Volg deLex op LinkedIn
Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.
Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.
Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.
Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.
Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.
Entertainment & Recht op woensdag 9 september 2026: we bespreken de belangrijkste ontwikkelingen
Op woensdag 9 september organiseren we het seminar Entertainment & Recht. Dagvoorzitters Marijn Kingma (Höcker) en Michiel Odink (Leeway) praten u bij over de belangrijkste ontwikkelingen in het entertainmentrecht van het afgelopen jaar met de Entertainment top 10.
Vervolgens geeft Peter Marx (MVVP) een update over Sync. Hij bespreekt het koppelen van muziek aan beeld, bijvoorbeeld in films, series, reclames of videogames. Daarbij gaat hij in op de juridische aspecten van Sync en brengt hij helderheid in het soms complexe juridische landschap.
Daarnaast staat tijdens het seminar Entertainment & Recht het thema Film en AI centraal. Merel Teunissen (Liaise Advocaten) bespreekt hoe AI in de praktijk wordt ingezet en welke juridische vraagstukken daarbij spelen. Ook praat ze u bij over de recente ontwikkelingen in het filmrecht.
Janneke Popma (Höcker) bespreekt samen met Vera Nederpelt (Dikhoff Van Dongen) exploitatiecontracten. Na deze inleiding zoomen we tijdens het panel in op muziekcontracten. We bespreken hoe er in de praktijk wordt omgegaan met de ontwikkelingen op dat gebied, zoals het auteurscontractenrecht en recente uitspraken over onder meer beëindiging en billijke vergoeding. Wie deelnemen in het panel maken we binnenkort bekend.
We sluiten de middag af met een borrel, bij mooi weer in de zon.
Nakoming franchiseovereenkomst afgewezen na aannemelijke vernietiging wegens niet-naleving informatieplicht
Rb. Den Haag 7 juli 2026, IEF 23745; ECLI:NL:RBDHA:2026:20264 (Cocovaro tegen [gedaagde]). Cocovaro exploiteert de franchiseformule Meat & Chips en sloot met [gedaagde] een franchiseovereenkomst voor een fastfoodrestaurant. [gedaagde] betaalde de overeengekomen instapfee van € 12.000 niet en opende in het betreffende pand een eigen restaurant met een vergelijkbaar assortiment. Zij vernietigde de franchiseovereenkomst vervolgens omdat Cocovaro volgens haar niet had voldaan aan de precontractuele informatieplichten van art. 7:913 BW. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat de bodemrechter dit beroep op vernietiging zal laten slagen. Niet is gebleken dat Cocovaro vóór het sluiten van de overeenkomst alle voorgeschreven informatie heeft verstrekt, waaronder de bijlagen bij de franchiseovereenkomst, informatie over de verschuldigde vergoedingen en financiële gegevens over de beoogde locatie. Evenmin blijkt dat vervolgens de vier weken durende standstill-periode van art. 7:914 BW in acht is genomen. De enkele ondertekening van de franchiseovereenkomst bewijst niet dat [gedaagde] de bijlagen, laat staan vier weken vóór ondertekening, had ontvangen. Het beroep van Cocovaro op de redelijkheid en billijkheid maakt dit niet anders. De informatieplicht strekt juist tot bescherming van de franchisenemer en voor het buiten toepassing laten van die bescherming geldt volgens de voorzieningenrechter een hoge drempel. Cocovaro kan daarom in dit kort geding geen beroep doen op de franchiseovereenkomst. De vordering tot nakoming wordt afgewezen. De gevorderde instapfee wordt eveneens afgewezen, zowel omdat een beroep op de overeenkomst voorshands niet slaagt als omdat voor deze geldvordering onvoldoende spoedeisend belang bestaat.
