IEF 23191
6 januari 2026
Uitspraak

Vordering tot rectificatie en verbod misleidende reclame MammaPrint afgewezen

 
IEF 23190
6 januari 2026
Uitspraak

Jaartal “1717” in luxe-merken: A-G ziet geen automatische nietigheid wegens misleiding

 
IEF 23189
5 januari 2026
Uitspraak

Geen voorlopig getuigenverhoor meer na inschrijving bodemprocedure (art. 196 lid 1 Rv)

 
IEF 23191

Uitspraak ingezonden door Maurits van Beusekom en Gregor Vos, Brinkhof.

Vordering tot rectificatie en verbod misleidende reclame MammaPrint afgewezen

Rechtbank Amsterdam 17 dec 2025, IEF 23191; C/13/778526 / KG ZA 25-918 NB/MV (Exact Sciences, Genomic Health Inc. tegen Agendia), https://ie-forum.nl/artikelen/vordering-tot-rectificatie-en-verbod-misleidende-reclame-mammaprint-afgewezen

Rb. Amsterdam 17 december 2025, IEF 23191; RB 3953; IT5054; C/13/778526 / KG ZA 25-918 NB/MV (Exact Sciences, Genomic Health Inc. tegen Agendia). Exact Sciences biedt een in-vitro diagnostische test (IVD) aan onder de naam Oncotype DX. Agendia biedt ook een IVD aan onder de naam MammaPrint. Volgens Exact Sciences heeft Agendia zich schuldig gemaakt aan misleidende reclame in de zin van artikel 7 onder a en b IVDR. Agendia zou het ten onrechte doen voorkomen dat MammaPrint even goed, of zelfs beter, presteert dan Oncotype DX. Exact Sciences heeft Agendia gesommeerd binnen één dag de misleidende uitingen te staken en een rectificatie te plaatsen. Agendia heeft niet aan die sommatie voldaan. Exact Sciences vordert in kort geding Agendia te verbieden misleidende uitingen te doen over MammaPrint. 

IEF 23190

Jaartal “1717” in luxe-merken: A-G ziet geen automatische nietigheid wegens misleiding

27 nov 2025, IEF 23190; ECLI:EU:C:2025:930 (Fauré Le Page Maroquinier SAS en Fauré Le Page Paris SAS tegen Goyard ST-Honoré SAS), https://ie-forum.nl/artikelen/jaartal-1717-in-luxe-merken-a-g-ziet-geen-automatische-nietigheid-wegens-misleiding

Conclusie AG HvJ EU 27 november 2025; IEF 23190; IEFbe 4076; ECLI:EU:C:2025:930 (Fauré Le Page Maroquinier SAS, Fauré Le Page Paris SAS tegen Goyard ST-Honoré SAS). Advocaat-generaal Emiliou bespreekt of twee Franse (woord/beeld)merken van Fauré Le Page Paris met het jaartal “1717” nietig moeten worden verklaard als misleidend onder artikel 3 lid 1 onder g van Richtlijn 2008/95 (weigering/nietigheid bij misleidende merken). Goyard betoogt dat “1717” consumenten doet geloven dat Fauré Le Page als onderneming al sinds 1717 bestaat en dat de luxe lederwaren daardoor een eeuwenoud vakmanschap, kwaliteit en prestige hebben, terwijl de huidige vennootschappen pas in 2009/2011 zijn opgericht. In Frankrijk zijn hierover verschillende uitspraken gedaan; na cassatie oordeelde de rechter in hoger beroep in 2021 dat “Paris 1717” bij het publiek een indruk van historische continuïteit kan wekken en dat dit bij luxegoederen relevant is. De Cour de cassation vraagt daarom of een (mogelijk fictief) jaartal in een merk kan volstaan voor “werkelijke misleiding of een voldoende ernstig risico van misleiding” en of misleiding ook kan gaan over info over de merkhouder die de productperceptie beïnvloedt.

