Gerecht EU: artikel 8 lid 5 UMVo niet van toepassing wegens ontbreken van verband tussen DEVATIS en NOVARTIS
Gerecht EU 23 september 2026, IEF 23869; IEFbe 4320; ECLI:EU:T:2026:588 (Devatis). Deva Holding verzocht om bescherming in de Europese Unie van het beeldmerk DEVATIS voor verschillende waren in klasse 5, waaronder farmaceutische, medische en veterinaire preparaten. Novartis stelde oppositie in op grond van artikel 8 lid 5 UMVo en beriep zich onder meer op haar oudere woordmerk NOVARTIS. De oppositieafdeling wees de oppositie af, maar de Kamer van Beroep kwam tot het tegenovergestelde oordeel en achtte de cumulatieve voorwaarden van artikel 8 lid 5 UMVo vervuld. Het Gerecht bevestigt dat NOVARTIS een hoge mate van bekendheid geniet in Duitsland en Frankrijk voor farmaceutische preparaten en stoffen. Ook onderschrijft het Gerecht dat DEVATIS en NOVARTIS visueel en fonetisch in geringe mate overeenstemmen en dat de begripsmatige vergelijking neutraal is. De Kamer van Beroep heeft de nabijheid van de betrokken waren echter te ruim beoordeeld. Babyvoeding, middelen ter bestrijding van ongedierte en fungiciden zijn slechts in geringe mate soortgelijk aan farmaceutische preparaten en stoffen, terwijl tandvulmiddelen, tandwas en herbiciden daarvan verschillen.
Laatste kans: aanmelden voor het BIE-symposium op woensdag 30 september 2026
Op woensdag 30 september 2026 organiseren we samen met het tijdschrift Berichten Industriële Eigendom het BIE-symposium. U kunt zich nog aanmelden.
N-ION moet octrooirechten en -aanvragen voor grounding-technologie overdragen aan SG Football
Rb. Amsterdam 23 september 2026, IEF 23871; ECLI:NL:RBAMS:2026:9606 (SGH en SGF tegen NIS). SG Holding en N-ION Sports Technology sloten op 11 juni 2025 een Joint Venture Agreement voor de gezamenlijke ontwikkeling, marketing en commerciële exploitatie van zogenoemde grounding-technologie. Op grond van die overeenkomst werd SG Football opgericht, waarin SG Holding 80% en N-ION 20% van de aandelen houdt. Artikel 11 van de overeenkomst verplicht N-ION om de voor de overeengekomen activiteiten relevante intellectuele eigendomsrechten zonder vergoeding aan SG Football over te dragen en mee te werken aan de formalisering daarvan. N-ION weigerde de overdracht nadat zij de overeenkomst buitengerechtelijk had vernietigd wegens dwaling en subsidiair bedrog. Zij stelde onder meer dat zij ervan was uitgegaan dat haar economische positie in de joint venture, waaronder een winstrecht van 40%, duurzaam zou blijven bestaan. De voorzieningenrechter acht echter onvoldoende aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat de overeenkomst vernietigbaar is wegens dwaling of bedrog. Daarbij speelt mee dat partijen in artikel 14.11 een beroep op vernietiging hebben uitgesloten en dat de regeling over de winstverdeling en de gevolgen van toetreding van nieuwe aandeelhouders onderwerp is geweest van onderhandelingen tussen professionele partijen die ieder door een advocaat werden bijgestaan. De overgelegde correspondentie biedt in dit kort geding, waarin geen ruimte bestaat voor nader feitenonderzoek, onvoldoende grond voor een voorlopig oordeel dat sprake is van dwaling in de zin van artikel 6:228 BW of bedrog in de zin van artikel 3:44 lid 3 BW.
