken Burberry, Chloé, Gucci en Hugo Boss. Binnen de groep is Coty verantwoordelijk voor de handhaving van de intellectuele eigendomsrechten. Zij beschikt over exclusieve licenties voor een groot aantal parfummerken, waaronder BURBERRY, BURBERRY BODY, BURBERRY BRIT, MY BURBERRY, BURBERRY GODDESS, CHLOE, GUCCI, GUCCI RUSH, GUCCI FLORA, GUCCI GUILTY, HUGO BOSS, BOSS BOTTLED en BOSS THE SCENT. Petite Mort verkoopt via haar website en sociale media parfums die volgens haar eigen zeggen zijn "geïnspireerd door" bekende designerparfums. Op de website worden onder meer uitingen gebruikt als "Het premium alternatief voor designerparfums, zonder het luxe prijskaartje", "Ruik naar je favoriet" en "Spray gerust. Zonder schuldgevoel". Bij individuele producten wordt verwezen naar de bekende merken, bijvoorbeeld met aanduidingen als "Sensual Rose – geïnspireerd door Chloe EDP". Daarnaast gebruikt Petite Mort merknamen als Hugo Boss, Chloé, Burberry en Gucci als producttags in de achtergrond van haar website, waardoor consumenten die naar deze merken zoeken uitkomen bij de producten van Petite Mort. Ook verspreidde Petite Mort een nieuwsbrief waarin werd gesteld dat de parfum in een designerfles gemiddeld slechts € 1,50 kost en dat consumenten vooral betalen voor marketingcampagnes, dure flesjes en grote Hollywoodsterren. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat Petite Mort de merken gebruikt in de zin van artikel 9 lid 3 UMVo. De merknamen worden immers zowel zichtbaar gebruikt in advertenties als onzichtbaar verwerkt in producttags die de vindbaarheid van de producten beïnvloeden. Volgens de voorzieningenrechter is niet van belang dat deze tags niet zichtbaar zijn voor de internetgebruiker, omdat zij wel degelijk het economisch gedrag van consumenten beïnvloeden. De gehele opzet van de onderneming van Petite Mort is er volgens de rechtbank op gericht om consumenten die op zoek zijn naar een merkparfum van Coty uit te laten komen bij de parfums van Petite Mort. Vervolgens oordeelt de voorzieningenrechter dat sprake is van merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 onder a UMVo. Petite Mort gebruikt tekens die gelijk zijn aan de merken voor dezelfde waren waarvoor de merken zijn ingeschreven, namelijk parfums. Zo wordt bijvoorbeeld het teken "Chloe EDP" gebruikt bij een parfum van Petite Mort, waarbij de toevoeging "EDP" volgens de voorzieningenrechter uitsluitend beschrijvend is en het teken daarom gelijk is aan het merk CHLOE.Daarnaast is naar voorlopig oordeel sprake van merkinbreuk in de zin van artikel 9 lid 2 onder b UMVo wegens verwarringsgevaar. De rechtbank acht daarbij van belang dat Petite Mort haar parfums presenteert als geuren die zijn geïnspireerd op bekende merken, terwijl tegelijkertijd wordt benadrukt dat zij hetzelfde ruiken, maar goedkoper zijn omdat de consument niet betaalt voor "dure logo's".

IEF 23614

Geen nietigheid Uniemerk op basis van niet-ingeschreven Bulgaars teken: uitsluitend exportgebruik volstaat niet onder artikel 8 lid 4 UMVo

Gerecht EU (voorheen GvEA) 10 jun 2026, IEF 23614; ECLI:EU:T:2026:374 (Global Rice EOOD tegen EUIPO en Ricegrowers Ltd), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-nietigheid-uniemerk-op-basis-van-niet-ingeschreven-bulgaars-teken-uitsluitend-exportgebruik-volstaat-niet-onder-artikel-8-lid-4-umvo

