Geen verbod op gebruik naam en beeltenis influencer, omdat rechtsgeldige ontbinding licentieovereenkomst in kort geding niet aannemelijk is
Rb. Amsterdam 7 april 2026, IEF 23462; IT 5198; ECLI:NL:RBAMS:2026:3348 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam wijst alle gevraagde voorzieningen af in een kort geding tussen influencer/powerlifter [eiser 1], handelend onder [handelsnaam 1], en [gedaagde] B.V. Partijen hadden een overeenkomst gesloten die liep van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2026, op grond waarvan [gedaagde] exclusief gerechtigd was de naam en “image rights” van [handelsnaam 1] te gebruiken voor de promotie en verkoop van voedingssupplementen, tegen betaling van onder meer een maandelijkse licentievergoeding van USD 35.000, een winstaandeel en verkoopprovisie. [eiser 1] stelde dat hij deze overeenkomst op 29 oktober 2025 rechtsgeldig had ontbonden wegens een material breach als bedoeld in art. 5.2 van de overeenkomst, onder verwijzing naar te late en uitblijvende betalingen, het uitblijven van winstaandelen en provisie, het niet verstrekken van financiële informatie en het zonder voorafgaande goedkeuring op de markt brengen van producten, onder meer in Mexico. Op basis daarvan vorderde hij onder meer verboden wegens merk-, auteurs- en portretrechtinbreuk, alsook verboden op misleidende handelspraktijken en misleidende reclame, met nevenvorderingen zoals opgave en terugroeping. De voorzieningenrechter stelt voorop dat Nederlands recht van toepassing is en dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is. Daarnaast oordeelt hij dat [eiser 2] geen contractspartij is en ook niet als merkhouder, auteursrechthebbende of portretgerechtigde is gesteld, zodat haar vorderingen al daarom stranden. Beslissend is vervolgens dat de gevraagde verboden alleen toewijsbaar zijn als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden; dat acht de voorzieningenrechter niet het geval.
Verpakking 1 inbreuk op Uniebeeldmerk, Verpakking 2 niet; geen geslaagd beroep op (voor)voorgebruik; factuurvordering toewijsbaar onder WKV en Duits recht
Rb. Den Haag 1 april 2026, IEF 23461; ECLI:NL:RBDHA:2026:7375 (Demka tegen Enfa). De Rechtbank Den Haag oordeelt dat Enfa met Verpakking 1 van haar kaassticks inbreuk maakt op het Uniebeeldmerk van Demka in de zin van art. 9 lid 2 onder b UMVo, maar dat Verpakking 2 geen merkinbreuk oplevert. De waren zijn identiek, omdat het in beide gevallen om kaassticks/melkproducten gaat. Ten aanzien van Verpakking 1 acht de rechtbank de visuele overeenstemming groot: beide tekens hebben onder meer een rode boven- en onderrand, een blauw middenvlak, woordelementen in wit/rood, een centraal venster waardoor de kaassticks zichtbaar zijn, en onderaan melk met een jongetje. Begripsmatig bestaat eveneens overeenstemming; auditief is die beperkt, maar in samenhang met de identieke waren leidt dit toch tot verwarringsgevaar. Het verweer dat de woordelementen de totaalindruk zouden domineren, wordt verworpen. Bij Verpakking 2 is volgens de rechtbank slechts sprake van enige mate van visuele en begripsmatige overeenstemming, terwijl vooral de afwijkende kleurstelling, de andere vorm van het venster en de andere positionering van de elementen maken dat geen verwarringsgevaar bestaat. De rechtbank verwerpt ook het beroep op een ouder recht van plaatselijke betekenis dan wel op (voor)voorgebruik, omdat Enfa onvoldoende heeft geconcretiseerd op welk ouder recht zij zich beroept en hoe dat recht zou zijn ontstaan. De voorwaardelijke reconventionele vordering tot nietigverklaring van het Uniebeeldmerk wordt afgewezen, omdat Enfa onvoldoende heeft onderbouwd dat het merk ieder onderscheidend vermogen mist; ook de overige reconventionele IE-vorderingen, waaronder de gevraagde verklaring voor recht van non-inbreuk en de gevraagde beperking van maatregelen, worden afgewezen. Daarbij merkt de rechtbank wel uitdrukkelijk op dat merkinbreuk pas kan worden aangenomen vanaf de registratiedatum van het Uniebeeldmerk, 24 augustus 2024, zodat het eerdere gebruik van Verpakking 1 niet als merkinbreuk kan gelden.