IEF 23189

Geen voorlopig getuigenverhoor meer na inschrijving bodemprocedure (art. 196 lid 1 Rv)

Hof Den Haag 12 dec 2025, IEF 23189; ECLI:NL:GHDHA:2025:2741 ([verzoekster] tegen Napiferyn), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-voorlopig-getuigenverhoor-meer-na-inschrijving-bodemprocedure-art-196-lid-1-rv

Hof Den Haag 12 december 2025, IEF 23189; ECLI:NL:GHDHA:2025:2741([verzoekster] tegen Napiferyn). In deze zaak bij het Gerechtshof Den Haag verzocht [verzoekster] om een voorlopig getuigenverhoor in een octrooirechtelijk geschil met Napiferyn. Tussen partijen liep al een bodemprocedure in hoger beroep (de zogenoemde opeisingsprocedure), waarin [verzoekster] mede-eigendom van octrooien en octrooiaanvragen claimt. Een belangrijk geschilpunt daarin is de uitleg van een investeringsovereenkomst. [verzoekster] wilde via een afzonderlijke verzoekschriftprocedure twee getuigen horen om bewijs te verzamelen voor haar standpunten in die reeds lopende procedure. Het verzoek werd ingediend op 7 januari 2025, terwijl de bodemzaak al sinds 20 augustus 2024 op de rol van het hof stond.

IEF 23188

Ontwerper-naam als merk: wanneer kan misleidend gebruik leiden tot verval?

HvJ EU 18 dec 2025, IEF 23188; ECLI:EU:C:2025:986 (PMJC SAS tegen [W] [X], [M] [X], [X] Créative SAS), https://ie-forum.nl/artikelen/ontwerper-naam-als-merk-wanneer-kan-misleidend-gebruik-leiden-tot-verval

HvJ EU 18 december 2025, IEF 23188; IEFbe 4075; ECLI:EU:C:2025:986 (PMJC SAS tegen [W] [X], [M] [X], [X] Créative SAS). Het Hof van Justitie kreeg van de Franse Cour de cassation de vraag hoe de vervalgrond wegens misleiding moet worden uitgelegd (art. 12(2)(b) Richtlijn 2008/95 en art. 20(b) Richtlijn 2015/2436). In het hoofdgeding ging het om twee merken die overeenkomen met de familienaam van een modeontwerper. Die merken waren na een overname overgedragen aan PMJC. De ontwerper werkte nog tot eind 2015 samen met PMJC, maar later ontstond een conflict: PMJC stelde o.a. merkinbreuk en oneerlijke mededinging, terwijl de ontwerper in reconventie stelde dat PMJC de merken daarna zo gebruikte dat het publiek dacht dat hij nog steeds de ontwerper was van de betrokken producten. Het Franse hof van beroep verklaarde de merkrechten deels vervallen, mede omdat PMJC producten op de markt bracht met decoraties uit het creatieve “universum” van de ontwerper en daarbij (volgens eerdere veroordelingen) inbreuk maakte op diens auteursrechten, waardoor consumenten konden denken dat het om door hem ontworpen werken ging.

IEF 23187

Art. 1019i Rv: verval voorlopige voorzieningen tast proceskostenveroordeling niet aan

Rechtbank Den Haag 11 dec 2025, IEF 23187; ECLI:NL:RBDHA:2025:23583 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/art-1019i-rv-verval-voorlopige-voorzieningen-tast-proceskostenveroordeling-niet-aan

Rb. Den Haag 11 december 2025, IEF 23187; ECLI:NL:RBDHA:2025:23583 ([eiser] tegen [gedaagde]). In dit kort geding stond een executiegeschil centraal naar aanleiding van een IE-kortgedingvonnis uit 2017. In dat eerdere vonnis waren voorlopige voorzieningen (verboden wegens auteurs- en handelsnaaminbreuk) opgelegd én was [eiser] veroordeeld tot betaling van proceskosten. Vast stond dat [eiser] geen bodemprocedure had gestart binnen de door de voorzieningenrechter gestelde termijn en dat vervolgens een verklaring ex art. 1019i Rv bij de griffie was ingediend. [eiser] stelde dat hierdoor niet alleen de voorlopige voorzieningen, maar ook de proceskostenveroordeling hun kracht hadden verloren, zodat de latere executie (inclusief beslag op zijn woning) onrechtmatig was. Daarnaast voerde hij aan dat sprake was van misbruik van bevoegdheid en subsidiair van (gedeeltelijke) verjaring van wettelijke rente.

