Gerecht EU: verwarringsgevaar tussen ANTMINER en ANTCHAIN ondanks hoog aandachtsniveau
Gerecht EU 23 september 2026, IEF 23864; IEFbe 4318; ECLI:EU:T:2026:586 (ANTMINER). Bitmain Technologies heeft registratie aangevraagd van het Uniewoordmerk ANTMINER voor onder meer hardware en software voor cryptomining in klasse 9. Advanced New Technologies heeft hiertegen oppositie ingesteld op basis van verschillende oudere Uniemerken, waaronder ANT en ANTCHAIN. De oppositieafdeling wees de oppositie toe op grond van het oudere merk ANT. Nadat Bitmain een procedure tot vervallenverklaring van ANT had ingesteld, verzocht zij om schorsing van de beroepsprocedure. De kamer van beroep wees dit verzoek af en handhaafde de weigering van ANTMINER, ditmaal op grond van verwarringsgevaar met het oudere merk ANTCHAIN. Het Gerecht oordeelt dat de kamer van beroep de procedure niet hoefde te schorsen. Op grond van art. 71 lid 1 onder b van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/625 beschikt de kamer van beroep over een ruime beoordelingsvrijheid. Omdat de oppositie ook kon slagen op basis van ANTCHAIN, waarvan de geldigheid niet werd betwist, vormde de parallelle procedure over ANT op zichzelf onvoldoende grond om de weigering tot schorsing als een kennelijke beoordelingsfout aan te merken. Ook de gestelde schending van de beginselen van gelijkheid en onpartijdigheid was onvoldoende onderbouwd.
Rb. Amsterdam: vervalste merkartikelen wegen mee bij sluiting tweedehandswinkel
Rb. Amsterdam 11 september 2026, IEF 23861; ECLI:NL:RBAMS:2026:9159 (verzoekster tegen de burgemeester). De burgemeester van Aalsmeer heeft het voor publiek toegankelijke pand waarin verzoekster een tweedehandswinkel exploiteert voor drie maanden gesloten op grond van art. 2:49a lid 1 onder d en e APV Aalsmeer 2026. Tijdens een integrale controle waren in het magazijn onder meer stroomstootwapens, stiletten, pepperspray, dolken, een katapult, op vuurwapens gelijkende voorwerpen en munitie aangetroffen. Daarnaast werden goederen gevonden die volgens de politie verband hielden met beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. In het winkelgedeelte en een afzonderlijke ruimte werden verder artikelen van onder meer Hugo Boss, Lacoste, Louis Vuitton, Rolex en TAG Heuer aangetroffen die door deskundigen van React als vervalst zijn aangemerkt. De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester vanwege de aangetroffen verboden wapens in beginsel bevoegd was het pand te sluiten op grond van art. 2:49a lid 1 onder d APV. Ook kon de burgemeester zich op grond van onderdeel e op het standpunt stellen dat het geopend blijven van het bedrijf een ernstig gevaar voor de openbare orde opleverde. Daarbij weegt de voorzieningenrechter onder meer mee dat eerder verboden goederen waren aangetroffen en dat verzoekster onvoldoende kon toelichten welke maatregelen waren getroffen om te voorkomen dat verboden goederen in handen van klanten zouden komen. Dat niet aannemelijk is geworden dat verzoekster bewust in verboden goederen handelde, neemt die bevoegdheid niet weg.
UPC CoA: tegenvordering tot nietigverklaring mag afhankelijk worden gesteld van vaststelling van inbreuk
UPC CoA 17 augustus 2026, IEF 23853; IEFbe 4313; UPC_CoA_40/2026; UPC_CoA_123/2026 (AorticLab tegen Emboline). In deze zaak tussen Emboline en AorticLab staat de vraag centraal of een tegenvordering tot nietigverklaring afhankelijk mag worden gesteld van de voorwaarde dat het octrooi inbreuk maakt, en welke gevolgen zo’n voorwaardelijke tegenvordering heeft in hoger beroep. Emboline had AorticLab aangesproken wegens inbreuk op EP 2 129 425. AorticLab stelde een tegenvordering tot nietigverklaring in, maar maakte deze tijdens de mondelinge behandeling afhankelijk van een vaststelling van octrooi-inbreuk door het gerecht. De Local Division Munich oordeelde dat geen sprake was van inbreuk en besliste daarom niet inhoudelijk op de tegenvordering. Het Court of Appeal oordeelt dat een inbreukvordering en een tegenvordering tot nietigverklaring onder het UPCA en de Rules of Procedure afzonderlijke procedures zijn. Een voorwaarde waarbij de tegenvordering tot nietigverklaring afhankelijk wordt gesteld van een vaststelling van inbreuk, is daarom geen zuiver intra-procedurele maar een ‘inter-procedural’ voorwaarde. Dat onderscheid is met name van belang voor de wijze waarop hoger beroep moet worden ingesteld: bij een inter-procedurele voorwaarde moet tegen de beslissing in de tegenvorderingsprocedure afzonderlijk beroep worden ingesteld en kan niet worden volstaan met een cross-appeal in de inbreukprocedure.
