Alle rechtspraak  

IEF 23463

Beperkt verbod ten aanzien van erkend overgenomen foto’s

Rechtbank Amsterdam 7 apr 2026, IEF 23463; ECLI:NL:RBAMS:2026:3574 ([eisende partij] tegen Nordkitchen), https://ie-forum.nl/artikelen/beperkt-verbod-ten-aanzien-van-erkend-overgenomen-foto-s

Rb. Amsterdam 7 april 2026, IEF 23463; IT 5199; ECLI:NL:RBAMS:2026:3574 ([eisende partij] tegen Nordkitchen). De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam wijst de vorderingen van [eisende partij] tegen Nordkitchen slechts in zeer beperkte mate toe. De kern van het geschil was of Nordkitchen foto’s, teksten en vormgeving van de website van [eisende partij] had overgenomen waarop auteursrecht rustte en waarvan [eisende partij] rechthebbende was. De voorzieningenrechter beperkt zijn beoordeling tot de foto’s, omdat voorshands niet is gebleken dat ook teksten of vormgeving voldoende concreet als overgenomen materiaal zijn aangewezen. Daarbij formuleert de rechter eerst het toepasselijke auteursrechtelijke toetsingskader: voor bescherming is vereist dat een werk nauwkeurig en objectief identificeerbaar en oorspronkelijk is, in die zin dat het de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt door vrije en creatieve keuzes; bij foto’s mogen zulke creatieve keuzes niet zonder meer worden verondersteld. Verder geldt dat het auteursrecht in beginsel toekomt aan de maker, doorgaans de fotograaf, en dat overdracht aan een opdrachtgever schriftelijk moet blijken. Tegen die achtergrond wordt alleen het verbod toegewezen voor de foto’s genoemd in randnummers 3.1, 3.3, 3.5 en 3.12 van de dagvaarding. Dat oordeel berust erop dat Nordkitchen, mede via haar onthoudingsverklaring en haar toelichting ter zitting, in wezen heeft erkend dat juist die foto’s van haar website moesten worden verwijderd, terwijl zij onvoldoende heeft onderbouwd dat dit ook daadwerkelijk was gebeurd. De voorzieningenrechter verbiedt daarom verdere openbaarmaking, verveelvoudiging of enig ander gebruik van die specifieke foto’s. Aan dit verbod wordt echter geen dwangsom verbonden, omdat niet is gebleken dat Nordkitchen onwelwillend is om concreet aangewezen materiaal te verwijderen zodra duidelijk is om welke foto’s het gaat en waarop het gestelde recht ziet.

IEF 23462

Geen verbod op gebruik naam en beeltenis influencer, omdat rechtsgeldige ontbinding licentieovereenkomst in kort geding niet aannemelijk is

Rechtbank Amsterdam 7 apr 2026, IEF 23462; ECLI:NL:RBAMS:2026:3348 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-verbod-op-gebruik-naam-en-beeltenis-influencer-omdat-rechtsgeldige-ontbinding-licentieovereenkomst-in-kort-geding-niet-aannemelijk-is

Rb. Amsterdam 7 april 2026, IEF 23462; IT 5198; ECLI:NL:RBAMS:2026:3348 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam wijst alle gevraagde voorzieningen af in een kort geding tussen influencer/powerlifter [eiser 1], handelend onder [handelsnaam 1], en [gedaagde] B.V. Partijen hadden een overeenkomst gesloten die liep van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2026, op grond waarvan [gedaagde] exclusief gerechtigd was de naam en “image rights” van [handelsnaam 1] te gebruiken voor de promotie en verkoop van voedingssupplementen, tegen betaling van onder meer een maandelijkse licentievergoeding van USD 35.000, een winstaandeel en verkoopprovisie. [eiser 1] stelde dat hij deze overeenkomst op 29 oktober 2025 rechtsgeldig had ontbonden wegens een material breach als bedoeld in art. 5.2 van de overeenkomst, onder verwijzing naar te late en uitblijvende betalingen, het uitblijven van winstaandelen en provisie, het niet verstrekken van financiële informatie en het zonder voorafgaande goedkeuring op de markt brengen van producten, onder meer in Mexico. Op basis daarvan vorderde hij onder meer verboden wegens merk-, auteurs- en portretrechtinbreuk, alsook verboden op misleidende handelspraktijken en misleidende reclame, met nevenvorderingen zoals opgave en terugroeping. De voorzieningenrechter stelt voorop dat Nederlands recht van toepassing is en dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is. Daarnaast oordeelt hij dat [eiser 2] geen contractspartij is en ook niet als merkhouder, auteursrechthebbende of portretgerechtigde is gesteld, zodat haar vorderingen al daarom stranden. Beslissend is vervolgens dat de gevraagde verboden alleen toewijsbaar zijn als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden; dat acht de voorzieningenrechter niet het geval.

