Alle rechtspraak  

IEF 23888

Gerecht EU bevestigt verwarringsgevaar tussen T-HEAD en oudere HEAD-merken

Gerecht EU (voorheen GvEA) 30 sep 2026, IEF 23888; ECLI:EU:T:2026:616 (T-HEAD), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-bevestigt-verwarringsgevaar-tussen-t-head-en-oudere-head-merken

Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23888; IEFbe 4331; ECLI:EU:T:2026:616 (T-HEAD). T-Head (Shanghai) Semiconductor Co. Ltd verzocht om vernietiging van een beslissing van de Tweede kamer van beroep van het EUIPO in een oppositieprocedure tegen de inschrijving van het beeldmerk T-HEAD voor onder meer waren en diensten in de klassen 9, 35, 41, 42 en 45. De oppositie van Head Technology GmbH was gebaseerd op verschillende oudere HEAD-merken, waaronder Oostenrijkse woordmerken en een internationale registratie. Het Gerecht verwerpt eerst het betoog dat de kamer van beroep haar motiveringsplicht had geschonden bij de vergelijking van de waren in klasse 9. Voor zover T-Head bepaalde waren in haar beroep bij het EUIPO niet uitdrukkelijk had betwist, mocht de kamer van beroep aansluiten bij de motivering van de oppositieafdeling. Ook was de motivering niet tegenstrijdig waar onderscheid werd gemaakt tussen gespecialiseerde technologische componenten met meerdere mogelijke toepassingen en waren die volgens hun omschrijving specifiek als computerhardware moesten worden aangemerkt. Voor die laatste categorie, waaronder computerchips, centrale verwerkingseenheden en netwerkhardware, mocht de kamer van beroep aannemen dat sprake was van ten minste een geringe mate van soortgelijkheid met de software waarop de oudere merken betrekking hadden. Ook de overige door T-Head bestreden vergelijkingen van waren en diensten in de klassen 35, 41, 42 en 45 konden volgens het Gerecht standhouden.

IEF 23887

Gerecht EU vernietigt EUIPO-beslissing wegens onvoldoende motivering over onderscheidend vermogen element ‘food’

Gerecht EU (voorheen GvEA) 9 sep 2026, IEF 23887; ECLI:EU:T:2026:538 (Food Pass), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-vernietigt-euipo-beslissing-wegens-onvoldoende-motivering-over-onderscheidend-vermogen-element-food

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23887; IEFbe 4330; ECLI:EU:T:2026:538 (Food Pass). Agraya GmbH maakte op grond van artikel 8 lid 1 onder b UMVo oppositie tegen de inschrijving van het aangevraagde beeldmerk Food Pass voor diensten in de klassen 42 en 44, met een beroep op haar oudere Uniewoordmerk FoodPLUS voor diensten in de klassen 35, 41 en 42. De oppositieafdeling wees de oppositie af en de Tweede kamer van beroep bevestigde die beslissing. Voor de beoordeling ging de kamer, uit proceseconomische overwegingen en vanuit de voor Agraya gunstigste veronderstelling, ervan uit dat alle betrokken diensten identiek waren. Zij achtte de tekens visueel en fonetisch minder dan gemiddeld overeenstemmend en begripsmatig verschillend. Daarbij oordeelde zij dat het gemeenschappelijke element ‘food’ slechts een zwak onderscheidend vermogen had en dat het oudere merk FoodPLUS, mede vanwege het weinig onderscheidende karakter van ‘plus’, slechts een minimaal intrinsiek onderscheidend vermogen bezat. Op grond daarvan kwam zij tot de conclusie dat geen verwarringsgevaar bestond.

IEF 23878

Gerecht EU: Britse JOULES-merken kunnen na Brexit geen grondslag meer vormen voor oppositie tegen Jules Gents

Gerecht EU (voorheen GvEA) 30 sep 2026, IEF 23878; ECLI:EU:T:2026:618 (Jules Gents), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-britse-joules-merken-kunnen-na-brexit-geen-grondslag-meer-vormen-voor-oppositie-tegen-jules-gents

Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23878; IEFbe 4326; ECLI:EU:T:2026:618 (Jules Gents). Joules Ltd verzocht om vernietiging van een beslissing van de Eerste kamer van beroep van het EUIPO waarbij haar oppositie tegen het beeldmerk Jules Gents was afgewezen. De oppositie was onder meer gebaseerd op twee oudere Britse woordmerken JOULES, een internationale registratie JOULES met werking in de Europese Unie en een ouder Uniemerk Joules. De Oppositiedivisie had de oppositie aanvankelijk toegewezen wegens verwarringsgevaar met een van de Britse merken. Na afloop van de Brexit-overgangsperiode oordeelde de kamer van beroep echter dat die Britse merken niet langer als grondslag voor de oppositie konden dienen. Het Gerecht bevestigt dat het bestaan van een relatieve weigeringsgrond niet alleen moet worden beoordeeld op de datum van indiening van de jongere Uniemerkaanvraag, maar ook op het moment waarop het EUIPO definitief over de oppositie beslist. Omdat de overgangsperiode op 31 december 2020 was geëindigd, waren de Britse merken op de datum van de beslissing van de kamer van beroep niet langer merken die in een lidstaat waren beschermd in de zin van artikel 8 lid 2 onder a ii van Verordening nr. 207/2009. Zij konden daarom niet meer als basis voor de oppositie dienen. Het Gerecht bevestigt tevens dat voor de beoordeling van het verwarringsgevaar met het oudere Uniemerk het relevante grondgebied bestond uit de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk.

IEF 23877

Gerecht EU: kwade trouw bij internationale registratie MAP wegens eerdere samenwerking en kennis van oudere MAP-merken

Gerecht EU (voorheen GvEA) 30 sep 2026, IEF 23877; ECLI:EU:T:2026:606 (MAP), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-kwade-trouw-bij-internationale-registratie-map-wegens-eerdere-samenwerking-en-kennis-van-oudere-map-merken

Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23877; IEFbe 4325; ECLI:EU:T:2026:606 (MAP). Heinz Reinwald en HK Evolution LTD verzochten het Gerecht om vernietiging van een beslissing van de Tweede kamer van beroep van het EUIPO waarbij de internationale registratie MAP, met aanwijzing van de Europese Unie voor waren in de klassen 5 en 29, nietig was verklaard wegens kwade trouw. Omdat de aanwijzing van de Unie dateerde van 13 april 2011, beoordeelt het Gerecht de materiële voorwaarden aan de hand van artikel 52 lid 1 onder b van Verordening nr. 207/2009. Voor internationale registraties is voor de beoordeling van kwade trouw beslissend het tijdstip waarop de Europese Unie wordt aangewezen, en niet de eerdere datum waarop het nationale basismerk is aangevraagd. Kwade trouw moet worden vastgesteld aan de hand van een globale beoordeling van alle relevante feitelijke omstandigheden en op basis van objectieve aanwijzingen voor de intentie van de aanvrager. Het Gerecht bevestigt dat Reinwald en HK Evolution ten tijde van de aanvraag wisten of hadden moeten weten dat International Nutrition Research Center (INRC) het element MAP gebruikte in eerdere merken voor identieke of soortgelijke producten. Uit onder meer facturen, correspondentie, oudere merkregistraties en de samenwerking rond het MAP-product bleek bovendien dat vóór de relevante datum een contractuele en commerciële relatie tussen partijen bestond. Volgens het Gerecht was voor die beoordeling geen formele distributieovereenkomst vereist; ook een andere contractuele relatie kan relevant zijn voor de vaststelling van kwade trouw.

IEF 23876

Gerecht EU: onvoldoende bewijs van normaal gebruik ATHLETA voor diverse waren en diensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 30 sep 2026, IEF 23876; ECLI:EU:T:2026:617 (ATHLETA), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-onvoldoende-bewijs-van-normaal-gebruik-athleta-voor-diverse-waren-en-diensten

Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23876; IEFbe 4324; ECLI:EU:T:2026:617 (ATHLETA). Athleta (ITM) Inc. verzocht het Gerecht om gedeeltelijke vernietiging van twee beslissingen van de Vierde kamer van beroep van het EUIPO betreffende twee Uniewoordmerken ATHLETA. Sports Group Denmark had in 2023 op grond van artikel 58 lid 1 onder a UMVo verzocht om vervallenverklaring wegens niet-normaal gebruik. Voor het eerste merk had de kamer van beroep geoordeeld dat normaal gebruik was aangetoond voor de brede categorie “clothing” in klasse 25, maar niet voor “footwear, headgear and clothing accessories” en evenmin voor de betrokken waren en diensten in de klassen 18 en 35. Voor het tweede merk was de vervallenverklaring voor de in geschil zijnde waren en diensten in de klassen 18 en 35 bevestigd. Het Gerecht benadrukt dat normaal gebruik niet kan worden aangetoond aan de hand van waarschijnlijkheden of vermoedens, maar moet blijken uit concrete en objectieve gegevens over daadwerkelijk en voldoende gebruik op de relevante markt. Voor brede waren- of dienstencategorieën kan bewijs van normaal gebruik vereist zijn voor iedere zelfstandige subcategorie, maar de merkhouder hoeft niet het gebruik voor iedere denkbare commerciële variant binnen één en dezelfde homogene categorie te bewijzen. Voor “footwear, headgear and clothing accessories” acht het Gerecht het overgelegde bewijs onvoldoende: afbeeldingen waarop schoenen, hoeden of accessoires voorkomen tonen niet zonder meer aan dat ATHLETA voor die waren als merk is gebruikt of dat deze waren onder dat merk daadwerkelijk in de Europese Unie zijn verkocht. Ook de beperkte vermeldingen van onder meer hoofdbanden op Zalando en in spreadsheets zijn zonder verdere onderbouwing onvoldoende om daadwerkelijke commerciële exploitatie aan te tonen.

