Filter
  • Datum
  • Dossier
  • Instantie
zoeken

Dossiers

 
 
20.014 artikelen gevonden
IEF 7610

Blinken niet uit in duidelijkheid

Vzr Rechtbank Zwolle, 31 oktober 2008, LJN: BH3530, Eiser tegen Gedaagde (Videobanden New York).

Verstekvonnis. Ondeelbaar werk in de zin van de Auteurswet (1912). Eiser is (tenminste) deelgenoot in het auteursrecht dat op het werk rust en op grond van artikel 3:169 BW is hij dus (tevens) gerechtigd tot het gebruik van het in de gemeenschap vallende auteursrecht. Gedaagde moet eiser in het bezit te stellen van negen videobanden met in New York gemaakte opnamen in de periode van 23 november 2007 tot 6 december 2007. Liquidatie-tarief.  

2.1.  De door eiser betrokken stellingen en de aan de vordering ten grondslag gelegde rechtsgronden blinken niet uit in duidelijkheid. Uit die stellingen volgt, naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter, niet dat eiser de enige auteursrechthebbende is van het werk.

2.2.  Met name op grond van de verklaring van [A] kan, als niet weersproken, echter wel worden aangenomen dat de samenwerking tussen partijen, [A] en zijn “associate” heeft geresulteerd in een ondeelbaar werk (in de zin van de auteurswet) van meerdere makers, waaronder eiser. Daaruit volgt dat eiser (tenminste) deelgenoot is in het auteursrecht dat op het werk rust. Op grond van artikel 3:169 BW is hij dus (tevens) gerechtigd tot het gebruik van het in de gemeenschap vallende auteursrecht. Tot dat gebruik kan, naar de voorzieningenrechter begrijpt, ook worden gerekend: het gebruik van de gegevensdrager van het werk, namelijk de videobanden. Nu gesteld noch gebleken is dat het gebruik van de videobanden niet te verenigen is met het (mogelijke) recht dat gedaagde heeft en overigens de vordering evenmin ongegrond of onrechtmatig voorkomt, is zij toewijsbaar. De gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd.

Lees het vonnis hier.

IEF 7608

Verwijzing ondanks alles

Rechtbank Utrecht, 14 januari 2009, LJN: BG9930, Diverse Webwinkels c.s. en Nintendo Benelux B.V.

Bevoegdheidsincident. Gemeenschapsmerk. Verwijzing naar de Rechtbank ’s-Gravenhage. Niet vanwege de incidentele vordering van Nintendo m.b.t. tot de gestelde inbreuk op een gemeenschapsmerk (artikel 92 GMVo), maar ambtshalve vanwege connexiteit met een bij de Rechtbank Den Haag ingeleide bodemprocedure. “De omstandigheid dat de wetgever deze mogelijkheid niet expliciet heeft geschapen [artikel 220 Rv], staat daaraan niet in de weg. (…) De ene partij heeft immers (weliswaar om andere redenen) de verwijzing naar een andere rechtbank uitdrukkelijk gevorderd en de andere partij heeft de hiervoor bedoelde ambtshalve verwijzing zelfs voorgesteld."

Geen verwijzing: 2.4.  De rechtbank overweegt als volgt. Uit het bepaalde in artikel 92 GemVo en artikel 3 van de Uitvoeringswet volgt (voor zover hier van belang) dat de rechtbank te 's-Gravenhage uitsluitend bevoegd is om te beslissen op ‘rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk’ op gemeenschapsmerken. (…)  de vorderingen [zijn] zo ruim geformuleerd dat (…) onderdeel van de beoordeling zou kunnen zijn de vraag of inbreuk wordt gemaakt op een aan Nintendo Benelux toekomend recht op een gemeenschapsmerk. In een dergelijk geval kan de vordering derhalve wel degelijk worden aangemerkt als een rechtsvordering tot vaststelling van niet-inbreuk op een gemeenschapsmerk in de zin van voormelde verordening.

2.5.  Uit de stellingen van Nintendo Benelux moet de rechtbank evenwel afleiden dat Nintendo Benelux zich niet op het standpunt stelt dat zij zelf houdster is van een gemeenschapsmerk met betrekking tot Nintendo-producten, maar dat haar moedermaatschappij Nintendo Co. Ltd. de rechthebbende is met betrekking tot dit gemeenschapsmerk. Zij heeft ook niet aangevoerd dat zij rechten kan ontlenen aan de gemeenschapsmerkregistratie die door Nintendo Co. Ltd. is verricht. In het bijzonder heeft zij niet gesteld dat zij licentieneemster is met betrekking tot het betreffende gemeenschapsmerk. Integendeel, onder punt 26 van haar conclusie stelt Nintendo Benelux dat zij geen drager is van enig intellectueel eigendomsrecht met betrekking tot de litigieuze Nintendo-producten, en onder punt 29 stelt zij dat zij zich ‘enkel’ bezig houdt met de distributie en marketing van de producten van Nintendo Co. Ltd. In het licht van de betekenis die Nintendo Benelux zelf aan het begrip ‘intellectueel eigendomsrecht’ heeft gegeven in haar sommaties aan Webwinkels c.s. moet dit begrip tevens geacht worden eventuele merkrechten te omvatten.