IEF 23461

Verpakking 1 inbreuk op Uniebeeldmerk, Verpakking 2 niet; geen geslaagd beroep op (voor)voorgebruik; factuurvordering toewijsbaar onder WKV en Duits recht

Rechtbank Den Haag 1 apr 2026, IEF 23461; ECLI:NL:RBDHA:2026:7375 (Demka tegen Enfa), https://ie-forum.nl/artikelen/verpakking-1-inbreuk-op-uniebeeldmerk-verpakking-2-niet-geen-geslaagd-beroep-op-voor-voorgebruik-factuurvordering-toewijsbaar-onder-wkv-en-duits-recht

Rb. Den Haag 1 april 2026, IEF 23461; ECLI:NL:RBDHA:2026:7375 (Demka tegen Enfa). De Rechtbank Den Haag oordeelt dat Enfa met Verpakking 1 van haar kaassticks inbreuk maakt op het Uniebeeldmerk van Demka in de zin van art. 9 lid 2 onder b UMVo, maar dat Verpakking 2 geen merkinbreuk oplevert. De waren zijn identiek, omdat het in beide gevallen om kaassticks/melkproducten gaat. Ten aanzien van Verpakking 1 acht de rechtbank de visuele overeenstemming groot: beide tekens hebben onder meer een rode boven- en onderrand, een blauw middenvlak, woordelementen in wit/rood, een centraal venster waardoor de kaassticks zichtbaar zijn, en onderaan melk met een jongetje. Begripsmatig bestaat eveneens overeenstemming; auditief is die beperkt, maar in samenhang met de identieke waren leidt dit toch tot verwarringsgevaar. Het verweer dat de woordelementen de totaalindruk zouden domineren, wordt verworpen. Bij Verpakking 2 is volgens de rechtbank slechts sprake van enige mate van visuele en begripsmatige overeenstemming, terwijl vooral de afwijkende kleurstelling, de andere vorm van het venster en de andere positionering van de elementen maken dat geen verwarringsgevaar bestaat. De rechtbank verwerpt ook het beroep op een ouder recht van plaatselijke betekenis dan wel op (voor)voorgebruik, omdat Enfa onvoldoende heeft geconcretiseerd op welk ouder recht zij zich beroept en hoe dat recht zou zijn ontstaan. De voorwaardelijke reconventionele vordering tot nietigverklaring van het Uniebeeldmerk wordt afgewezen, omdat Enfa onvoldoende heeft onderbouwd dat het merk ieder onderscheidend vermogen mist; ook de overige reconventionele IE-vorderingen, waaronder de gevraagde verklaring voor recht van non-inbreuk en de gevraagde beperking van maatregelen, worden afgewezen. Daarbij merkt de rechtbank wel uitdrukkelijk op dat merkinbreuk pas kan worden aangenomen vanaf de registratiedatum van het Uniebeeldmerk, 24 augustus 2024, zodat het eerdere gebruik van Verpakking 1 niet als merkinbreuk kan gelden.

