IEF 23755
18 augustus 2026
Artikel

Duurzaamheid & Recht 2026: duurzaamheid in de praktijk bij Greenpeace International

 
IEF 23225
18 augustus 2026
Artikel

Volg deLex op LinkedIn

 
IEF 23765
18 augustus 2026
Uitspraak

Bindend advies blijft in stand na klacht over vermeend namaakproduct via Bol.com

 
IEF 23749

Sky veroordeeld in proceskosten na intrekking oppositie

Gerecht EU (voorheen GvEA) 21 jul 2026,, IEF 23749; ECLI:EU:T:2026:482 (Sky tegen EUIPO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/sky-veroordeeld-in-proceskosten-na-intrekking-oppositie

Gerecht EU 21 juli 2026, IEF 23749; IEFbe 4277; ECLI:EU:T:2026:482 (Sky tegen EUIPO). In deze beschikking oordeelt de Eerste kamer van het Gerecht EU dat Sky wordt veroordeeld in de kosten in de procedure tegen EUIPO. Sky had beroep ingesteld tot nietigverklaring van een beslissing van de Tweede kamer van beroep van het EUIPO van 27 april 2022. Tijdens de procedure trok Sky haar oppositie tegen de inschrijving van het betrokken merk in. Hierdoor raakte het beroep zonder voorwerp en hoefde het Gerecht niet langer uitspraak te doen. Op grond van artikel 137 van het Reglement voor de procesvoering veroordeelt het Gerecht Sky in alle proceskosten.

IEF 23748

Walsall Conduits veroordeeld in proceskosten na intrekking beroep

Gerecht EU (voorheen GvEA) 22 jul 2026,, IEF 23748; ECLI:EU:T:2026:486 (Walsall Conduits tegen EUIPO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/walsall-conduits-veroordeeld-in-proceskosten-na-intrekking-beroep

Gerecht EU 22 juli 2026, IEF 23748; IEFbe 4276; ECLI:EU:T:2026:486 (Walsall Conduits tegen EUIPO). In deze beschikking beveelt de president van de zesde kamer van het Gerecht EU de doorhaling van zaak T-73/22 en veroordeelt hij Walsall Conduits Ltd in de proceskosten. Walsall Conduits had beroep ingesteld tot nietigverklaring van een beslissing van de Eerste kamer van beroep van het EUIPO van 22 november 2021. Tijdens de procedure liet Walsall Conduits het Gerecht weten dat zij haar beroep wilde intrekken en verzocht zij dat het EUIPO zijn eigen kosten zou dragen. Het EUIPO maakte geen bezwaar tegen de intrekking, maar verzocht Walsall Conduits haar eigen kosten te laten dragen. Het Gerecht overweegt dat uit het dossier niet blijkt van gedragingen van het EUIPO die rechtvaardigen dat het EUIPO in de kosten wordt veroordeeld. Op grond van artikel 136, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering wordt de zaak daarom doorgehaald en wordt Walsall Conduits veroordeeld in de proceskosten.

IEF 23750

HvJ EU laat hogere voorziening over aanvullende bewijsstukken bij EUIPO niet toe

HvJ EU 11 sep 2025,, IEF 23750; ECLI:EU:C:2025:725 (ADS L. Kowalik, B. Włodarczyk sc tegen EUIPO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-laat-hogere-voorziening-over-aanvullende-bewijsstukken-bij-euipo-niet-toe

HvJ EU 11 september 2025, IEF 23750; ECLI:EU:C:2025:725 (ADS L. Kowalik, B. Włodarczyk tegen EUIPO). ADS L. Kowalik, B. Włodarczyk verzoekt om toelating van haar hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van 15 januari 2025 in een nietigheidsprocedure betreffende een Gemeenschapsmodel voor een accessoire voor een draadloze afstandsbediening. Het geschil betreft met name de voorwaarden waaronder een kamer van beroep van het EUIPO rekening kan houden met feiten en bewijsstukken die voor het eerst voor die kamer worden aangevoerd. Volgens ADS heeft het Gerecht onder meer artikel 27 leden 2 en 4 van Gedelegeerde Verordening 2018/625, gelezen in samenhang met bepalingen van Verordening 6/2002, onjuist uitgelegd. Ook zou de uitleg van het Gerecht onverenigbaar zijn met het beginsel van behoorlijk bestuur, waaronder het recht om te worden gehoord en het beginsel van equality of arms, zoals beschermd door artikel 41 lid 1 Handvest. Daarnaast voert ADS aan dat het Gerecht de inhoud van beslissingen van de nietigheidsafdeling en de kamer van beroep heeft verdraaid. Volgens ADS zijn deze kwesties van belang voor de beslissingspraktijk van het EUIPO en voor de omvang van de bevoegdheden van de kamers van beroep.

