Uitnodiging AIPPI Young Members bezoek aan Secrid
Beste Young Members,
Van Nederlandse ontwerpstudio tot internationaal succes: Secrid laat goed zien hoe design, innovatie en intellectuele eigendom elkaar kunnen versterken. Maar hoe ziet dat er in de praktijk uit? Welke rol speelt IE bij het ontwikkelen van nieuwe producten, welke keuzes maak je bij de bescherming ervan en hoe ga je om met inbreuk, zonder daarbij je bredere waarden uit het oog te verliezen?
Op donderdag 10 september 2026 zijn de AIPPI Young Members te gast bij Secrid in Den Haag. Founders, het innovatieteam en IE-specialisten van binnen en buiten Secrid nemen ons mee door de hele levenscyclus van een Secrid-product: van idee en ontwerp tot bescherming en handhaving. We sluiten we de middag natuurlijk af met een borrel.
Uitspraak ingezonden door Olivia van Rikxoort en Els Doornhein, De Vos & Partners.
Geen merkinbreuk op FeelGoodClubs-beeldmerk door Basic-Fit-slogan ‘Join the Feel Good Club’
Rb. Noord-Holland 24 juni 2026, IEF 23763; C/15/376812 / KG ZA 26-194 (Stichting FeelGoodClubs tegen Basic Fit). In dit kort geding vordert Stichting FeelGoodClubs (FGC) dat Basic Fit ieder gebruik van het teken ‘Feel Good Club’, waaronder de slogans ‘Welcome to the Feel Good Club’ en ‘Join the Feel Good Club’, in de Benelux staakt en haar bestaande reclame-uitingen verwijdert. FGC exploiteert sinds 2012 een platform op het gebied van fitness en lifestyle en is houdster van verschillende in 2015 geregistreerde Benelux-beeldmerken met woordelementen, waaronder het beeldmerk ‘FeelGoodClubs’, voor onder meer gezondheids-, fitness- en sportdiensten. Basic Fit startte in januari 2026 een reclamecampagne waarin zij ‘Join the Feel Good Club’ gebruikte. Volgens FGC maakt dit gebruik inbreuk op haar merkrechten op grond van art. 2.20 lid 2 onder a, b en c BVIE, omdat sprake is van overeenstemming voor soortgelijke diensten, verwarringsgevaar en aantasting van het onderscheidend vermogen van haar merken. Basic Fit betwist de inbreuk en voert onder meer aan dat de bescherming van FGC ziet op de beeldmerken als geheel, dat de woorden ‘feel good’ en ‘club’ beschrijvend dan wel weinig onderscheidend zijn en dat de totaalindruk van haar reclamecampagne duidelijk afwijkt van die van de FGC-merken.
Sonna schendt vaststellingsovereenkomst met Vlisco door merk- en auteursrechtinbreuken
Rb. Oost-Brabant 4 maart 2026, IEF 23759; ECLI:NL:RBOBR:2026:1554 (Vlisco tegen Sonna). Vlisco en stoffenhandelaar Sonna sluiten op 1 februari 2024 een vaststellingsovereenkomst om een eerder geschil over inbreuken op de IE-rechten van Vlisco te beëindigen. Sonna verplicht zich daarin onder meer om geen inbreuk te maken op de merken, auteursrechten en modelrechten van Vlisco en om bepaalde inbreukmakende producten te vernietigen. Daarna constateert Vlisco verschillende nieuwe overtredingen. De rechtbank oordeelt onder meer dat de aanduiding SUPER WAX op voor Sonna bestemde stoffen verwarringwekkend overeenstemt met Vlisco’s Uniewoordmerk SUPER-WAX. Ook bepaalde logo’s op de stoffen stemmen verwarringwekkend overeen met een beeldmerk van Vlisco. Voor de afzonderlijke labels geldt dat niet, omdat daarbij volgens de rechtbank meer verschillen dan overeenkomsten bestaan en het verwarringsgevaar gering is. Daarnaast genieten verschillende Vlisco-dessins auteursrechtelijke bescherming. De door Sonna gebruikte versies van onder meer het parasolbloemendessin en dessin 14-2987 maken daarop inbreuk, omdat de verschillen van ondergeschikte aard zijn en de totaalindruk overeenstemt. Ook bij een proefaankoop stelt de rechtbank zowel een merkinbreuk als een auteursrechtinbreuk vast. Verder levert het online tonen van beschermde dessins en het gebruik van de tekens SUPER WAX, SUPERWAX, Superwax en Grand Superwax op de website van Sonna schendingen van de vaststellingsovereenkomst op. Niet alle verwijten van Vlisco slagen. Zo kan de rechtbank op basis van het beschikbare beeldmateriaal niet vaststellen dat een jurk met een stoelendessin auteursrechtinbreuk maakt. Ook leveren de door Vlisco als misleidend aangemerkte aanduidingen op de door de douane tegengehouden stoffen binnen de specifieke afspraken van de vaststellingsovereenkomst geen schending op.