A-G: kosten van EUIPO-nietigheidsprocedure vallen volgens bijzondere kostenregeling
Conclusie AG HvJ EU 24 september 2026, IEF 23868; IEFbe 4319; ECLI:EU:C:2026:792 (Suzhou Anri Child Products). In zaak C-573/25 staat de vraag centraal of advocatenkosten die zijn gemaakt in nietigheidsprocedures bij het EUIPO kunnen worden betrokken bij de kostenbegroting van een afzonderlijke nationale procedure over een voorlopige maatregel. Cybex had bij het Landgericht Düsseldorf een voorlopige maatregel verkregen waarmee Suzhou werd verboden haar S63-kinderwagen in Duitsland aan te bieden, daarvoor reclame te maken, deze op de markt te brengen, in te voeren, uit te voeren of voor die doeleinden in bezit te hebben wegens gestelde inbreuk op twee ingeschreven Gemeenschapsmodellen van Cybex. Die maatregel werd later opgeheven. Cybex stelde hoger beroep in, maar trok dat vervolgens in, waarna zij in de kosten van de nationale procedure werd verwezen. Het Landgericht Düsseldorf begrootte die kosten op € 8.748,04. Parallel daaraan had Suzhou bij het EUIPO twee nietigheidsprocedures tegen de modellen van Cybex ingesteld. Suzhou wilde de daarmee gemoeide advocatenkosten eveneens in de nationale kostenbegroting betrekken, waardoor zij uitkwam op € 100.966,77. A-G Campos Sánchez-Bordona adviseert het Hof de hierover gestelde zevende tot en met negende prejudiciële vraag niet-ontvankelijk te verklaren. Omdat de EUIPO-procedures nog aanhangig zijn, staat nog niet vast welke partij daarin in het gelijk of ongelijk zal worden gesteld en dus evenmin wie de daar gemaakte kosten moet dragen. Bovendien heeft het hoofdgeding bij de Duitse rechter betrekking op de kosten van de nationale procedure over de voorlopige maatregel en niet op de afzonderlijke nietigheidsprocedures bij het EUIPO. Volgens de A-G zijn de betreffende prejudiciële vragen daarom niet relevant voor de beslechting van het hoofdgeding.
Lidl maakt auteursrechtinbreuk op beschermde elementen van Birkenstock-sandalen
Rb. Gelderland 23 september 2026, IEF 23867; ECLI:NL:RBGEL:2026:7234 (Birkenstock c.s. tegen Lidl c.s.). Birkenstock beroept zich op auteursrechtelijke bescherming van het gemeenschappelijke ondergedeelte van haar sandalen en van de uppers van de modellen Madrid, Arizona, Florida, Boston en Gizeh. De rechtbank past daarbij het door het HvJ EU in Mio/Konektra [IEF 23142] verduidelijkte toetsingskader voor werken van toegepaste kunst toe. De rechter moet de concrete creatieve keuzes in de vormgeving identificeren; het enkele bestaan van ontwerpvrijheid of een esthetisch effect is onvoldoende. Van het ondergedeelte acht de rechtbank uitsluitend het hoogteverschil beschermd waardoor aan de achterzijde een wand wordt gevormd die naar de voorzijde in hoogte afloopt. De overige aangevoerde kenmerken zijn functioneel of technisch bepaald, dan wel onvoldoende creatief. Van de upper van de Madrid is alleen het verloop van een duidelijk zichtbare smallere strap van circa twee centimeter over een duidelijk zichtbare bredere band van circa vijf centimeter auteursrechtelijk beschermd. De uppers van de Arizona, Florida en Boston voldoen niet aan het oorspronkelijkheidsvereiste. Op de upper van de Gizeh kan Birkenstock evenmin auteursrecht inroepen: het daarop rustende auteursrecht is volgens de rechtbank op 21 december 1998 vervallen doordat na afloop van het toenmalige modelrecht geen tijdige instandhoudingsverklaring als bedoeld in de toen geldende BTMW is afgelegd.
Uitspraak ingezonden door Paul Trapman, Ploum.