IEF 23875

Uitspraak ingezonden door Annelotte Boot en Robbert Sjoerdsma, Holla. 

EUIPO Board of Appeal: normaal gebruik WAHU-merk niet beperkt tot speelgoedballen en speelgoedfrisbees

EUIPO - OHIM 27 aug 2026, IEF 23875; R 1210/2025-5 (Goliath tegen Wahu), https://ie-forum.nl/artikelen/euipo-board-of-appeal-normaal-gebruik-wahu-merk-niet-beperkt-tot-speelgoedballen-en-speelgoedfrisbees

EUIPO Board of Appeal 27 augustus 2026, IEF 23875; IEFbe 4323; R 1210/2025-5 (Goliath tegen Wahu). Goliath IP Stichting verzocht om nietigverklaring van het Uniewoordmerk WAHU van Wahu GmbH, ingeschreven voor “sports equipment” in klasse 28, op grond van artikel 60 lid 1 onder a jo. artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het verzoek was gebaseerd op een ouder internationaal beeldmerk met het woordelement Wahu, dat onder meer bescherming genoot voor “outdoor toys, games, playthings; balls, footballs, beach balls, frisbees; sporting goods in this class, namely balls”. De Cancellation Division had het verzoek afgewezen nadat zij normaal gebruik van het oudere merk slechts bewezen achtte voor onder meer de subcategorieën “toy balls” en “toy frisbees”, die zij niet soortgelijk achtte aan “sports equipment”. In beroep laat de Board aanvullend bewijs toe, omdat dit het eerder overgelegde bewijs aanvult en relevant is voor de beoordeling.

IEF 23870

Gerecht EU: geen verband tussen DEVATIS en NOVARTIS in de zin van artikel 8 lid 5 UMVo

Gerecht EU (voorheen GvEA) 23 sep 2026, IEF 23870; ECLI:EU:T:2026:587 (Devatis), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-geen-verband-tussen-devatis-en-novartis-in-de-zin-van-artikel-8-lid-5-umvo

Gerecht EU 23 september 2026, IEF 23870; IEFbe 4321; ECLI:EU:T:2026:587 (Devatis). Deva Holding verzocht om bescherming in de Europese Unie van het beeldmerk DEVATIS voor verschillende waren in klasse 5, waaronder farmaceutische, medische en veterinaire preparaten. Novartis stelde oppositie in op grond van artikel 8 lid 5 UMVo en beriep zich op haar oudere woordmerk NOVARTIS. De oppositieafdeling wees de oppositie af. De Kamer van Beroep vernietigde die beslissing, omdat zij van oordeel was dat tussen de tekens een verband kon worden gelegd en dat sprake was van een niet louter hypothetisch risico op ongerechtvaardigd voordeel. Zij verwees de zaak terug naar de oppositieafdeling voor onder meer een volledige beoordeling van het bewijs van normaal gebruik en van de gestelde bekendheid van NOVARTIS. Het Gerecht stelt voorop dat de voorwaarden van artikel 8 lid 5 UMVo cumulatief zijn en dat een verband in de perceptie van het relevante publiek een noodzakelijke voorwaarde voor toepassing van die bepaling vormt. Wat de waren betreft, corrigeert het Gerecht de Kamer van Beroep: babyvoeding, middelen ter bestrijding van ongedierte en fungiciden zijn slechts in geringe mate soortgelijk aan farmaceutische preparaten en stoffen, terwijl tandvulmiddelen, tandwas en herbiciden daarvan verschillen. Wat de bekendheid betreft, mocht de Kamer van Beroep voor haar beoordeling uitgaan van de voor Novartis gunstige aanname dat het oudere merk een solide of hoge reputatie genoot; het Gerecht stelt de bekendheid in deze procedure dus niet zelf feitelijk vast.

