EU-wijd ex parte verbod tegen verhandeling van Volkswagen ID.6 wegens merkinbreuk
Rb. Den Haag 26 juni 2026, IEF 23716; ECLI:NL:RBDHA:2026:19391 (verzoekster tegen gerekwestreerde). Volkswagen Aktiengesellschaft verzocht de voorzieningenrechter om een onmiddellijk verbod tegen een in Nederland gevestigde of woonachtige gerekwestreerde. Volgens Volkswagen maakte de gerekwestreerde met auto’s van het type Volkswagen ID.6 inbreuk op de in randnummer 8 van het verzoekschrift genoemde merken. Omdat de gerekwestreerde in Nederland was gevestigd of woonde, achtte de voorzieningenrechter zich bevoegd om over de gestelde inbreuk in de gehele Europese Unie te oordelen. Voorshands bestond geen reden om aan de geldigheid van de ingeroepen rechten te twijfelen en was de gestelde inbreuk voldoende aannemelijk gemaakt. Gelet op het spoedeisende belang en de mate van aannemelijkheid van de inbreuk bestond voldoende grond om het verbod toe te wijzen zonder de gerekwestreerde vooraf te horen.
EU-wijd ex parte verbod wegens inbreuk op Uniemerken en Uniemodel van Philips
Rb. Den Haag 29 juni 2026, IEF 23715; ECLI:NL:RBDHA:2026:19388 (verzoekster tegen gerekwestreerden). Koninklijke Philips N.V. verzocht de voorzieningenrechter op grond van artikel 1019e Rv om een onmiddellijk verbod tegen een in Nederland woonachtige ondernemer en een Chinese vennootschap. Philips stelde dat de in het verzoekschrift omschreven producten inbreuk maakten op de in randnummer 5 genoemde Uniewoordmerken en het in randnummer 6 genoemde model. De voorzieningenrechter achtte zich bevoegd om voor de gehele Europese Unie over de gestelde inbreuk te oordelen. Voorshands bestond geen reden om aan de geldigheid van de ingeroepen rechten te twijfelen en had Philips de gestelde inbreuk voldoende aannemelijk gemaakt. Dit voorlopige oordeel kwam tot stand na een summier onderzoek waarbij alleen Philips was gehoord. Gelet op de aannemelijkheid van de inbreuk en het spoedeisende belang bestond voldoende grond om het verbod zonder voorafgaand verhoor van de gerekwestreerden toe te wijzen.
Geen proceskostenveroordeling na intrekking van kwekersrechtelijke vorderingen
Rb. Den Haag 15 juli 2026, IEF 23714; ECLI:NL:RBDHA:2026:19422 ([eiseressen] tegen De logistiek partners). Eiseres 1 was houdster van het communautaire kwekersrecht voor het plantenras Ofarim, dat door de exclusieve licentienemers onder de naam Green Bell op de markt werd gebracht. In een eerdere bodemprocedure had de rechtbank geoordeeld dat het door het Danziger-concern aangeboden en verhandelde ras Green Dragon onvoldoende van Ofarim afweek en dat daarmee inbreuk werd gemaakt op het kwekersrecht. Eiseressen begonnen vervolgens een kort geding tegen Beauty Line c.s. en verschillende logistieke dienstverleners die betrokken waren bij de verhandeling van Green Dragon. Na de mondelinge behandeling bereikten eiseressen een minnelijke regeling met Beauty Line c.s., waarna de procedure tegen hen werd doorgehaald en het kwekersrecht aan hen werd overgedragen. Eiseressen trokken vervolgens hun inhoudelijke vorderingen tegen de resterende logistieke partners in, maar handhaafden hun vordering tot vergoeding van de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv.
Artikel geschreven door Stefaan Meuwissen, Knowledge Lawyer I.P. bij Hogan Lovells International LLP.
AI roept nieuwe vragen op in domeinnaamgeschillen
Stefaan Meuwissen, 21 juli 2026.