2.6.  Op grond van het voorgaande valt niet in te zien waarom de vraag of Webwinkels c.s. inbreuk maakt op een gemeenschapsmerk een rol zal moeten spelen bij de beoordeling (…) Deze vorderingen kunnen dan ook niet aangemerkt worden als ’rechtsvorderingen tot vaststelling van niet-inbreuk’ van een gemeenschapsmerk, zodat het bepaalde in artikel 92 GemVo en artikel 3 Uitvoeringswet toepassing mist. De rechtbank Utrecht is derhalve bevoegd om van de onderhavige vorderingen kennis te nemen. De incidentele vordering tot onbevoegdverklaring zal dan ook worden afgewezen.

Wel verwijzing: 2.9.  Hetgeen de rechtbank ten aanzien van het incident heeft overwogen, laat onverlet dat, zoals Nintendo Benelux heeft gesteld, de onderhavige procedure zeer nauw verbonden is met de door deze partij en aan haar gelieerde vennootschappen (waaronder Nintendo Co. Ltd.) bij de rechtbank 's-Gravenhage ingeleide bodemprocedure. Webwinkels c.s. heeft in zijn conclusie onderkend dat het in het kader van de proceseconomie niet geraden is de twee zaken door verschillende rechters te laten beoordelen en de rechtbank in overweging gegeven om de zaak naar de rechtbank te 's-Gravenhage te verwijzen als ware daartoe door partijen gemeenschappelijk een verzoek gedaan.

2.10.  De rechtbank heeft echter moeten constateren dat Nintendo Benelux haar vordering tot verwijzing niet heeft gebaseerd op deze connexiteit, maar (expliciet) op de door haar gestelde relatieve onbevoegdheid. Dit betekent dat de incidentele vordering niet op die grond kon worden toegewezen.

2.11.  Hoewel artikel 220 Rv niet in een ambtshalve verwijzing voorziet, acht de rechtbank voldoende grond aanwezig om in het onderhavige, bijzondere geval daartoe over te gaan. In casu zijn beide partijen van mening dat de proceseconomie er niet bij is gediend dat de met elkaar samenhangende zaken door verschillende rechters worden beslist. De wettelijke mogelijkheid tot verwijzing wegens connexiteit staat evenwel niet meer open tengevolge van het verstrijken van het in artikel 220 Rv vermelde uiterste tijdstip van indiening van een vordering tot verwijzing (voor eiser: bij dagvaarding; voor de gedaagde vóór alle weren). De rechtbank is van oordeel dat het belang van de proceseconomie en het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken meebrengen dat in een geval als hiervoor bedoeld ook een ambtshalve verwijzing tot de mogelijkheden dient te behoren. De omstandigheid dat de wetgever deze mogelijkheid niet expliciet heeft geschapen, staat daaraan niet in de weg. De in artikel 220 Rv neergelegde regel dat een dergelijke verwijzing (slechts) mogelijk is op vordering van een partij, is een gevolg van de plaatsing van dit artikel in de Afdeling in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering die gaat over incidentele vorderingen. Uit de parlementaire geschiedenis met betrekking tot deze bepaling wordt niet duidelijk waarom de wetgever geen mogelijkheid heeft geschapen tot ambtshalve verwijzing van een zaak wegens connexiteit. Voor zover dit is gebeurd om de partijautonomie te honoreren en/of te voorkomen dat partijen door een ambtshalve verwijzing worden verrast, staan deze belangen er in het onderhavige geval niet aan in de weg dat wordt overgegaan tot ambtshalve verwijzing. De ene partij heeft immers (weliswaar om andere redenen) de verwijzing naar een andere rechtbank uitdrukkelijk gevorderd en de andere partij heeft de hiervoor bedoelde ambtshalve verwijzing zelfs voorgesteld.

2.12.  Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank ambtshalve de zaak in verband met connexiteit zal verwijzen naar de rechtbank te 's-Gravenhage.

Lees het vonnis hier.

IEF 7607

Bis in idem

Vzr Rechtbank Arnhem, 18 december 2008, LJN: BH0316, EBW Installatietechnieken B.V. tegen EBW Elektrotechniek B.V.

Handelsnaamrecht. Merkenrecht. Misbruik van procesrecht? Tweede kort geding over dezelfde handelsnamen. Na het eerste kort geding (Rechtbank Arnhem 21 augustus 2008, IEF 7015) heeft eiseres niet binnen de daarvoor geldende termijn (art.1091Rv) een eis in hoofdzaak ingesteld, maar heeft nu wel recht op een herkansing. “Eiseres heeft een vergissing begaan (…) Deze vergissing behoeft haar er niet van te weerhouden om haar fout te corrigeren door opnieuw in kort geding dezelfde voorzieningen te vragen, waarbij de voorzieningenrechter, zonder gebonden te zijn aan het eerdere kort geding vonnis, opnieuw kan beoordelen of daartoe een voldoende spoedeisend belang en voldoende grondslag aanwezig is.”

