Verzoeken over verkoop van IE-rechten vallen grotendeels buiten artikel 69 Fw
Rb. Den Haag 21 juli 2026, IEF 23722; ECLI:NL:RBDHA:2026:21050 (4ML B.V. tegen de curator in de faillissementen van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V.). In deze zaak tussen 4ML B.V. en de curator in de faillissementen van [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. staat de vraag centraal of nader onderzoek nodig is naar intellectuele eigendomsrechten op twee formules voor verfpoeder. Daarnaast beoordeelt de rechtbank welke verzoeken een schuldeiser op grond van artikel 69 Fw aan de rechter-commissaris kan voorleggen. De gefailleerde vennootschappen hielden zich bezig met een verfformule die aanvankelijk werd aangeduid als RWP100. Volgens 4ML is deze formule later doorontwikkeld tot RWP203. Beide formules en de daarop rustende IE-rechten behoren volgens 4ML tot de faillissementsboedel. De curator is van plan de IE-rechten op RWP100 te verkopen, maar beschouwt RWP203 niet als onderdeel van de boedel. 4ML stelt dat de boedel hierdoor wordt benadeeld en verzocht de rechter-commissaris onder meer om nader onderzoek naar de eigendom van RWP203, de veiligstelling van mogelijke boedelactiva, mogelijke bestuurdersaansprakelijkheid en de waarborgen rond het verkoopproces. Ter ondersteuning van haar standpunt verwijst 4ML naar een e-mail van een voormalig bestuurder uit 2022, waarin wordt gesproken over de binnen de gefailleerde vennootschappen ontwikkelde titaniumdioxidevrije formules RWP100 en RWP203. Ook beroept 4ML zich op een vergelijkend onderzoek van Nebest. Daaruit blijkt volgens haar dat de onderzochte verfpoeders dezelfde organische componenten bevatten en slechts op enkele punten verschillen. Verder acht 4ML het ongeloofwaardig dat de voormalige bestuurders hebben verklaard de formule van RWP203 niet in hun bezit te hebben. De curator stelt daartegenover dat uitgebreid onderzoek is verricht. Uit een technisch laboratoriumonderzoek is niet gebleken dat RWP100 en RWP203 dezelfde formule hebben. Ook heeft de curator een accountant onderzoek laten doen bij [bedrijf 3] B.V., de vennootschap waarbinnen RWP203 volgens haar bestuurder zou zijn ontwikkeld. Uit dat onderzoek blijkt niet dat [bedrijf 3] B.V. omzet met een verfproduct heeft behaald. De curator heeft daarom geen schade voor de gefailleerde vennootschappen en geen onrechtmatige doorontwikkeling of verduistering van IE-rechten kunnen vaststellen.
Artikel geschreven door Evelien Huberts, Hoogenraad & Haak.
“Nature Socks” een duurzaamheidsclaim?
Evelien Huberts, 7 april 2026.
Een verpakking met de namen “Wollsocken” en “Nature Socks” en een afbeelding van een bol wol met breinaalden suggereert volgens een klager bij de Reclame Code Commissie dat sprake is van een “veel natuurlijker en duurzamer product dan het in werkelijkheid is”. De klager vond de uiting misleidend. Maar hoe zit het écht?
Uitspraak ingezonden door Dirk Visser en Jasper Klopper, Visser Schaap & Kreijger.
Beroep op parodie-exceptie faalt bij commerciële exploitatie ABBA-parodie ‘Dikke Pens’
Rb. Midden-Nederland 29 juli 2026, IEF 23721; IT 5394; ECLI:NL:RBMNE:2026:4647 (De Kapotte Kachels tegen Universal Music Publishing). De carnavalsband De Kapotte Kachels bracht het nummer Dikke Pens (Clap Your Pens) uit, waarin de melodie van Take A Chance On Me van ABBA wordt gebruikt met een nieuwe, carnavaleske tekst. Universal Music Publishing, die namens de rechthebbenden van ABBA optreedt, liet het nummer van onder meer Spotify verwijderen wegens auteursrechtinbreuk. De Kapotte Kachels vorderen daarop onder meer verklaringen voor recht dat Dikke Pens een toegestane parodie is in de zin van artikel 18b Auteurswet.
Artikel geschreven door Ebba Hoogenraad, Hoogenraad & Haak.
De groene EmpCo-klok tikt … wat bedrijven nu moeten weten
Ebba Hoogenraad, 29 juni 2026.
De toepassingsdatum van de EmpCo-richtlijn, 27 september 2026, nadert snel. Niet alleen de zomerzon zorgt voor warmte; maar ook bedrijven met duurzaamheidsclaims op hun verpakkingen krijgen het hier warm van.