Gerecht EU 10 juni 2026, IEF 23614, IEFbe 4236; ECLI:EU:T:2026:374 (Global Rice EOOD tegen EUIPO en Ricegrowers Ltd). Het Gerecht EU wijst het beroep van Global Rice af tegen de beslissing van EUIPO om het Uniemerk van Ricegrowers niet nietig te verklaren. Global Rice beriep zich op een ouder niet-ingeschreven Bulgaars figuratief teken voor rijst en stelde dat het latere Uniemerk van Ricegrowers ongeldig moest worden verklaard op grond van artikel 60 lid 1 onder c UMVo, gelezen samen met artikel 8 lid 4 UMVo. Voor zo’n beroep op een ouder niet-ingeschreven teken gelden vier cumulatieve voorwaarden: het teken moet in het economisch verkeer worden gebruikt, meer dan alleen plaatselijke betekenis hebben, vóór het latere Uniemerk zijn verkregen volgens het toepasselijke recht, en dat toepasselijke nationale recht moet de houder het recht geven om het gebruik van het latere merk te verbieden. In deze zaak ging het vooral om die laatste voorwaarde. Volgens het Bulgaarse merkenrecht kan een niet-ingeschreven merk alleen tegen een later merk worden ingeroepen als het daadwerkelijk in het handelsverkeer op het grondgebied van Bulgarije is gebruikt.

IEF 23613

CLUSTER COLLECTOR terecht gedeeltelijk geweigerd wegens verwarringsgevaar met THE COLLECTOR

Gerecht EU (voorheen GvEA) 10 jun 2026, IEF 23613; ECLI:EU:T:2026:385 (Wazdan Innovations ltd. tegen EUIPO en Push Gaming Product ltd.), https://ie-forum.nl/artikelen/cluster-collector-terecht-gedeeltelijk-geweigerd-wegens-verwarringsgevaar-met-the-collector

Gerecht EU 10 juni 2026, IEF 23613; ECLI:EU:T:2026:385 (Wazdan Innovations ltd. tegen EUIPO en Push Gaming Product ltd.). Het Gerecht EU verwerpt het beroep van Wazdan Innovations tegen de beslissing van de Eerste kamer van beroep van EUIPO over de Uniemerkaanvraag CLUSTER COLLECTOR. De aanvraag had betrekking op waren en diensten in de klassen 9, 28, 41 en 42, waaronder gamingsoftware, speel- en gokautomaten, online gaming-, gok- en casinodiensten en software-/gameontwikkelingsdiensten. Push Gaming Product had oppositie ingesteld op basis van het oudere Uniewoordmerk THE COLLECTOR voor onder meer software en gaming-, gambling- en bettinggerelateerde diensten. De oppositie was gedeeltelijk toegewezen: de aanvraag werd geweigerd voor de waren en diensten waarvoor de kamer van beroep verwarringsgevaar aannam, maar niet voor onder meer “coin-operated mechanisms”, “counters [discs] for games”, “bookmaking [turf accountancy]” en “cultural activities”. Het Gerecht bevestigt dat de betrokken waren en diensten waarvoor de weigering geldt deels identiek en deels soortgelijk zijn. Daarbij acht het Gerecht onder meer relevant dat fysieke en digitale games in de praktijk steeds meer overlappen, via dezelfde distributiekanalen worden aangeboden en zich tot hetzelfde publiek kunnen richten. Ook kunnen bepaalde beeld- en geluidsapparaten complementair zijn aan gamingsoftware. Het relevante publiek bestaat uit zowel het algemene publiek als professionele afnemers in de Europese Unie, met een aandachtsniveau dat afhankelijk van de betrokken waren en diensten kan variëren van gemiddeld tot hoog.

IEF 23604

Gerecht bevestigt weigering O-beeldmerk voor kleding wegens verwarringsgevaar met ouder O-merk van Olymp

Gerecht EU (voorheen GvEA) 3 jun 2026, IEF 23604; ECLI:EU:T:2026:366 ((Osculati tegen EUIPO - Olymp Bezner)), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-o-beeldmerk-voor-kleding-wegens-verwarringsgevaar-met-ouder-o-merk-van-olymp