Met betrekking tot het gebruik door gedaagde van het beeldmerk EBW en de handelsnaam EBW Elektrotechniek sinds 2007 is de voorzieningenrechter nog steeds van oordeel dat verwarringsgevaar voldoende aannemelijk is. Een inmiddels aangeschaft oudere handelsnaam is daarop niet van invloed: “Dit betekent dat de oudere rechten - indien al rechtsgeldig verworven - van gedaagde niet verder strekken dan dat en dat eiseres gedaagde in dat geval niet kan verbieden de oudere handelsnaam ‘E.B.W. (Electro & Besturingstechniek [betrokkene])’ te gebruiken in Thorn en omstreken. De voorzieningenrechter overweegt hierbij overigens dat deze handelsnaam zich door het andere logo en de toevoeging van de naam ‘[betrokkene]’ méér onderscheidt van de handelsnaam van eiseres dan dat de handelsnaam EBW Elektrotechniek dat doet.”

De herkansing is wel van invloed op de proceskosten. Hoewel gedaagde de grotendeels in het ongelijk gestelde partij is, dient eiseres haar eigen kosten te dragen, nu zij dit kort geding had kunnen voorkomen door tijdig een bodemzaak aanhangig te maken. Ook is er geen aanleiding om eiseres te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in dit kort geding, omdat het ook aan gedaagde te wijten is dat dit tweede kort geding aanhangig is gemaakt en gedaagde nieuwe omstandigheden heeft aangevoerd.

Geen misbruik van procesrecht: “5.3.  Vooropgesteld wordt dat aan vonnissen in kort geding geen gezag van gewijsde toekomt. Het zijn ordemaatregelen die door de bodemrechter en ook door de voorzieningenrechter in kort geding kunnen worden geredresseerd. Het verbod van ‘ne bis in idem’ leidt in een burgerlijk geschil niet tot niet-ontvankelijkheid. Volgens vaste rechtspraak, waaronder de door gedaagde genoemde uitspraken en het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2003 (JBPr 2003, 71) geldt alleen een verbod voor een zelfde, tweede kort geding op dezelfde feiten en gronden indien de wederpartij aantoont dat sprake is van misbruik van procesrecht of strijd met de goede procesorde. Het betreft in die rechtspraak telkens de situatie waarbij de vordering van de eisende partij in het eerdere kort geding is afgewezen. Tegen de verliezer die nogmaals op dezelfde feiten en gronden wenst te procederen, dient een dam te worden opgeworpen.

5.4.  De vraag die zich hier voordoet is een andere, te weten of een dergelijke dam in dit geval ook dient te worden opgeworpen tegen eiseres, die in het eerste kort geding grotendeels gelijk heeft gekregen maar daar niets meer aan heeft omdat de toegewezen voorlopige voorzieningen - door haar toedoen / nalaten - hun werking hebben verloren. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

5.5.  Eiseres heeft een vergissing begaan, waarvan zij zelf nadeel ondervindt omdat gedaagde op dit moment niet behoeft te voldoen aan hetgeen waartoe zij bij het eerdere kort geding vonnis is veroordeeld. Deze vergissing behoeft haar er niet van te weerhouden om haar fout te corrigeren door opnieuw in kort geding dezelfde voorzieningen te vragen, waarbij de voorzieningenrechter, zonder gebonden te zijn aan het eerdere kort geding vonnis, opnieuw kan beoordelen of daartoe een voldoende spoedeisend belang en voldoende grondslag aanwezig is. De voorzieningenrechter trekt daarbij een parallel naar het arrest van de Hoge Raad van 21 januari 2005 (NJ 2006, 310) over een herhaald derdenbeslag op grond van dezelfde vordering, indien de beslaglegger heeft verzuimd de buitengerechtelijke verklaring van de derde-beslagene te betwisten door de derde-beslagene binnen twee maanden te dagvaarden tot gerechtelijke verklaring in de zin van artikel 477a lid 2 Rv. De beslaglegger krijgt, wanneer hij per abuis de betwistingstermijn van twee maanden heeft laten verlopen, een herkansing, zonder dat dit moet worden aangemerkt als misbruik van bevoegdheid.

5.6.  Niet gesteld of gebleken is dat eiseres het tweede kort geding met geen ander doel aanhangig heeft gemaakt dan om eiseres te schaden of dat zij in redelijkheid niet tot de uitoefening van die bevoegdheid heeft kunnen komen, gelet op de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, zoals bedoeld in artikel 3:13 BW. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft eiseres nog steeds een rechtens te respecteren belang bij het vragen van de gevorderde voorzieningen die de voorzieningenrechter bij gelegenheid van het vorige kort geding (grotendeels) toewijsbaar achtte.

5.7.  Het Hof Leeuwarden heeft in haar arrest van 26 juli 2006 (BIE 2007, 394, [namen]) overwogen dat het in artikel 260 Rv. voorziene verlies van kracht van een voorlopige voorziening, niet kan worden teniet gedaan of uitgesteld door het telkenmale opnieuw instellen van (nagenoeg) dezelfde vordering onder het (steeds) vorderen van een nieuwe termijn voor het aanhangig maken van een bodemprocedure, nu een en ander strijdig moet worden geacht met de inhoud en strekking van voornoemd artikel en voorts met hetgeen de goede procesorde met zich meebrengt. Dat is dus een andere situatie dan die zich in het onderhavige geval voordoet.

5.8.  In het licht van het voorgaande is de stelling van gedaagde dat eiseres geen nieuwe relevante feiten heeft aangevoerd, onvoldoende om misbruik van procesrecht aan te nemen.
De voorzieningenrechter zal de vorderingen hierna inhoudelijk behandelen.

