Alle rechtspraak  

IEF 23566

MUKA/LAMUCCA: nietigverklaring van Uniebeeldmerk wegens verwarringsgevaar voor restaurantdiensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 13 mei 2026, IEF 23566; ECLI:EU:T:2026:341 (Ixo Restauración, SL tegen EUIPO en Promollum 142 B, SL), https://ie-forum.nl/artikelen/muka-lamucca-nietigverklaring-van-uniebeeldmerk-wegens-verwarringsgevaar-voor-restaurantdiensten

Gerecht EU 13 mei 2026, IEF 23566; IEFbe 4223; ECLI:EU:T:2026:341 (Ixo Restauración, SL tegen EUIPO en Promollum 142 B, SL). In dit arrest gaat het om een nietigheidsprocedure tegen het Uniebeeldmerk MUKA, bestaande uit het woordelement “muka” in licht gestileerde zwarte hoofdletters, geregistreerd voor catering-/restaurantdiensten in klasse 43. Promollum 142 B, SL verzocht om nietigverklaring op basis van haar oudere Spaanse woordmerk LAMUCCA, eveneens geregistreerd voor catering-/restaurantdiensten in klasse 43. De nietigheidsgrond was artikel 60 lid 1 onder a UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8 lid 1 onder b en artikel 8 lid 5 UMVo, maar de nietigheidsafdeling en vervolgens de Kamer van Beroep wezen de nietigheid toe op grond van verwarringsgevaar ex artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Ixo Restauración betoogde bij het Gerecht onder meer dat normaal gebruik van het oudere merk niet was bewezen, omdat het bewijs volgens haar vooral betrekking had op voedingsmiddelen of verkoopdiensten en niet op restaurantdiensten. Het Gerecht verwerpt dat betoog. Voor de relevante perioden, 20 september 2018 tot en met 19 september 2023 en, vanwege de vijfjaarstoets op de datum van aanvraag van het jongere merk, 8 april 2017 tot en met 7 april 2022, had Promollum voldoende bewijs overgelegd van daadwerkelijk gebruik van LAMUCCA voor restaurantdiensten in Spanje. Daarbij ging het onder meer om persartikelen, belasting- en btw-aangiften, leveranciersverklaringen, kassabonnen, facturen en stukken waaruit bleek dat restaurants binnen de LAMUCCA-groep onder dat teken diensten aanboden. Dat sommige stukken betrekking hadden op eten of ingrediënten deed daaraan niet af, omdat de kassabonnen wezen op bereide gerechten die ter plaatse werden geconsumeerd, bijvoorbeeld in de zaal of op het terras, en leveranciersfacturen zagen op onder meer bestek, ingrediënten en drank voor restaurants die onder LAMUCCA exploiteerden. Ook gebruik door restaurants zoals “Lamucca Andes”, “Lamucca Carmen” en “Lamucca Fuencarral” kon worden meegewogen, omdat dat gebruik door de merkhouder was toegestaan. Bovendien kan gebruik als handelsnaam of vennootschapsnaam als merkgebruik gelden wanneer de betrokken diensten zelf onder dat teken worden aangeboden, wat hier het geval was.

IEF 23565

OBELIX en wapens: EUIPO beoordeelde de reputatiebescherming te beperkt

Gerecht EU (voorheen GvEA) 13 mei 2026, IEF 23565; ECLI:EU:T:2026:343 (Les Éditions Albert René tegen EUIPO en WERKEN 11 MICHAŁ LUBIŃSKI), https://ie-forum.nl/artikelen/obelix-en-wapens-euipo-beoordeelde-de-reputatiebescherming-te-beperkt