CWO en HISWA maken onrechtmatig gebruik van software en databank door KNWV onvoldoende aannemelijk
Rb. Midden-Nederland 30 juni 2026, IEF 23744; IT 5430; ECLI:NL:RBMNE:2026:4185 (CWO en Hiswa tegen KNWV en [handelsnaam]). CWO, HISWA en KNWV werkten jarenlang samen aan een uniform systeem voor watersportopleidingen en -diploma’s. Nadat binnen CWO een impasse was ontstaan, beëindigde KNWV in 2025 de samenwerking en bracht zij haar opleidingen onder bij de Watersport Academy, waarbij gebruik werd gemaakt van de door NWD ontwikkelde diplomalijn. CWO en HISWA stelden dat KNWV en de ontwikkelaar [handelsnaam] daarbij onrechtmatig handelden, onder meer door gebruik te maken van het voor CWO ontwikkelde softwareprogramma en de CWO-database. Zij beriepen zich op een exclusief gebruiksrecht en een non-concurrentiebeding uit overeenkomsten met [handelsnaam]. De voorzieningenrechter acht echter onvoldoende aannemelijk dat die bedingen daadwerkelijk tussen partijen zijn overeengekomen. De overgelegde overeenkomsten waren concepten, waren niet ondertekend en uit latere correspondentie bleek dat partijen daarover nog onderhandelden. CWO en HISWA kunnen nakoming daarvan daarom niet afdwingen. Ook het beroep op het databankenrecht leidt niet tot een verbod. KNWV betwistte niet dat zij de CWO-database eenmalig had gekopieerd, maar voor een verboden opvraging of hergebruik is volgens de voorzieningenrechter van belang of daardoor schade kan ontstaan aan de investering van de producent in de databank. CWO en HISWA maakten onvoldoende aannemelijk dat deze eenmalige kopie hun financiële terugverdiencapaciteit aantastte. Daardoor kan in het midden blijven of sprake is van een beschermde databank en of KNWV, gelet op haar investering van € 150.000, daarvan mogelijk medeproducent is.
Mr. S.K. Martens Academie 2026/2027
Belangstellenden kunnen zich nu aanmelden voor de volgende editie van de Mr. S.K. Martens Academie. Deze officiële specialisatieopleiding intellectueel eigendoms- en procesrecht is bedoeld voor advocaten, rechters en (bedrijfs)juristen die hun juridische kennis en praktische vaardigheden verder willen verdiepen. De opleiding bestaat uit acht masterclasses en vier live online sessies en start naar waarschijnlijkheid in het najaar 2026.
De nadruk ligt op de praktische bescherming en handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Deelnemers werken in kleine groepen met actuele jurisprudentie, recente praktijkvoorbeelden en concrete businesscases. Ook de invloed van AI op de rechtspraktijk maakt deel uit van het programma. De hoofddocenten zijn Marijn Kingma, Peter Teunissen en Jorn Torenbosch.
Na succesvolle afronding van het mondelinge examen ontvangen deelnemers een certificaat in het intellectueel eigendoms- en procesrecht. De opleiding levert 54 tot 60 PO-punten op. Daarnaast krijgen deelnemers toegang tot het alumninetwerk en gedurende één jaar kosteloos toegang tot verschillende IE-publicaties en databanken van deLex, zoals AI-Forum, Auteursrecht, BMM Bulletin, Berichten Industriële Eigendom en Mediaforum.
Aanmelden of een offerte op maat aanvragen kan via info@delex.nl.
Uitspraak ingezonden door Jeroen Boelens, Jesper Vrielink, Susanne Bijvank en Eline Wit, CMS.
Betaalde reviews leveren onrechtmatig concurrentievoordeel op
Rb. Amsterdam 24 juni 2026, IEF 23743; RB 4086; IT 5420; C/13/787737 (Hotelgiftcard.com tegen Experiencegift). In deze zaak vordert Hotelgiftcard.com B.V. in kort geding verschillende voorzieningen tegen concurrent Experiencegift B.V. wegens een handelswijze waarbij consumenten na aankoop van een HOTELGIFT-cadeaubon een vergoeding kregen in ruil voor het plaatsen van een beoordeling. Experiencegift bood consumenten € 5 terug en een donatie van 1.000 liter drinkwater aan een goed doel aan wanneer zij een review plaatsten en toonde daarbij op de bestelbevestigingspagina vijf sterren. In een eerder kort geding tussen partijen had Experiencegift toegezegd het aanbod van € 5 en de vijf sterren van haar website te verwijderen. De toen door Hotelgiftcard ingestelde reconventionele vorderingen werden afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk was dat Experiencegift op dat moment nog onrechtmatig handelde. Nadat de advocaat van Hotelgiftcard op 18 februari 2026, na opnieuw om de eerder aangeboden vergoeding te hebben verzocht, alsnog € 5 ontving, stelt Hotelgiftcard dat Experiencegift haar toezegging niet naleeft en bovendien nog steeds profiteert van de eerder verkregen betaalde beoordelingen. Hotelgiftcard vordert daarom onder meer een verbod voor Experiencegift om consumenten enige geldelijke of andere vergoeding aan te bieden teneinde hen te bewegen een beoordeling over HOTELGIFT te plaatsen, een bevel om Trustpilot en Google Reviews te verzoeken alle betaalde beoordelingen te verwijderen en verwijderd te houden, een controleerbaar overzicht van alle terugbetalingen die in ruil voor een beoordeling zijn gedaan en plaatsing van een rectificatie. Experiencegift voert aan dat zij haar werkwijze na het eerdere kort geding heeft aangepast, dat de betaling van € 5 op 18 februari een eenmalig incident was, dat de drinkwaterdonatie inmiddels uitsluitend aan de aankoop van een giftcard is gekoppeld en dat zij consumenten niet vraagt hun beoordeling te verhogen.