Geen ouder handelsnaamrecht in conventie: 5.11.  De voorzieningenrechter acht voorshands onvoldoende aannemelijk dat gedaagde door de genoemde overeenkomst nu over zodanige oudere rechten op een handelsnaam het onderdeel EBW beschikt, dat eiseres om die reden gedaagde niet meer kan verbieden de handelsnaam EBW Elektrotechniek te gebruiken. Of in het onderhavige geval [betrokkene] de naam E.B.W. (Electro & Besturingstechniek [betrokkene]) daadwerkelijk heeft gevoerd sinds 1 oktober 2001, hetgeen eiseres heeft betwist, en of door de overeenkomst van 29 oktober 2008 is voldaan aan het vereiste van overgang van (een relevant deel van) de onderneming als bedoeld in artikel 2 HNW, hetgeen eiseres ook heeft betwist - dat een handelsnaam tegenwoordig ook ‘vrij’ overgedragen kan worden, is in de rechtspraak nog niet aangenomen - kan in het midden blijven.

Ook als deze vragen in bevestigende zin zouden worden beantwoord, dan nog is de voorzieningenrechter van oordeel dat [betrokkene] niet méér kon overdragen dan hij zelf had, te weten een recht op de handelsnaam ‘E.B.W. (Electro & Besturingstechniek [betrokkene])’ met een geografisch zeer beperkte omvang, te weten Thorn en omstreken. Dit betekent dat de oudere rechten - indien al rechtsgeldig verworven - van gedaagde niet verder strekken dan dat en dat eiseres gedaagde in dat geval niet kan verbieden de oudere handelsnaam ‘E.B.W. (Electro & Besturingstechniek [betrokkene])’ te gebruiken in Thorn en omstreken. De voorzieningenrechter overweegt hierbij overigens dat deze handelsnaam zich door het andere logo en de toevoeging van de naam ‘[betrokkene]’ méér onderscheidt van de handelsnaam van eiseres dan dat de handelsnaam EBW Elektrotechniek dat doet.

Gevaar voor verwarring, handelsnaam: 5.12.  Met betrekking tot het gebruik door gedaagde van de handelsnaam EBW Elektrotechniek sinds 2007 is de voorzieningenrechter nog steeds van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat daarmee gevaar voor verwarring aanwezig is tussen beide ondernemingen is in de zin van artikel 5 en 5a Hnw. Eiseres heeft in het vorige kort geding ten bewijze van de al opgetreden verwarring een zestal poststukken overgelegd. Het verweer van gedaagde dat eiseres geen nieuwe bewijzen van verwarring heeft overgelegd treft geen doel, nu er geen enkele reden is om aan te nemen dat van gevaar voor verwarring niet langer sprake is. Ook het verweer van gedaagde dat vanwege de bestendige relatie met leveranciers er geen gevaar meer is voor verwarring, biedt haar geen soelaas, nu dit het gevaar voor verwarring ook aanwezig kan zijn bij potentiële afnemers. Voor het overige speelt, net als in het vorige kort geding, een rol dat de handelsnamen van partijen slechts in geringe mate van elkaar afwijken. De aanduidingen ‘Installatietechnieken’ enerzijds en ‘Elektrotechniek’ anderzijds zijn beschrijvend en spelen bij de vergelijking van de handelsnamen nauwelijks een rol. Dat er overlapping bestaat tussen de economische en geografische bedrijvigheid van beide bedrijven blijkt onder meer uit het in dit kort geding nieuw aangevoerde feit dat gedaagde is aangetrokken voor de aanleg van elektrotechnische installaties bij nieuwbouw kantoren in Hoofddorp, terwijl eiseres twee jaar eerder voor datzelfde project een offerte heeft uitgebracht.

Beeldmerk: 5.13.  Ten opzichte van het vorige kort geding hebben zich ten aanzien van het beroep van eiseres op haar geregistreerde beeldmerk EBW geen nieuwe feiten en omstandigheden voorgedaan en is de voorzieningenrechter nog steeds van oordeel dat de totaalindruk van dit beeldmerk zodanig overeenstemt met de totaalindruk van de handelsnaam en het logo van gedaagde, dat er sprake is van gevaar voor verwarring bij het publiek in de zin van artikel 2.20 lid 1 sub b BVIE. Gedaagde heeft niet een zodanig verweer gevoerd dat de voorzieningenrechter dit nu anders ziet. De totaalindruk van het beeldmerk van eiseres stemt daarentegen naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter veel minder overeen met het logo en de handelsnaam van ?’.B.W. (Electro & Besturingstechniek [betrokkene])’ en wel zodanig dat daar het gevaar voor verwarring ontbreekt.

5.14.  Met betrekking tot de domeinnaam www.ebw.nu overweegt de voorzieningen-rechter, onder verwijzing naar haar overwegingen in het eerdere vonnis, dat eiseres zich ook hiertegen op grond van artikel 5 en 5a van de Handelsnaamwet kan verzetten.