Artikel geschreven door Joost Becker en Dieuwertje Bouchier, Dirkzwager.
De EmpCo-Richtlijn: wat verandert er per 27 september 2026 omtrent duurzaamheidsclaims?
Joost Becker en Dieuwertje Bouchier, 25 augustus 2026.
De ‘Empowering Consumers for the Green Transition Directive’ (de ‘EmpCo-Richtlijn’) introduceert strengere regels voor duurzaamheidsclaims. Wat betekent dit voor uw onderneming? Wij zetten de belangrijkste veranderingen en aandachtspunten op een rij.
Boetebeding uit onthoudingsverklaring ziet alleen op specifiek genoemde foto’s
Rb. Overijssel 15 september 2026, IEF 23860; ECLI:NL:RBOVE:2026:5540 ([eiser] tegen [gedaagde]). [eiser] en [gedaagde] zijn directe concurrenten op het gebied van elektrotechnische infrastructuur. Nadat [gedaagde] zonder toestemming twee foto’s van [eiser] op haar website had geplaatst, verstrekte zij een onthoudingsverklaring. Daarin erkende zij dat [eiser] rechthebbende was op de in de voorafgaande correspondentie bedoelde foto’s, erkende zij daarop inbreuk te hebben gemaakt, zegde zij toe ieder gebruik van die foto’s te staken en gestaakt te houden en verbond zij daaraan een boete van € 500 per dag met een maximum van € 10.000. Enkele maanden later verscheen een andere, derde foto van [eiser] op de website van [gedaagde]. [eiser] stelde dat daarmee de maximale boete uit de onthoudingsverklaring was verbeurd. De kantonrechter stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat de onthoudingsverklaring een eenzijdige rechtshandeling is. De uitleg daarvan vindt daarom plaats aan de hand van de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 en 3:35 BW. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en komt geen beslissend gewicht toe aan uitsluitend de taalkundige betekenis van de gebruikte bewoordingen.
Article written by Frederiek Fernhout, Stijn de Jong and Branda Katan, Stibbe.
AI Copyright Claims in Europe: Key Considerations
Frederiek Fernhout, Stijn de Jong and Branda Katan, 4 September 2026.
As AI copyright litigation accelerates in the United States, technology companies operating in Europe face a structurally different legal landscape. Unlike in the US, fair use does not exist under Dutch or EU copyright law. The DSM Directive's text and data mining exceptions are narrow, subject to opt-out, and have been interpreted restrictively by German courts. The WAMCA, combined with developing case law on EU-wide jurisdiction, suggests that large-scale collective AI copyright and privacy claims in the Netherlands may be a question of timing rather than probability. This article sets out the key legal considerations, the most significant pending cases – including the Advocate General opinion in Like Company v. Google – and the steps technology companies may wish to consider to assess their exposure across European markets.
Geen handelsnaaminbreuk met ‘Duivensportbond’, maar verwijzingen naar NPO op website wel onrechtmatig
Rb. Noord-Holland 1 september 2026, IEF 23859; ECLI:NL:RBNHO:2026:11605 (NPO tegen Compuclub en de Stichting). De Nederlandse Postduivenhouders Organisatie (NPO) en Duivensportbond Data Nederland B.V. (Compuclub) werken al jarenlang samen binnen de Nederlandse postduivensport. In kort geding ontstaat onder meer een geschil over het gebruik van de aanduiding Duivensportbond en verwijzingen naar de NPO op de website neerlandspostduivenorgaan.nl. Compuclub stelt dat het gebruik door de NPO van de aanduiding Duivensportbond, waaronder via de domeinnaam duivensportbond.nl, inbreuk maakt op haar handelsnaam Duivensportbond Data Nederland B.V. in de zin van art. 5 Hnw. De voorzieningenrechter verwerpt dat beroep. Vaststaat dat Compuclub de aanduiding Duivensportbond Data Nederland B.V. niet als handelsnaam gebruikt, zodat zij geen bescherming aan art. 5 Hnw kan ontlenen. Bovendien blijkt uit de domeinnaamgegevens dat de NPO de domeinnaam duivensportbond.nl al op 2 november 2017 had geregistreerd, terwijl Compuclub pas op 24 januari 2018 is opgericht.
