IEF 22178
5 augustus 2024
Uitspraak

Geen spoedeisend belang in kort geding tegen MeDirect Bank

 
IEF 22177
5 augustus 2024
Uitspraak

Gerecht vernietigt beslissing over handelsmerk voor oranje kleur op champagne

 
IEF 22174
2 augustus 2024
Uitspraak

Optrekkend geluid van een auto heeft geen onderscheidend vermogen

 
IEF 13478

Octrooiinbreuk op dispenser en doosjes vloeipapier

Rechtbank Den Haag 29 januari 2014, HA ZA 12-359, (Future Holding B.V. & Future Bags B.V. tegen A.B.K. Producten)
Uitspraak ingezonden door Otto Swens, Vondst Advocaten.
Octrooirecht. Future Holding is houdster van NL 2003451, 'dispenser for dispensing sheets'. Future Bags brengt onder het merk FUTUROLA een dispenser en doosjes vloeipapier volgens het octrooi op de markt. ABK brengt de ABK-doos met vloeipapier op de markt, die kan worden gebruikt in combinatie met de door Future Bags op de markt gebrachte FUTUROLA dispenser. Future heeft ten laste van ABK beslag tot afgifte gelegd op een aantal dozen en bewijsbeslag gelegd op een aantal e-mailberichten.

Future stelt dat ABK met de verhandeling van de dozen inbreuk maakt. Zij vordert succesvol een inbreukverbod en een gebod tot het toestaan van inzage in het inbeslaggenomen bewijsmateriaal en een recallactie. Het bewijsbeslag wordt opgeheven. ABK wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot vernietiging van NL 2003451 in gewijzigde vorm.

4.11. Uit het voorgaande volgt dat de wijziging van conclusie 9 niet tot uitbreiding van de beschermingsomvang van het octrooi leidt.

4.12. Het beroep op niet-nawerkbaarheid van de gewijzigde conclusie 9, dat berust op de onder (vii) vermelde vervanging van het woord ‘behuizing’ door ‘doos’, moet worden verworpen alleen al omdat deze kennelijke verschrijving in de gewijzigde conclusies II gecorrigeerd.

4.13. Evenzeer moet de stelling worden verworpen dat de materie van de gewijzigde conclusie 9 niet nieuw en inventief zou zijn ten opzichte van de eerste Futurola-doos. De gewijzigde conclusie 9 houdt in als maatregel dat de tweede zij muur twee flenzen omvat. Met Future c.s. is de rechtbank van mening dat in de eerste Futurola-doos dergelijke flenzen voor de gemiddelde vakman niet, laat staan duidelijk en ondubbelzinnig, zijn waar te nemen. De gewijzigde conclusie 9 is dus nieuw. De stelling dat de materie van conclusie 9 niet inventief zou zijn, is niet gemotiveerd en dient alleen al daarom te worden verworpen.

4.14. Overige bezwaren tegen de geldigheid van gewijzigde conclusie 9 zijn niet aangevoerd, zodat deze voor geldig moet worden gehouden. Nu bovendien de inbreuk als zodanig niet is bestreden, kan het in conventie gevorderde in beginsel worden toegewezen. De geldigheid van de overige conclusies is verder niet relevant voor de beslissing in conventie.

4.15. Future c.s. heeft geen belang bij het gevorderde verbod op indirecte inbreuk en betrokkenheid bij inbreuk omdat niet is gesteld dat sprake is van (dreigende) indirecte inbreuk of enige andere te verbieden betrokkenheid bij octrooi-inbreuk. De termijnen voor het doen van opgave en afgifte van inbreukmakende producten worden ter voorkoming van executiegeschillen verruimd. De gevorderde opgave en afdracht van de genoten bruto winst is niet toewijsbaar omdat volgens vast rechtspraak de winst dient te worden verminderd met bepaalde kosten. De gevorderde recali wordt beperkt tot het door Future c.s. genoemde inbreukmakende product. Aan het provisioneel gevorderde wordt niet toegekomen omdat terstond eindvonnis wordt gewezen.

4.18. In reconventie moeten de gevorderde verklaring voor recht en het verbod op handhaving van het octrooi worden afgewezen. De gevorderde vernietiging van het octrooi (zowel zoals verleend als het gewijzigde) stuit - zoals future c.s. terecht heeft aangevoerd - af op het ontbreken van het in artikel 76 lid 1 ROW 1995 bedoelde advies. ABK c.s. dient in die vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

4.19. Nu de onderhavige procedure voor wat betreft het gelegde bewijsbeslag heeft te gelden als hoofdzaak en geen inzage in het in beslaggenomen bewijs wordt toegewezen, dient zoals gevorderd het bewijsbeslag te worden opgeheven. Dat geldt niet voor het conservatoir beslag tot afgifte van inbreukmakende producten omdat in dit vonnis de afgifte van die producten wordt bevolen.

4.20. ABK c.s. moet zowel in conventie als in reconventie worden aangemerkt als de (hoofdzakelijk) in het ongelijk gestelde partij. [..]