Geen ouder handelsnaamrecht in reconventie: 5.18.  Uit de overwegingen in conventie blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat gedaagde beschikt over een zodanig ouder handelsnaamrecht dat zij eiseres het gebruik van de handelsnaam EBW Installatietechnieken kan verbieden. Voor zover het Thorn en omgeving betreft, heeft zij niet gesteld en evenmin onderbouwd waarom de handelsnaam van eiseres inbreuk zou maken op de handelsnaam ‘E.B.W. (Electro & Besturingstechniek [betrokkene])’. In conventie nam zij het standpunt in dat er geen gevaar voor verwarring in de zin van artikel 5 Hnw was tussen de handelsnaam van eiseres en de handelsnaam EBW Elektrotechniek. Dat er wel gevaar voor verwarring zou zijn tussen de handelsnaam van eiseres en de handelsnaam ?E.B.W. (Electro & Besturingstechniek [betrokkene])? heeft zij niet aannemelijk gemaakt. De vorderingen in reconventie zullen dan ook worden afgewezen.

Proceskosten: 5.19.  Hoewel gedaagde in dit kort geding zowel in conventie als in reconventie de grotendeels in het ongelijk gestelde partij is, dient eiseres naar het oordeel van de voorzieningenrechter haar eigen kosten in conventie en in reconventie te dragen, nu zij dit kort geding had kunnen voorkomen door tijdig een bodemzaak aanhangig te maken. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om eiseres te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in dit kort geding, zoals gedaagde heeft gevorderd, omdat het ook aan gedaagde te wijten is dat dit tweede kort geding aanhangig is gemaakt en gedaagde van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om nieuwe omstandigheden aan de voorzieningenrechter ter beoordeling voor te leggen.

Lees het vonnis hier.

IEF 7606

2x Eetcafé Zutphen

Rechtbank Zutphen, beschikking van de kantonrechter van 9 oktober 2008, LJN: BH1595 (08-8) & LJN: BH1593 (08-4) , Verzoeker tegen Speelautomaten [naam] & vice versa.
 
Handelsnaamrecht. Twee zaken tussen dezelfde partijen over dezelfde handelsnaam. Naamswijzigingverzoek ex artikel 6 Hnw. Eetcaféhouder in Zutphen verzoekt de kantonrechter om verweerders, zijn voormalige huurders en nu eigenaren van een ander eetcafé in Zutphen te verbieden dezelfde naam voor dat eetcafé te gebruiken. Verweerders stellen dat zij de naam mee mochten nemen bij beëindiging van de huurovereenkomst van het café van eiser.

De kantonrechter acht het in zaak (08-8) niet aannemelijk dat verweerder, los van de (onder)huurovereenkomst, de handelsnaam naam van verzoeker overgedragen heeft gekregen. De enkele vermelding van verweerders in het Handelsregister onvoldoende is om de naamsoverdracht te bewijzen, zeker niet nu verweerder zelf ter zitting heeft verklaard dat er verder geen overeenkomst op schrift is gesteld en dat zij geen koopsom heeft hoeven betalen met betrekking tot de gestelde naamsoverdracht. Nu de handelsnaam [naam] niet door [verzoeker] op verweerders is overgedragen en naamsverwarring te duchten is beveelt de kantonrechter verweerders om de handelsnaam zodanig te wijzigen, dat daarin niet voorkomt het woord [naam].

In de ‘spiegelzaak’ (08-8) wijst de kantonrechter  het verzoek vanzelfsprekend af: “De kantonrechter is ambtshalve bekend dat in de zaak met nummer 43758 AZ 08-8, waarvan tevens op 9 oktober 2008 een beschikking is gegeven, is geoordeeld dat (verweerder) gerechtigd is de [handelsnaam] te voeren. Gezien deze beslissing is de kantonrechter in de onderhavige zaak dan ook van oordeel dat verzoeker onvoldoende belang heeft bij het verzoek. In AZ 08-8.”

Lees de beschikkingen hier, LJN: BH1595 (08-8)en hier, LJN: BH1593 (08-4).

IEF 7612

Informatiearchitectuur

Rechtbank Rotterdam, 24 december 2008, LJN: BH3372, eiser tegen Architectuur, Informatie & Management (A.I.M.).

Auteursrecht. Euroforum-cursus stemt in te veel essentiële en karakteristieke aspecten overeen met de cursus van AIM Opleidingen om van een nieuw oorspronkelijk werk te kunnen spreken. Inbreuk op het aan AIM Opleidingen toekomend auteursrecht. Geen afschuiving van verantwoordelijkheid: Gedaagde heeft immers zelf de cursus zonder toestemming van eiseres sub 1 [ met wie hij  ‘een affectieve relatie gehad’ en heeft samengewerkt]  verveelvoudigd ten behoeve van de verdere verveelvoudiging en openbaarmaking door Euroforum en daartoe ook de auteursrechten ter zake overgedragen aan Euroforum. Daarmee heeft gedaagde inbreuk gemaakt op het aan eiseres sub 1  toekomend auteursrecht, welke inbreuk hem ook is toe te rekenen, zodat hij in beginsel gehouden is tot vergoeding van de dientengevolge door eiseressen geleden schade.”

Inbreuk: 5.4. Een vergelijking tussen beide in het geding gebrachte cursussen levert het navolgende beeld op. De Euroforum cursus vertoont eenzelfde opbouw, systematiek en indeling als de cursus van [eiseres sub 1]. (…) Op tal van plaatsen volgt de Euroforum cursus - zij het niet letterlijk - de bewoordingen als gehanteerd in de cursus van [eiseres sub 1], met gebruikmaking van veelal dezelfde schema’s of voorbeelden ter illustratie. Hierdoor vertoont het geheel een zeer grote mate van gelijkenis. De aanwezige verschillen in tekst en/of bepaalde volgorde van behandeling alsmede de nieuw toegevoegde teksten binnen de deelonderwerpen kan aan deze totaalindruk niet afdoen. Deze verschillen lijken vooral te zijn ingegeven ter nadere aanvulling of ter vervolmaking van de cursus.

