Alle rechtspraak  

IEF 23344

Identieke vape-waren en dominant V-symbool leiden tot verwarringsgevaar ondanks zwak onderscheidend vermogen

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23344; ECLI:EU:T:2026:181 (Shenzen Smoore Technology Ltd tegen Dongguan BEC Technology Co. Ltd en EUIPO), https://ie-forum.nl/artikelen/identieke-vape-waren-en-dominant-v-symbool-leiden-tot-verwarringsgevaar-ondanks-zwak-onderscheidend-vermogen

Gerecht EU 11 maart 2026, IEF 23344; ECLI:EU:T:2026:181 (Shenzen Smoore Technology Ltd tegen Dongguan BEC Technology Co. Ltd en EUIPO). In deze zaak verzette Shenzhen Smoore Technology zich tegen de inschrijving van een EU-beeldmerk van Dongguan BEC Technology voor een teken bestaande uit een V-symbool met het woordelement ‘VENILO’, bestemd voor elektronische sigaretten, aanverwante producten en diverse commerciële en technische diensten. Shenzhen Smoore beriep zich op een ouder EU-beeldmerk bestaande uit een zwarte letter V in een zwarte cirkel, ingeschreven voor elektronische sigaretten en onderdelen, en stelde dat door de gelijkenis tussen het V-symbool in beide tekens en de identieke waren in de vape-sector sprake was van verwarringsgevaar in de zin van artikel 8 lid 1 onder b EUTMR. De oppositiedivisie en vervolgens de kamer van beroep wezen de oppositie af: zij achtten de tekens slechts in geringe mate vergelijkbaar en kwalificeerden de aangevraagde diensten als niet-soortgelijk aan de waren van het oudere merk. Voor het Gerecht vorderde Shenzhen Smoore vernietiging van deze beslissing wegens een onjuiste beoordeling van het verwarringsgevaar en onvoldoende motivering.

IEF 23342

MOSTOSTAL: intragroepgebruik en handelsnaamgebruik geen normaal merkgebruik

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23342; ECLI:EU:T:2026:184 (Mostostal S.A. tegen Mostostal Siedlce sp. z o.o. en EUIPO), https://ie-forum.nl/artikelen/mostostal-intragroepgebruik-en-handelsnaamgebruik-geen-normaal-merkgebruik

Gerecht EU 11 maart 2026, IEF 23342; IEFbe 4128; ECLI:EU:T:2026:184 (Mostostal S.A. tegen Mostostal Siedlce sp. z o.o. en EUIPO). Mostostal S.A. is houder van het Uniewoordmerk MOSTOSTAL, dat een lange geschiedenis heeft als naoorlogs Pools collectief teken voor staal‑ en bruggenbouw en later als nationale Poolse merken binnen de Mostostal‑groep werd gebruikt en gelicentieerd. In 2007 kwamen de Poolse merken via een veiling in dezelfde groep terecht, waarna Mostostal in 2010–2011 het EU‑merk liet inschrijven voor een zeer breed pakket bouwgerelateerde goederen (klassen 6, 11, 19) en diensten (o.a. transport, management, development en holding‑activiteiten in klassen 35 en 39). Mostostal Siedlce vroeg in 2017 vervallenverklaring wegens niet‑gebruik; de Cancellation Division verklaarde het merk vervallen voor alle aangevallen waren en diensten, en in beroep beperkte Mostostal zijn verweer feitelijk tot een beroep op gebruik voor een deel van de diensten in klasse 35 (business‑ en organisatiemanagement in de bouw; holding‑diensten) en op het bestaan van “proper reasons” voor niet‑gebruik. De kamer van beroep oordeelde dat het merk in de relevante periode niet naar buiten toe als merk voor die diensten was gebruikt: het bewijs bestond vooral uit historische stukken, intragroep‑facturen en -overeenkomsten, foto’s van bedrijfsnaamborden, handelsregisteruittreksels en een bekendheidsonderzoek, wat hooguit intern gebruik van een bedrijfsnaam binnen de groep aantoonde en geen daadwerkelijk marktgericht aanbod van diensten onder het teken MOSTOSTAL.