Generatieve AI kan binnen enkele seconden een professioneel ogende UDRP-klacht of reactie opstellen, compleet met ogenschijnlijk relevante rechtsleer, gestructureerde juridische argumenten en verwijzingen naar zaken. Dat heeft een voordeel: het kan de praktische drempels voor deelname verlagen en ertoe leiden dat meer verweerders inhoudelijk reageren in plaats van verstek te laten gaan, en door AI ondersteunde reacties zouden uiteindelijk eerder regel dan uitzondering kunnen worden. Er is echter ook een keerzijde. De vloeiendheid en schijnbare autoriteit van door AI gegenereerde tekst kunnen ernstige zwaktes verhullen,waaronder verzonnen gezaghebbende bronnen, onjuiste citaten, irrelevante juridische analyses en feitelijke stellingen waarvoor geen gelijktijdig bestaand bewijs beschikbaar is. AI verandert ook het bewijs waarop partijen zich beroepen. Zoekresultaten, website-inhoud, bedrijfsplannen en waarderingen van domeinnamen kunnen inmiddels allemaal door AI worden gegenereerd. In sommige gevallen maakt het door AI gegenereerde materiaal zelf deel uit van het betwiste gedrag, bijvoorbeeld een website die vrijwel volledig door een geautomatiseerd hulpmiddel is gebouwd en die volgens een partij kwade trouw zou aantonen. Voor advocaten en panelleden is de praktische vraag voortaan zelden of AI is gebruikt. De vraag is of het resulterende stuk of bewijs nauwkeurig, relevant, verifieerbaar en voldoende is om vast te stellen wat de UDRP daadwerkelijk vereist.
Artikel geschreven door Rudi Holzhauer.
Worden IE-rechthebbenden de dupe van Dupes of van Algemene belangen?
Artikel geschreven door Rudi Holzhauer.
In het eerste BMM bulletin van 2026 bespreken de Rotterdamse advocaten Paul Trapman en Evianne Roos de grenzen die het IE recht stelt aan de handel in dupes. Dupes zijn qua prijs goedkopere duplicaten van originele dure luxe producten. En dat is iets anders dan een namaakproduct. Het is ook geen piraterij in de zin van de EU Anti-piraterijverordening.
“Bij namaakproducten is het doel het originele product zo goed mogelijk te imiteren – de vormgeving wordt zo precies mogelijk overgenomen en merk en teken zijn (vrijwel) identiek. Consumenten (of andere derden) kunnen bij namaak in beginsel niet zien dat het niet om het echte product gaat. Een dupe heeft daarentegen juist niet als doel een zogenaamde double identity6 te creëren. De dupe wordt juist gepositioneerd als een betaalbaar alternatief voor een duur luxeproduct. Daarbij worden zoveel mogelijk de stijl, de kenmerken, het design en de eigenschappen van het originele product gekopieerd, maar juist het merk, de logo’s en de precieze branding worden niet overgenomen.7
Ook de juridische definitie van een namaakproduct toont het verschil. Hoewel het Unierecht geen uniforme definitie kent van een namaakproduct,8 wordt in de
praktijk veelal aansluiting gezocht bij de definitie die de Douane hanteert op grond van de Anti-piraterijverordening.” (Trapman en Roos, blz. 26)
Zij leggen e.e.a. uit in hun zeer informatieve en IE-degelijke artikel. Niets mis mee. Goede analyses en bijdrage. Zij het wel: van binnenuit. D.w.z. vanuit het nu in Nederland geldende IE-recht. Begrijpelijk natuurlijk, maar … dan haak ik bijna meteen af. Met een glimlach. En wijs ik op al die IE-blabla. En al die negatieve impact op onze economie en daarmee op onze samenleving. Een ander perspectief.
Uitspraak ingezonden door Xavier Koehoorn, Dillinger Law & Kristien Wevers, GSJ Advocaten.