Gerecht EU 13 mei 2026, IEF 23565; IEFbe 4222; ECLI:EU:T:2026:343 (Les Éditions Albert René tegen EUIPO en WERKEN 11 MICHAŁ LUBIŃSKI). In dit arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 13 mei 2026 staat een nietigheidsprocedure centraal over het Uniewoordmerk Obelix, dat door WORKS 11 Michał Lubiński was geregistreerd voor wapens, munitie en aanverwante producten in klasse 13. Les Éditions Albert René, rechthebbende achter de Asterix- en Obelix-franchise, vorderde nietigverklaring op basis van haar oudere Uniewoordmerk OBELIX, geregistreerd voor onder meer waren en diensten in de klassen 9, 16, 25, 28 en 41. De vordering was gebaseerd op artikel 60 lid 1 onder a UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8 lid 1 onder b en artikel 8 lid 5 UMVo. De nietigheidsafdeling wees het verzoek af wegens onvoldoende bewijs van normaal gebruik van het oudere merk. De Kamer van Beroep liet het normaal gebruik vervolgens uit proceseconomische overwegingen in het midden en beoordeelde de zaak alsof normaal gebruik was aangetoond. Zij oordeelde dat geen verwarringsgevaar bestond, omdat de betrokken waren en diensten ongelijksoortig waren, en dat artikel 8 lid 5 UMVo evenmin toepassing vond, omdat de reputatie van het oudere merk niet voldoende was bewezen en het relevante publiek geen verband zou leggen tussen Obelix voor wapens en het oudere merk OBELIX. Het Gerecht verwerpt de motiveringsklacht van Les Éditions Albert René: de beslissing was niet innerlijk tegenstrijdig, omdat de Kamer van Beroep normaal gebruik slechts hypothetisch aannam en vervolgens afzonderlijk de reputatie van het oudere merk beoordeelde. Ook heeft de Kamer van Beroep daarmee niet de geldigheid van het oudere merk ter discussie gesteld en evenmin geoordeeld dat namen van fictieve personages niet als merk kunnen functioneren.

IEF 23562

Gerecht: “K.”-teken Klarna slechts voor financiële diensten verwarrend ten opzichte van Kutxabank-merk

HvJ EU 13 mei 2026, IEF 23562; ECLI:EU:T:2026:344 ((Kutxabank tegen EUIPO en Klarna Bank)), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-k-teken-klarna-slechts-voor-financiele-diensten-verwarrend-ten-opzichte-van-kutxabank-merk

HvJ EU 13 mei 2026, IEF 23562; ECLI:EU:T:2026:344 (Kutxabank tegen EUIPO en Klarna Bank). In deze zaak staan twee vragen centraal: (i) of sprake is van verwarringsgevaar tussen het aangevraagde figuratieve Uniemerk bestaande uit de letter “K.” en de oudere Kutxabank-merken voor diensten in de klassen 35, 39, 42 en 45, en (ii) of dat wél het geval is voor de financiële diensten in klasse 36 ten opzichte van een ouder Kutxabank-beeldmerk met een gestileerde “k”. Aan de procedure ligt een oppositie van Kutxabank ten grondslag tegen een merkaanvraag van Klarna voor een figuratief teken waarin de letter “K” centraal staat, aangevraagd voor diensten in de klassen 35, 36, 39, 42 en 45. Kutxabank beroept zich op twee oudere Uniemerken: (i) een beeldmerk met een gestileerde “k” voor financiële diensten in klasse 36 (oudere merk 1), en (ii) een beeldmerk met een gestileerde “k” in combinatie met de woorden “kutxabank kredit” voor onder meer reclame- en zakelijke diensten in klasse 35 en financiële diensten in klasse 36 (oudere merk 2). Bij de beoordeling van het verwarringsgevaar hanteert het Gerecht de gebruikelijke globale benadering, waarbij de mate van overeenstemming tussen de tekens, de (soort)gelijkheid van de diensten en het onderscheidend vermogen van de oudere merken in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Voor oudere merk 1 oordeelt het Gerecht dat de diensten in de klassen 35, 39, 42 en 45 waarvoor de aanvraag is ingediend, niet soortgelijk zijn aan de financiële en monetaire diensten in klasse 36. Het betoog van Kutxabank dat sprake is van een economische samenhang of aanvullende diensten – bijvoorbeeld via software of beveiligingsdiensten – wordt verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. Alleen de diensten in klasse 36 zijn identiek. Voor oudere merk 2 geldt dat een deel van de diensten in klasse 35 identiek is, maar dat de diensten in de klassen 39, 42 en 45 niet soortgelijk zijn. Voor die laatste diensten ontbreekt daarmee een noodzakelijke voorwaarde voor verwarringsgevaar. De beoordeling concentreert zich vervolgens op de diensten waarvoor wél sprake is van identiteit: klasse 35 ten opzichte van oudere merk 2 en klasse 36 ten opzichte van oudere merk 1.