IEF 23343

Gerecht bevestigt weigering van het EU-woordmerk Endo-Sleeve wegens beschrijvend karakter en gebrek aan onderscheidend vermogen

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23343; ECLI:EU:T:2026:186 (Weight Doctors GmbH tegen EUIPO), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-van-het-eu-woordmerk-endo-sleeve-wegens-beschrijvend-karakter-en-gebrek-aan-onderscheidend-vermogen

Gerecht EU 11 maart 2026, IEF 23343; IEFbe 4123; ECLI:EU:T:2026:186 (Weight Doctors GmbH tegen EUIPO). Het Gerecht (Achtste kamer) heeft het beroep van Weight Doctors GmbH verworpen tegen de beslissing van de Eerste Kamer van Beroep van het EUIPO om de aanvraag voor het woordteken Endo-Sleeve gedeeltelijk te weigeren voor waren in klasse 5 (“voedingssupplementen en dieetpreparaten; voedingssupplementen”) en diensten in klasse 44 (onder meer ziekenhuisdiensten, chirurgische behandelingen, medische hulp, diensten van artsen, afslankadvies en medische diensten). Het Gerecht onderschrijft dat het relevante publiek bestaat uit het Engelstalige en Duitstalige deel van het publiek in de Unie, waaronder zowel het algemene publiek als zorgprofessionals, en dat dit publiek een verhoogd aandachtsniveau heeft. Tegen die achtergrond mocht de Kamer van Beroep aannemen dat Endo-Sleeve door dat publiek onmiddellijk en zonder verder nadenken zal worden begrepen als een afkorting van “endoscopic sleeve gastroplasty” respectievelijk “endoskopische Sleeve-Gastroplastie”, dus een endoscopische maagverkleiningsingreep. Voor toepassing van artikel 7, lid 1, onder c, UMVo is niet vereist dat een teken op de datum van de aanvraag al daadwerkelijk gebruikelijk als beschrijvende aanduiding wordt gebruikt; voldoende is dat het daarvoor kan worden gebruikt. Ten overvloede stelde het Gerecht vast dat de examinator bronnen had overgelegd waaruit bleek dat “endo-sleeve” ten tijde van de aanvraag in de markt daadwerkelijk werd gebruikt als aanduiding van die behandeling, onder meer op websites van klinieken, en dat ook de aanvrager zelf erkende dat zijzelf en andere ondernemingen die term gebruikten.

IEF 23340

Verwarringsgevaar ondanks zwak gemeenschappelijk element: FLAMBIT vs. flambriks

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23340; ECLI:EU:T:2026:187 (Dariusz Kowalski tegen Hoyer SE en EUIPO), https://ie-forum.nl/artikelen/verwarringsgevaar-ondanks-zwak-gemeenschappelijk-element-flambit-vs-flambriks

Gerecht EU 11 maart 2026, IEF 23340; IEFbe 4124; ECLI:EU:T:2026:187 (Dariusz Kowalski tegen Hoyer SE en EUIPO). Deze zaak gaat over de weigering van de EU‑figuratieve merkaanvraag FLAMBIT voor aanmaakblokjes en andere middelen om vuur aan te maken in klasse 4, na oppositie op basis van het oudere Duitse woordmerk ‘flambriks’ (en een ouder beeldmerk) voor onder meer brandstoffen en aan verwant houtwerk gerelateerde diensten. De oppositieafdeling had de oppositie gegrond verklaard wegens gevaar voor verwarring, waarna de aanvrager in beroep ging en de kamer van beroep die beslissing, nu uitsluitend gebaseerd op het oudere woordmerk ‘flambriks’, heeft bevestigd: het relevante publiek is het Duitse grote publiek met een gemiddeld aandachtsniveau, de betrokken waren zijn identiek, en de tekens zijn visueel en fonetisch gemiddeld vergelijkbaar en conceptueel in elk geval niet uiteenlopend, uitgaande van een normaal onderscheidend oudere merk. De aanvrager voert bij het Gerecht één middel aan wegens schending van artikel 8 lid 1 onder b EUTMR en betoogt dat er geen overeenstemming bestaat omdat het element “flam” in beide tekens beschrijvend of zeer zwak onderscheidend is en de verschillen in de tweede lettergreep en in grafische vormgeving overheersen; EUIPO en de opposant verdedigen de beoordeling van de kamer van beroep.