IEF 23746

Duurzaamheid, merken en milieuclaims: kom naar Duurzaamheid & Recht

Volgens het EUIPO bevatte in 2022 14,5% van alle Uniemerkaanvragen in de omschrijving van de producten of diensten minstens één term die met milieu of duurzaamheid te maken heeft. Dat betekent niet dat 14,5% van de merken zelf een ‘groene’ naam of uitstraling had. Het gaat alleen om de woorden die werden gebruikt om aan te geven voor welke producten of diensten het merk werd aangevraagd.

Die ontwikkeling is commercieel verklaarbaar, maar juridisch niet neutraal. Een teken kan namelijk verschillende juridische functies tegelijk vervullen. Als merk dient het om de commerciële herkomst van waren of diensten te onderscheiden en wordt het beoordeeld aan de hand van onder meer Verordening (EU) 2017/1001 inzake het Uniemerk (UMVo), Richtlijn (EU) 2015/2436 en, voor de Benelux, het BVIE. Tegelijkertijd kan een merknaam, productnaam, logo of ander teken in een commerciële context een boodschap over de milieukenmerken van een product of onderneming overbrengen. In dat geval kan het tevens kwalificeren als milieuclaim en onder het consumentenrecht vallen. De Nederlandse implementatiewet omschrijft een milieuclaim uitdrukkelijk als een boodschap of voorstelling die onder meer via een merknaam, bedrijfsnaam of productnaam kan worden gedaan.

Meer weten over de juridische ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheid? Tijdens ons evenement Duurzaamheid & Recht op vrijdag 18 september 2026 bespreken experts op het gebied van duurzaamheid de belangrijkste actuele ontwikkelingen in het IE- en reclamerecht en de gevolgen daarvan voor de praktijk. Bekijk het programma en meld je aan via de website van deLex

IEF 23751

HvJ EU laat hogere voorziening over normaal gebruik van Uniemerk voor ayurvedische producten niet toe

HvJ EU 11 sep 2025,, IEF 23751; ECLI:EU:C:2025:728 (Hecht Pharma GmbH tegen EUIPO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-laat-hogere-voorziening-over-normaal-gebruik-van-uniemerk-voor-ayurvedische-producten-niet-toe

HvJ EU 11 september 2025, IEF 23751; ECLI:EU:C:2025:728 (Hecht Pharma GmbH tegen EUIPO). Hecht Pharma verzoekt om toelating van haar hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van 18 december 2024 in een vervallenverklaringsprocedure tussen Hecht Pharma en Gufic BioSciences over het Uniemerk H 15 Gufic. Hecht Pharma voert drie middelen aan. Volgens haar heeft het Gerecht artikel 18 lid 1 UMVo onjuist toegepast bij de beoordeling van het normale gebruik van het merk voor waren in klasse 5. In het bijzonder zou het Gerecht te veel gewicht hebben toegekend aan de presentatie van de betrokken producten als “ayurvedic medicine” en aan de perceptie van consumenten. Volgens Hecht Pharma had ook rekening moeten worden gehouden met de letterlijke betekenis van de term “medicijnen” en met de opvattingen van deskundigen. Omdat de betrokken ayurvedische producten volgens Hecht Pharma geen therapeutische werking hebben, zouden zij niet als “medicijnen” in klasse 5 kunnen worden aangemerkt en daarom evenmin kunnen dienen als bewijs van normaal gebruik van het merk voor die waren. Daarnaast klaagt Hecht Pharma over de afwijzing van aanvullende bewijsstukken, onder meer over Indiaas recht, en over schending van het recht op een eerlijk proces.