IEF 23561

Verval van Benelux-beeldmerk "KIF Radio" wegens ontbreken van normaal gebruik

BenGH 18 mrt 2026, IEF 23561; C 2024/18 (([verzoeker] tegen [verweerster])), https://ie-forum.nl/artikelen/verval-van-benelux-beeldmerk-kif-radio-wegens-ontbreken-van-normaal-gebruik

BenGH 18 maart 2026, IEF 23561; IEFbe 4221; C 2024/18 ([verzoeker] tegen [verweerster]). In deze zaak staat de vraag centraal of een Benelux-beeldmerk voor “KIF Radio” vervallen kan worden verklaard wegens het ontbreken van normaal gebruik. Het Benelux-Gerechtshof bevestigt de beslissing van het BBIE en oordeelt dat daarvan sprake is. Het enkele gebruik van tekens waarin het woordelement “KIF” voorkomt, volstaat in dit geval niet als gebruik van het ingeschreven merk. [verzoeker] is houder van een semi-figuratief merk voor onder meer telecommunicatie- en culturele diensten. Mediazone heeft bij het BBIE een vordering tot doorhaling ingesteld, stellende dat het merk tijdens een periode van vijf jaar niet normaal is gebruikt. Het BBIE heeft die vordering toegewezen en het merk vervallen verklaard. In beroep voert [verzoeker] aan dat wel degelijk sprake is van gebruik, omdat Mediazone het teken “KIF” en varianten daarvan heeft gebruikt voor radio-uitzendingen, naar zijn zeggen met zijn toestemming en dus op basis van een licentie. Het Hof stelt voorop dat van normaal gebruik sprake is wanneer het merk daadwerkelijk wordt gebruikt overeenkomstig zijn wezenlijke functie, namelijk het waarborgen van de herkomst van de betrokken diensten, met het oog op het verkrijgen of behouden van afzet. Symbolisch gebruik is onvoldoende. Ook gebruik in een afwijkende vorm kan relevant zijn, mits het onderscheidend vermogen van het merk in de ingeschreven vorm niet wordt gewijzigd. Vaststaat dat Mediazone vanaf 2019 radioactiviteiten verricht onder tekens waarin het woordelement “KIF” voorkomt. Volgens [verzoeker] moet dit worden aangemerkt als gebruik van het merk, omdat het onderscheidend vermogen wordt gedragen door het woordelement en de grafische verschillen ondergeschikt zijn. Het Hof volgt dat betoog niet. Het stelt vast dat de door Mediazone gebruikte tekens op essentiële punten afwijken van het ingeschreven beeldmerk, onder meer wat betreft lettertype, vormgeving van de letters, compositie en de vorm van de achtergrond. Hoewel er overeenkomsten bestaan, zijn de verschillen te groot en te opvallend om als verwaarloosbaar te worden beschouwd. Daarmee kan niet worden gesproken van gebruik van het merk in een vorm die het onderscheidend vermogen onverlet laat.

IEF 23544

Rb. Den Haag wijst aanhoudingsverzoek in zaak tussen ANWB Retail en Canada Goose af

Rechtbank Den Haag 29 apr 2026, IEF 23544; ECLI:NL:RBDHA:2026:10255 ((ANWB Retail tegen Canada Goose c.s.)), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-wijst-aanhoudingsverzoek-in-zaak-tussen-anwb-retail-en-canada-goose-af