IEF 23337

IMPRESS: geen onderscheidend vermogen voor cosmetica

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23337; ECLI:EU:T:2026:185 (Kiss Nail Products, Inc. tegen EUIPO), https://ie-forum.nl/artikelen/impress-geen-onderscheidend-vermogen-voor-cosmetica

Gerecht EU 11 maart 2026, IEF 23337; IEFbe 4125; ECLI:EU:T:2026:185 (Kiss Nail Products, Inc. tegen EUIPO). Deze zaak betreft een beroep van Kiss Nail Products, Inc. tegen een beslissing van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO, die had geweigerd het woordmerk IMPRESS als Uniemerk in te schrijven voor uiteenlopende cosmetische producten (make‑up, huid-, oog‑ en nagelverzorgingsproducten, kunst‑ en plak‑wimpers en -wenkbrauwen, kleefmiddelen) in klasse 3 en manicure‑ en wimpergereedschap in klasse 8, op grond van artikel 7 lid 1 onder b UMVo 2017/1001 wegens gebrek aan onderscheidend vermogen. De kamer had geoordeeld dat IMPRESS door het Engelstalige publiek in de EU wordt begrepen in de betekenis “to make an impression on; have a strong, lasting or favourable effect on” en dat dit, gezien de aard van de betrokken goederen die juist dienen om het uiterlijk te verfraaien en de aandacht van anderen te trekken, enkel wordt opgevat als een banale, motiverende en lovende boodschap (“maak indruk”) en niet als een aanduiding van commerciële herkomst. Kiss Nail Products stelde bij het Gerecht dat IMPRESS hoogstens een algemene, brede laudatieve term is die niet een specifieke eigenschap van de waren beschrijft, zodat het minimale onderscheidend vermogen bezit; zij beriep zich daarbij onder meer op het arrest Merz & Krell en op eerdere EUIPO‑registraties van vergelijkbare, zelfs identieke tekens, waaronder een ouder IMPRESS‑woordmerk voor (vrijwel) identieke waren van dezelfde aanvrager.

IEF 23338

Normaal merkgebruik bij kleine oplage: het Gerecht over MAX‑magazine en bewijs van gebruik

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23338; ECLI:EU:T:2026:189 (MAX magazín s. r. o tegen RCS Mediagroup SpA en EUIPO), https://ie-forum.nl/artikelen/normaal-merkgebruik-bij-kleine-oplage-het-gerecht-over-max-magazine-en-bewijs-van-gebruik

Gerecht EU 11 maart 2026, IEF 23338; IEFbe 4126; ECLI:EU:T:2026:189 (MAX magazín s. r. o tegen RCS Mediagroup SpA en EUIPO). Deze zaak betreft een geschil tussen MAX magazín s. r. o. en RCS Mediagroup SpA over de geldigheid van het EU‑woordmerk MAX voor onder meer tijdschriften, kranten en boeken in klasse 16 en dragers in klasse 9. MAX magazín heeft in 2022 bij EUIPO een vervallenverklaring gevraagd wegens niet‑normaal gebruik in de afgelopen vijf jaar (art. 58 lid 1 onder a EUTMR), waarna de Cancellation Division het merk volledig vervallen heeft verklaard met ingang van 29 september 2022. De merkhouder RCS stelde hoger beroep in en de Kamer van Beroep liet het verval in stand voor de goederen in klasse 9 en voor kranten, periodieken en boeken in klasse 16, maar oordeelde dat er voldoende bewijs was van normaal gebruik voor tijdschriften (magazines) in klasse 16, onder meer op basis van een test‑publicatie met de eiseres en een latere licentieovereenkomst met een Duitse uitgever, ondersteund door covers, facturen, verklaringen en verkoop via Duitse kiosken en spoorwegboekhandels. MAX magazín vordert bij het Gerecht gedeeltelijke nietigverklaring van deze beslissing, met als doel volledige vervallenverklaring van het merk, terwijl EUIPO en RCS vragen om afwijzing van het beroep en om veroordeling van MAX magazín in de proceskosten.