Gerecht EU 3 juni 2026, IEF 23604; ECLI:EU:T:2026:366 (Osculati tegen EUIPO - Olymp Bezner). Het Gerecht van de Europese Unie heeft het beroep van Osculati afgewezen tegen een beslissing van het EUIPO waarbij bescherming in de Europese Unie werd geweigerd aan een internationale registratie van een beeldmerk bestaande uit een gestileerde letter “O” voor diverse kleding- en modeproducten in klasse 25. Het geschil speelde tussen Osculati en Olymp Bezner, houder van een ouder Uniemerk dat eveneens bestaat uit een gestileerde letter “O”. Het Gerecht oordeelt dat voor een niet te verwaarlozen deel van het relevante publiek, met name het Duitse publiek, sprake is van verwarringsgevaar in de zin van artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Daarbij benadrukt het Gerecht dat verwarringsgevaar in een deel van de Unie – hier Duitsland – al voldoende is om de inschrijving op Unieniveau te weigeren. Osculati had in 2021 een internationale merkregistratie met aanwijzing van de Europese Unie aangevraagd voor onder meer jassen, sportjassen, regenjassen, vissersjassen, handschoenen, truien, baretten, laarzen en bootschoenen. Tegen die aanwijzing stelde Olymp Bezner oppositie in op basis van haar oudere Uniemerk, bestaande uit een gestileerde letter “O”, geregistreerd voor onder meer overhemden, polo’s, T-shirts, truien en andere kledingstukken in klasse 25. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Hoewel de oppositie aanvankelijk werd afgewezen door de oppositieafdeling, werd die beslissing in beroep vernietigd door de Kamer van Beroep. Een eerdere beslissing van de Kamer van Beroep was door diezelfde kamer al op grond van artikel 103 UMVo herroepen, waarna een eerste procedure bij het Gerecht (T‑98/24) zonder uitspraak ten gronde is geëindigd. Osculati stelde daarop beroep in bij het Gerecht. Een belangrijk onderdeel van het geschil betrof de vraag of de Kamer van Beroep aanvullende bewijsstukken mocht meenemen die Olymp Bezner pas in de beroepsfase had overgelegd. Die stukken hadden betrekking op het versterkte onderscheidend vermogen van het oudere merk in Duitsland. Het Gerecht bevestigt dat de Kamer van Beroep deze stukken terecht heeft toegelaten. Volgens het Gerecht waren de stukken relevant voor de beoordeling van het onderscheidend vermogen van het oudere merk en vormden zij een aanvulling op reeds tijdig overgelegde stukken, zoals facturen, catalogi, verklaringen en verkoopgegevens. Dat sommige documenten al tijdens de oppositieprocedure beschikbaar waren geweest, maakt dit niet anders. Het Uniemerkenrecht verlangt niet dat een partij aantoont dat eerdere overlegging onmogelijk was, en vereist evenmin dat de partij een uitvoerige rechtvaardiging geeft voor de latere overlegging. De EUIPO-richtlijnen over late bewijsindiening zijn volgens het Gerecht niet bindend voor de uitleg van het Unierecht. Ten aanzien van het relevante publiek oordeelt het Gerecht dat de betrokken waren zijn gericht op het algemene publiek, dat een gemiddeld aandachtsniveau heeft.

IEF 23602

Geen merkrechtelijk verwarringsgevaar tussen Acta Endocrinologica-merken

Gerecht EU (voorheen GvEA) 3 jun 2026, IEF 23602; ECLI:EU:T:2026:368 ((Societatea Româna de Endocrinologie tegen EUIPO - Acta Endocrinologica)), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-merkrechtelijk-verwarringsgevaar-tussen-acta-endocrinologica-merken