Hof ’s-Hertogenbosch: tweede licentieovereenkomst verhindert nakoming eerste licentieovereenkomst niet
Hof 's-Hertogenbosch 1 december 2025, IEF 23758; ECLI:NL:GHSHE:2025:3430 (Isowrap tegen IFS). Isowrap sluit op 12 februari 2025 met IFS een licentieovereenkomst waarbij IFS voor vijf jaar het exclusieve gebruik krijgt van het octrooi op het Isobooster-product en van de handelsnaam ISOBOOSTER. Isowrap stelt enkele maanden later dat de overeenkomst is geëindigd, omdat IFS het octrooi gedurende drie aaneengesloten maanden ongebruikt zou hebben gelaten. Ook voert Isowrap aan dat partijen mondeling als ontbindende voorwaarde hebben afgesproken dat IFS binnen een maand een geschikte productiemachine gereed moest hebben. Het hof gaat daar niet in mee. In dit kort geding kan niet worden vastgesteld dat een dergelijke ontbindende voorwaarde is overeengekomen. Bij de uitleg van de beëindigings- en vervalbepaling volgens de Haviltex-maatstaf ziet het hof bovendien geen grond voor de opvatting dat IFS zelf Isobooster-producten moest produceren. IFS heeft verschillende voorbereidende activiteiten verricht, waaronder investeringen in de productielocatie, grondstoffen, marketing, certificering, personeel en financiering. Die activiteiten zijn volgens het hof gericht op het benutten van het octrooi. Isowrap heeft daarom onvoldoende gesteld om aan te nemen dat IFS het octrooi gedurende een aaneengesloten periode van drie maanden ongebruikt heeft gelaten. De stelplicht en bewijslast van de door Isowrap ingeroepen ontbindende voorwaarde en beëindigings- of vervalgrond rusten op Isowrap.
Gerecht: EUIPO gebonden aan eerder arrest over kwade trouw bij RED BRAND CHICKEN-merk
Gerecht 13 oktober 2025, IEF 23760; ECLI:EU:T:2025:970 (Grzegorz Wyrębski tegen EUIPO en Anna Gagatek-Woźniak, Artur Woźniak en Jolanta Mozerys). De zaak betreft een driedimensionaal Uniemerk bestaande uit de rood-witte rechthoekige vorm van een verpakking, ingeschreven voor producten en diensten in de klassen 29 en 40. Wyrębski verzoekt om nietigverklaring van het merk wegens kwade trouw bij de indiening van de merkaanvraag in de zin van artikel 52 lid 1 onder b van Verordening 207/2009. De nietigheidsafdeling van het EUIPO wijst dit verzoek aanvankelijk toe en de Tweede kamer van beroep verwerpt het daartegen ingestelde beroep. In 2023 vernietigt het Gerecht die beslissing echter, omdat de aangevoerde omstandigheden en bewijzen onvoldoende zijn om de kwade trouw van de merkhouders vast te stellen. Nadat het Hof een hogere voorziening tegen dat arrest niet toelaat, wordt de zaak opnieuw aan een kamer van beroep voorgelegd. De Vierde kamer van beroep vernietigt vervolgens de beslissing van de nietigheidsafdeling en wijst het verzoek om nietigverklaring af. Volgens het Gerecht handelt zij daarmee juist. Op grond van artikel 72 lid 6 van Verordening 2017/1001 moet het EUIPO bij de uitvoering van een vernietigingsarrest niet alleen het dictum, maar ook de dragende overwegingen daarvan eerbiedigen. Het eerdere arrest laat volgens het Gerecht geen materieel geschilpunt over de gestelde kwade trouw meer open: daarin is reeds geoordeeld dat het bewijs daarvoor ontoereikend is.
Mr. S.K. Martens Academie 2026/2027
Belangstellenden kunnen zich nu aanmelden voor de volgende editie van de Mr. S.K. Martens Academie. Deze officiële specialisatieopleiding intellectueel eigendoms- en procesrecht is bedoeld voor advocaten, rechters en (bedrijfs)juristen die hun juridische kennis en praktische vaardigheden verder willen verdiepen. De opleiding bestaat uit acht masterclasses en vier live online sessies en start naar waarschijnlijkheid in het najaar 2026.
De nadruk ligt op de praktische bescherming en handhaving van intellectuele eigendomsrechten. Deelnemers werken in kleine groepen met actuele jurisprudentie, recente praktijkvoorbeelden en concrete businesscases. Ook de invloed van AI op de rechtspraktijk maakt deel uit van het programma. De hoofddocenten zijn Marijn Kingma, Peter Teunissen en Jorn Torenbosch.
Na succesvolle afronding van het mondelinge examen ontvangen deelnemers een certificaat in het intellectueel eigendoms- en procesrecht. De opleiding levert 54 tot 60 PO-punten op. Daarnaast krijgen deelnemers toegang tot het alumninetwerk en gedurende één jaar kosteloos toegang tot verschillende IE-publicaties en databanken van deLex, zoals AI-Forum, Auteursrecht, BMM Bulletin, Berichten Industriële Eigendom en Mediaforum.
Aanmelden of een offerte op maat aanvragen kan via info@delex.nl.