IEF 23718

Entertainment & Recht op woensdag 9 september 2026: we bespreken de belangrijkste ontwikkelingen

Op woensdag 9 september organiseren we het seminar Entertainment & Recht. Dagvoorzitters Marijn Kingma (Höcker) en Michiel Odink (Leeway) praten u bij over de belangrijkste ontwikkelingen in het entertainmentrecht van het afgelopen jaar met de Entertainment top 10.

Vervolgens geeft Peter Marx (MVVP) een update over Sync. Hij bespreekt het koppelen van muziek aan beeld, bijvoorbeeld in films, series, reclames of videogames. Daarbij gaat hij in op de juridische aspecten van Sync en brengt hij helderheid in het soms complexe juridische landschap.

Daarnaast staat tijdens het seminar Entertainment & Recht het thema Film en AI centraal. Merel Teunissen (Liaise Advocaten) bespreekt hoe AI in de praktijk wordt ingezet en welke juridische vraagstukken daarbij spelen. Ook praat ze u bij over de recente ontwikkelingen in het filmrecht.

Janneke Popma (Höcker) bespreekt samen met Vera Nederpelt (Dikhoff Van Dongen) exploitatiecontracten. Na deze inleiding zoomen we tijdens het panel in op muziekcontracten. We bespreken hoe er in de praktijk wordt omgegaan met de ontwikkelingen op dat gebied, zoals het auteurscontractenrecht en recente uitspraken over onder meer beëindiging en billijke vergoeding. Wie deelnemen in het panel maken we binnenkort bekend.

We sluiten de middag af met een borrel, bij mooi weer in de zon.

IEF 23745

Nakoming franchiseovereenkomst afgewezen na aannemelijke vernietiging wegens niet-naleving informatieplicht

Rechtbank Den Haag 7 jul 2026,, IEF 23745; ECLI:NL:RBDHA:2026:20264 (Cocovaro tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/nakoming-franchiseovereenkomst-afgewezen-na-aannemelijke-vernietiging-wegens-niet-naleving-informatieplicht

Rb. Den Haag 7 juli 2026, IEF 23745; ECLI:NL:RBDHA:2026:20264 (Cocovaro tegen [gedaagde]). Cocovaro exploiteert de franchiseformule Meat & Chips en sloot met [gedaagde] een franchiseovereenkomst voor een fastfoodrestaurant. [gedaagde] betaalde de overeengekomen instapfee van € 12.000 niet en opende in het betreffende pand een eigen restaurant met een vergelijkbaar assortiment. Zij vernietigde de franchiseovereenkomst vervolgens omdat Cocovaro volgens haar niet had voldaan aan de precontractuele informatieplichten van art. 7:913 BW. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat de bodemrechter dit beroep op vernietiging zal laten slagen. Niet is gebleken dat Cocovaro vóór het sluiten van de overeenkomst alle voorgeschreven informatie heeft verstrekt, waaronder de bijlagen bij de franchiseovereenkomst, informatie over de verschuldigde vergoedingen en financiële gegevens over de beoogde locatie. Evenmin blijkt dat vervolgens de vier weken durende standstill-periode van art. 7:914 BW in acht is genomen. De enkele ondertekening van de franchiseovereenkomst bewijst niet dat [gedaagde] de bijlagen, laat staan vier weken vóór ondertekening, had ontvangen. Het beroep van Cocovaro op de redelijkheid en billijkheid maakt dit niet anders. De informatieplicht strekt juist tot bescherming van de franchisenemer en voor het buiten toepassing laten van die bescherming geldt volgens de voorzieningenrechter een hoge drempel. Cocovaro kan daarom in dit kort geding geen beroep doen op de franchiseovereenkomst. De vordering tot nakoming wordt afgewezen. De gevorderde instapfee wordt eveneens afgewezen, zowel omdat een beroep op de overeenkomst voorshands niet slaagt als omdat voor deze geldvordering onvoldoende spoedeisend belang bestaat.