Rb. Den Haag 29 april 2026, IEF23544; ECLI:NL:RBDHA:2026:10255 (ANWB Retail tegen Canada Goose c.s.). In deze zaak staat een geschil centraal tussen ANWB Retail en de ondernemingen achter het kledingmerk Canada Goose c.s. over het gebruik van de tekens HUMANATURE en HUMAN NATURE voor kleding. De Rechtbank Den Haag hoefde zich in dit stadium nog niet uit te spreken over de gestelde merkinbreuk, maar besliste wel op een incident waarin Canada Goose c.s. verzocht de procedure aan te houden in afwachting van doorhalingsprocedures (door de rechtbank aangeduid als nietigheidsprocedures) bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE). ANWB Retail, verantwoordelijk voor de retailactiviteiten van de ANWB-groep, is houdster van verschillende HUMAN NATURE-merken voor onder meer kleding in klasse 25. Het gaat onder meer om een Benelux-woordmerk HUMAN NATURE uit 1997 en twee beeldmerken. Canada Goose c.s. beschikt op haar beurt over onder meer het Uniewoordmerk HUMANATURE voor kleding en advertentiediensten en een internationaal woordmerk HUMANATURE voor verschillende waren- en dienstenklassen. Volgens ANWB Retail gebruikte Canada Goose c.s. het teken HUMANATURE op de Nederlandstalige webshop van Canada Goose om kleding aan te prijzen. Ook zou HUMAN NATURE staan op labels van kleding die in Nederland wordt geleverd. ANWB Retail stelt dat daardoor sprake is van merkinbreuk in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub b en sub c BVIE. ANWB Retail beroept zich daarbij op verwarringsgevaar tussen de tekens en op de bekendheid van de HUMAN NATURE-merken, waarvan Canada Goose c.s. volgens haar ongerechtvaardigd voordeel zou trekken. ANWB Retail vordert in de hoofdzaak onder meer een verklaring voor recht dat sprake is van merkinbreuk, een inbreukverbod, een recall, een bevel richting wederverkopers, opgave van relevante informatie, dwangsommen en winstafdracht of schadevergoeding. Ook vordert zij volledige proceskostenvergoeding op grond van artikel 1019h Rv.

IEF 23534

Verwarringsgevaar tussen proGlan en PRO PLAN

Gerecht EU (voorheen GvEA) 6 mei 2026, IEF 23534; ECLI:EU:T:2026:315 (Ecuphar tegen EUIPO en Société des produits Nestlé SA), https://ie-forum.nl/artikelen/verwarringsgevaar-tussen-proglan-en-pro-plan

Gerecht EU 6 mei 2026, IEF 23534, IEFbe 4219; ECLI:EU:T:2026:315 (Ecuphar tegen EUIPO en Société des produits Nestlé SA). In T-291/25 bevestigt het Gerecht de weigering van de Uniemerkaanvraag voor het figuratieve teken proGlan, aangevraagd voor “medicines for anal gland function for veterinary use” in klasse 5. Nestlé had oppositie ingesteld op basis van haar oudere internationale registratie met werking in de EU voor het woordmerk PRO PLAN, geregistreerd voor “nutritional supplements for veterinary use” en “nutritional supplements for animal consumption” in klasse 5. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het Gerecht verklaart allereerst dat het niet bevoegd is om zelf registratie van het aangevraagde merk toe te staan en dat het beroep tegen de beslissing van de oppositieafdeling niet-ontvankelijk is, omdat bij het Gerecht alleen beslissingen van de Kamers van Beroep kunnen worden aangevochten. Inhoudelijk bevestigt het Gerecht dat het relevante publiek bestaat uit zowel het algemene publiek, zoals huisdiereigenaren, als professionals, zoals dierenartsen, binnen de Europese Unie. Professionals hebben doorgaans een hoog aandachtsniveau en ook het algemene publiek heeft een hoger dan gemiddeld aandachtsniveau, omdat de betrokken waren de gezondheid en het welzijn van dieren kunnen beïnvloeden. Dat verhoogde aandachtsniveau sluit verwarringsgevaar echter niet uit.