(…) Deze overeenkomsten en de daardoor ontstane sterke gelijkenis zijn door [gedaagden] als zodanig niet betwist. Wel heeft hij daar tegenover gesteld dat een en ander voortvloeit uit het feit dat beide cursussen zijn gebaseerd op theorieën die eerder door [gedaagde sub 1] zijn ontwikkeld en op eerdere publicaties van zijn hand in de periode voor oprichting van [eiseres sub 1]. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze omstandigheid bij de beoordeling echter geen rol spelen, nu tussen partijen niet in geschil is dat het auteursrecht van de cursus van [eiseres sub 1], welke cursus kennelijk mede is gebaseerd op eerdere publicaties van [gedaagde sub 1], geheel bij [eiseres sub 1] berust, zodat uitsluitend beslissend kan zijn de mate waarin de Euroforum cursus met deze cursus overeenstemt.

De conclusie moet zijn dat de Euroforum cursus in te veel essentiële en karakteristieke aspecten overeenstemt met de cursus van [eiseres sub 1] om van een nieuw oorspronkelijk werk te kunnen spreken, zodat met deze cursus inbreuk wordt gemaakt op het aan [eiseres sub 1] toekomend auteursrecht.

Toerekening inbreuk: 5.5 [gedaagden] heeft ten verwere nog aangevoerd dat Euroforum de cursus openbaar heeft gemaakt, zodat [gedaagden] niet degene is die inbreuk op het auteursrecht heeft gemaakt. Dit verweer faalt. [gedaagden] heeft immers zelf de cursus zonder toestemming van [eiseres sub 1] verveelvoudigd ten behoeve van de verdere verveelvoudiging en openbaarmaking door Euroforum en daartoe ook de auteursrechten ter zake overgedragen aan Euroforum. Daarmee heeft [gedaagden] inbreuk gemaakt op het aan [eiseres sub 1] toekomend auteursrecht, welke inbreuk hem ook is toe te rekenen, zodat hij in beginsel gehouden is tot vergoeding van de dientengevolge door [eiseressen] geleden schade.

Proceskosten: 5.17 De rechtbank overweegt reeds thans dat voor een vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten in dit geding geen plaats is, nu de datum van dagvaarding zijnde 4 augustus 2005 is gelegen ruimschoots vóór de datum waarop de Handhavingsrichtlijn (richtlijn 2004/48/EG) in de nationale wetgeving diende te zijn geïmplementeerd, te weten 29 april 2006 en bijzondere omstandigheden die een integrale proceskostenveroordeling om andere redenen zou kunnen rechtvaardigen, gesteld noch gebleken zijn.

Lees het vonnis hier.

IEF 7609

Het zogenaamde customizen

Vzr. Rechtbank Zwolle, 8 oktober 2008, LJN: BH2354, Gevoegde zaken Eclectic Industries Inc. tegen Instore Kids Corners B.V. en Play Invest B.V. tegen Eclectic Industries Inc.,gevestigd te Calgary,

Nakoming distributie-overeenkomst Keebee-speeltoestellen. Auteursrecht. Merkenrecht. Opheffing beslag. Fabrikant Eclectic stelt de overeenkomt rechtsgeldig te hebben opgezegd omdat inbreuk op haar auteursrechten zou zijn gemaakt. De distributeur zou (onderdelen van) producten van Eclectic (soms in licht gewijzigde vorm) hebben laten namaken en de imitaties op de Nederlandse markt hebben gebracht en verkocht. De voorzieningenrechter acht de stelling echter onvoldoende onderbouwd en wijst de vordering tot nakoming van de overeenkomst toe. Een conservatoir derdenbeslag ten laste van Eclectic onder een ‘nieuwe’ distributeur wordt opgeheven, omdat de beslagleggende partij geen rechten kon ontlenen aan de overeenkomst en van vereenzelviging i.c. geen sprake kan zijn.

5.5. Gelet hierop is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat Eclectic niet kan worden gevolgd in haar stelling dat de overeenkomst is geëindigd. Dat het Memorandum aldus moet worden uitgelegd dat bij ontbreken van commitment (in de visie van Eclectic) de in het Memorandum vastgelegde overeenkomst zonder meer eindigt, dus zonder ingebrekestelling of enig overleg, is door Eclectic tegenover de betwisting door Play Invest onvoldoende onderbouwd.(…)

5.6. Ook het verweer van Eclectic dat de overeenkomst is beëindigd door de opzeggingsbrief van 22 augustus 2008 wordt verworpen. Als reden voor opzegging heeft Eclectic genoemd: inbreuk op het auteursrecht van Eclectic. Hiervoor is in rechtsoverweging 4.13. en 4.14. reeds geoordeeld dat in dit kort geding onvoldoende aannemelijk is geworden dat Eclectic auteursrecht kan doen gelden op (onderdelen van) Keebee producten en dat er sprake is van inbreuk op een dergelijk recht door Play Invest c.s. Eclectic heeft voorts als reden voor onmiddellijke opzegging aangevoerd dat IKC-nieuw dan wel IKC-oud, door onderdelen van Keebee producten in China te laten namaken, rechtstreeks concurreert met Eclectic. Overwogen wordt nogmaals dat in dit kort geding onvoldoende feiten zijn komen vast te staan om voorshands te kunnen oordelen over de toelaatbaarheid van deze handelwijze van IKC-nieuw.