IEF 13473

Gerecht EU week 5

Gemeenschapsmerk. We beperken ons tot een wekelijks overzicht van de (voortgezette oppositie)beslissingen van het Gerecht EU. Ditmaal over:
A) Beroep IMPERIA afgewezen [IMPERIA v. IMPERIAL]
B) Geen onjuiste toepassing artikel 8(1)(b) Verordening 40/94 [Carrera panamericana v. CARRERA]
C) Niet voldaan aan artikel 8(1)(b) van Verordening 207/2009 [GOLDSTEIG v. goldstück
D) Beroep parameta afgewezen [parameta v. PARAMETRICA]

Gerecht EU 28 januari 2014, zaak T-216/11 (IMPERIA) - dossier

A) Gemeenschapsmerk – Beroep ingesteld door de aanvrager van het beeldmerk met het woordelement „IMPERIA” voor waren en diensten van de klassen 29, 30, 31, 32 en 43, en strekkende tot vernietiging van beslissing van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) houdende verwerping van het beroep tegen de weigering van de oppositieafdeling om dit merk in te schrijven in het kader van de oppositie ingesteld door de houder van het gemeenschapsbeeldmerk met het woordelement „IMPERIAL” voor waren van klasse 29. Het beroep is afgewezen.

Sur les signes figuratifs:
31 La circonstance que le volatile de la marque demandée puisse être un canard ou une oie alors que celui de la marque antérieure serait un rapace ne saurait remettre en cause la conclusion à laquelle est parvenue la chambre de recours selon laquelle les deux marques sont composées d’éléments figuratifs similaires, dès lors qu’il n’est pas contesté qu’il s’agit de deux volatiles.

Sur le caractère dominant du signe verbal:
51 À cet égard, il y a lieu de rappeler, contrairement à ce qu’affirme la requérante, qu’un éventuel caractère distinctif faible d’un élément d’une marque complexe n’implique pas nécessairement que celui-ci ne saurait constituer un élément dominant, dès lors que, en raison, notamment, de sa position dans le signe ou de sa dimension, il est susceptible de s’imposer à la perception du consommateur et d’être gardé en mémoire par celui-ci

53 En l’espèce, à la différence de l’affaire visée au point précédent, les éléments verbaux présents dans les deux marques en conflit apparaissent comme dominants, eu égard, d’une part, à leur dimension et à leur représentation et, d’autre part, à la position qu’ils occupent dans le signe.

Caractère distinctif acquis par l’usage
49 l’argument de la requérante, tiré de ce que l’intervenante n’aurait pas établi l’acquisition du caractère distinctif de sa marque par l’usage, même s’il était fondé, ne serait, en tout état de cause, pas de nature à pouvoir infirmer le constat fait par le Tribunal selon lequel la marque antérieure est dotée d’un caractère distinctif moyen.

Gerecht EU 28 januari 2014, zaak T-600/11 (Carrera panamericana)  - dossier
B) Gemeenschapsmerk – Beroep door de aanvrager van het woordmerk „Carrera panamericana” voor waren van de klassen 18 en 25 ingesteld en strekkende tot vernietiging van beslissing R 1989/20101 van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 15 september 2011 houdende verwerping van het beroep tegen de gedeeltelijke weigering van de oppositieafdeling om dat merk in te schrijven in het kader van de oppositie ingesteld door de houder van het beeldmerk met het woordelement „CARRERA” voor waren van klasse 25. Het beroep is afgewezen.

54 In the third place, the applicant disputes the Board of Appeal’s findings relating to the conceptual comparison of the two marks. It submits, first, that none of the meanings of the Spanish word ‘carrera’, which translates as ‘race’ and designates a famous sports car as well as numerous other marks, has any connection with the mark applied for. Secondly, the applicant alleges that the Board of Appeal did not take into account the fact that the car race which took place from 1950 to 1955 in Mexico and is known by the name of ‘carrera panamericana’ began again in 1988 and is therefore known to broad sections of the public. In the applicant’s submission, even if the consumer did not know that car race, he would identify the mark applied for as referring to the ‘panamericana’, also called ‘carretera panamericana’, which is a road network ‘link[ing] Alaska to Tierra del Fuego’. The two components of that expression are therefore inseparably linked and, consequently, the Board of Appeal erred in dissociating them.

62 In view of all of those considerations, the Board of Appeal did not err in law under Article 8(1)(b) of Regulation No 40/94 in finding that there was a likelihood of confusion between the marks at issue.

Gerecht EU 29 januari 2014, zaak T/47-13 (goldstück) - dossier
C) Gemeenschapsmerk – Beroep door de houder van het gemeenschapswoordmerk „GOLDSTEIG”
voor waren en diensten van de klassen 29 en 43 ingesteld en strekkende tot vernietiging van beslissing R 2589/20111 van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 14 november 2012 houdende vernietiging van de weigering van de oppositieafdeling om het beeldmerk met het woordelement „goldstück” voor waren van de klassen 29 en 30 in te schrijven in het kader van de oppositie ingesteld door verzoekster. Het beroep is afgewezen.

42 En l’espèce, il y a lieu de relever que le public pertinent, lors de l’achat des produits et de l’utilisation des services en cause, percevra les marques les désignant de façon visuelle. Dès lors, l’aspect visuel revêt plus d’importance dans l’appréciation globale du risque de confusion. Or, en l’espèce, l’examen des marques en conflit montre qu’elles ne sont pas similaires sur les plans visuel et conceptuel et qu’elles sont seulement en partie similaires sur le plan phonétique.