IEF 23186

V4 versus V4 Financial Partners: Gerecht bevestigt verwarringsgevaar ondanks zwakke onderscheidingskracht

Gerecht EU (voorheen GvEA) 10 dec 2025, IEF 23186; ECLI:EU:T:2025:1093 (V4 Holding, a.s. tegen EUIPO en V4 Financial Partners, SA), https://ie-forum.nl/artikelen/v4-versus-v4-financial-partners-gerecht-bevestigt-verwarringsgevaar-ondanks-zwakke-onderscheidingskracht

Gerecht EU 10 december 2025, IEF 23186; IEFbe 4074; ECLI:EU:T:2025:1093 (V4 Holding, a.s. tegen EUIPO en V4 Financial Partners, SA). V4 Holding (Slowakije) vroeg EUIPO om het Uniemerk “V4 Financial Partners” (figuurmerk) ongeldig te verklaren. Volgens V4 Holding was er verwarringsgevaar met haar eerdere Slowaakse figuurmerk “V4” (voor diensten in klassen 35 en 36) en daarnaast met een niet-ingeschreven teken “V4” dat zij in Slowakije zou gebruiken. De Cancellation Division verklaarde het Uniemerk in 2022 volledig nietig op basis van art. 60(1)(a) jo. 8(1)(b) UMVo (relatieve nietigheidsgrond: verwarringsgevaar), en keek daarbij alleen naar het Slowaakse merk (proces-economie). V4 Financial Partners ging in beroep: de Board of Appeal gaf haar gelijk en verwees de zaak terug naar de Cancellation Division. V4 Holding stapte daarop naar het Gerecht. EUIPO wierp eerst nog op dat de advocaat van V4 Holding mogelijk niet onafhankelijk was (vermeende banden met de V4-groep), maar het Gerecht verwerpt dat: er is geen bewijs van een arbeidsrelatie of van banden die de onafhankelijkheid “manifest” aantasten.

IEF 23185

Artikel ingezonden door Moo Miero, Miero Advocatuur.

Muziekrecht jaaroverzicht 2025

In dit jaaroverzicht van 2025 komt een selectie aan uitspraken op het gebied van het muziekrecht aan bod. De rechtspraak liet dit jaar een gevarieerd beeld zien, met geschillen over onder meer licentievergoedingen, de afrekening van muziekgebruik en de overdracht van naburige rechten. Hieronder worden enkele opvallende zaken uitgelicht.

IEF 23193

Conclusie A-G Szpunar over art. 15 DSM-richtlijn: ruimte voor nationale regulering van de billijke vergoeding zonder aantasting van het exclusieve persuitgeversrecht

HvJ EU 11 jul 2025, IEF 23193; ECLI:EU:C:2025:552 (Meta Platforms Ireland Limited tegen Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni), https://ie-forum.nl/artikelen/conclusie-a-g-szpunar-over-art-15-dsm-richtlijn-ruimte-voor-nationale-regulering-van-de-billijke-vergoeding-zonder-aantasting-van-het-exclusieve-persuitgeversrecht