Erik Fruit aansprakelijk voor inbreuk op 'Labubu'-merken van Pop Mart
Rb. Den Haag 23 september 2026, IEF 23865; C/09/696283 (Popmart tegen Erik Fruit). In deze zaak tussen Pop Mart en Erik Fruit heeft de rechtbank geoordeeld dat groothandel Erik Fruit B.V. inbreuk heeft gemaakt op de Uniemerken van Pop Mart (bekend van het figuur 'Labubu'). Erik Fruit had ruim 7.000 namaakproducten van de populaire vinylknuffels geleverd aan diverse filialen van supermarktketen Jumbo. Pop Mart vorderde een inbreukverbod, opgave van feiten en cijfers, en schadevergoeding op te maken bij staat. Erik Fruit verweerde zich onder meer met de stelling dat de inkopers van Jumbo expliciet om koplopers/kopieën hadden gevraagd omdat de originele Labubu's niet verkrijgbaar waren, waardoor er bij de professionele afnemer geen verwarring kon ontstaan. Ook voerde Erik Fruit aan dat 'lafufu' een soortnaam zou zijn geworden en dat zij slechts op verzoek handelde.
Auteursrechtinbreuk op bloemenvazen van Des Pots
Rb. Noord-Holland 26 augustus 2026, IEF 23866; ECLI:NL:RBNHO:2026:11723 (Des Pots tegen [gedaagde]). Des Pots exploiteert een collectie bloemenvazen die volgens haar in 2006 is ontworpen en vanaf januari 2007 op de markt is gebracht. Gedaagde bood in 2025 op een beurs en via haar webshop sterk overeenstemmende rozenvazen aan. De rechtbank oordeelt dat de bloemenvazen auteursrechtelijk beschermd zijn. Gedaagde had de beschermingswaardigheid van de vormgeving niet concreet betwist, zodat de rechtbank uitgaat van auteursrechtelijke bescherming aan de hand van de maatstaf dat sprake moet zijn van een eigen intellectuele schepping die de vrije en creatieve keuzes van de maker weerspiegelt. Ook staat voldoende vast dat Des Pots auteursrechthebbende is. Des Pots kan zich beroepen op artikel 8 Aw, omdat zij de vazen als van haar afkomstig openbaar heeft gemaakt zonder vermelding van een natuurlijke persoon als maker. Daarnaast volgt uit een overgelegde akte dat de ontwerpster haar auteursrechten aan Des Pots heeft overgedragen. De betwisting van het makerschap door gedaagde acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd.
UPC CoA: eierverpakkingspatent slechts geldig in beperkte vorm, geen inbreuk door Omni-Pac
UPC CoA 19 augustus 2026, IEF 23855; IEFbe 4315; UPC_CoA_908/2025; UPC_CoA_909/2025; UPC_CoA_918/2025 (Hartmann tegen Omni-Pac). In deze zaak tussen Hartmann Packaging en Omni-Pac staat de geldigheid en inbreuk op EP 2 755 901 centraal. Het octrooi van Hartmann ziet op een eierverpakking en op een werkwijze voor de vervaardiging daarvan. Hartmann stelde dat de door Omni-Pac geproduceerde en verhandelde ComPac-eierverpakkingen inbreuk maakten. Omni-Pac betwistte de inbreuk en stelde een tegenvordering tot nietigverklaring in. De Local Division Düsseldorf hield conclusie 1 slechts in gewijzigde vorm volgens auxiliary request 2 in stand, maar achtte werkwijzeconclusie 6 zoals verleend geldig. De inbreukvordering van Hartmann werd afgewezen. Beide partijen gingen in hoger beroep. Het Court of Appeal gaat eerst in op enkele processuele punten. R. 222.2 RoP, op grond waarvan nieuwe verzoeken, feiten en bewijsmiddelen in hoger beroep buiten beschouwing kunnen worden gelaten, ziet niet op nieuwe juridische argumenten. Een partij mag in hoger beroep dus een nieuw juridisch argument aanvoeren wanneer dat argument is gebaseerd op feiten en bewijs die al in eerste aanleg waren aangevoerd. De uitleg van een octrooiconclusie is volgens het Court of Appeal een rechtsvraag. Nieuwe bewijsmiddelen die Hartmann in hoger beroep had ingediend, worden daarentegen niet toegelaten, omdat Hartmann niet aannemelijk had gemaakt dat deze redelijkerwijs niet eerder konden worden overgelegd, terwijl hun relevantie bovendien gering was. Bij de uitleg van conclusie 1 oordeelt het Court of Appeal dat de daarin genoemde ‘upwardly extending retainment projection’ moet worden onderscheiden van de traditionele flexibele sluitflappen uit de stand van de techniek. Het octrooi beoogt juist een verpakking te bieden die zonder zo'n traditionele sluitflap betrouwbaar en in één mechanische beweging kan worden gesloten en vergrendeld. De conclusie vereist niet dat de retainment projection een bepaalde mate van stijfheid heeft, maar een traditionele, scharnierende flexibele sluitflap valt wel buiten de betekenis van dit kenmerk.
