IEF 23802
8 september 2026
Uitspraak

HvJ EU: politieke parodie rechtvaardigt gebruik bekend merk alleen als belang van gebruiker zwaarder weegt

 
IEF 23773
26 augustus 2026
Artikel

Deze UPC-rechters en -experts zijn aanwezig tijdens het BIE-symposium op 30 september

 
IEF 23774
21 september 2026
Artikel

Volg IE-Forum ook op LinkedIn

 
IEF 23857

WIPO: geen kwade trouw bij registratie thescentstories.com

WIPO 18 aug 2026, IEF 23857; D2026-2697 (Red Matter Holdings Inc. (d/b/a MiN NEW YORK) tegen Anirudh Jhawar, The Scent Stories), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/wipo-geen-kwade-trouw-bij-registratie-thescentstories-com

WIPO 18 augustus 2026, IEF 23857; IEFbe 4317; D2026-2697 (Red Matter Holdings Inc. (d/b/a MiN NEW YORK) tegen Anirudh Jhawar, The Scent Stories). Red Matter Holdings, exploitant van het luxe parfumhuis MiN NEW YORK, verzoekt op grond van de Uniform Domain Name Dispute Resolution Policy (UDRP) om overdracht van de domeinnaam <thescentstories.com>. Red Matter gebruikt SCENT STORIES sinds 2013 voor een parfumcollectie en beschikt over een Amerikaanse merkregistratie voor SCENT STORIES uit 2014. De Indiase verweerder exploiteert onder de naam THE SCENT STORIES een multibrand parfumerie en registreerde de betwiste domeinnaam op 3 november 2025. Daarnaast beschikt hij sinds 10 oktober 2025 over een Indiase merkregistratie voor THE SCENT STORIES. Volgens Red Matter stemt de domeinnaam verwarringwekkend overeen met haar oudere merk en is deze te kwader trouw geregistreerd en gebruikt om internetgebruikers voor commercieel gewin naar een concurrerende parfumwinkel te leiden. Het WIPO-panel stelt vast dat SCENT STORIES volledig in de domeinnaam is opgenomen en dat de toevoeging van “the” niet verhindert dat sprake is van verwarringwekkende overeenstemming. Daarmee is aan het eerste vereiste van paragraaf 4(a) UDRP voldaan. Of verweerder rechten of legitieme belangen bij de domeinnaam heeft, laat het panel in het midden, omdat de klacht reeds op het vereiste van registratie en gebruik te kwader trouw strandt.

IEF 23851

Gevangenisstraf voor opzettelijk in voorraad hebben van valse merken

Hof Amsterdam 2 sep 2026, IEF 23851; ECLI:NL:GHAMS:2026:2507 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gevangenisstraf-voor-opzettelijk-in-voorraad-hebben-van-valse-merken

Hof Amsterdam 2 september 2026, IEF 23851; ECLI:NL:GHAMS:2026:2507 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). Op 16 oktober 2021 is in Amsterdam onder de verdachte een grote partij kleding, tassen, schoenen en een zonnebril in beslag genomen. Het hof acht bewezen dat de verdachte deze goederen, valselijk voorzien van onder meer de beschermde woord- en/of beeldmerken Adidas, Balenciaga, Burberry, Christian Dior, Dolce & Gabbana, Givenchy, Gucci, Louis Vuitton, Moncler, Prada en Stone Island, opzettelijk in voorraad heeft gehad. De verdediging heeft vrijspraak bepleit vanwege onzorgvuldigheden en discrepanties in het dossier, onder meer tussen de aantallen goederen in het proces-verbaal van bevindingen en de kennisgevingen van inbeslagname en vanwege een aanvankelijk onjuist proces-verbaalnummer bij de aangifte. Het hof verwerpt dit verweer. De processen-verbaal stemmen op de relevante onderdelen, waaronder de merken en soorten kleding, in overwegende mate overeen en de verschillen in aantallen zijn volgens het hof van ondergeschikt belang en aan te merken als kennelijke telfouten. Ook staat naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel vast dat de aan de controleur getoonde monsters afkomstig waren uit de partij die onder de verdachte was inbeslaggenomen. Het voorwaardelijke verzoek om twee verbalisanten als getuigen te horen wordt afgewezen, omdat hun verhoor volgens het hof onmiskenbaar irrelevant of overbodig is. De relevante feiten waren reeds buiten redelijke twijfel komen vast te staan en op verzoek van de verdediging waren bovendien drie aanvullende processen-verbaal opgesteld waarin de gesignaleerde discrepanties voldoende waren toegelicht. Het gebruik van de bevindingen van de verbalisanten is daarom volgens het hof verenigbaar met art. 6 EVRM en de vereiste ‘overall fairness of the trial’.