Gerecht EU 3 juni 2026, IEF 23602 ; ECLI:EU:T:2026:368 (Societatea Româna de Endocrinologie tegen EUIPO, Acta Endocrinologica). Het Gerecht van de Europese Unie heeft het beroep van de Roemeense Vereniging voor Endocrinologie afgewezen tegen een beslissing van het EUIPO over een oppositieprocedure tussen twee partijen die actief zijn rondom het tijdschrift Acta Endocrinologica. Centraal stond de vraag of het aangevraagde beeldmerk Acta Endocrinologica (Buc) voor onder meer bezorgingsdiensten van tijdschriften en medische rapportagediensten verwarringsgevaar opleverde met het oudere Uniewoordmerk ACTA ENDOCRINOLOGICA (BUC), The International Journal of Romanian Society of Endocrinology / Registered in 1938 New Series. Het beroep bij het Gerecht had uitsluitend betrekking op de weigering van de oppositie voor de diensten in klassen 39 en 44 van de merkaanvraag, in verhouding tot de waren in klasse 16 van het oudere merk. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 sub b UMVo. Het oudere merk was onder meer geregistreerd voor publicaties, drukwerk, tijdschriften, boeken en andere goederen in klasse 16, en voor diensten in de klassen 35 en 41. Het aangevraagde merk was onder meer aangevraagd voor bezorging, verzending en distributie van tijdschriften in klasse 39 en voor het opstellen, samenstellen en uitbrengen van medische rapporten in klasse 44. De Oppositieafdeling had het bezwaar voor deze diensten afgewezen, waarna de zaak bij de Kamer van Beroep en vervolgens bij het Gerecht terechtkwam. Voor het Gerecht voerde de opposant aan dat de betrokken goederen en diensten wel degelijk soortgelijk waren. Volgens haar moesten de bezorgdiensten worden opgevat als diensten die uitsluitend betrekking hebben op het tijdschrift Acta Endocrinologica en waren zowel de goederen als de diensten gericht op hetzelfde gespecialiseerde publiek van endocrinologen en andere medische professionals. Daarnaast wees zij op de nauwe professionele banden tussen partijen en stelde zij dat de betrokken goederen en diensten complementair zijn. Het Gerecht stelt voorop dat bij de beoordeling van de soortgelijkheid van goederen en diensten in de zin van artikel 8 lid 1 sub b UMVo moet worden uitgegaan van de goederen- en dienstenomschrijvingen zoals opgenomen in de registratie en de aanvraag, en niet van de wijze waarop de merken in de praktijk worden gebruikt. Verder verwijst het Gerecht naar de vaste rechtspraak dat bij de vergelijking alle relevante factoren in aanmerking moeten worden genomen, zoals aard, doel, gebruik, concurrentieverhouding en eventuele complementariteit. De diensten in klasse 39 zijn omschreven als bezorging, verzending en distributie van tijdschriften en publicaties in algemene zin en zijn niet beperkt tot endocrinologische of medische publicaties.

IEF 23598

Gerecht bevestigt EUIPO: geen kwade trouw bij registratie merk BLACK voor alcoholische dranken

HvJ EU 3 jun 2026, IEF 23598; ECLI:EU:T:2026:364 ((Amber Latvijas balzams AS tegen EUIPO) ), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-euipo-geen-kwade-trouw-bij-registratie-merk-black-voor-alcoholische-dranken

HvJ EU 3 juni 2026, IEF 23598; ECLI:EU:T:2026:364 (Amber Latvijas balzams AS tegen EUIPO). Het Gerecht van de Europese Unie heeft het beroep van Amber Latvijas balzams afgewezen tegen een beslissing van het EUIPO waarbij een verzoek tot nietigverklaring van het Uniemerk BLACK was afgewezen. Volgens Amber had merkhouder Foodcare het merk in 2019 te kwader trouw aangevraagd voor onder meer alcoholische dranken, omdat het bedrijf actief was in de markt voor energiedranken en geen reële intentie zou hebben gehad om het merk voor alcoholische producten te gebruiken. Het Gerecht volgt dat standpunt niet en oordeelt dat onvoldoende aanwijzingen bestaan om kwade trouw aan te nemen. Foodcare had kort vóór de merkaanvraag haar activiteiten op het gebied van productie en verkoop van alcoholische dranken uit het Poolse handelsregister laten verwijderen. Amber stelde dat deze timing aantoonde dat Foodcare geen voornemen had om het merk voor alcoholische dranken te gebruiken. Het Gerecht wijst er echter op dat de Poolse wetgeving ondernemingen ertoe noopte het aantal geregistreerde activiteiten te beperken en dat de Poolse overheid had aanbevolen alleen de actuele activiteiten in het register te laten staan. Foodcare had toegelicht dat zij daarom uitsluitend haar actuele activiteiten in het register liet opnemen. Dat alcoholgerelateerde activiteiten uit het register werden verwijderd, vormt volgens het Gerecht daarom geen bewijs van een gebrek aan gebruiksintentie of van kwade trouw. Ook acht het Gerecht van belang dat dergelijke activiteiten eerder wél in het register waren opgenomen, hetgeen juist kan wijzen op een bestaande interesse in uitbreiding naar die markt. Daarnaast voerde Amber aan dat de Poolse regelgeving inzake alcoholreclame het voor Foodcare feitelijk onmogelijk maakte om het merk BLACK zowel voor alcoholische als voor niet-alcoholische dranken te gebruiken. Volgens het Gerecht volgt daaruit echter niet dat Foodcare het merk niet te goeder trouw heeft aangevraagd. Een Uniemerk heeft werking in de gehele Europese Unie en Foodcare kan het merk ook buiten Polen gebruiken in lidstaten waar dergelijke beperkingen niet gelden.