IEF 23533

Verwarringsgevaar tussen alma FARMACIE en ALMA HYBRID

Gerecht EU (voorheen GvEA) 6 mei 2026, IEF 23533; ECLI:EU:T:2026:317 (Pharma Green Holding SpA SB tegen EUIPO en Alma Lasers Ltd), https://ie-forum.nl/artikelen/verwarringsgevaar-tussen-alma-farmacie-en-alma-hybrid

Gerecht EU 6 mei 2026, IEF 23533; IEFbe 4218; ECLI:EU:T:2026:317 (Pharma Green Holding SpA SB tegen EUIPO en Alma Lasers Ltd). In T-480/25 bevestigt het Gerecht de weigering van de Uniemerkaanvraag voor het figuratieve teken alma FARMACIE, aangevraagd voor onder meer cosmetica, farmaceutische producten, voedingssupplementen en farmaceutische/medische diensten in de klassen 3, 5 en 44. Alma Lasers had daartegen oppositie ingesteld op grond van haar oudere internationale registratie met werking in de EU voor het woordmerk ALMA HYBRID, geregistreerd voor onder meer medische lasers, medische diensten en hygiëne- en schoonheidsverzorging. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het Gerecht oordeelt dat de Kamer van Beroep haar beoordeling mocht beperken tot het Spaans- en Portugeestalige publiek, omdat voor weigering van een Uniemerk voldoende is dat verwarringsgevaar bestaat in een deel van de Unie. Voor cosmetica en schoonheidsverzorging geldt een gemiddeld aandachtsniveau, terwijl voor farmaceutische producten, voedingssupplementen en medische of farmaceutische diensten een hoog aandachtsniveau kan gelden vanwege het verband met gezondheid. Dat hogere aandachtsniveau sluit verwarringsgevaar echter niet uit, omdat ook oplettende consumenten merken meestal niet rechtstreeks vergelijken en moeten afgaan op hun onvolmaakte herinnering.

IEF 23525

Licentieovereenkomst over ‘Draculatanden’ niet rechtsgeldig opgezegd: overeenkomst loopt door

Hof Amsterdam 31 mrt 2026, IEF 23525; ECLI:NL:GHAMS:2026:905 (CSB tegen Copar), https://ie-forum.nl/artikelen/licentieovereenkomst-over-draculatanden-niet-rechtsgeldig-opgezegd-overeenkomst-loopt-door

Hof Amsterdam 31 maart 2026, IEF 23525; ECLI:NL:GHAMS:2026:905 (CBS tegen Copar). In deze zaak oordeelt het Hof Amsterdam over de opzegging van een licentieovereenkomst tussen Continental Sweets Belgium (CSB) en Copar met betrekking tot de merken voor het snoepgoed “Draculatanden”. CSB had de licentie in 2023 opgezegd, onder meer vanwege een wijziging van zeggenschap bij Copar en gestelde gewijzigde marktomstandigheden. Het hof bekrachtigt het oordeel van de rechtbank [IEF 22515] dat de opzegging geen rechtsgevolg heeft gehad. De door CSB ingeroepen contractuele opzeggingsgrond, gebaseerd op een “change of control”-bepaling, slaagt niet. Hoewel sprake was van een wijziging in de aandeelhoudersstructuur van Copar, is niet voldaan aan de aanvullende eis dat de zeggenschap is overgegaan naar een directe concurrent. Investeringsmaatschappijen en gelieerde vennootschappen die zelf niet actief zijn in de zoetwarenmarkt kwalificeren niet als zodanig.

IEF 23523

Gerecht EU: woordmerk '5 Coins' mist onderscheidend vermogen voor spel- en gokgerelateerde producten en diensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23523; ECLI:EU:T:2026:298 (Wazdan Innovations tegen EUIPO), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-woordmerk-5-coins-mist-onderscheidend-vermogen-voor-spel-en-gokgerelateerde-producten-en-diensten