IEF 23328

Geen aansprakelijkheid verkopers na rebranding BLOS: opzetdrempel voor doorbreken contractuele aansprakelijkheidsbeperkingen niet gehaald

Rechtbank Amsterdam 21 jan 2026, IEF 23328; ECLI:NL:RBAMS:2026:252 (BFNL tegen Verkopers), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-aansprakelijkheid-verkopers-na-rebranding-blos-opzetdrempel-voor-doorbreken-contractuele-aansprakelijkheidsbeperkingen-niet-gehaald

Rb Amsterdam 21 januari 2026, IEF 23328; ECLI:NL:RBAMS:2026:252 (BFNL tegen Verkopers). Babilou Family Netherlands B.V. (BFNL) kocht in 2021 op grond van een Share Purchase Agreement (SPA) alle aandelen in MC Child Holding van een groep verkopers, waaronder Mentha Capital. MC Child Holding exploiteerde via dochtervennootschappen kinderopvanglocaties in Nederland, grotendeels onder de merknaam BLOS. Deze merknaam was in 2018 gekozen na een merkonderzoek door een merkenbureau. In dat onderzoek werd gewezen op een mogelijk conflict met een ouder merk, BLOSSE, dat door Stichting Blosse werd gebruikt voor vergelijkbare activiteiten. Ondanks dit risico besloten de verkopers de naam BLOS toch te gebruiken en registreerden zij het woord- en beeldmerk. In het kader van de verkoop aan BFNL werd een due diligence-onderzoek uitgevoerd en kregen kopers toegang tot een digitale dataroom. De adviezen van het merkenbureau en de correspondentie over het mogelijke conflict met het merk BLOSSE werden daarin niet opgenomen. In de SPA waren diverse garanties opgenomen over intellectuele eigendomsrechten en een regeling voor aansprakelijkheid, waaronder vervaltermijnen en een beperking van aansprakelijkheid van verkopers, behalve in gevallen van fraude, opzettelijk wangedrag of opzettelijke verzwijging. In 2024 stelde Stichting Blosse BFNL aansprakelijk wegens merkinbreuk en sommeerde zij het gebruik van BLOS te staken. Na juridisch advies besloot BFNL tot een rebranding van de kinderopvanglocaties en stelde zij de verkopers aansprakelijk voor de kosten, stellende dat zij relevante informatie over het merkonderzoek en de oudere rechten van Stichting Blosse hadden verzwegen.

IEF 23321

Gerecht bevestigt weigering van Pol’s FREEZE FRESH wegens reputatie van PAUL

Gerecht EU (voorheen GvEA) 4 mrt 2026, IEF 23321; ECLI:EU:T:2026:169 (Pols Erm Tarim Anonim Sirketi tegen EUIPO en Holder SAS), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-van-pol-s-freeze-fresh-wegens-reputatie-van-paul

Gerecht EU 4 maart 2026, IEF 23321; IEFbe 4115; ECLI:EU:T:2026:169 (Pols Erm Tarim Anonim Sirketi tegen EUIPO en Holder SAS). Het Gerecht heeft het beroep van Pols Erm Tarim Anonim Sirketi volledig verworpen en daarmee in stand gelaten dat het Uniemerk Pol’s FREEZE FRESH voor het grootste deel van de betrokken waren niet kan worden ingeschreven. Het geschil draaide uiteindelijk niet om verwarringsgevaar in de zin van artikel 8, lid 1, onder b, UMVo, maar om de ruimere reputatiebescherming van artikel 8, lid 5, UMVo. Alleen voor “live animals, organisms for breeding” in klasse 31 had de kamer van beroep de oppositie al afgewezen; voor de overige waren in de klassen 29, 30, 31 en 32 bleef de oppositie dus overeind. Het Gerecht oordeelde bovendien dat het niet bevoegd is EUIPO op te dragen de oppositie opnieuw te onderzoeken. Voor de inhoudelijke beoordeling nam het Gerecht alleen het oudere merk PAUL depuis 1889 als uitgangspunt, omdat de reputatie van PAUL LE CAFE niet was aangetoond. Volgens het Gerecht heeft PAUL in het oudere merk een normaal onderscheidend vermogen, terwijl “freeze fresh” voor de betrokken levensmiddelen en dranken beschrijvend of niet-onderscheidend is en “pol’s” het meest onderscheidende element van het aangevraagde merk vormt.