Gelet echter op de omstandigheid dat IKC-nieuw gemotiveerd heeft aangevoerd dat zij met toestemming van Eclectic handelde en op de omstandigheid dat Eclectic (zoals [B] ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld) al contact heeft gezocht met Keebee Europe en aan Keebee Europe heeft geleverd voordat de opzegging van de overeenkomst had plaatsgevonden, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om in dit kort geding, vooruitlopend op het oordeel van de bodemrechter, te oordelen dat de overeenkomst met Play Invest op goede gronden met onmiddellijke ingang op 22 augustus 2008 is opgezegd.

5.7.  Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering tot nakoming van de overeenkomst voor toewijzing in aanmerking komt. De stelling van Eclectic dat Play Invest de overeenkomst van haar kant niet zelf uitvoert, maar laat uitvoeren door IKC-nieuw doet aan de toewijsbaarheid van de vordering niet af. (…) Dat het Play Invest niet is toegestaan om de overeenkomst via IKC-nieuw te laten uitvoeren, is in dit kort geding gesteld noch gebleken.

Lees het vonnis hier.

IEF 7605

De Autoriteit Exploitatie Intellectueel Eigendom

Interview Fred Teeven (woordvoerder IE VVD)  in Sena Magazine, februari 2009. 'Sector heeft ingreep politiek aan zichzelf te danken'. Een paar aardige citaten:

“Cbo’s moeten niet vergeten dat auteursrecht en naburige rechten privaatrechtelijke wetgeving is. De consequentie daarvan is dat vergoedingen in onderhandelingen moeten worden vastgesteld en niet eenzijdig kunnen worden vastgesteld. (...)  Rechthebbenden die denken dat betalingsplichtigen alles betalen wat zij maar vragen, omdat de wet ze nu eenmaal recht op een vergoeding geeft, maken een fout.”

“Ik vind dat de kosten van het apparaat van een cbo ver onder de 10% moeten blijven. De ‘indicatieve norm’ van 12 tot 15%, zoals VOI©E die voorlopig hanteert, vind ik te hoog. Een cbo moet zich realiseren dat het geld niet van hen is, maar van hun auteurs of uitvoerende kunstenaars. Hoewel ik als liberaal geen voorstander ben van veel overheidsbemoeienis, zou ik het aanvaardbaar vinden wanneer de overheid de licentie voor het incasseren en reparteren van vergoedingen koppelt aan prestatienormen. “

“Je zou je kunnen voorstellen dat er uiteindelijk twee cbo’s zijn: één voor de afhandeling van alle vergoedingen voor auteurs en één voor naburige rechten.”

“Ik acht het goed denkbaar dat het toezicht op de cbo’s wordt gedaan door een nieuw in te stellen zbo, de Autoriteit Exploitatie Intellectueel Eigendom. Daarbij zou ik mij kunnen voorstellen dat er twee toezichtregimes gelden: een voor de organisaties waarvan het functioneren bij wet is geregeld (zoals Buma, SENA, Stichting Thuiskopie en Stichting Reprorecht) en een voor de zogenoemde volmachtorganisaties. Voor de laatste organisaties zou een strenger regime moeten gelden, omdat wettelijke waarborgen ontbreken.”

“Daarbij mogen we ons overigens wel eens afvragen wanneer het betalen van vergoedingen stopt. De verlenging van de beschermingsduur tot 95 jaar vind ik te veel. Vergelijk het maar met een oldtimer. Voor een auto die ouder is dan 25 jaar, betaal je ook minder motorrijtuigenbelasting. Je moet een keer kunnen zeggen ‘Het Is mooi geweest’.”

Lees het interview hier.

IEF 7604

Brandwerend doekmateriaal

Rechtbank Zwolle, 22 oktober 2008, LJN: BH2351,  Firefabric B.V. c.s. tegen Poly-Nederland, Firetexx B.V.

Misleidende mededelingen; artikel 6:194 BW. Stukgelopen samenwerking. Weinig boeiend geschil tussen producenten van autoblusdekens over vermeende uitlatingen over wie de “rechthebbende” op een bepaalde blusdeken is. Vorderingen afgewezen. 

4.4.3.  Dat Poly-Nederland dan wel Firetexx zich erop beroept “rechthebbende” te zijn op de autoblusdeken, althans dat de gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone consument dat heeft begrepen naar aanleiding van door Poly-Nederland c.s. gedane mededelingen is evenmin aannemelijk geworden. In geen der door [eiser sub 1] c.s. in het geding gebrachte stukken stellen Poly-Nederland of Firetexx rechthebbende te zijn. Een feitelijke grondslag aan de stelling lijkt dan ook te ontbreken zodat ook op dit punt niet aannemelijk is geworden dat Poly-Nederland of Firetexx onrechtmatig hebben gehandeld.

Lees het vonnis hier.