UPC CoA: onderneming verantwoordelijk voor naleving inbreukverbod op externe marketingplatforms
UPC CoA 17 augustus 2026, IEF 23854; IEFbe 41314; UPC_CoA_87/2026 (Lepu tegen Occlutech). In deze zaak tussen Lepu Medical en Occlutech staat de naleving van een voorlopig inbreukverbod centraal. De Local Division Hamburg had Lepu verboden bepaalde medische implantaten in onder meer Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland en Ierland aan te bieden, in de handel te brengen, te gebruiken, in te voeren of voor die doeleinden op te slaan. Aan overtreding van dit verbod was een dwangsom verbonden. Nadat Occlutech om verbeurte van dwangsommen had verzocht, veroordeelde de Local Division Lepu tot betaling van € 58.800 wegens niet-naleving van het verbod. Lepu komt tegen die beslissing in beroep. Het Court of Appeal stelt voorop dat degene tot wie een verbod is gericht in beginsel ook verantwoordelijk is voor derden die hij inschakelt om aan dat verbod te voldoen. Hetzelfde geldt wanneer een onderneming gebruikmaakt van een extern marketingplatform en daarvoor zelf content aanlevert. In dat geval moet de onderneming ervoor zorgen dat de inhoud op dat platform niet tot schending van het rechterlijk bevel leidt. Lepu kan zich daarom niet met succes beroepen op het feit dat derden betrokken waren bij het beheer van haar website of andere online kanalen.
Gerecht EU: verwarringsgevaar tussen ANTMINER en ANTCHAIN ondanks hoog aandachtsniveau
Gerecht EU 23 september 2026, IEF 23864; IEFbe 4318; ECLI:EU:T:2026:586 (ANTMINER). Bitmain Technologies heeft registratie aangevraagd van het Uniewoordmerk ANTMINER voor onder meer hardware en software voor cryptomining in klasse 9. Advanced New Technologies heeft hiertegen oppositie ingesteld op basis van verschillende oudere Uniemerken, waaronder ANT en ANTCHAIN. De oppositieafdeling wees de oppositie toe op grond van het oudere merk ANT. Nadat Bitmain een procedure tot vervallenverklaring van ANT had ingesteld, verzocht zij om schorsing van de beroepsprocedure. De kamer van beroep wees dit verzoek af en handhaafde de weigering van ANTMINER, ditmaal op grond van verwarringsgevaar met het oudere merk ANTCHAIN. Het Gerecht oordeelt dat de kamer van beroep de procedure niet hoefde te schorsen. Op grond van art. 71 lid 1 onder b van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/625 beschikt de kamer van beroep over een ruime beoordelingsvrijheid. Omdat de oppositie ook kon slagen op basis van ANTCHAIN, waarvan de geldigheid niet werd betwist, vormde de parallelle procedure over ANT op zichzelf onvoldoende grond om de weigering tot schorsing als een kennelijke beoordelingsfout aan te merken. Ook de gestelde schending van de beginselen van gelijkheid en onpartijdigheid was onvoldoende onderbouwd.