43 Dans ces conditions, compte tenu des différences significatives entre les marques en conflit, c’est à bon droit que la chambre de recours a considéré qu’il n’existait pas de risque de confusion entre les marques en conflit dans la perception du public pertinent, à savoir du consommateur moyen de l’Union, normalement informé et raisonnablement attentif et avisé.

44 Il résulte de ce qui précède que l’une des conditions prévues à l’article 8, paragraphe 1, sous b) du règlement n° 207/2009 n’est pas remplie. Dès lors, le recours doit être rejeté dans son ensemble sans qu’il soit besoin d’examiner les différents arguments de la requérante relatifs à l’appréciation erronée du caractère distinctif de sa marque.

Gerecht EU 30 januari 2014, zaak T-495/11 (PARAMETRICA)  - dossier
D) Gemeenschapsmerk – Beroep ingesteld door de houder van het nationale woordmerk „parameta”, voor diensten van de klassen 35, 38, 41 en 42, strekkende tot vernietiging van beslissing R 1348/20104 van de vierde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (BHIM) van 19 juli 2011, waarbij is vernietigd de beslissing van de oppositieafdeling houdende weigering van inschrijving van het woordmerk „PARAMETRICA”, voor diensten van de klassen 36 en 42, in het kader van de oppositie van verzoeker. Het beroep is afgewezen.

35 Or, en l’espèce, le requérant n’avait traduit que de manière sélective l’extrait de site Internet qu’il avait produit devant l’OHMI. En particulier, cet extrait comportait plusieurs mentions substantielles, telles que l’autorité émettrice, la date de dépôt de la demande de l’enregistrement, le type de marque et le statut juridique de la marque, qui n’avaient pas été traduites.

36 Dès lors, à l’instar de la chambre de recours, il convient de constater que ce document ne constitue pas une traduction au sens de la règle 98, paragraphe 1, du règlement nº 2868/95.

37 Deuxièmement, il est, certes, incontestable que l’extrait du registre des marques du Deutsches Patent- und Markenamt, datant du 2 septembre 2003 et produit le 25 août 2008 en annexe à l’acte d’opposition, contient des codes INID qui ne nécessitent pas une traduction. Toutefois, d’une part, contrairement à ce que prétend le requérant, la chambre de recours n’a pas méconnu l’objectif poursuivi par les codes INID en exigeant une traduction complète d’un document contenant ces codes. Elle s’est bornée à constater, à juste titre, que « les codes INID ne peuvent dispenser que de traduction des catégories générales et des termes qu’ils représentent ». D’autre part, il convient de relever que l’extrait en cause contient plusieurs rubriques qui ne sont pas accompagnées de ces codes INID et n’ont pas été traduites par le requérant.

38 Troisièmement, l’argument selon lequel l’interprétation formaliste des règles pertinentes par la chambre de recours porte atteinte au droit de la propriété du requérant ne saurait non plus prospérer. En effet, le droit de la propriété intellectuelle consacré à l’article 17 de la charte des droits fondamentaux n’est pas absolu [voir arrêt du Tribunal du 3 mai 2006, Eurohypo/OHMI (EUROHYPO), T‑439/04, Rec. p. II‑1269, point 21] et peut, en conséquence, faire l’objet de limitations, pourvu, en particulier, que, conformément à l’article 52, paragraphe 1, de la charte des droits fondamentaux, celles-ci soient proportionnées à l’objectif poursuivi. Or, même à supposer que la règle 98, paragraphe 1, du règlement nº 2868/95 ait limité l’exercice, par le requérant, de son droit de propriété, force est de constater que cette limitation n’excède pas ce qui est requis pour atteindre les objectifs mentionnés au point 26 ci-dessus. En effet, ainsi que le requérant le reconnaît lui-même dans ses écritures, la protection de l’intérêt de l’autre partie devant l’OHMI exige la présentation de preuves dans la langue de procédure dans la mesure nécessaire pour établir l’existence, la validité et l’étendue de la marque antérieure.

39 Il résulte de ce qui précède que c’est à bon droit que la chambre de recours a conclu que le requérant n’avait pas traduit les éléments essentiels et a rejeté l’opposition, conformément à la règle 20, paragraphe 1, du règlement nº 2868/95. Partant, le recours doit être rejeté.

IEF 13477

Tenuitvoerlegging verbod op naam Nederlands Symfonieorkest geschorst

Vzr. Rechtbank Amsterdam 29 januari 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:302 (Stichting Nederlands Symfonieorkest tegen Stichting Nederlands Philharmonisch Orkest)
Uitspraak ingezonden door Marc de Boer, Boekx.
Merkenrecht. Handelsnaamrecht. Contractrecht. Schorsing tenuitvoerlegging. In kort geding [IEF 11168] is NedSym bevolen de inbreuk op de merkrechten van NedPho met betrekking tot het gebruik van het teken NedSo te staken en gestaakt te houden. Bij arrest [IEF 12802] is de vordering van NedPho toegewezen, omdat er afspraken uit 1996/97 bestaan op grond waarvan NedPho ervan uit mocht gaan dat NedSym nimmer de naam Nederlands Symfonieorkest zou gaan gebruiken. Na dit arrest heeft NedSym de nietigheid dan wel vernietigbaarheid ingeroepen van de tussen partijen in 1996/1997 gemaakte afspraken. Tevens heeft NedSym deze afspraken bij opzeggingsbrief beëindigd per 1 januari 2014. Bij dagvaarding heeft NedSym een bodemprocedure aanhangig gemaakt, waarin onder meer een verklaring voor recht wordt gevorderd dat geen sprake is van bindende contractuele afspraken. NedSym heeft NedPho verzocht of zij bereid is om het arrest van het gerechtshof, voor zover het een verbod op voorbereidingshandelingen betreft, niet ten uitvoer te leggen. NedPho heeft hier afwijzend op gereageerd.