IEF 23744

CWO en HISWA maken onrechtmatig gebruik van software en databank door KNWV onvoldoende aannemelijk

Rechtbank Midden-Nederland 30 jun 2026,, IEF 23744; ECLI:NL:RBMNE:2026:4185 (CWO en Hiswa tegen KNWV en [handelsnaam]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/cwo-en-hiswa-maken-onrechtmatig-gebruik-van-software-en-databank-door-knwv-onvoldoende-aannemelijk

Rb. Midden-Nederland 30 juni 2026, IEF 23744; IT 5430; ECLI:NL:RBMNE:2026:4185 (CWO en Hiswa tegen KNWV en [handelsnaam]). CWO, HISWA en KNWV werkten jarenlang samen aan een uniform systeem voor watersportopleidingen en -diploma’s. Nadat binnen CWO een impasse was ontstaan, beëindigde KNWV in 2025 de samenwerking en bracht zij haar opleidingen onder bij de Watersport Academy, waarbij gebruik werd gemaakt van de door NWD ontwikkelde diplomalijn. CWO en HISWA stelden dat KNWV en de ontwikkelaar [handelsnaam] daarbij onrechtmatig handelden, onder meer door gebruik te maken van het voor CWO ontwikkelde softwareprogramma en de CWO-database. Zij beriepen zich op een exclusief gebruiksrecht en een non-concurrentiebeding uit overeenkomsten met [handelsnaam]. De voorzieningenrechter acht echter onvoldoende aannemelijk dat die bedingen daadwerkelijk tussen partijen zijn overeengekomen. De overgelegde overeenkomsten waren concepten, waren niet ondertekend en uit latere correspondentie bleek dat partijen daarover nog onderhandelden. CWO en HISWA kunnen nakoming daarvan daarom niet afdwingen. Ook het beroep op het databankenrecht leidt niet tot een verbod. KNWV betwistte niet dat zij de CWO-database eenmalig had gekopieerd, maar voor een verboden opvraging of hergebruik is volgens de voorzieningenrechter van belang of daardoor schade kan ontstaan aan de investering van de producent in de databank. CWO en HISWA maakten onvoldoende aannemelijk dat deze eenmalige kopie hun financiële terugverdiencapaciteit aantastte. Daardoor kan in het midden blijven of sprake is van een beschermde databank en of KNWV, gelet op haar investering van € 150.000, daarvan mogelijk medeproducent is.

IEF 23743

Uitspraak ingezonden door Jeroen Boelens, Jesper Vrielink, Susanne Bijvank en Eline Wit, CMS.

Betaalde reviews leveren onrechtmatig concurrentievoordeel op

Rechtbank Amsterdam 24 jun 2026,, IEF 23743; C/13/787737 (Hotelgiftcard.com tegen Experiencegift), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/betaalde-reviews-leveren-onrechtmatig-concurrentievoordeel-op

Rb. Amsterdam 24 juni 2026, IEF 23743; RB 4086; IT 5420; C/13/787737 (Hotelgiftcard.com tegen Experiencegift). In deze zaak vordert Hotelgiftcard.com B.V. in kort geding verschillende voorzieningen tegen concurrent Experiencegift B.V. wegens een handelswijze waarbij consumenten na aankoop van een HOTELGIFT-cadeaubon een vergoeding kregen in ruil voor het plaatsen van een beoordeling. Experiencegift bood consumenten € 5 terug en een donatie van 1.000 liter drinkwater aan een goed doel aan wanneer zij een review plaatsten en toonde daarbij op de bestelbevestigingspagina vijf sterren. In een eerder kort geding tussen partijen had Experiencegift toegezegd het aanbod van € 5 en de vijf sterren van haar website te verwijderen. De toen door Hotelgiftcard ingestelde reconventionele vorderingen werden afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk was dat Experiencegift op dat moment nog onrechtmatig handelde. Nadat de advocaat van Hotelgiftcard op 18 februari 2026, na opnieuw om de eerder aangeboden vergoeding te hebben verzocht, alsnog € 5 ontving, stelt Hotelgiftcard dat Experiencegift haar toezegging niet naleeft en bovendien nog steeds profiteert van de eerder verkregen betaalde beoordelingen. Hotelgiftcard vordert daarom onder meer een verbod voor Experiencegift om consumenten enige geldelijke of andere vergoeding aan te bieden teneinde hen te bewegen een beoordeling over HOTELGIFT te plaatsen, een bevel om Trustpilot en Google Reviews te verzoeken alle betaalde beoordelingen te verwijderen en verwijderd te houden, een controleerbaar overzicht van alle terugbetalingen die in ruil voor een beoordeling zijn gedaan en plaatsing van een rectificatie. Experiencegift voert aan dat zij haar werkwijze na het eerdere kort geding heeft aangepast, dat de betaling van € 5 op 18 februari een eenmalig incident was, dat de drinkwaterdonatie inmiddels uitsluitend aan de aankoop van een giftcard is gekoppeld en dat zij consumenten niet vraagt hun beoordeling te verhogen.