IEF 23313

Overnamegeschil over BLOS-merk: geen aansprakelijkheid van verkopers

Rechtbank Amsterdam 21 jan 2026, IEF 23313; ECLI:NL:RBAMS:2026:252 (BFNL tegen Verkopers), https://ie-forum.nl/artikelen/overnamegeschil-over-blos-merk-geen-aansprakelijkheid-van-verkopers

Rb. Amsterdam 21 januari 2026, IEF 23313; ECLI:NL:RBAMS:2026:252 (BFNL tegen Verkopers). In deze zaak staat de vraag centraal of de verkopers van MC Child Holding aansprakelijk zijn tegenover koper BFNL. Na de overname spreekt Stichting Blosse BFNL aan, omdat het merk BLOS mogelijk inbreuk maakt op het oudere Benelux-woordmerk BLOSSE. BFNL stelt dat de verkopers vóór de overname informatie hadden moeten delen over een merkonderzoek uit 2018, waarin wordt gewaarschuwd dat BLOS een mogelijk “fataal obstakel” vormt vanwege het oudere merk BLOSSE. Ook beroept BFNL zich op garanties in de SPA, onder meer over de aanwezigheid van benodigde IE-rechten en over het niet achterhouden van materiële informatie in de Data Room. De rechtbank oordeelt dat de uitzondering in de SPA voor fraud (bedrog), wilful misconduct en intentional concealment (opzettelijke verzwijging) in beginsel ook geldt ten opzichte van de contractuele vervaltermijnen: als van zulke gedragingen sprake is, kan aansprakelijkheid dus niet alleen op die termijnen afstuiten. De rechtbank legt daarbij uit dat voor bedrog wordt aangesloten bij art. 3:44 lid 3 BW, en dat wilful misconduct in deze SPA niet wordt opgevat als roekeloosheid, maar als opzettelijk wangedrag.

IEF 23305

VIVA: Gerecht bevestigt (deels) behoud van Uniemerk na vervallenverklaring wegens normaal gebruik

Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 feb 2026, IEF 23305; ECLI:EU:T:2026:154 (Viva Credit IFN SA tegen EUIPO en Viva Wallet AE Symmetochon – Anaptyxis Logismikoy), https://ie-forum.nl/artikelen/viva-gerecht-bevestigt-deels-behoud-van-uniemerk-na-vervallenverklaring-wegens-normaal-gebruik

Gerecht EU 25 februari 2026; IEF 23305; 4111; ECLI:EU:T:2026:154 (Viva Credit IFN SA tegen EUIPO en Viva Wallet AE Symmetochon – Anaptyxis Logismikoy). In deze zaak vraagt Viva Credit IFN SA om (gedeeltelijke) vernietiging/wijziging van een beslissing van de Vierde Kamer van Beroep van EUIPO in een vervallenverklaringsprocedure tegen het Uniemerk (beeldmerk) “Viva” van Viva Wallet. Viva Credit had vervallenverklaring gevorderd wegens niet-normaal gebruik (art. 58(1)(a) en (2) Verordening 2017/1001), waarna de Cancellation Division het merk grotendeels (deels) had laten vervallen voor een breed dienstenpakket in de klassen 35, 36, 38, 39, 41 en 42. In hoger beroep bij EUIPO bracht Viva Wallet aanvullend bewijs in; de Kamer van Beroep accepteerde dat bewijs en oordeelde dat het merk in de periode 6 april 2017 – 5 april 2022 normaal was gebruikt in de EU (met name Griekenland, maar ook o.a. Cyprus en **Roemenië) voor een reeks diensten, waaronder (kort gezegd) commerciële platform-/intermediairdiensten en e-payment brokerage (klasse 35), betalings- en financiële (ook deels niet-elektronische) diensten en ticketing-/boekingsbemiddeling (klasse 36), elektronische communicatiediensten die samenhangen met card payments en user authorisation (klasse 38), reis-/ticketdiensten en informatieverstrekking (klasse 39), reserverings-/boekingsdiensten inclusief e-tickets (klasse 41) en tijdelijke toegang tot online authenticatiesoftware (klasse 42). Viva Credit betoogde o.a. dat de motivering tekortschoot en dat het bewijs onvoldoende was voor plaats, omvang en aard van het gebruik.