Nedsym vordert NedPho te verbieden het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 25 juni 2013 ten uitvoer te leggen, primair totdat in de tussen partijen aanhangige bodemprocedure een beslissing is genomen en subsidiair voor zover dat arrest betrekking heeft op een verbod op het gebruik van de naam Nederlands Symfonieorkest bij voorbereidingshandelingen voor het seizoen 2014/2015. De voorzieningenrechter schorst de tenuitvoerlegging van het arrest.

De rechtbank oordeelt als volgt:

4.1. Vooropgesteld wordt dat het arrest van het gerechtshof van 25 juni 2013 is gewezen in kort geding en daarom geen gezag van gewijsde heeft (HR 16 december 1994, NJ 1995, 213). Partijen zijn dus aan de voorlopige oordelen en beslissingen van het gerechtshof niet gebonden. Dat neemt niet weg dat voor zover een verbod wordt gevraagd om de executie van een bij genoemd arrest uitgesproken veroordeling te verbieden, daarvoor in beginsel het criterium voor een executiegeschil moet worden toegepast. Dat betekent dat voor schorsing van de tenuitvoerlegging van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde arrest slechts plaats is, indien NedPho geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om in afwachting van de uitslag van de bodemprocedure tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn, indien het arrest klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag, of indien de executie op grond van na het arrest voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van NedSym een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard (HR 22 april 1983, NJ 1984, 145).

4.3. In het kader van voornoemde beoordeling is uitgangspunt dat het gerechtshof in het arrest van 25 juni 2013 heeft vastgesteld dat tussen partijen in 1996/1997 een rechtens bindende overeenkomst is tot stand gekomen. De voorzieningenrechter sluit zich aan bij dit oordeel. Tussen partijen is in geschil of deze overeenkomst moet worden gekwalificeerd als een vaststellingsovereenkomst. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat dit niet het geval is. Het enkele feit dat er onzekerheid was over de rechtstoestand (te weten het al dan niet toelaatbaar zijn van de naam The Netherlands Symphony Orchestra) is onvoldoende om een vaststellingsovereenkomst aan te nemen. Voor een vaststellingsovereenkomst is immers volgens artikel 7:900 BW vereist dat partijen daarmee beogen tussen hen een rechtstoestand vast te stellen. De strekking van de overeenkomst zoals deze uit de gedingstukken kan worden afgeleid (weergegeven onder 2.6) was echter niet dat tussen partijen een rechtstoestand werd vastgesteld, maar dat de ene partij de ander ‘met rust zou laten’ en ‘het er bij zou laten zitten’, gezien de toezegging van de andere partij de naam The Netherlands Symphony Orchestra alleen in het buitenland te gebruiken. De aard van een vaststellingsovereenkomst verzet zich er tegen dat deze kan worden opgezegd. Een overeenkomst als de onderhavige, te weten om iets niet te doen (waarvan niet is vastgesteld of het al dan niet onrechtmatig is) met als tegenprestatie dan ‘met rust gelaten te worden’, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen afspraak waarvan ‘voor altijd’ de nakoming kan worden gevorderd. Een dergelijke overeenkomst kan dus worden opgezegd. Er is dan ook een reële kans dat in de bodemprocedure geoordeeld zal worden dat gezien de onder 2.7 vermelde opzegging de overeenkomst van 1996/1997 NedSym niet langer bindt.

4.4. NedPho heeft zich in dit geding ook beroepen op haar merkenrechten en handelsnaamrechten. De voorzieningenrechter heeft in het onder 2.4 vermelde vonnis daarover een oordeel gegeven, te weten dat de afkorting NedSo niet gebruikt mocht worden, maar dat NedPho overigens genoemde rechten onvoldoende waren om de vorderingen van NedPho toe te wijzen. NedPho heeft geen omstandigheden gesteld die thans tot een andere beoordeling zouden moeten leiden. De voorzieningenrechter sluit zich dan ook aan bij het eerder door zijn ambtgenoot gegeven oordeel op dit punt.

4.5. Er vanuit gaande dat gezien de gewijzigde omstandigheden een andere beoordeling in de bodemprocedure een reële mogelijkheid is, dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden meegewogen. Het belang van NedSym is erin gelegen dat zij niet gedwongen wordt om in de mogelijk korte periode tot de uitkomst in de bodemprocedure een andere naam aan te nemen met alle kosten van dien, indien zij in de bodemprocedure in het gelijk wordt gesteld en haar huidige naam weer mag aannemen. Het belang van NedPho is dat in het nieuwe seizoen geen verwarring tussen de twee orkesten meer kan bestaan. Het gebruik van Nederlands Symfonie Orkest in de voorbereidingshandelingen van het nieuwe seizoen zal betekenen dat NedPho in het nieuwe seizoen geconfronteerd blijft met deze naam, aldus NedPho.