IEF 23850

Wie mag na een bandsplit verder onder de bandnaam: de merkinschrijving bij het BOIP, artikel 5 Handelsnaamwet en het gezamenlijk beheer van artikel 3:170 BW

Twee identieke brandijzers, één gloeiend en één koud, en één gedeeld brandmerk in het hout: de patstelling om een bandnaam na een split.

Mauritz Kop, 7 september 2026. 

Een band die uit elkaar gaat, verdeelt eerst de spullen. De versterkers, de bus, de harde schijf met de sessies. De naam blijft liggen tot er twee maanden later een boeking binnenkomt, en dan blijkt dat twee groepen mensen menen dat zij die avond mogen spelen. Wie er gelijk heeft, hangt zelden af van wie de naam heeft bedacht. Het hangt af van drie regelingen die los van elkaar werken: de merkinschrijving bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom, de Handelsnaamwet, en het gemeenschapsrecht van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek. Wat er bij een vertrek van één lid met naam, masters en boekingen gebeurt, beschreef MusicaJuridica eerder in Als een bandlid vertrekt, blijven naam, masters en boekingen achter. Dit artikel gaat alleen over de naam, en over de situatie waarin de band als geheel uiteenvalt.

IEF 23849

Uitspraak is ingezonden door Mustafa Kahya, BG.legal.

Merkinbreuk door gebruik ‘The Future Looks Bright’ naast woordmerk BRIGHT voorshands niet aannemelijk

Rechtbank Noord-Holland 18 sep 2026, IEF 23849; C/15/381964 / KG ZA 26-519 (PXR en Bright [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/merkinbreuk-door-gebruik-the-future-looks-bright-naast-woordmerk-bright-voorshands-niet-aannemelijk

Rb. Noord-Holland 18 september 2026, IEF 23849; C/15/381964 (PXR en Bright tegen [gedaagde]). PXR is houder van het Benelux-woordmerk BRIGHT, dat onder meer is ingeschreven voor het organiseren van beurzen en congressen, en Bright gebruikt dit merk met toestemming van PXR. Gedaagde gebruikt sinds 2024 de aanduiding ‘The Future Looks Bright’ voor door hem georganiseerde evenementen en heeft die aanduiding tevens als handelsnaam en domeinnaam geregistreerd. PXR en Bright vorderen in kort geding staking van dit gebruik wegens merkinbreuk. De voorzieningenrechter verwerpt eerst het verweer dat het merk wegens niet-gebruik vervalbaar is. PXR en Bright hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat BRIGHT in de afgelopen vijf jaar voor onder meer beurzen en evenementen is gebruikt, zodat onvoldoende aannemelijk is dat het BBIE de ingestelde vervalvordering wegens non-usus integraal zal toewijzen. Bij de beoordeling van art. 2.20 lid 2 onder b BVIE stelt de voorzieningenrechter vast dat BRIGHT en ‘The Future Looks Bright’ gedeeltelijk visueel, auditief en begripsmatig overeenstemmen, dat het teken in het economisch verkeer wordt gebruikt en dat sprake is van voldoende overeenstemmende diensten. Beide partijen gebruiken hun teken respectievelijk merk immers voor het organiseren van beurzen en evenementen die mede verband houden met de energiesector en energietransitie. Toch acht de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende aannemelijk dat een bodemrechter verwarringsgevaar zal aannemen. BRIGHT bestaat uit één gangbaar Engels woord, terwijl ‘The Future Looks Bright’ een volledige en gangbare Engelse zin vormt. Het merk BRIGHT heeft wel onderscheidend vermogen voor de betrokken diensten, maar het gebruik van een bestaand woord brengt volgens de voorzieningenrechter een beperktere beschermingsomvang mee dan bij een fantasienaam. Daarbij komt dat PXR en Bright hun evenementen met name aanduiden met benamingen waarin BRIGHT vooraan staat, zoals BrightLive, Bright Night en Bright Energy Party, terwijl het gemeenschappelijke bestanddeel in ‘The Future Looks Bright’ juist aan het einde van de zin staat. Ook is tot dan toe geen concrete verwarring gebleken, terwijl merk en teken al enige tijd naast elkaar worden gebruikt. De primaire grondslag van art. 2.20 lid 2 onder b BVIE slaagt daarom niet.