Uitspraak ingezonden door Pim Trooster, The Legal Group Advocaten.
Handelsvoorraad namaakthee levert merkinbreuk op; geen persoonlijk ernstig verwijt aan bestuurder
Rb. Den Haag 18 maart 2026, IEF 23457; C/09/684356 (Sultan tegen Yettefti). In conventie oordeelt de Rechtbank Den Haag dat zij bevoegd is kennis te nemen van de op de Sultan-merken gebaseerde vorderingen, voor zover het gaat om een Uniemerk en internationale registraties met aanwijzing van de EU. Vaststaat dat La Marocaine des Thés et Infusions houdster is van drie Sultan-merken voor thee en dat in de loods van Yetteti B.V. producten en verpakkingen met aan die merken identieke dan wel overeenstemmende tekens in beslag zijn genomen. De rechtbank verwerpt het verweer van Yetteti B.V. en Tea Market B.V. dat deze goederen niet tot hun handelsvoorraad behoorden en slechts buiten hen om zouden zijn opgeslagen. Doorslaggevend is dat de goederen in hun opslagruimte lagen, dat Yetteti en Tea Market op hetzelfde adres zijn gevestigd, verweven zijn en overlappende activiteiten hebben. Daarmee acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat Yetteti en Tea Market merkinbreuk hebben gemaakt. De vorderingen tegen de mede gedagvaarde bestuurder in privé worden echter afgewezen, omdat onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat haar persoonlijk een ernstig verwijt treft of dat zij naast de vennootschappen zelfstandig onrechtmatig heeft gehandeld. Ook de gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen wegens gebrek aan zelfstandig belang naast de toe te wijzen verboden en nevenvoorzieningen.
ART EXHIBITION - BEYOND REFLECTION
Met plezier nodigen we je uit om samen het glas te heffen tijdens deze bijzondere midissage – een mooi moment om even stil te staan, te reflecteren en samen te komen rond de werken van Beyond Reflection van Brigitte Spiegeler.
Deze middag biedt een fijne gelegenheid om elkaar te ontmoeten in een exclusieve setting en het werk echt te ervaren. Laten we dit moment niet alleen zien als een mijlpaal binnen de tentoonstelling, maar vooral ook als een gezellig samenzijn om het werk samen te vieren in goed gezelschap.
Uitspraak is ingezonden door Bas Meijer, Dillinger Law.
Verbetervonnis corrigeert de proceskosten van Volkswagen AG
Rb. Den Haag 8 april 2026, IEF23458, C/09/689519/ (VOLKSWAGEN AKTIENGESELLSCHAFT tegen [gedaagde]). Volkswagen AG trad in deze procedure [zie IEF23293] op tegen [gedaagde] die zonder toestemming auto-onderdelen met Volkswagen-merken verkocht. Omdat de gedaagde niet verscheen, werd verstek verleend en ging de rechter uit van merkinbreuk. Waar eerder stond “opvallend is dat de rechter géén volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv toekent, omdat Volkswagen de proceskosten niet tijdig en voldoende gespecificeerd had; daarom zijn de kosten volgens het liquidatietarief begroot” wordt gecorrigeerd.
Overzicht UPC-uitspraken
Overzicht UPC-uitspraken 2 april t/m 8 april 2026
8 april 2026
UPC-CFI 280/2025
Gerecht: Munich (DE) Central Division - Section
Type procedure: Revocation Action
Partijen: WIRPLAST – Więcek Spółka Jawna tegen VILPE Oy
Waar gaat het over: een nietigheidsactie bij de centrale divisie in München in een octrooigeschil tussen WIRPLAST en VILPE, vermoedelijk in een industrieel-technische context.
7 april 2026
UPC_CFI_2255/2025
Gerecht: Hamburg (DE) Local Division
Type procedure: Application for provisional measures
Partijen: Dyson Technology Limited tegen DREAME INTERNATIONAL (HONGKONG) LIMITED e.a.