4.6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, gezien de nog voor de aanvang van het seizoen 2014/2015 te verwachten uitspraak in de bodemprocedure en gezien voornoemde opzegging van de overeenkomst van 1996/1997, het eerder gegeven verbod om in alle voorbereidingshandelingen met betrekking tot het seizoen 2014/2015 nog de naam Nederlands Symfonieorkest te gebruiken, zodat NedSym gedwongen is tot een naamswijziging, te ver gaat. Daarbij is tevens van belang dat de voorbereidingen voor het nieuwe seizoen reeds nu, en dus vóór een oordeel van de bodemrechter, aanvangen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zal onder deze omstandigheden aan de zijde van NedSym een noodtoestand ontstaan indien de executie van het arrest van 25 juni 2013 wordt voortgezet, nu NedSym aannemelijk heeft gemaakt dat een tijdelijke wijziging van haar naam en het vervolgens weer terugwijzigen in haar ‘oude’ naam aanzienlijke kosten met zich zal brengen. De voorzieningenrechter zal thans, rekening houdende met de wederzijdse belangen van partijen, voorzieningen geven die zullen gelden tot de uitspraak in de bodemprocedure en die enerzijds aan het belang van NedPho om niet met NedSym verward te worden zo veel mogelijk tegemoet komt en anderzijds NedSym niet noodzaakt, mogelijk voor een korte periode, een geheel andere naam te kiezen.

4.7. Deze voorzieningen houden in dat NedSym, totdat uitspraak in de bodemprocedure is gedaan, alleen brochures mag verspreiden met daarop de naam (alles in even grote letters) ‘Nederlands Symfonie Orkest/HET orkest van het oosten’. In de communicatie met zaalverhuurders en bij alle andere afspraken met betrekking tot het seizoen 2014/2015 moet door NedSym steeds bedongen worden dat de naam van het orkest in communicatie met het publiek met ingang van het seizoen 2014/2015 als volgt wordt aangeduid: ‘Nederlands Symfonie Orkest/HET orkest van het oosten’ of als daarvoor geen plaats is: ‘NedSym/orkest v.h. Oosten’. Ook dit geldt totdat de bodemrechter uitspraak heeft gedaan. Als vóór aanvang van het nieuwe seizoen op 1 september 2014 geen uitspraak door de bodemrechter is gedaan, gelden de bovenstaande aanwijzingen tot de bodemrechter uitspraak doet voor alle communicatie die van NedSym uitgaat.

IEF 13476

Oproep Kennisland tot aansluiten bij gezamenlijke reactie EU-consultatie

Uit het persbericht: Zoals eerder opgemerkt is er op dit moment een publieke consultatie over nieuwe auteursrechtelijke regels [red. IEF 13363] voor Europa gaande. Reageren op deze consultatie is nog tot en met woensdag 5 februari mogelijk. Wij hebben er eerder op gewezen dat deze consultatie een aantal voor erfgoedinstellingen zeer relevante vragen bevat en de erfgoedsector dus een unieke kans biedt om zijn stem te laten horen.

Vandaag heeft de werkgroep auteursrecht van Nederlandse erfgoedinstellingen een gezamenlijke reactie op deze consultatie gepubliceerd. Tot en met maandag 3 februari kunnen erfgoedinstellingen zich bij deze reactie aansluiten die vervolgens namens deze instellingen ingediend zal worden. Instellingen die zich bij deze reactie willen aansluiten kunnen dit via een e-mail naar info@kl.nl kenbaar maken.

De werkgroep vindt het echter belangrijk dat er in aanvulling op de gezamenlijke reactie zo veel mogelijk reacties van individuele instellingen komen. Om dit makkelijker te maken heeft de werkgroep een modelreactie gepubliceerd die door instellingen gebruikt kan worden om een eigen reactie op te stellen. Naast Engelstalige antwoordsuggesties bevat de modelreactie Nederlandstalige uitleg bij de antwoorden.

IEF 13472

Not for designers: On the Inadequacies of EU Design Law and How to Fix It

Thomas Margoni, 'Not for designers: On the Inadequacies of EU Design Law and How to Fix It', JIPITEC 2013-3, p. 225-248.
Design rights represent an interesting example of how the EU legislature has successfully regulated an otherwise heterogeneous field of law. Yet this type of protection is not for all. The tools created by EU intervention have been drafted paying created by EU intervention have been drafted paying much more attention to the industry sector rather than to designers themselves. In particular, modern, digitally based, individual or small-sized, 3D printing, open designers and their needs are largely neglected by such legislation. There is obviously nothing wrong in drafting legal tools around the needs of an industrial sector with an important role in the EU economy, on the contrary, this is a legitimate and good decision of industrial policy.

However, good legislation should be fair, balanced and (technologically) neutral in order to offer suitable solutions to all the players in the market, and all citizens in the society, without discriminating the smallest or the newest: the cost would be to stifle innovation. The use of printing machinery to manufacture physical objects created digitally thanks to computer programs such as Computer-Aided Design (CAD) software has been in place for quite a few years, and it is actually the standard in many industrial fields, from aeronautics to home furniture. The change in recent years that has the potential to be a paradigm-shifting factor is a combination between the popularization of such technologies (price, size, usability, quality) and the diffusion of a culture based on access to and reuse of knowledge. We will call this blend Open Design. It is probably still too early, however, to say whether 3D printing will be used in the future to refer to a major event in human history, or instead will be relegated to a lonely Wikipedia entry similarly to Betamax (copyright scholars are familiar with it for other reasons).