IEF 23774

Volg IE-Forum ook op LinkedIn

Wil je naast de website ook via LinkedIn op de hoogte blijven van de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van intellectuele eigendom? Volg dan IE-Forum op LinkedIn.

Daar delen we onder meer recente jurisprudentie, actualiteiten, evenementen en andere ontwikkelingen binnen het IE-recht.

Zo blijf je ook via LinkedIn eenvoudig op de hoogte van wat er speelt.

Volg IE-Forum op LinkedIn en mis geen updates.

IEF 23843

UPC CoA: ontbrekende handtekening maakt hoger beroep niet-ontvankelijk

Unified Patent Court (UPC) 21 aug 2026, IEF 23843; UPC_CoA_894/2025 (Windhager tegen bellissa HAAS), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/upc-coa-ontbrekende-handtekening-maakt-hoger-beroep-niet-ontvankelijk

UPC CoA 21 augustus 2026, IEF 23843; IEFbe 4311; UPC_CoA_894/2025 (Windhager tegen bellissa HAAS). In deze zaak tussen Windhager en bellissa HAAS staat de ontvankelijkheid van het hoger beroep centraal. Windhager stelde beroep in tegen een beslissing van de Lokale Afdeling Mannheim, maar diende zowel de oorspronkelijke als de herstelde Statement of Appeal zonder elektronische handtekening in. Pas na afloop van de beroepstermijn werd een ondertekende versie ingediend.

IEF 23847

Rectificatie onjuiste partijaanduiding toegestaan in Europese procedure voor geringe vorderingen

Rechtbank Amsterdam 28 aug 2026, IEF 23847; ECLI:NL:RBAMS:2026:9273 ([verzoeker] tegen DP T.A.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rectificatie-onjuiste-partijaanduiding-toegestaan-in-europese-procedure-voor-geringe-vorderingen

Rb. Amsterdam 28 augustus 2026, IEF 23847; ECLI:NL:RBAMS:2026:9273 ([verzoeker] tegen DP T.A.). [verzoeker] heeft via de Europese procedure voor geringe vorderingen op grond van Verordening (EG) nr. 861/2007 betaling gevorderd van € 168,99, vermeerderd met rente en proceskosten, in verband met de aankoop van een keycap set. In het vorderingsformulier had hij CandyKeys GmbH als wederpartij vermeld. Tijdens de procedure bleek dat deze rechtspersoon niet bestaat en dat CandyKeys een handelsnaam is van de Duitse vennootschap DP Tastatur Ausstattung UG (DP T.A.). [verzoeker] verzocht daarop de partijaanduiding te verbeteren. De kantonrechter staat deze rectificatie toe. Een onjuiste partijaanduiding kan tijdens een procedure worden hersteld wanneer voor de daadwerkelijk bedoelde wederpartij kenbaar was dat sprake was van een vergissing, de fout tijdig wordt verbeterd en de wederpartij daardoor niet in haar belangen wordt geschaad. Aan deze voorwaarden is voldaan. Uit de bij het vorderingsformulier gevoegde stukken bleek voldoende duidelijk dat [verzoeker] zijn verzoek tegen DP T.A., mede handelend onder de naam CandyKeys, had willen richten: hij had € 168,99 aan DP T.A. betaald en vervolgens met CandyKeys gecorrespondeerd over de terugbetaling. Het verzoek heeft DP T.A. ondanks de verkeerde partijaanduiding bereikt en zij heeft inhoudelijk verweer kunnen voeren, zonder dat zij verweermiddelen heeft verloren. Bovendien heeft [verzoeker] onmiddellijk na ontdekking van de vergissing om verbetering verzocht. Mede gelet op de doelstelling van de EPGV-verordening om procederen over geringe grensoverschrijdende vorderingen te vergemakkelijken, wordt DP T.A. daarom als verwerende partij aangemerkt.