IEF 23457

Uitspraak ingezonden door Pim Trooster, The Legal Group Advocaten

Handelsvoorraad namaakthee levert merkinbreuk op; geen persoonlijk ernstig verwijt aan bestuurder

Rechtbank Den Haag 18 mrt 2026, IEF 23457; C/09/684356 (Sultan tegen Yettefti c.s.), https://ie-forum.nl/artikelen/handelsvoorraad-namaakthee-levert-merkinbreuk-op-geen-persoonlijk-ernstig-verwijt-aan-bestuurder

Rb. Den Haag 18 maart 2026, IEF 23457; C/09/684356 (Sultan tegen Yettefti). In conventie oordeelt de Rechtbank Den Haag dat zij bevoegd is kennis te nemen van de op de Sultan-merken gebaseerde vorderingen, voor zover het gaat om een Uniemerk en internationale registraties met aanwijzing van de EU. Vaststaat dat La Marocaine des Thés et Infusions houdster is van drie Sultan-merken voor thee en dat in de loods van Yetteti B.V. producten en verpakkingen met aan die merken identieke dan wel overeenstemmende tekens in beslag zijn genomen. De rechtbank verwerpt het verweer van Yetteti B.V. en Tea Market B.V. dat deze goederen niet tot hun handelsvoorraad behoorden en slechts buiten hen om zouden zijn opgeslagen. Doorslaggevend is dat de goederen in hun opslagruimte lagen, dat Yetteti en Tea Market op hetzelfde adres zijn gevestigd, verweven zijn en overlappende activiteiten hebben. Daarmee acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat Yetteti en Tea Market merkinbreuk hebben gemaakt. De vorderingen tegen de mede gedagvaarde bestuurder in privé worden echter afgewezen, omdat onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat haar persoonlijk een ernstig verwijt treft of dat zij naast de vennootschappen zelfstandig onrechtmatig heeft gehandeld. Ook de gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen wegens gebrek aan zelfstandig belang naast de toe te wijzen verboden en nevenvoorzieningen.

IEF 23458

Uitspraak is ingezonden door Bas Meijer, Dillinger Law.

Verbetervonnis corrigeert de proceskosten van Volkswagen AG

Rechtbank Den Haag 8 apr 2026, IEF 23458; C/09/689519 (VOLKSWAGEN AKTIENGESELLSCHAFT tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/verbetervonnis-corrigeert-de-proceskosten-van-volkswagen-ag

Rb. Den Haag 8 april 2026, IEF23458, C/09/689519/ (VOLKSWAGEN AKTIENGESELLSCHAFT tegen [gedaagde]). Volkswagen AG trad in deze procedure [zie IEF23293] op tegen [gedaagde] die zonder toestemming auto-onderdelen met Volkswagen-merken verkocht. Omdat de gedaagde niet verscheen, werd verstek verleend en ging de rechter uit van merkinbreuk. Waar eerder stond “opvallend is dat de rechter géén volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv toekent, omdat Volkswagen de proceskosten niet tijdig en voldoende gespecificeerd had; daarom zijn de kosten volgens het liquidatietarief begroot” wordt gecorrigeerd.

IEF 23451

Terugvordering na vernietiging van een schadevonnis: rechtsopvolgers niet zonder meer gebonden aan de veroordeling van de cedent

Rechtbank Amsterdam 1 apr 2026, IEF 23451; ECLI:NL:RBAMS:2026:3265 ([eiser 1] tegen Longnorth c.s.), https://ie-forum.nl/artikelen/terugvordering-na-vernietiging-van-een-schadevonnis-rechtsopvolgers-niet-zonder-meer-gebonden-aan-de-veroordeling-van-de-cedent