It is not too early, however, to develop a legal analysis that will hopefully contribute to clarifying the major issues found in current EU design law structure, why many modern open designers will probably find better protection in copyright, and whether they can successfully rely on open licenses to achieve their goals. With regard to the latter point, we will use Creative Commons (CC) licenses to test our hypothesis due to their unique characteristics to be modular, i.e. to have different license elements (clauses) that licensors can choose in order to adapt the license to their own needs."

IEF 13471

BREIN overweegt cassatie tegen afwijzing blokkering The Pirate Bay

Uit het persbericht: Het Haagse gerechtshof wees vandaag in hoger beroep de blokkering van The Pirate Bay af omdat die niet effectief zou zijn [IEF 13467]. De rechtbank had eerder op vordering van BREIN bepaald dat Ziggo en XS4ALL hun abonnees de toegang tot die illegale website moesten blokkeren.

BREIN merkt op dat deze uitspraak haaks staat op het oordeel van rechters in andere Europese landen en vooruitloopt op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat binnenkort wordt verwacht. In die zaak (UPC Wien) zal de hoogste Europese rechter over hetzelfde onderwerp oordelen. De Advocaat Generaal lijkt in zijn conclusie van november vorig jaar het begrip "effectiviteit" beperkter uit te leggen dan het Haagse hof.

Opmerkelijk is dat het Haagse hof meent dat de blokkering niet effectief is terwijl zij wel aanneemt dat zowel het bezoek aan The Pirate Bay is gedaald als het aantal abonnees dat inbreuk maakt. Het hof neemt echter als uitgangspunt dat het doel van de blokkering is om het totaal aantal inbreuken te verminderen. Omdat het bittorrentverkeer bij XS4ALL in zijn algemeenheid niet is gedaald, neemt het hof aan dat diens abonnees de blokkering omzeilen of naar andere torrentsites gaan. Het hof meent dat BREIN tegelijkertijd ook blokkering van andere illegale torrentsites had moeten vorderen. BREIN meent dat op de redenering van het hof het nodige is af te dingen.

Overigens heeft het hof de meeste voorliggende vragen in het voordeel van BREIN beslist, onder meer dat een significant deel van de abonnees van Ziggo en XS4ALL via The Pirate Bay inbreuk plegen, dat The Pirate Bay niet alleen onrechtmatig handelt maar zelf ook inbreuk pleegt door het aanbieden van artwork en dat de diensten van Ziggo en XS4ALL worden gebruikt om inbreuk te maken. Voorts oordeelt het hof dat de blokkade de providers vrijwel niets kost, zeer eenvoudig is en voor hen geen rompslomp oplevert.

"De uitspraak van het Hof is nadelig voor de ontwikkeling van de legale online markt omdat die bescherming nodig heeft tegen illegale concurrentie", zegt BREIN directeur Tim Kuik. "Het doel van de blokkering van The Pirate Bay is uiteraard de inbreuken via The Pirate Bay te verminderen. Het is tegenstrijdig dat het hof weliswaar constateert dat dit doel inderdaad wordt bereikt maar vervolgens toch afwijst omdat gebruikers naar andere sites kunnen."

BREIN overweegt cassatie tegen het arrest in te stellen en kijkt uit naar wat het Hof Van Justitie in Luxemburg binnenkort zal oordelen. Dat buigt zich over de vraag óf en, zo ja, in welke mate effectiviteit een rol speelt bij de vraag of een access provider een onrechtmatige website moet afsluiten.

IEF 13470

Schadecomponenten auteursrechtinbreuk op foto van drie garnalen

Ktr. Rechtbank Noord-Holland 22 januari 2014, CV EXPL 13/1552, (Goudzwaard tegen De Jong Reclame en Partners B.V.)
Uitspraak ingezonden door Kitty van Boven, I-ee.
Auteursrecht foto. Inbreuk. Schadecomponenten. Goudzwaard is professioneel fotograaf die zijn foto´s uitsluitend door middel van zijn eenmanszaak Obscura Fotografie exploiteert. De Jong is houdster van de website www.reclame-dejong.nl. Op deze website is een foto geplaatst van drie garnalen. Goudzwaard heeft gevorderd een verklaring voor recht dat de wederpartij inbreuk heeft gemaakt op de auteurs- en persoonlijkheidsrechten van Goudzwaard, veroordeling tot schadevergoeding voor de inbreuk op voormelde rechten van Goudzwaard, de wederpartij te veroordelen de herkomst van de foto bekend te maken en veroordeling in de proceskosten. De verklaring voor recht is toewijsbaar. Voor wat betreft de schadevergoeding wordt de vraag als volgt beoordeeld.