IEF 23848

Verbod op uitlatingen over grensoverschrijdend gedrag jegens zakenrelatie blijft grotendeels in stand

Hof Amsterdam 15 sep 2026, IEF 23848; ECLI:NL:GHAMS:2026:2550 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/verbod-op-uitlatingen-over-grensoverschrijdend-gedrag-jegens-zakenrelatie-blijft-grotendeels-in-stand

Hof Amsterdam 15 september 2026, IEF 23848; ECLI:NL:GHAMS:2026:2550 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]). Na het beëindigen van een zakelijke samenwerking tussen [appellant 1] en [geïntimeerde] ontstond een geschil over onder meer de uitvoering van een SaaS-overeenkomst voor de ontwikkeling en ondersteuning van een NFT-handelsplatform. [appellant 2] heeft namens [appellant 1] vervolgens berichten gestuurd aan aandeelhouders en investeerders van [geïntimeerde], waarin onder meer werd geklaagd over tekortkomingen in de samenwerking, niet-nagekomen afspraken, nevenactiviteiten, gebrek aan transparantie en grensoverschrijdend gedrag door een bestuurder van [geïntimeerde], waaronder pesterijen en discriminerende of racistische opmerkingen op de werkvloer. De voorzieningenrechter had [appellanten] verboden verdere uitlatingen te doen over dergelijk grensoverschrijdend gedrag. Het hof stelt bij de beoordeling het recht van [appellanten] op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM tegenover het belang van [geïntimeerde] bij bescherming van haar reputatie, eer en goede naam als bedoeld in art. 8 EVRM. Voor de beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag ontbreekt volgens het hof voorshands een behoorlijke feitelijke basis. De aangevoerde voorbeelden hebben deels geen betrekking op gedrag op de werkvloer of jegens medewerkers, het bestaan van gestelde aangiften van (ex-)medewerkers is niet aangetoond en [appellanten] konden niet concreet aangeven op welke specifieke voorvallen zij hun beschuldigingen baseerden. Gelet op de ernst en mogelijke reputatieschade van dergelijke aantijgingen valt de belangenafweging op dit punt in het voordeel van [geïntimeerde] uit. Het hof laat het verbod op verdere uitlatingen over grensoverschrijdend gedrag daarom in stand.

IEF 23841

UPC CoA: commerciële marktgegevens kunnen als vertrouwelijke informatie worden beschermd

Unified Patent Court (UPC) 10 jun 2026, IEF 23841; UPC_CoA_61/2026 (SharkNinja tegen SEB), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/upc-coa-commerciele-marktgegevens-kunnen-als-vertrouwelijke-informatie-worden-beschermd

UPC CoA 10 juni 2026, IEF 23841; IEFbe 4310; UPC_CoA_61/2026 (SharkNinja tegen SEB). In deze zaak tussen SharkNinja en SEB staat de vraag centraal in hoeverre commerciële marktgegevens als vertrouwelijke informatie kunnen worden beschermd en wie toegang tot die informatie mag krijgen. Het Hof oordeelt dat R. 262A RoP niet alleen ziet op bedrijfsgeheimen in strikte zin, maar ook op andere vertrouwelijke informatie als bedoeld in art. 58 UPCA. De betrokken marktgegevens over SharkNinja’s Ninja Foodi-producten vallen daaronder, mede omdat zij afkomstig zijn van commerciële dataproviders en onder vertrouwelijkheidsverplichtingen beschikbaar zijn gesteld.

IEF 23840

UPC CoA: evidente fout leidt niet tot schorsing gehele beslissing

Unified Patent Court (UPC) 21 aug 2026, IEF 23840; UPC_CoA_135/2026 (Nuna tegen Cybex), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/upc-coa-evidente-fout-leidt-niet-tot-schorsing-gehele-beslissing

UPC CoA 21 augustus 2026, IEF 23840; IEFbe 4309; UPC_CoA_135/2026 (Nuna tegen Cybex). In deze zaak tussen Nuna enerzijds en Cybex anderzijds staat de vraag centraal of het beroep tegen een voorlopige voorziening van de Local Division Hamburg opschortende werking moet krijgen. Cybex stelt dat verschillende onderdelen van een kinderzitjessysteem inbreuk maken op EP 4 242 056. De Local Divison achtte zowel directe als indirecte inbreuk waarschijnlijk, maar nam in het bevel over de indirecte inbreuk een aanvullende verplichting op die Cybex niet had gevorderd.