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23523; IEFbe 4213; ECLI:EU:T:2026:298 (Wazdan Innovations tegen EUIPO). Dit arrest betreft een beroep van Wazdan Innovations Ltd. tot vernietiging van de beslissing van de Vierde Kamer van Beroep van het EUIPO van 10 december 2024, waarbij de inschrijving van het woordmerk "5 Coins" werd geweigerd. De aanvraag was op 21 augustus 2023 ingediend door Wazdan Holding Ltd. voor producten en diensten in de klassen 9, 28, 35, 41 en 42 (Nice-classificatie), waaronder spelletjessoftware, elektronische spelen, loyaliteitsprogramma's, casino- en gokdiensten en softwareontwikkeling. De examinator had de aanvraag bij beslissing van 11 maart 2024 gedeeltelijk afgewezen op grond van zowel art. 7 lid 1 onder b) als onder c) UMVo. Na een door Wazdan doorgevoerde beperking van de lijst van producten en diensten bevestigde de Kamer van Beroep de weigering, maar uitsluitend op grond van het ontbreken van onderscheidend vermogen ex art. 7 lid 1 onder b) UMVo (Verordening (EU) 2017/1001), waarbij zij het beschrijvende karakter ex art. 7 lid 1 onder c) UMVo uitdrukkelijk buiten beschouwing liet. Een beperkt aantal categorieën, waaronder organisatie van sportevenementen, culturele activiteiten en ontwerp van onlinespellen, werd wel toegelaten. Wazdan stelde drie middelen aan: (1) schending van art. 7 lid 1 onder b) UMVo wegens onjuiste kwalificatie als "quasi-beschrijvend" teken en onjuiste toepassing, (2) schending van de beginselen van gelijke behandeling, behoorlijk bestuur en gewettigd vertrouwen wegens afwijking van eerdere EUIPO-beslissingen over vergelijkbare merken, en (3) motiveringsgebrek ex art. 94 lid 1 UMVo jo. art. 296 tweede alinea VWEU. Het Gerecht wees het primaire verzoek tot hervorming, strekkend tot inschrijving van het merk, af wegens onbevoegdheid: het EUIPO neemt geen formeel inschrijvingsbesluit dat vatbaar is voor beroep, en het Gerecht kan in het kader van zijn hervormingsbevoegdheid ex art. 72 lid 3 UMVo niet in de plaats treden van het EUIPO om een inschrijving te bevelen.

IEF 23520

Hof Den Haag: stakingsbevel wegens merkinbreuk op Uniemerk ICE niet geschorst; rectificatiebevel voorwaardelijk geschorst wegens disproportionele redactie

Hof Den Haag 7 apr 2026, IEF 23520; ECLI:NL:GHDHA:2026:546 (Ice Labs tegen IEH), https://ie-forum.nl/artikelen/hof-den-haag-stakingsbevel-wegens-merkinbreuk-op-uniemerk-ice-niet-geschorst-rectificatiebevel-voorwaardelijk-geschorst-wegens-disproportionele-redactie

Hof Den Haag 7 april 2026, IEF 23520; ECLI:NL:GHDHA:2026:546 (Ice Labs tegen IEH). Dit arrest van het Gerechtshof Den Haag (7 april 2026) betreft een schorsingsincident ex art. 351 Rv in hoger beroep tegen een kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter Den Haag van 6 mei 2025, waarbij Ice Labs, die de cryptomunt "Ice Open Network" (ticker: ICE) op de markt brengt, bij voorlopig oordeel inbreukmakend werd bevonden op het Uniemerk ICE van Intercontinental Exchange Holdings, Inc. (IEH), en werd bevolen iedere inbreuk in de EU te staken, alle exchanges te verzoeken de naam en ticker te wijzigen, en een rectificatie te plaatsen op website en sociale media, op straffe van dwangsommen. Ice Labs vorderde in het incident primair schorsing tot aan de beslissing in de hoofdzaak, subsidiair voor 90 dagen na betekening. Het hof baseert zijn internationale bevoegdheid in dit incident op art. 125 lid 1 UMVo jo. art. 35 Brussel I-bis, nu een reële band met de Nederlandse rechtsorde bestaat; de in de hoofdzaak opgeworpen bevoegdheidskwestie blijft onbesproken. Het hof hanteert de maatstaf uit HR 20 december 2019: uitgangspunt is tenuitvoerlegging, schorsing is slechts gerechtvaardigd indien het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt, waarbij het hof uitgaat van de vaststellingen van de voorzieningenrechter tenzij sprake is van een kennelijke misslag, en, indien de uitvoerbaarheid bij voorraad is gemotiveerd, de veroordeelde nieuwe feiten of omstandigheden moet aanvoeren die zich na de uitspraak hebben voorgedaan en een ander oordeel kunnen rechtvaardigen.