GvEU vernietigt EUIPO-besluit: parkeerdiensten wel complementair aan parkeerapps
Gerecht EU 17 juni 2026, IEF 23625; ECLI:EU:T:2026:402 (Parkster tegen EUIPO en Ühisteenused). In deze zaak tussen de Zweedse onderneming Parkster en de Estse onderneming Ühisteenused staat de vraag centraal of diensten voor het aanbieden van parkeerplaatsen soortgelijk zijn aan software, mobiele applicaties en betaaldiensten voor het betalen van parkeergeld. Het Gerecht van de Europese Unie oordeelt dat het EUIPO ten onrechte heeft aangenomen dat van enige soortgelijkheid geen sprake is. Volgens het Gerecht bestaat tussen deze diensten en producten juist een nauwe samenhang, waardoor zij ten minste in geringe mate soortgelijk zijn. Die soortgelijkheid berust specifiek op de complementariteit: ook wanneer de betrokken software en apps niet strikt onmisbaar zijn, is voldoende dat zij belangrijk zijn voor het gebruik van de parkeerdiensten (en omgekeerd) om complementariteit en daarmee een (lage) mate van soortgelijkheid aan te nemen. Het besluit van de Kamer van Beroep wordt daarom vernietigd. De zaak begon met een aanvraag van Ühisteenused voor het Uniewoordmerk PARKNER voor onder meer diensten in klasse 39, waaronder parkeerdiensten, verhuur van parkeerplaatsen en garages, parkeerreserveringen, luchthavenparkeerdiensten en het verstrekken van informatie over parkeren. Tegen deze aanvraag stelde Parkster oppositie in op basis van haar oudere Uniewoordmerk PARKSTER en een Zweeds beeldmerk Parkster, die onder meer zijn ingeschreven voor software voor het betalen van parkeergelden, downloadbare mobiele applicaties voor het betalen van parkeergelden, parkeermeters en betaaldiensten voor parkeergelden via mobiele applicaties. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. De oppositieafdeling gaf Parkster gedeeltelijk gelijk. De aanvraag voor PARKNER werd geweigerd voor de waren en diensten in de klassen 9, 36 en 42, maar de oppositie werd afgewezen voor alle diensten in klasse 39. Volgens de oppositieafdeling bestond voor die diensten geen verwarringsgevaar. Parkster ging daartegen in beroep, maar de Tweede Kamer van Beroep van het EUIPO bevestigde dat oordeel. Zij achtte parkeerdiensten wezenlijk verschillend van software en betaaldiensten voor parkeergelden. Volgens de Kamer van Beroep verschilden de aard, het doel, de gebruikswijze en de distributiekanalen van de betrokken diensten en waren zij evenmin complementair. Dat een parkeerapp gebruikt kan worden om parkeerdiensten toegankelijker te maken, was volgens haar onvoldoende om soortgelijkheid aan te nemen. Het Gerecht stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op artikel 8 lid 1 onder b UMVo zowel sprake moet zijn van overeenstemming tussen de merken als van identieke of soortgelijke waren of diensten. Ontbreekt die laatste voorwaarde, dan kan de oppositie zonder verdere beoordeling worden afgewezen. De beoordeling van soortgelijkheid moet plaatsvinden aan de hand van alle relevante factoren, waaronder de aard van de waren of diensten, hun bestemming, gebruikswijze, onderlinge concurrentieverhouding en eventuele complementariteit. Het Gerecht volgt het EUIPO gedeeltelijk. De betrokken diensten en producten verschillen inderdaad in hun aard en primaire bestemming. Parkeerdiensten zijn gericht op het fysiek beschikbaar stellen van een parkeerplaats of het verstrekken van informatie daarover, terwijl de oudere merken betrekking hebben op software en diensten voor het betalen en beheren van parkeergelden.