Uitspraak ingezonden door Quirijn Meijnen, LMO Advocaten.
Geen kwade trouw bij depot AEROINTEL-merk na conflict tussen medeoprichters
BBIE 26 juni 2026, IEF 23741; IEFbe 4274; nr. 3000861 (Aerointel tegen [verweerder]). In deze zaak verzoekt Aerointel B.V. op grond van artikel 2.30bis lid 1 onder a in verbinding met artikel 2.2bis lid 2 BVIE om doorhaling van het op 6 juni 2025 aangevraagde en op 30 augustus 2025 ingeschreven gecombineerde woord-/beeldmerk AEROINTEL. Het merk is ingeschreven voor waren en diensten in de klassen 9, 12 en 42, die onder meer betrekking hebben op drones en dronetechnologie. Aerointel stelt dat zij de naam en het logo heeft ontwikkeld en deze vanaf 27 juli 2024 openbaar en ononderbroken gebruikt, aanvankelijk via een onderneming in oprichting en vanaf 4 oktober 2024 via Aerointel B.V. In april en mei 2025 ontstaat tussen Aerointel en [verweerder] een geschil over diens beoogde participatie in de onderneming. Volgens Aerointel deponeert [verweerder] het teken vervolgens zonder besluit van de algemene vergadering of volmacht op persoonlijke naam, terwijl hij weet dat Aerointel het teken al intensief gebruikt. Aerointel voert aan dat [verweerder] het merk na het depot niet zelf in de Benelux gebruikt, maar de registratie inzet als drukmiddel om haar gebruik van AEROINTEL en haar bedrijfsvoering te blokkeren. Zij wijst daarbij onder meer op een sommatie van 21 mei 2025, de inzet van het depot tegenover een derde op 20 juni 2025, een e-mail van 25 juni 2025 waarin overleg afhankelijk wordt gesteld van staking van het gebruik van AEROINTEL, het offline gaan van de website van Aerointel op 26 juni 2025 en de presentatie van vergelijkbare activiteiten onder een andere handelsnaam op 30 juni 2025. Volgens Aerointel blijkt uit deze chronologie dat sprake is van een blokkeringsdepot zonder legitiem ondernemingsdoel. [Verweerder] betwist dat Aerointel een zelfstandig ouder recht op de naam of het logo heeft. Hij stelt dat hij samen met de bestuurder van Aerointel al vanaf augustus 2023 een gezamenlijke onderneming op het gebied van drones ontwikkelt, dat zij in maart 2024 gezamenlijk onder een eerdere handelsnaam en vervolgens onder de naam Aerointel naar buiten treden en dat zij het bestreden logo in mei 2024 ontwikkelen. Volgens [verweerder] richten zij Aerointel B.V. op als gezamenlijke onderneming, waarbij het de bedoeling is dat ieder uiteindelijk vijftig procent van de aandelen houdt. Die afspraak wordt volgens hem niet uitgevoerd, waarna hij wordt uitgesloten van bestanden, communicatiekanalen, de website en de presentatie van de onderneming. Hij stelt dat hij het merk deponeert om de door hem mede opgebouwde goodwill, het onderscheidend vermogen van de naam en het logo en de herkomst van de gezamenlijk ontwikkelde dronetechnologie te beschermen. Het depot dient volgens hem daarmee de wezenlijke functie van een merk en is geen leeg, speculatief of uitsluitend blokkerend depot.
Uitspraak ingezonden door Martijn de Lange, Octrooicentrum Nederland.