Werkelijke advocaatkosten toegewezen na overdracht domeinnaam tijdens kort geding
Rb. Limburg 14 juli 2026, IEF 23747; IT 5434; ECLI:NL:RBLIM:2026:6960 ([eiseres] tegen [gedaagde]). In deze zaak oordeelt de voorzieningenrechter over de proceskosten nadat [eiseres] haar oorspronkelijke inhoudelijke vorderingen heeft ingetrokken. [gedaagde] is de voormalige partner van [eiseres] en heeft in het verleden werkzaamheden verricht ten behoeve van de onderneming van [eiseres], waaronder het bouwen en beheren van haar website. [gedaagde] heeft op enig moment de feitelijke controle over de domeinnaam, website, hostingomgeving en zakelijke e-mailomgeving van [eiseres] naar zich toe getrokken, [eiseres] de toegang daartoe ontzegd en vervolgens haar website offline gehaald. [eiseres] vordert oorspronkelijk, naast vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten, onder meer dat [gedaagde] wordt bevolen de controle over en toegang tot de domeinnaam, website, hostingomgeving en zakelijke e-mailomgeving aan haar terug te geven en de daarvoor noodzakelijke medewerking te verlenen, op straffe van een dwangsom. Nadat de procedure aanhangig is gemaakt, herstelt [gedaagde] op 28 juni 2026 de toegang tot de zakelijke mailbox en zet hij de website weer online. Op 29 juni 2026 draagt hij ook de domeinnaam aan [eiseres] over. [eiseres] trekt daarop haar inhoudelijke vorderingen in, zodat uitsluitend haar vordering tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten resteert. [gedaagde] verschijnt niet in de procedure.
Sky veroordeeld in proceskosten na intrekking oppositie
Gerecht EU 21 juli 2026, IEF 23749; IEFbe 4277; ECLI:EU:T:2026:482 (Sky tegen EUIPO). In deze beschikking oordeelt de Eerste kamer van het Gerecht EU dat Sky wordt veroordeeld in de kosten in de procedure tegen EUIPO. Sky had beroep ingesteld tot nietigverklaring van een beslissing van de Tweede kamer van beroep van het EUIPO van 27 april 2022. Tijdens de procedure trok Sky haar oppositie tegen de inschrijving van het betrokken merk in. Hierdoor raakte het beroep zonder voorwerp en hoefde het Gerecht niet langer uitspraak te doen. Op grond van artikel 137 van het Reglement voor de procesvoering veroordeelt het Gerecht Sky in alle proceskosten.
Walsall Conduits veroordeeld in proceskosten na intrekking beroep
Gerecht EU 22 juli 2026, IEF 23748; IEFbe 4276; ECLI:EU:T:2026:486 (Walsall Conduits tegen EUIPO). In deze beschikking beveelt de president van de zesde kamer van het Gerecht EU de doorhaling van zaak T-73/22 en veroordeelt hij Walsall Conduits Ltd in de proceskosten. Walsall Conduits had beroep ingesteld tot nietigverklaring van een beslissing van de Eerste kamer van beroep van het EUIPO van 22 november 2021. Tijdens de procedure liet Walsall Conduits het Gerecht weten dat zij haar beroep wilde intrekken en verzocht zij dat het EUIPO zijn eigen kosten zou dragen. Het EUIPO maakte geen bezwaar tegen de intrekking, maar verzocht Walsall Conduits haar eigen kosten te laten dragen. Het Gerecht overweegt dat uit het dossier niet blijkt van gedragingen van het EUIPO die rechtvaardigen dat het EUIPO in de kosten wordt veroordeeld. Op grond van artikel 136, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de zaak daarom doorgehaald en wordt Walsall Conduits veroordeeld in de proceskosten.
HvJ EU laat hogere voorziening over aanvullende bewijsstukken bij EUIPO niet toe
HvJ EU 11 september 2025, IEF 23750; ECLI:EU:C:2025:725 (ADS L. Kowalik, B. Włodarczyk tegen EUIPO). ADS L. Kowalik, B. Włodarczyk verzoekt om toelating van haar hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van 15 januari 2025 in een nietigheidsprocedure betreffende een Gemeenschapsmodel voor een accessoire voor een draadloze afstandsbediening. Het geschil betreft met name de voorwaarden waaronder een kamer van beroep van het EUIPO rekening kan houden met feiten en bewijsstukken die voor het eerst voor die kamer worden aangevoerd. Volgens ADS heeft het Gerecht onder meer artikel 27 leden 2 en 4 van Gedelegeerde Verordening 2018/625, gelezen in samenhang met bepalingen van Verordening 6/2002, onjuist uitgelegd. Ook zou de uitleg van het Gerecht onverenigbaar zijn met het beginsel van behoorlijk bestuur, waaronder het recht om te worden gehoord en het beginsel van equality of arms, zoals beschermd door artikel 41 lid 1 Handvest. Daarnaast voert ADS aan dat het Gerecht de inhoud van beslissingen van de nietigheidsafdeling en de kamer van beroep heeft verdraaid. Volgens ADS zijn deze kwesties van belang voor de beslissingspraktijk van het EUIPO en voor de omvang van de bevoegdheden van de kamers van beroep.