4.5 Dat Goudzwaard voor de bepaling van de schadevergoeding inzake deze verbintenis uit de wet aansluiting heeft gezocht bij de door hem bij overeenkomsten gehanteerde algemene voorwaarden valt te billijken. Als De Jong dat had willen voorkomen dan had hij  een overeenkomst met Goudzwaard moeten sluiten. De Jong heeft de keus gemaakt om zonder toestemming van Goudzwaard zijn foto te gebruiken en hij dient daarvoor de gevolgen te dragen. Hierbij is van belang, dat Goudzwaard de foto exclusief in licentie heeft gegeven aan restaurant Delphi´s, zodat redelijk is dat aansluiting wordt gezocht bij gederfde licentievergoeding [..]. Ook is voor de hoogte van de vergoeding van belang, dat de foto in ieder geval meer dan 2,5 week op de website van De Jong heeft gestaan. De kantonrechter is met Goudzwaard van oordeel, dat het redelijk is om van de volgende schadecomponenten uit te gaan:
- gederfde licentie inkomsten (zoals voormeld),
- inbreuk op het exclusieve recht om zelf te bepalen waar en hoe de foto wordt gebruikt,
- de moeite die Goudzwaard heeft moeten doen om de inbreuk te constateren,
- schade wegens ontbreken toestemming,
- schade vanwege ontbreken naamsvermelding,
- schade vanwege verminking van de foto,
- schade bestaan uit de kosten die Goudzwaard heeft moeten om zijn auteursrechten te handhaven en zijn schade vergoed te krijgen (Goudzwaard vordert ex art. 1019 Rv de volledige proceskosten).

4.7 De Jong dient als de in het ongelijk te stellen partij de proceskosten te dragen.

4.9 De vordering "bekendmaking van de herkomst van de foto" zal worden afgewezen, omdat door Goudzwaard onvoldoende is gesteld, dat naast De Jong andere personen (derden) misbruik hebben gemaakt van de foto, althans dat De Jong daar weet van zou hebben.

Lees de uitspraak:
CV EXPL 13/1552 (afschrift)
ECLI:NL:RBNHO:2014:370 (link)

IEF 13469

OM niet-ontvankelijk in vervolging uploader 5000 e-books

Hof Den Haag 27 januari 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:84 (Geen vervolging 5.000 e-books)
Strafrecht. Het Gerechtshof verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van een 23-jarige man uit Goudswaard. Deze had via de website van thepiratebay bijna 5.000 e-books ter beschikking gesteld om door anderen te worden gedownload.

Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard, omdat het naar het oordeel van het hof heeft gehandeld in strijd met de door het College van Procureurs-Generaal (de landelijke leiding van het openbaar ministerie) vastgestelde Aanwijzing intellectuele eigendomsfraude. Die Aanwijzing regelt het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie bij de bestrijding van inbreuken op door intellectuele eigendomsrechten beschermde werken. Uitgangspunt vormt daarbij civielrechtelijke handhaving door de rechthebbenden. Daarvan kan worden afgeweken als het algemeen belang dat vereist.

Omdat er bij de man geen sprake was van winstoogmerk, beroepsmatig handelen, betrokkenheid van een criminele organisatie of relevante recidive, is volgens het hof het algemeen belang niet aan de orde. Van civielrechtelijke acties tegen de verdachte is niet gebleken. Het standpunt van de advocaat-generaal dat van dergelijke acties bij voorbaat niet veel effect zou kunnen worden verwacht, acht het hof onvoldoende onderbouwd. Volgens het hof heeft het openbaar ministerie derhalve niet in redelijkheid tot zijn vervolgingsbeslissing kunnen komen. Door niettemin tot strafrechtelijke handhaving over te gaan zijn de beginselen van een behoorlijke procesorde geschonden.

Op andere blogs:
Dirkzwager
IusMentis
Stichting BREIN

IEF 13468

Douaneautoriteiten kunnen antipiraterijprocedure ook zelf formeel inleiden

Conclusie A-G HvJ EU 28 januari 2014, zaak C-583/12 (Sintax Trading) - dossier
DiagonalVerzoek om een prejudiciële beslissing, Riigikohus.
Douanewetboek. Intellectuele eigendom (namaak/piraterij), modellenrecht. TRIPS-verdrag.
Uitlegging van de artikelen 13, leden 1 en 17, alsook van de punten 1, 2 en 3 van de considerans van [anti-piraterijverordening]. Maatregelen strekkende tot het verhinderen van het op de markt brengen van nagemaakte goederen en van door piraterij verkregen goederen – Procedure strekkende tot het vaststellen of er sprake is van schending van een intellectuele eigendomsrecht – Bevoegdheid van de douaneautoriteiten ter zake van de vaststelling van een schending van een intellectuele eigendomsrecht – Recht van de douaneautoriteiten om ambtshalve een procedure in te leiden strekkende tot het vaststellen of er sprake is van schending van een intellectuele eigendomsrecht, zonder dat het nodig is dat de houder van het recht die procedure heeft ingeleid.

Conclusie A-G

Artikel 13, lid 1, van verordening (EG) nr. 1383/2003 [anti-piraterijverordening] dient aldus te worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat de lidstaten de douaneautoriteiten de bevoegdheid verlenen om de in die bepaling bedoelde procedure te voeren, op voorwaarde dat naar nationaal recht uitdrukkelijk is voorzien in die bevoegdheid, de douaneautoriteiten handelen op een wijze die hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid waarborgt, het recht om te worden gehoord wordt geëerbiedigd en rechterlijke toetsing mogelijk is.

 – Artikel 13, lid 1, van verordening (EG) nr. 1383/2003 dient aldus te worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat de lidstaten bepalen dat de douaneautoriteiten de in die bepaling bedoelde procedure ook zelf formeel kunnen inleiden.