Geen ABC voor nieuwe therapeutische toepassing van cladribine na eerdere handelsvergunningen
Rb. Den Haag 5 augustus 2026, IEF 23740; LS&R 2435; ECLI:NL:RBDHA:2026:21645 (Merck Serono tegen Octrooicentrum Nederland). In deze zaak bepaalt de bestuursrechter of Octrooicentrum Nederland (hierna: OCNL) terecht weigert aan Merck Serono S.A. (hierna: Merk) een aanvullend beschermingscertificaat (hierna: ABC) te verlenen voor het product cladribine. Merck dient op 22 februari 2018 een ABC-aanvraag in onder inroeping van Europees octrooi EP 1 827 461 voor een behandelingsregime met cladribine bij multiple sclerose en de Europese handelsvergunning uit 2017 voor Mavenclad®, waarvan cladribine de werkzame stof is. Het OCNL wijst de aanvraag af wegens strijd met artikel 3 onder d van Verordening (EG) nr. 469/2009, omdat cladribine al eerder als geneesmiddel is toegelaten: in 1995 voor Leustatin® en in 2004 voor Litak®, beide voor de behandeling van haarcelleukemie. Merck stelt dat de handelsvergunning voor Mavenclad® desondanks als relevante eerste handelsvergunning moet gelden, omdat Mavenclad® het eerste gebruik van cladribine voor de behandeling van multiple sclerose betreft, het basisoctrooi op deze tweede medische indicatie ziet en voor Mavenclad® een volledig de novo ontwikkelingstraject met klinische studies is doorlopen. Volgens Merck biedt het arrest Santen niet het juiste toetsingskader en moet aansluiting worden gezocht bij het eerdere arrest Neurim. Subsidiair verzoekt zij de rechtbank prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen, mede onder verwijzing naar de prejudiciële vragen van het Duitse Bundespatentgericht in de parallelle Boehringer-zaak. Partijen zijn het erover eens dat aan artikel 3 onder a, b en c van de ABC-verordening is voldaan; uitsluitend de voorwaarde van artikel 3 onder d is in geschil.
HOYNG ROKH MONEGIER verwelkomt 2 nieuwe associates
Persbericht HOYNG ROKH MONEGIER, 10 augustus 2026.
Sjoerd Peters is per 1 augustus gestart bij HOYNG ROKH MONEGIER. Peters was hiervoor werkzaam bij Vondst Advocaten, waar hij ruime ervaring heeft opgedaan binnen de IE-praktijk. Zijn praktijk richt zich in het bijzonder op complexe nationale en internationale octrooigeschillen. Peters is tevens geregistreerd als UPC representative. Ook adviseert en procedeert hij in geschillen op het gebied van bedrijfsgeheimen, merken en modellen
Stephanie de Beer is per augustus gestart bij HOYNG ROKH MONEGIER. De Beer heeft ruime internationale ervaring binnen de IE-praktijk en is gespecialiseerd in de life sciences-sector, met een bijzondere focus op de farmaceutische industrie en farmaceutische octrooien. Zij promoveerde in de farmaceutische chemie, waarna zij zich kwalificeerde als advocaat. Sindsdien is zij werkzaam in de internationale IE-praktijk en adviseert zij cliënten over complexe nationale en internationale octrooigeschillen. De Beer werkte eerder bij verschillende grote advocatenkantoren in Amsterdam, waaronder de Brauw Blackstone Westbroek, en New York.
Uitspraak ingezonden door Quirijn Meijnen, LMO advocaten.
Depot A-Team-logo na sommatie niet te kwader trouw
BBIE 24 april 2026, IEF 23739; IEFbe 4273; nr. 3000826 (Afix tegen The A-Team Agency). In deze zaak verzoekt Afix BV op grond van artikel 2.30bis lid 1 onder a in verbinding met artikel 2.2bis lid 2 BVIE om doorhaling van het op 10 december 2024 aangevraagde en op 25 februari 2025 ingeschreven gecombineerde woord-/beeldmerk van International Video Company B.V., handelend onder de naam The A-Team Agency. Het merk is ingeschreven voor diensten in de klassen 35, 41 en 42, waaronder marketing, video- en filmproductie en het ontwerpen en ontwikkelen van websites. Afix stelt dat zij het door haar ingeroepen A-logo sinds 2016 onafgebroken gebruikt en daarop auteursrechten bezit. Nadat Afix The A-Team Agency op 10 december 2024 had gesommeerd het volgens haar inbreukmakende gebruik van een aangepaste versie van haar logo te staken, diende The A-Team Agency nog diezelfde dag de merkaanvraag in. Volgens Afix blijkt daaruit dat het merk is aangevraagd om het volgens haar inbreukmakende gebruik achteraf te legitimeren en haar rechtmatige gebruik te frustreren. The A-Team Agency betwist dat sprake is van kwade trouw en voert aan dat het bestreden merk onderdeel is van een reeds gebruikte, op de televisieserie The A-Team geïnspireerde merkidentiteit. Zij stelt dat zij het logo zelf heeft ontworpen en ten tijde van het depot alleen bekend was met het volledige Afix-logo, en niet met het afzonderlijke A-logo waarop Afix zich later beriep.