Waar gaat het over: een verzoek om voorlopige maatregelen in een octrooigeschil in de consumententechnologie-/huishoudapparatensector.
UPC_CFI_249/2026
Gerecht: Düsseldorf (DE) Local Division
Type procedure: Infringement Action
Partijen: Guangdong OPPO Mobile Telecommunications Corp. Ltd, Orope Germany GmbH tegen Koninklijke KPN N.V
Waar gaat het over: een octrooi-inbreukprocedure in de telecom- en mobiele communicatiesector.
UPC-CFI-0000850/2026
Gerecht: Lisbon (PT) Local Division
Type procedure: Infringement Action
Partijen: Shenzhen Transsion Holdings Co. Ltd. tegen Telefonaktiebolaget LM Ericsson, Ericsson Holding International B.V., Ericsson Telecommunicatie B.V., Ericsson Telecommunicações Lda
Waar gaat het over: een octrooi-inbreukprocedure in de telecomsector tussen Transsion en verschillende Ericsson-entiteiten.
Programma seminar Uitingsvrijheid 28 mei 2026 deels bekend - VROEGBOEKKORTING TOT 1 MEI 2026
Jens van den Brink en Lotte Oranje (beiden van Kennedy Van der Laan) en Christiaan Alberdingk Thijm (bureau Brandeis) nemen u op donderdag 28 mei 2026 mee in de wereld van de uitingsvrijheid. Dit jaar op de centrale locatie Buro de Pijp.
Het voorlopig programma is bekend. Naast het vertrouwde onderdeel van het bespreken van de actualiteiten persrecht door Jens van den Brink en Lotte Oranje, zullen Kamran Ullah (Telegraaf), Pieter Klok (Volkskrant) en Giselle van Cann (NOS) met elkaar in gesprek over controversiële berichtgeving "Gaza and beyond". Alleen al de aanwezigheid van deze drie toonaangevende vertegenwoordigers van grote Nederlandse nieuwsmedia belooft een scherp en waardevol gesprek over de vraag: doen media het ooit goed?
Daarnaast gaan we in op deepfakes en uitingsvrijheid met Minke Gommers (bureau Brandeis) en Christiaan Alberdingk Thijm. Ze bespreken de gevolgen van Russmedia en de Grok-uitspraak.
Laatste plekken voor het seminar over de Cyberbeveiligingswet op 16 april 2026
Veel van ons leven en werk speelt zich inmiddels af in de digitale wereld. Tegelijkertijd nemen cyberdreigingen toe, denk aan grote datalekken. Daarmee groeit het belang van goede digitale beveiliging voor bedrijven en publieke instellingen. Om het niveau van cyberbeveiliging binnen de Europese Unie te versterken is de NIS2-richtlijn opgesteld, de opvolger van de eerdere NIS1-richtlijn.
In Nederland wordt deze richtlijn geïmplementeerd via de Cyberbeveiligingswet (Cbw), die naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 in werking treedt. De Cbw vervangt de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) en introduceert strengere verplichtingen voor organisaties in sectoren met een belangrijk maatschappelijk of economisch gewicht. De wet bevat onder meer regels over risicobeheer, meldplichten bij incidenten, bestuurlijke verantwoordelijkheid en toezicht. Daarnaast speelt de samenwerking met zogeheten Computer Security Incident Response Teams (CSIRT’s) een belangrijke rol bij het detecteren en afhandelen van cyberincidenten.
Tegelijkertijd wordt ook de Critical Entities Resilience Directive (CER-richtlijn) in Nederland geïmplementeerd, via de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Beide wetten zullen naar verwachting gelijktijdig in werking treden en markeren een belangrijke stap in het versterken van de digitale weerbaarheid van vitale sectoren.
Uitspraak ingezonden door Inez ten Brink en Roeland Grijpink, HOYNG ROKH MONEGIER.