IEF 23869

Gerecht EU: artikel 8 lid 5 UMVo niet van toepassing wegens ontbreken van verband tussen DEVATIS en NOVARTIS

Gerecht EU (voorheen GvEA) 23 sep 2026, IEF 23869; ECLI:EU:T:2026:588 (Devatis), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-artikel-8-lid-5-umvo-niet-van-toepassing-wegens-ontbreken-van-verband-tussen-devatis-en-novartis

Gerecht EU 23 september 2026, IEF 23869; IEFbe 4320; ECLI:EU:T:2026:588 (Devatis). Deva Holding verzocht om bescherming in de Europese Unie van het beeldmerk DEVATIS voor verschillende waren in klasse 5, waaronder farmaceutische, medische en veterinaire preparaten. Novartis stelde oppositie in op grond van artikel 8 lid 5 UMVo en beriep zich onder meer op haar oudere woordmerk NOVARTIS. De oppositieafdeling wees de oppositie af, maar de Kamer van Beroep kwam tot het tegenovergestelde oordeel en achtte de cumulatieve voorwaarden van artikel 8 lid 5 UMVo vervuld. Het Gerecht bevestigt dat NOVARTIS een hoge mate van bekendheid geniet in Duitsland en Frankrijk voor farmaceutische preparaten en stoffen. Ook onderschrijft het Gerecht dat DEVATIS en NOVARTIS visueel en fonetisch in geringe mate overeenstemmen en dat de begripsmatige vergelijking neutraal is. De Kamer van Beroep heeft de nabijheid van de betrokken waren echter te ruim beoordeeld. Babyvoeding, middelen ter bestrijding van ongedierte en fungiciden zijn slechts in geringe mate soortgelijk aan farmaceutische preparaten en stoffen, terwijl tandvulmiddelen, tandwas en herbiciden daarvan verschillen.

IEF 23865

Uitspraak ingezonden door Paul Trapman, Ploum.

Erik Fruit aansprakelijk voor inbreuk op 'Labubu'-merken van Pop Mart

Rechtbank Rotterdam 28 sep 2026, IEF 23865; C/09/696283 (Popmart tegen Erik Fruit), https://ie-forum.nl/artikelen/erik-fruit-aansprakelijk-voor-inbreuk-op-labubu-merken-van-pop-mart

Rb. Den Haag 23 september 2026, IEF 23865; C/09/696283 (Popmart tegen Erik Fruit). In deze zaak tussen Pop Mart en Erik Fruit heeft de rechtbank geoordeeld dat groothandel Erik Fruit B.V. inbreuk heeft gemaakt op de Uniemerken van Pop Mart (bekend van het figuur 'Labubu'). Erik Fruit had ruim 7.000 namaakproducten van de populaire vinylknuffels geleverd aan diverse filialen van supermarktketen Jumbo. Pop Mart vorderde een inbreukverbod, opgave van feiten en cijfers, en schadevergoeding op te maken bij staat. Erik Fruit verweerde zich onder meer met de stelling dat de inkopers van Jumbo expliciet om koplopers/kopieën hadden gevraagd omdat de originele Labubu's niet verkrijgbaar waren, waardoor er bij de professionele afnemer geen verwarring kon ontstaan. Ook voerde Erik Fruit aan dat 'lafufu' een soortnaam zou zijn geworden en dat zij slechts op verzoek handelde.

IEF 23864

Gerecht EU: verwarringsgevaar tussen ANTMINER en ANTCHAIN ondanks hoog aandachtsniveau

Gerecht EU (voorheen GvEA) 23 sep 2026, IEF 23864; ECLI:EU:T:2026:586 (ANTMINER), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-verwarringsgevaar-tussen-antminer-en-antchain-ondanks-hoog-aandachtsniveau

Gerecht EU 23 september 2026, IEF 23864; IEFbe 4318; ECLI:EU:T:2026:586 (ANTMINER). Bitmain Technologies heeft registratie aangevraagd van het Uniewoordmerk ANTMINER voor onder meer hardware en software voor cryptomining in klasse 9. Advanced New Technologies heeft hiertegen oppositie ingesteld op basis van verschillende oudere Uniemerken, waaronder ANT en ANTCHAIN. De oppositieafdeling wees de oppositie toe op grond van het oudere merk ANT. Nadat Bitmain een procedure tot vervallenverklaring van ANT had ingesteld, verzocht zij om schorsing van de beroepsprocedure. De kamer van beroep wees dit verzoek af en handhaafde de weigering van ANTMINER, ditmaal op grond van verwarringsgevaar met het oudere merk ANTCHAIN. Het Gerecht oordeelt dat de kamer van beroep de procedure niet hoefde te schorsen. Op grond van art. 71 lid 1 onder b van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/625 beschikt de kamer van beroep over een ruime beoordelingsvrijheid. Omdat de oppositie ook kon slagen op basis van ANTCHAIN, waarvan de geldigheid niet werd betwist, vormde de parallelle procedure over ANT op zichzelf onvoldoende grond om de weigering tot schorsing als een kennelijke beoordelingsfout aan te merken. Ook de gestelde schending van de beginselen van gelijkheid en onpartijdigheid was onvoldoende onderbouwd.