Rb. Amsterdam 1 april 2026, IEF 23451; ECLI:NL:RBAMS:2026:3265 ([eiser 1] tegen Longnorth c.s.). In deze procedure vorderen [eiser 1] en [eiser 2] terugbetaling van bedragen die in 2019 zijn betaald na een vonnis van de rechtbank Den Haag, waarin [eiser 1] wegens merkinbreuk met betrekking tot Jack Daniel’s-producten was veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten aan Jack Daniel’s, Brown-Forman en Pitts Bay. In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag vervolgens geoordeeld dat Pitts Bay haar vordering al op 27 december 2007 aan Longnorth en Bacardi had gecedeerd, zodat Pitts Bay zelf niets meer van [eiser 1] te vorderen had; voor zover de eerdere vonnissen Pitts Bay betroffen, zijn die vernietigd en is Pitts Bay tot terugbetaling veroordeeld. In de onderhavige procedure beroepen eisers zich jegens Longnorth, Bacardi, Jack Daniel’s, Brown-Forman en hun advocaat op gezag van gewijsde, derden- of precedentwerking, onverschuldigde betaling en onrechtmatige daad. De rechtbank wijst dat grotendeels af. Longnorth en Bacardi waren in de procedure bij het hof geen formele of materiële procespartij, zodat zij niet op die grond aan de veroordeling van Pitts Bay zijn gebonden. Art. 236 Rv brengt volgens de rechtbank alleen mee dat in deze procedure vaststaat dát Pitts Bay haar vordering in 2007 aan Longnorth en Bacardi had overgedragen; daaruit volgt niet dat Longnorth en Bacardi daardoor zelf zonder meer gehouden zijn tot terugbetaling. Ook het beroep op derden- of precedentwerking faalt. Verder is de betaling van de zogenoemde Pitts Bay-vordering zelf niet onverschuldigd geweest: de vernietiging van het eerdere vonnis betekent niet dat die materiële vordering niet bestond, maar slechts dat Pitts Bay niet meer de rechthebbende was. Het hof had immers al geoordeeld dat [eiser 1] die vordering op 20 maart 2019 bevrijdend aan Longnorth en Bacardi had betaald, en eisers hebben in deze procedure niet onderbouwd dat op [eiser 1] geen of slechts een lagere schadevergoedingsplicht rustte. Anders ligt het uitsluitend voor het bedrag van € 10.664,78 aan proceskosten dat ten behoeve van Pitts Bay op grond van het vernietigde eindvonnis was betaald: daarvoor is de rechtsgrond door het tussenarrest komen te vervallen, zodat Longnorth en Bacardi dat bedrag wél moeten terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2022. Voor de proceskosten van het hoger beroep geldt dat [eiser 1] daarvoor slechts een vordering op Pitts Bay als procespartij heeft, zodat ook dat deel niet tegen Longnorth en Bacardi toewijsbaar is.

IEF 23450

Kort geding over gestelde schendingen van een exclusieve merkrechtlicentie

Rechtbank Amsterdam 7 apr 2026, IEF 23450; ECLI:NL:RBAMS:2026:2822 (Copar tegen CSB), https://ie-forum.nl/artikelen/kort-geding-over-gestelde-schendingen-van-een-exclusieve-merkrechtlicentie

Rb. Amsterdam 18 maart 2026, IEF 23450; ECLI:NL:RBAMS:2026:2822 (Copar tegen CSB). In dit kort geding tussen Copar en Continental Sweets Belgium (CSB) staat de vraag centraal of CSB in strijd heeft gehandeld met een in 2012 gesloten exclusieve, eeuwigdurende en royaltyvrije licentieovereenkomst op grond waarvan Copar de betrokken woord- en vormmerken in Nederland mag gebruiken voor de productie en distributie van snoepgoed. De rechtbank Amsterdam acht zich bevoegd op grond van de forumkeuze in de overeenkomst (art. 25 Brussel I-bis) en past, conform de rechtskeuze van partijen, Nederlands recht toe. Daarbij speelt mee dat in een eerder bodemvonnis van 12 juni 2024 reeds voor recht was verklaard dat de opzegging van de licentieovereenkomst door CSB van 22 juni 2023 geen effect had en dat Copar de relevante Benelux-merken in Nederland mocht blijven gebruiken; tegen dat vonnis liep nog hoger beroep. De vorderingen van Copar in conventie worden afgewezen, omdat in dit kort geding onvoldoende aannemelijk is geworden dat CSB door rechtstreekse verkoop aan in Nederland gevestigde afnemers de exclusieve licentie heeft geschonden. Dat de producten bij Jumbo in Nederland en via Bol.com worden aangeboden, dat CSB als fabrikant wordt genoemd, of dat de producten van Belgische oorsprong zijn, volstaat daarvoor niet, omdat de producten ook via buiten Nederland gevestigde tussenpartijen in Nederland terecht kunnen zijn gekomen. Ook de correspondentie over Jumbo acht de voorzieningenrechter onvoldoende, nu CSB gemotiveerd heeft toegelicht dat zij aan Jumbo België B.V. verkoopt en aan een distributiecentrum in Nederland levert ten behoeve van Belgische winkels. Omdat een contractuele tekortkoming niet voldoende aannemelijk is, wordt ook de gevorderde administratieve inzage via een registeraccountant afgewezen; de verwijzing naar de Handhavingsrichtlijn en het BVIE kan Copar daarbij niet baten. De proceskosten in conventie worden niet begroot op grond van art. 1019h Rv, omdat het geschil overwegend verbintenisrechtelijk van aard is, maar volgens het reguliere liquidatietarief.