Argenta moet gegevens rekeninghouder verstrekken voor onderzoek naar mogelijke merkinbreuk
Ondernemingsrechtbank Antwerpen 2 juli 2026, IEF 23711; IEFbe 4266; IT 5391; A/26/02126 (Volkswagen tegen Argenta Spaarbank). In deze zaak vordert Volkswagen dat Argenta Spaarbank wordt bevolen de identiteit en contactgegevens te verstrekken van de houder van een bankrekening waarop inkomsten uit vermeend nagemaakte wieldoppen met het Volkswagen-logo zijn ontvangen. Volkswagen heeft vastgesteld dat dergelijke wieldoppen via 2dehands.be worden verkocht. Uit een door de anti-namaakorganisatie ABAC-BAAN verrichte proefaankoop blijkt dat de betrokken verkoper gebruikmaakt van een bankrekening bij Argenta. Volkswagen verzoekt om verstrekking van de volledige naam, de adresgegevens, het eventuele ondernemingsnummer, het telefoonnummer en het e-mailadres van de rekeninghouder, om te kunnen onderzoeken of sprake is van een inbreuk op haar merkrechten en daartegen zo nodig op te treden. Argenta betwist de vordering tot verstrekking van deze gegevens in essentie niet en gedraagt zich wat dat betreft naar de wijsheid van de rechtbank. Zij verzet zich wel tegen de oplegging van een dwangsom, omdat zij aankondigt het vonnis te zullen naleven.
Taxi Utrecht Centraal en Taxi Utrecht Centrale maken inbreuk op oudere handelsnamen van UTC
Hof Arnhem-Leeuwarden 18 november 2025, IEF 23710; ECLI:NL:GHARL:2025:7443 ([de taxichaffeur] tegen UTC). Utrechtse Taxi Centrale B.V. (UTC) exploiteert sinds 1993 een taxibedrijf in Utrecht en omgeving onder de handelsnamen “Utrechtse Taxi Centrale”, “Utrechtse Taxicentrale”, “UTC” en “U.T.C.”. Een andere taxiondernemer exploiteert sinds 2018 in dezelfde regio een taxibedrijf onder de namen “Taxi Utrecht Centraal” en “Taxi Utrecht Centrale”. UTC stelde daarnaast dat hij de handelsnaam “TUC” voerde. De rechtbank verbood het gebruik van alle drie de namen. Het hof verwerpt de processuele bezwaren van de taxiondernemer. Dat hij in eerste aanleg geen inhoudelijk verweer had gevoerd, leidt niet tot terugwijzing, omdat zijn verweren binnen de grenzen van de grieven in hoger beroep alsnog worden beoordeeld en een partij in beginsel geen aanspraak heeft op behandeling in twee feitelijke instanties. Ook de eerder tussen partijen getroffen schikking staat niet aan deze procedure in de weg. In de schikking was uitdrukkelijk bepaald dat de finale kwijting geen betrekking had op de eerder aangekondigde eiswijziging over “Taxi Utrecht Centraal”, “Taxi Utrecht Centrale” en “TUC”. Verder valt het oordeel van de rechtbank dat de eerste twee handelsnamen misleidend zijn buiten de door de grieven ontsloten rechtsstrijd, omdat de taxiondernemer alleen het verwarringsgevaar en niet het misleidende karakter had bestreden. Die zelfstandig dragende grond voor het verbod staat in hoger beroep daarom vast.
Bank mag zakelijke borgtocht volledig uitwinnen en hoefde geen pandrecht op IE-rechten te bedingen
Hof Amsterdam 7 juli 2026, IEF 23709; ECLI:NL:GHAMS:2026:1832 ([appellant] tegen de bank). Een medebestuurder en aandeelhouder van SCF-Solutions B.V. stelde zich tegenover ABN AMRO borg voor de verplichtingen van SCF uit een kredietovereenkomst. Zijn aansprakelijkheid was gemaximeerd op € 250.000, te vermeerderen met de door SCF verschuldigde rente en de invorderingskosten. Nadat de bank de kredietovereenkomst op 31 maart 2014 had opgezegd en SCF op 10 april 2014 failliet was verklaard, bleef een deel van de kredietschuld onbetaald. De bank sprak de borg op 17 april 2015 aan tot betaling van het maximumbedrag. Toen betaling uitbleef, liet zij in 2016 na verlof van de Belgische beslagrechter beslag leggen op zijn roerende zaken en werd tijdelijk een sekwester aangesteld. De Rechtbank Amsterdam veroordeelde de borg tot betaling van € 250.000, vermeerderd met rente en kosten. In hoger beroep voerde hij aan dat de Belgische beslaglegging onzorgvuldig en onrechtmatig was, dat de bank haar zorgplicht had geschonden door geen pandrecht op de IE-rechten van SCF te bedingen en dat het aanspreken van de borg naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Het hof is op grond van de tussen partijen gesloten forumkeuzeovereenkomst bevoegd en past vanwege de rechtskeuze in de borgtochtovereenkomst Nederlands recht toe. Omdat de geldigheid van de borgtocht en de tekortkoming van SCF vaststaan, mocht de bank haar zekerheden, waaronder de borgtocht, in beginsel uitwinnen.