Vonnis Pixelhobby / Flying Tiger: auteursrechtinbreuk op DIY-sleutelhangers
Rb. Noord-Holland 1 april 2026, IEF 23456; C/15/366100 (Pixelhobby tegen Flying Tiger). In dit vonnis staat de vraag centraal of de DIY-sleutelhangers van Flying Tiger inbreuk maken op de auteursrechten op de Pixelhobby-sleutelhangers. De rechtbank acht zich bevoegd omdat de gestelde onrechtmatige daad en de daaruit voortvloeiende schade zich mede in Nederland en in Noord-Holland voordoen. Vervolgens past zij de gebruikelijke auteursrechtelijke maatstaf toe: ook een gebruiksvoorwerp of werk van toegepaste kunst kan beschermd zijn, mits sprake is van een eigen intellectuele schepping die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt door vrije en creatieve keuzes; louter technisch bepaalde elementen vallen buiten bescherming, maar het enkele feit dat een product functionele trekken heeft, sluit auteursrecht niet uit. Het verweer van Flying Tiger dat Pixelhobby niet duidelijk genoeg zou hebben omschreven welk werk zij beschermt, wordt verworpen: volgens de rechtbank gaat het om een concreet en voor menselijke waarneming vatbaar mozaïek-speelgoedsysteem, bestaande uit onder meer kleine vierkante pixels, kleurmatjes, een transparante basisplaat in hangervorm met afgerond dakje en gat, en de uiteindelijk resulterende kenmerkende “pixellook”; de losse voorbeeldpatronen als zodanig zijn daarbij niet het beschermde werk. Ook het verweer dat het product te functioneel en dus niet oorspronkelijk zou zijn, faalt. De rechtbank oordeelt dat juist de combinatie van keuzes, waaronder de afmetingen en vorm van de pixels, het licht bolle bovenoppervlak, het materiaal en de semi-matte uitstraling, de specifieke matjes, de transparante basisplaat met pinnetjes en de sleutelhangerconfiguratie, in onderlinge samenhang voldoende creatieve ruimte laat en een niet-triviale, niet louter technisch bepaalde totaalindruk oplevert. Daarnaast verwerpt de rechtbank het verweer tegen de rechthebbendheid: zij acht voldoende aannemelijk dat de auteursrechten via de liquidatie-overdracht van Ger Verschoor Inc. en de overdrachtsakte van april 2025 bij Pixelplast zijn terechtgekomen, terwijl Pixelhobby B.V. op grond van die akte een exclusieve licentie heeft verkregen om die rechten te exploiteren en te handhaven.
Kort geding over toegang tot Instagram-account van gezamenlijke tandartspraktijk
Rb. Rotterdam 26 februari 2026, IEF 23452; ECLI:NL:RBROT:2026:2593 ([eisers] tegen [gedaagde]). In dit kort geding staat een conflict centraal over het Instagram-account van een in 2021 door [eiser sub 1] en [gedaagde] opgezette tandartspraktijk. Eind december 2025 verschenen op dat openbare account foto’s en video’s van [eiser sub 2] en van de twee minderjarige dochters van [eiser sub 1] en [eiser sub 2], voorzien van ernstig diffamerende en seksueel getinte teksten; ook werden de gebruikersnaam en accountomschrijving gewijzigd. De voorzieningenrechter verklaart de minderjarige dochters niet-ontvankelijk, omdat zij als minderjarigen procesonbekwaam zijn en voor procederen namens hen een machtiging van de kantonrechter vereist was op grond van art. 1:253k BW jo. art. 1:349 lid 1 BW, welke ontbrak. Ten aanzien van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] oordeelt de voorzieningenrechter dat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] feitelijke toegang heeft tot het Instagram-account. Dat oordeel baseert de rechter op de onweersproken inhoud van ontmoetingen en een telefoongesprek tussen [gedaagde] en de broer van [eiser sub 2], waaruit volgens de voorzieningenrechter volgt dat [gedaagde] de betreffende foto’s en video’s van het account heeft verwijderd en de accountnaam en accountomschrijving heeft gewijzigd. De primair gevorderde overdracht van het account aan [eiser sub 1] wordt afgewezen, omdat [eiser sub 1] en [gedaagde] het account gezamenlijk hebben aangemaakt en op dat moment nog gezamenlijk eigenaar zijn van de tandartspraktijk, zodat volledige uitsluiting van [gedaagde] van het account te ver gaat. Wel wordt de subsidiaire vordering toegewezen: [gedaagde] moet binnen 48 uur alle inloggegevens en toegangscodes van het Instagram-account aan [eiser sub 1] verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 5.000 ineens en € 500 per dag, met een maximum van € 25.000.