Gestelde vragen:

Kan de in artikel 13, lid 1, van verordening nr. 1383/20032 genoemde "procedure [die] is ingeleid om te bepalen of [...] een intellectuele-eigendomsrecht is geschonden", ook worden gevoerd bij de douanedienst, of dient de in hoofdstuk III van de verordening behandelde "bevoegde autoriteit [die] een besluit ten gronde kan nemen" gescheiden te zijn van de douaneautoriteiten?
In punt 2 van de considerans van verordening nr. 1383/2003 wordt als doelstelling van de verordening bescherming van de consumenten genoemd, en overeenkomstig punt 3 van die considerans moet in een procedure worden voorzien die de douaneautoriteiten de mogelijkheid geeft het verbod om goederen die inbreuk maken op een intellectuele-eigendomsrecht in het douanegebied van de Gemeenschap binnen te brengen, zo doeltreffend mogelijk te handhaven, zonder evenwel de in punt 2 van de considerans van deze verordening en in punt 1 van de considerans van uitvoeringsverordening nr. 1891/2004 genoemde vrijheid van het legitieme handelsverkeer in het gedrang te brengen. Is het met deze doelstellingen verenigbaar dat de in artikel 17 van verordening nr. 1383/2003 vastgelegde maatregelen alleen kunnen worden toegepast wanneer de houder van het recht de in artikel 13, lid 1, van de verordening genoemde procedure tot vaststelling van een inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht inleidt, of moet met het oog op een zo doeltreffend mogelijke verwezenlijking van deze doelstellingen, ook de douaneautoriteit de mogelijkheid hebben om de desbetreffende procedure in te leiden?
Op andere blogs:

IPKat

IEF 13467

Hof: Blokkade The Pirate Bay opgeheven, niet evenredig en effectief

Hof Den Haag 28 januari 2014, zaaknr. 200.105/418/01 (Ziggo en XS4All tegen Stichting BREIN)
Uitspraak ingezonden door John Allen en Emma de Groot, NautaDutilh. Christiaan Alberdingk Thijm en Caroline de Vries, Bureau Brandeis.
Auteursrecht. Naburige rechten. Tussenpersonen ex 26d Aw en 15e Wnr. Zie eerder IEF 10763 waarin Ziggo en XS4All werden bevolen The Pirate Bay te blokkeren. Het Hof oordeelt anders.

Met BREIN neemt het hof aan dat een significant deel van de abonnees mediabestanden heeft gedownload, stukjes geupload ten behoeve van peers en een zeer groot deel is zonder toestemming geplaatst. De loutere beschikbaarstelling van fysieke faciliteiten om een mededeling mogelijk te maken is nog geen mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3 Auteursrechtrichtlijn, zo benadrukt ook considerans 27. Er is een auteursrechtinbreuk gepleegd door een relevant deel van de abonnees van Ziggo c.s. en door de beheerders van The Pirate Bay, doch alleen met betrekking tot het 'art work'.

Ziggo c.s. doet een geslaagd beroep op het evenredigheidsbeginsel en op non-effectiviteit (r.o. 5.1). Vanwege de diverse rapport die zijn ingebracht in het geding, kan er niet vanuit worden gegaan dat de bevolen blokkade effectief is geweest ten aanzien van abonnees van Ziggo c.s. (5.22). Uit de stellingen van BREIN valt op te maken dat zij een stap-voor-stap-benadering voor ogen staan:a. access-providers om ook alternatieven van TPB te blokkeren; b. het neerhalen van proxy's; c. het optreden tegen de beheerders van alternatieve torrentsites.

Niet goed is in te zien waarom BREIN in haar procedures tegen providers niet tevens meteen een bevel heeft gevorderd tot blokkade van het slechts 'handjevol' concurrerende BitTorrentsites die met TPB de 'grootste uitwassen' vormen. Aldus zijn de gevorderde maatregelen strijdig met het evenredigheidsvereiste/effectiviteitsvereiste.

Ook de subsidiaire grondslag op basis van het zich schuldig maken aan het welbewust en structureel faciliteren en bevorderen van grootschalige inbreuken door abonnees strandt (6.1 e.v.).

BREIN dient de proceskosten in eerste aanleg (€137.673,63 voor Ziggo en €52.217,50 voor XS4ALL) en in hoger beroep (€120.000 voor Ziggo en €16.030 voor XS4ALL) te vergoeden.

Leestips: 4.5, 4.6 en in de bovengenoemde tekst genoemde rechtsoverwegingen.

Lees de uitspraak:
afschrift (pdf)
Rechtspraak.nl (link)

Op andere blogs:
Bits of Freedom BLOKKADE TPB OPGEHEVEN
Dirkzwager Blokkade The Pirate Bay opgeheven: onevenredig en non-effectief
Hoogenraad & Haak Een last van de schouders van de internetproviders
Iusmentis Gerechtshof verbiedt blokkade The Pirate Bay: niet effectief
NautaDutilh ISPs defeat BREIN (entertainment industry vehicle): Court of Appeal overturns website blocking order/ISP's winnen van BREIN: Hof Den Haag vernietigt website blokkades
NJD
Hof Den Haag: geen verplichting (providers Ziggo, XS4ALL) tot blokkade van The Pirate Bay
Webwereld Ironie: BREIN was te soft met TBP-blokkade
Wieringa Vrij spel voor piraten: de baai is weer open