IEF 7603

De bewerkte broncode-bestanden

Vzr. Rechtbank Zutphen, 20 februari 2009, KG ZA 09-30, Dejoha B.V. tegen Digicontrol Benelux B.V. & GFR MbH. (met dank aan Martin Hemmer , AKD Prinsen Van Wijmen).

 Auteursrecht op bewerkte broncodebestanden. Software. Faillissement na eerdere samenwerking.

4.4. Op grond van het vorenstaande is voldoende aannemelijk geworden dat de curator de auteursrechten op de bewerkte broncode-bestanden rechtsgeldig heeft overgedragen aan Dejoha. Het verweer van Digicontrol dat Dejoha geen belangheeft bij deze procedure en misbruik van recht maakt aangezien Dejoha niets met de auteursrechten kan aanvangen op grond dat de door Wans Beheer tot stand gebrachte bestanden zonder de software van GFR van generlei waarde zijn slaagt niet, aangezien onweersproken is dat het belang van Dejoha erin gelegen is om de door Wans Beheer bewerkte broncodebestanden, waarin Costermregelstrategiën zijn opgenomen, te beschermen tegen onbevoegd gebruik door derden.

4.5. Digicontrol heeft erkend dat GFR al hetgeen zij onder zich had krachtens de samenwerking met Wans Beheer, aan Digicontrol ter beschikking heeft gesteld en dat zij dit op de Nederlandse markt beeft gebracht Onweersproken is dat Digicontrol de binnen Wans Beheer gewijzigde en tot stand gebrachte broncode-bestanden heeft gebruikt en dat de broncode-bestanden van het door Digicontrol gebruikte en geësxploitemde programma WebCad identiek zijn aan de broncode-bestanden van CAE2000. Dat Digiconbul inbreuk maakt op de auteursrechten van Dejohjaha, is hiermee voldoende aannemelijk geworden. Het door Dejoha onder 1. en 2. gevorderde is dan ook toewijsbaar.

Lees het vonnis hier.

IEF 7602

Geen stommiteiten

Rechtbank Amsterdam, 11 december 2008, LJN: BH3584, Projectfabriek.Com tegen De Projectenfabriek B.V.

Handelsnaamrecht. Eiseres Projectfabriek.com vordert staken van het voeren van de handelsnaam DeProjectfabriek van gedaagde en afgifte van geregistreerde domeinnamen.

Niet beschrijvend. Grote gelijkenis van de handelsnamen, voor twee ondernemingen die gericht zijn op (de communicatie over) vastgoed projecten, maakt voorshands aannemelijk dat bij het publiek verwarring tussen de ondernemingen zal ontstaan. Het gebruik van een domeinnaam kan ook worden beschouwd als het “voeren van een handelsnaam” in de zin van artikel 5 van de Handelsnaamwet. “Aan de omstandigheid dat personen zich dan daadwerkelijk vergissen in de ondernemingen, kan niet worden voorbijgegaan door te stellen dat zij beter hadden moeten opletten.”

4.3.  De Projectenfabriek B.V. heeft verder aangevoerd dat de handelsnaam PROJECTFABRIEK.COM beschrijvend is zonder onderscheidend vermogen. De handelsnaam is dan ook niet beschermd, aldus De Projectenfabriek B.V. Deze stelling houdt geen stand. De samenstelling van de neutrale woorden ‘project’ en ‘fabriek’ maakt niet aanstonds duidelijk wat precies wordt bedoeld en welke bedrijfsactiviteiten daaronder vallen. Dit leidt voorshands tot de conclusie dat de handelsnaam voor de activiteiten van eiseres niet beschrijvend is. Mede gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen, komt eiseres dan ook een beroep op de wettelijke bescherming van haar handelsnaam toe.

4.4.2.  Verder is voorshands niet uit te sluiten dat beide ondernemingen zich, in ieder geval deels, op hetzelfde publiek richten. (…)

4.4.3.  Uit de onder 2.8 en 2.9 opgenomen voorbeelden blijkt dat eiseres is gecontacteerd door personen die dachten met De Projectenfabriek B.V. te maken te hebben of te zullen krijgen. Het verweer van De Projectenfabriek B.V. dat hier geen sprake is van verwarring, maar van “stommiteiten”, gaat niet op. Door een handelsnaam te voeren die grote gelijkenis vertoont met een al door een andere onderneming gebruikte handelsnaam vergroot De Projectenfabriek B.V. aanzienlijk de kans op verwarring bij het gemiddelde publiek. Aan de omstandigheid dat personen zich dan daadwerkelijk vergissen in de ondernemingen, kan niet worden voorbijgegaan door te stellen dat zij beter hadden moeten opletten.

4.6.  De slotsom is dan ook dat voorshands voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de zienswijze van eiseres dat De Projectenfabriek B.V. inbreuk maakt op de door eiseres gevoerde handelsnaam PROJECTFABRIEK.COM zal volgen zodat haar vorderingen tot het staken van het voeren van de handelsnaam DeProjectfabriek en het overdragen van de voor die handelsnaam bestemde domeinnamen in kort geding toewijsbaar zijn.

4.9.  De Projectenfabriek B.V. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. eiseres heeft op grond van artikel 1019i Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een volledige vergoeding van de advocaatkosten, zijnde een bedrag van € 6.824,30, gevorderd. Deze kosten komen gelet op de aard van dit kort geding redelijk voor en zijn bovendien niet betwist door.

Lees het vonnis hier.