IEF 23453

Gerecht vernietigt EUIPO-beslissing over het merk déjà vu wegens gebrek aan beoordeling van de gebruiksduur

Gerecht EU (voorheen GvEA) 8 okt 2025, IEF 23453; ECLI:EU:T:2025:947 (Huda Beauty Ltd tegen EUIPO en Norbert Schulz), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-vernietigt-euipo-beslissing-over-het-merk-deja-vu-wegens-gebrek-aan-beoordeling-van-de-gebruiksduur

Gerecht EU 8 oktober 2025, IEF 23453; IEFbe 4183; ECLI:EU:T:2025:947 (Huda Beauty Ltd tegen EUIPO en Norbert Schulz). In deze zaak vordert Huda Beauty Ltd op grond van art. 263 VWEU gedeeltelijke nietigverklaring van een beslissing van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO van 16 april 2024, voor zover die beslissing de vervalvordering tegen het EU-woordmerk déjà vu voor waren in klasse 3 (“parfumerieproducten”) had afgewezen. Het vervalverzoek was gebaseerd op art. 58 lid 1, onder a, UMVo, omdat het merk volgens Huda Beauty gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar niet normaal was gebruikt. De door de interveniënt opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding wordt door het Gerecht verworpen: de bestreden beslissing was op 22 april 2024 aan Huda Beauty meegedeeld, zodat het op 2 juli 2024 ingestelde beroep, rekening houdend met de beroepstermijn van twee maanden van art. 72 lid 5 UMVo en de forfaitaire afstandstermijn van tien dagen, tijdig was. Ten gronde stelt het Gerecht voorop dat werkelijk gebruik moet worden aangetoond aan de hand van concrete en objectieve gegevens, en dat op grond van art. 10 lid 3 van Gedelegeerde Verordening 2018/625 cumulatief moet blijken van de plaats, duur, omvang en aard van het gebruik. De relevante periode liep hier van 21 april 2016 tot en met 20 april 2021. Hoewel voor verval niet is vereist dat het merk onafgebroken gedurende de gehele periode is gebruikt, maar voldoende is dat sprake is van normaal gebruik tijdens een deel daarvan, moet de Kamer van Beroep wel zelfstandig beoordelen of het temporele element van het gebruik voldoende is aangetoond. Juist daarin schoot de bestreden beslissing volgens het Gerecht tekort. Onder het kopje “duur en plaats van het gebruik” bevatte die beslissing slechts één overweging, die geen temporele elementen noemde en in wezen alleen betrekking had op Duitsland als plaats van gebruik. Dat elders in de beslissing bewijsstukken waren opgesomd of in het kader van de omvang van het gebruik enkele stukken waren genoemd die mogelijk ook iets over de duur konden zeggen, maakt dat niet anders: de Kamer van Beroep had in de bestreden beslissing geen zelfstandige beoordeling en geen eigen conclusie gegeven over de duur van het gebruik van het merk. Daarmee heeft zij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

IEF 23448

Beschrijvende handelsnaam toch beschermd: Woonhub krijgt gelijk bij verwarringsgevaar

Rechtbank Oost-Brabant 31 mrt 2026, IEF 23448; ECLI:NL:RBOBR:2026:2053 (Woonhub tegen [gedaagden]), https://ie-forum.nl/artikelen/beschrijvende-handelsnaam-toch-beschermd-woonhub-krijgt-gelijk-bij-verwarringsgevaar