Artikel geschreven door Bas Kist, Chiever.
Nike door 7-Eleven aangeklaagd voor merkinbreuk
Dat moet toch een beetje vreemd voelen voor het grote Nike: maak je nu eens niet zélf jacht op een na-aper, maar beticht een ander joú van merkinbreuk. Op 11 juli wilde Nike zijn nieuwe sneaker Air Max 95 in de kleuren oranje, groen en rood groots lanceren. Echter, daar heeft winkelketen 7-Eleven nu een stokje voor gestoken. Oranje, groen en rood is van ons, zo stelt het bedrijf in de aanklacht die het indiende bij de rechtbank in Texas. Nike voelt blijkbaar nattigheid en heeft de lancering van de nieuwe schoen maar even on hold gezet.
Rapper verbeurt € 90.000 aan dwangsommen wegens TikTok-fragment met minderjarig kind
Rb. Den Haag 29 juni 2026, IEF 23707; IT 5382; ECLI:NL:RBDHA:2026:17586 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze zaak vordert eiser, een rapper, staking van de executie van dwangsommen die hij volgens gedaagde heeft verbeurd doordat een TikTok-fragment met beeldmateriaal van haar minderjarige kind online is blijven staan. In een eerder kort geding van 23 april 2026 is eiser veroordeeld om alle foto’s, video’s en enig ander herkenbaar beeldmateriaal van het kind van zijn sociale media te verwijderen en verwijderd te houden. Het bevel omvat uitdrukkelijk een videoclip waarin op de telefoon van eiser een foto van hem met het kind zichtbaar is. Aan het bevel is een dwangsom verbonden van € 5.000 per dag of dagdeel dan wel, naar keuze van gedaagde, per overtreding, met een maximum van € 250.000. Het vonnis is op 29 april 2026 betekend. Een fragment van de betreffende videoclip blijft daarna op het TikTok-account van eiser staan en wordt pas op 18 mei 2026 definitief verwijderd. Op 13 mei 2026 laat gedaagde eiser bevel doen tot betaling van € 60.000 aan op dat moment opgeëiste dwangsommen en laat zij bankbeslag leggen. Over de volledige periode van 1 tot en met 18 mei 2026 stelt zij zich op het standpunt dat eiser in totaal € 90.000 aan dwangsommen heeft verbeurd. Eiser vordert primair opheffing van de beslagen, staking van de executie en terugbetaling van reeds geïnde bedragen. Subsidiair vordert hij de executie op nihil te stellen, te beperken tot de periode tot en met 3 mei 2026 of tot een lager bedrag. Meer subsidiair vordert hij de executie te schorsen totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is vastgesteld of en tot welk bedrag dwangsommen zijn verbeurd. Volgens eiser valt het TikTok-fragment niet onder het eerdere verwijderingsbevel. Daarnaast stelt hij dat hij het fragment na een waarschuwing van gedaagde op 3 mei 2026 heeft verwijderd, maar dat het door een technische fout of storing bij TikTok zichtbaar is gebleven of opnieuw online is verschenen. Hij beroept zich op onmogelijkheid tot nakoming in de zin van art. 611d Rv en op misbruik van executiebevoegdheid.