Conclusie AG HvJ EU 10 juli 2025, IEF 23193; IEFbe 4077; ECLI:EU:C:2025:552 (Meta Platforms Ireland Limited tegen Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni). In deze prejudiciële zaak vraagt de Italiaanse bestuursrechter (TAR Lazio) of de Italiaanse implementatie van artikel 15 DSM-richtlijn (richtlijn (EU) 2019/790) verenigbaar is met het Unierecht. Italië heeft in art. 43-bis van de auteurswet en in een AGCOM-besluit een stelsel ingevoerd waarbij persuitgevers voor het onlinegebruik van perspublicaties door aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij (zoals Meta/Facebook) een “billijke vergoeding” kunnen bedingen, met daarbij (i) onderhandelingsplichten voor platforms, (ii) informatieverplichtingen om de economische waarde te kunnen bepalen, en (iii) een verbod om tijdens onderhandelingen de zichtbaarheid van uitgeverscontent te beperken. Verder krijgt AGCOM bevoegdheden om criteria voor de vergoeding vast te stellen, toezicht te houden, sancties op te leggen en als partijen geen akkoord bereiken (al dan niet ambtshalve) een bedrag vast te stellen. Meta stelt dat dit artikel 15 DSM doorkruist (dat exclusieve rechten zou geven, niet een vergoedingsrecht) en bovendien onevenredig ingrijpt in de vrijheid van ondernemerschap (art. 16 Handvest) en de contractvrijheid.

IEF 23184

Kort geding over safinamide: generiek product maakt inbreuk op aanvullend beschermingscertificaat

Rechtbank Den Haag 18 dec 2025, IEF 23184; ECLI:NL:RBDHA:2025:24287 (Newron c.s tegen Vivanta), https://ie-forum.nl/artikelen/kort-geding-over-safinamide-generiek-product-maakt-inbreuk-op-aanvullend-beschermingscertificaat

Rb. Den Haag 18 december 2025, IEF 23184; ECLI:NL:RBDHA:2025:24287 (Newron c.s tegen Vivanta). De voorzieningenrechter oordeelt in kort geding dat Vivanta met haar generieke safinamide-producten inbreuk maakt op het Aanvullend Beschermingscertificaat (ABC) 300752 van Newron en Zambon. Dit certificaat, dat loopt tot april 2029, is gebaseerd op het basisoctrooi EP 1 613 296 en beschermt het gebruik van safinamide als aanvullende (add-on) therapie bij patiënten met de ziekte van Parkinson die al worden behandeld met levodopa. Vivanta had haar generieke producten opgenomen in de G-standaard en aangekondigd deze op de Nederlandse markt te brengen. Volgens Vivanta was het ABC ongeldig, omdat het basisoctrooi slechts een combinatiebehandeling zou beschermen en niet safinamide als afzonderlijke werkzame stof. De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer en oordeelt voorshands dat het product safinamide wordt beschermd door het basisoctrooi in de zin van artikel 3, onder a, van de ABC-verordening.

IEF 23183

Geen octrooi-inbreuk door Netflix bij videocompressietechnologie

Rechtbank Den Haag 17 dec 2025, IEF 23183; ECLI:NL:RBDHA:2025:24060 (Broadcom tegen Netflix), https://ie-forum.nl/artikelen/geen-octrooi-inbreuk-door-netflix-bij-videocompressietechnologie

Rb. Den Haag 17 december 2025, IEF 23183; ECLI:NL:RBDHA:2025:24060 (Broadcom tegen Netflix). De Rechtbank Den Haag oordeelt dat Netflix geen inbreuk maakt op het Nederlandse deel van het Europese octrooi EP 2 575 366 van Broadcom, dat ziet op videocompressietechnologie binnen de HEVC-standaard. Broadcom stelde dat Netflix bij het encoderen van video’s één enkele “binary tree” gebruikt om zowel de prediction mode als de partition mode te coderen, zoals geclaimd in conclusies 6 en 7 van het octrooi. Volgens Broadcom volgt dit rechtstreeks uit de toepassing van de HEVC-standaard. Netflix betwistte dit en voerde aan dat de standaard juist uitgaat van afzonderlijke binarisatieprocessen voor deze twee syntaxelementen. De rechtbank volgt Netflix en benadrukt dat de beschermingsomvang van het octrooi moet worden vastgesteld aan de hand van de conclusies, gelezen in het licht van de beschrijving, tekeningen en het verleningsdossier, bezien vanuit het perspectief van de gemiddelde vakpersoon.