UPC CoA: R. 190 RoP biedt geen ruimte voor fishing expeditions
UPC CoA 27 augustus 2026, IEF 23856; IEFbe 4316; UPC_CoA_76/2026 (Xingi Technology e.a. tegen Avient Protective Materials). In deze zaak tussen Xingi Technology c.s. en Avient Protective Materials staat de toepassing van R. 190 RoP centraal. Avient stelt dat verschillende door Xingi aangeboden UHMWPE-vezels, UD-fabrics en ballistische producten inbreuk maken op EP 2 791 402. Nadat Xingi had aangevoerd dat inbreuk op conclusies 13 tot en met 15 niet door berekeningen en extrapolaties, maar alleen door daadwerkelijke ballistische tests kon worden vastgesteld, verzocht Avient om overlegging van onder meer monsters van verschillende UD-fabrics, interne testrapporten en Engelstalige versies van een introductievideo. De judge-rapporteur van de Local Division Den Haag wees het verzoek gedeeltelijk toe en beval Xingi onder meer om van twee UD-fabricvarianten telkens 30 kilogram beschikbaar te stellen en de Engelstalige introductievideo over te leggen.
UPC CoA: beroep tegen afwijzing bewijsverzoek moet binnen 15 dagen worden ingesteld
UPC CoA 17 augustus 2026, IEF 23852; IEFbe 4312; UPC_CoA_69/2026; UPC_CoA_71/2026; UPC_CoA_72/2026 (Network System Technologies tegen Qualcomm). In deze zaak tussen Network System Technologies (NST) en Qualcomm staat de vraag centraal binnen welke termijn beroep moet worden ingesteld tegen de afwijzing van een verzoek om overlegging van bewijs op grond van artikel 59 UPCA en R. 190 RoP. NST had Qualcomm in drie inbreukprocedures verzocht broncode en technische documentatie met betrekking tot haar NoC-technologie over te leggen. De Munich Local Division wees deze verzoeken af en nam die afwijzing op in haar beslissingen in de hoofdprocedures. NST stelde daartegen pas in haar beroep tegen die beslissingen bezwaren aan de orde en diende daarnaast bij het Court of Appeal opnieuw verzoeken op grond van R. 190 RoP in.
WIPO: geen kwade trouw bij registratie thescentstories.com
WIPO 18 augustus 2026, IEF 23857; IEFbe 4317; D2026-2697 (Red Matter Holdings Inc. (d/b/a MiN NEW YORK) tegen Anirudh Jhawar, The Scent Stories). Red Matter Holdings, exploitant van het luxe parfumhuis MiN NEW YORK, verzoekt op grond van de Uniform Domain Name Dispute Resolution Policy (UDRP) om overdracht van de domeinnaam <thescentstories.com>. Red Matter gebruikt SCENT STORIES sinds 2013 voor een parfumcollectie en beschikt over een Amerikaanse merkregistratie voor SCENT STORIES uit 2014. De Indiase verweerder exploiteert onder de naam THE SCENT STORIES een multibrand parfumerie en registreerde de betwiste domeinnaam op 3 november 2025. Daarnaast beschikt hij sinds 10 oktober 2025 over een Indiase merkregistratie voor THE SCENT STORIES. Volgens Red Matter stemt de domeinnaam verwarringwekkend overeen met haar oudere merk en is deze te kwader trouw geregistreerd en gebruikt om internetgebruikers voor commercieel gewin naar een concurrerende parfumwinkel te leiden. Het WIPO-panel stelt vast dat SCENT STORIES volledig in de domeinnaam is opgenomen en dat de toevoeging van “the” niet verhindert dat sprake is van verwarringwekkende overeenstemming. Daarmee is aan het eerste vereiste van paragraaf 4(a) UDRP voldaan. Of verweerder rechten of legitieme belangen bij de domeinnaam heeft, laat het panel in het midden, omdat de klacht reeds op het vereiste van registratie en gebruik te kwader trouw strandt.