Rb. Oost-Brabant 31 maart 2026, IEF 23448; ECLI:NL:RBOBR:2026:2053 (Woonhub tegen [gedaagden]). In dit kort geding staat de vraag centraal of het gebruik van de handelsnaam “WoonHub” door [gedaagden] inbreuk maakt op de oudere handelsnaam “Woonhub” van eiseres, een makelaarskantoor. [gedaagden] exploiteren een aannemersbedrijf en gebruiken (vrijwel) identieke handelsnamen en domeinnamen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat op grond van artikel 5 Handelsnaamwet beslissend is of verwarringsgevaar te duchten is. Hoewel de handelsnaam “Woonhub” deels beschrijvend is, heeft deze door de combinatie met “hub” een (beperkt) onderscheidend vermogen. Gezien de vrijwel identieke handelsnamen, het opereren in dezelfde regio en binnen dezelfde vastgoedketen (makelaardij en bouw), en het gebruik van internet waardoor een breder publiek wordt bereikt, is verwarringsgevaar aannemelijk. Daarbij weegt mee dat concrete gevallen van verwarring zijn gesteld, onder meer via berichten van derden en online uitingen.

IEF 23425

Oud jaartal in luxemerk kan misleidend zijn wanneer het ten onrechte eeuwenoud vakmanschap en prestige suggereert

HvJ EU 26 mrt 2026, IEF 23425; ECLI:EU:C:2026:250 (Fauré Le Page Maroquinier SAS en Fauré Le Page Paris SAS tegen Goyard ST-Honoré SAS), https://ie-forum.nl/artikelen/oud-jaartal-in-luxemerk-kan-misleidend-zijn-wanneer-het-ten-onrechte-eeuwenoud-vakmanschap-en-prestige-suggereert

HvJ EU 26 maart 2026, IEF 23425; IEFbe 4169; ECLI:EU:C:2026:250 (Fauré Le Page Maroquinier SAS en Fauré Le Page Paris SAS tegen Goyard ST-Honoré SAS). Het Hof verduidelijkt de reikwijdte van art. 3, lid 1, onder g, Richtlijn 2008/95, dat ziet op merken die het publiek kunnen misleiden. Het hoofdgeding betreft twee Franse merken met de aanduiding “Fauré Le Page Paris 1717”, ingeschreven in 2011 voor onder meer lederwaren, reistassen, koffers en handtassen. De achtergrond is dat de historische onderneming Maison Fauré Le Page, sinds 1716 actief in Parijs op het gebied van wapens, munitie en lederen accessoires, in 1992 wordt ontbonden, terwijl Fauré Le Page Paris pas in 2009 wordt opgericht en kort daarna het oudere Franse merk “Fauré Le Page” overneemt. Goyard ST-Honoré, actief in de luxe lederwaren- en reisartikelensector, vordert nietigverklaring van de merken wegens hun vermeend misleidende karakter. De cour d’appel de Paris oordeelt na terugverwijzing dat de bestanddelen “Parijs 1717” bij het relevante publiek de indruk kunnen wekken dat sprake is van een sinds 1717 voortgezette onderneming en van overgedragen eeuwenoud vakmanschap, terwijl daarvan feitelijk geen sprake is. Volgens die rechter is dat van belang omdat consumenten van luxe lederwaren bijzonder veel gewicht hechten aan geschiedenis, traditie en erfgoed, en daaruit kwaliteit en prestige van de waar afleiden. In cassatie voeren de vennootschappen Fauré Le Page aan dat een merk alleen misleidend kan zijn wanneer het onjuiste informatie geeft over de kenmerken van de waren of diensten zelf, en niet wanneer het slechts betrekking heeft op kenmerken van de merkhouder. De verwijzende rechter vraagt daarom of een merk dat een getal bevat dat door het relevante publiek wordt opgevat als een verwijzing naar het oprichtingsjaar van de onderneming, en dat daardoor de suggestie wekt van eeuwenoud vakmanschap dat de waar een kwaliteitsgarantie en een prestigieus imago verleent, onder art. 3, lid 1, onder g, kan vallen.