IEF 23741

Uitspraak ingezonden door Quirijn Meijnen, LMO Advocaten.

Geen kwade trouw bij depot AEROINTEL-merk na conflict tussen medeoprichters

BBIE 26 jun 2026,, IEF 23741; nr. 3000861 (Aerointel tegen [verweerder]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-kwade-trouw-bij-depot-aerointel-merk-na-conflict-tussen-medeoprichters

BBIE 26 juni 2026, IEF 23741; IEFbe 4274; nr. 3000861 (Aerointel tegen [verweerder]). In deze zaak verzoekt Aerointel B.V. op grond van artikel 2.30bis lid 1 onder a in verbinding met artikel 2.2bis lid 2 BVIE om doorhaling van het op 6 juni 2025 aangevraagde en op 30 augustus 2025 ingeschreven gecombineerde woord-/beeldmerk AEROINTEL. Het merk is ingeschreven voor waren en diensten in de klassen 9, 12 en 42, die onder meer betrekking hebben op drones en dronetechnologie. Aerointel stelt dat zij de naam en het logo heeft ontwikkeld en deze vanaf 27 juli 2024 openbaar en ononderbroken gebruikt, aanvankelijk via een onderneming in oprichting en vanaf 4 oktober 2024 via Aerointel B.V. In april en mei 2025 ontstaat tussen Aerointel en [verweerder] een geschil over diens beoogde participatie in de onderneming. Volgens Aerointel deponeert [verweerder] het teken vervolgens zonder besluit van de algemene vergadering of volmacht op persoonlijke naam, terwijl hij weet dat Aerointel het teken al intensief gebruikt. Aerointel voert aan dat [verweerder] het merk na het depot niet zelf in de Benelux gebruikt, maar de registratie inzet als drukmiddel om haar gebruik van AEROINTEL en haar bedrijfsvoering te blokkeren. Zij wijst daarbij onder meer op een sommatie van 21 mei 2025, de inzet van het depot tegenover een derde op 20 juni 2025, een e-mail van 25 juni 2025 waarin overleg afhankelijk wordt gesteld van staking van het gebruik van AEROINTEL, het offline gaan van de website van Aerointel op 26 juni 2025 en de presentatie van vergelijkbare activiteiten onder een andere handelsnaam op 30 juni 2025. Volgens Aerointel blijkt uit deze chronologie dat sprake is van een blokkeringsdepot zonder legitiem ondernemingsdoel. [Verweerder] betwist dat Aerointel een zelfstandig ouder recht op de naam of het logo heeft. Hij stelt dat hij samen met de bestuurder van Aerointel al vanaf augustus 2023 een gezamenlijke onderneming op het gebied van drones ontwikkelt, dat zij in maart 2024 gezamenlijk onder een eerdere handelsnaam en vervolgens onder de naam Aerointel naar buiten treden en dat zij het bestreden logo in mei 2024 ontwikkelen. Volgens [verweerder] richten zij Aerointel B.V. op als gezamenlijke onderneming, waarbij het de bedoeling is dat ieder uiteindelijk vijftig procent van de aandelen houdt. Die afspraak wordt volgens hem niet uitgevoerd, waarna hij wordt uitgesloten van bestanden, communicatiekanalen, de website en de presentatie van de onderneming. Hij stelt dat hij het merk deponeert om de door hem mede opgebouwde goodwill, het onderscheidend vermogen van de naam en het logo en de herkomst van de gezamenlijk ontwikkelde dronetechnologie te beschermen. Het depot dient volgens hem daarmee de wezenlijke functie van een merk en is geen leeg, speculatief of uitsluitend blokkerend depot.