Vanaf die datum zijn o.a. generieke milieuclaims verboden. Woorden als duurzaam, groen, verantwoord of milieubewust mogen uitsluitend worden gebruikt met keihard bewijs ('erkende voortreffelijke milieuprestaties'), of als de claim direct in de uiting zelf wordt gespecificeerd.
Annotatie geschreven door P.B. Hugenholtz.
NJ-noot onder HvJEU Pelham 2 (pastiche)
[verschenen in Nederlandse Jurisprudentie 2026/188].
Noot
In deze noot bespreekt P.B. Hugenholtz het arrest Pelham II [IEF 23472], waarin het HvJEU voor het eerst uitleg geeft aan het begrip ‘pastiche’ in art. 5 lid 3 onder k InfoSoc-richtlijn. Het Hof oordeelt dat de pastichebeperking geen algemene vangnetclausule voor artistiek hergebruik vormt. Een pastiche moet een bestaand werk oproepen, daarvan merkbaar verschillen en daarmee een als zodanig herkenbare artistieke of creatieve dialoog aangaan.
Hugenholtz bespreekt de betekenis van deze uitleg voor onder meer sampling, memes en appropriation art. Ook gaat hij in op de grondrechtelijke basis van de pastichebeperking en de ruime uitleg die volgens het Hof moet worden gegeven aan beperkingen die de uitings- en kunstvrijheid waarborgen.
EU-wijd ex parte verbod tegen verhandeling van Volkswagen ID.6 wegens merkinbreuk
Rb. Den Haag 26 juni 2026, IEF 23716; ECLI:NL:RBDHA:2026:19391 (verzoekster tegen gerekwestreerde). Volkswagen Aktiengesellschaft verzocht de voorzieningenrechter om een onmiddellijk verbod tegen een in Nederland gevestigde of woonachtige gerekwestreerde. Volgens Volkswagen maakte de gerekwestreerde met auto’s van het type Volkswagen ID.6 inbreuk op de in randnummer 8 van het verzoekschrift genoemde merken. Omdat de gerekwestreerde in Nederland was gevestigd of woonde, achtte de voorzieningenrechter zich bevoegd om over de gestelde inbreuk in de gehele Europese Unie te oordelen. Voorshands bestond geen reden om aan de geldigheid van de ingeroepen rechten te twijfelen en was de gestelde inbreuk voldoende aannemelijk gemaakt. Gelet op het spoedeisende belang en de mate van aannemelijkheid van de inbreuk bestond voldoende grond om het verbod toe te wijzen zonder de gerekwestreerde vooraf te horen.
EU-wijd ex parte verbod wegens inbreuk op Uniemerken en Uniemodel van Philips
Rb. Den Haag 29 juni 2026, IEF 23715; ECLI:NL:RBDHA:2026:19388 (verzoekster tegen gerekwestreerden). Koninklijke Philips N.V. verzocht de voorzieningenrechter op grond van artikel 1019e Rv om een onmiddellijk verbod tegen een in Nederland woonachtige ondernemer en een Chinese vennootschap. Philips stelde dat de in het verzoekschrift omschreven producten inbreuk maakten op de in randnummer 5 genoemde Uniewoordmerken en het in randnummer 6 genoemde model. De voorzieningenrechter achtte zich bevoegd om voor de gehele Europese Unie over de gestelde inbreuk te oordelen. Voorshands bestond geen reden om aan de geldigheid van de ingeroepen rechten te twijfelen en had Philips de gestelde inbreuk voldoende aannemelijk gemaakt. Dit voorlopige oordeel kwam tot stand na een summier onderzoek waarbij alleen Philips was gehoord. Gelet op de aannemelijkheid van de inbreuk en het spoedeisende belang bestond voldoende grond om het verbod zonder voorafgaand verhoor van de gerekwestreerden toe te wijzen.
Geen proceskostenveroordeling na intrekking van kwekersrechtelijke vorderingen
Rb. Den Haag 15 juli 2026, IEF 23714; ECLI:NL:RBDHA:2026:19422 ([eiseressen] tegen De logistiek partners). Eiseres 1 was houdster van het communautaire kwekersrecht voor het plantenras Ofarim, dat door de exclusieve licentienemers onder de naam Green Bell op de markt werd gebracht. In een eerdere bodemprocedure had de rechtbank geoordeeld dat het door het Danziger-concern aangeboden en verhandelde ras Green Dragon onvoldoende van Ofarim afweek en dat daarmee inbreuk werd gemaakt op het kwekersrecht. Eiseressen begonnen vervolgens een kort geding tegen Beauty Line c.s. en verschillende logistieke dienstverleners die betrokken waren bij de verhandeling van Green Dragon. Na de mondelinge behandeling bereikten eiseressen een minnelijke regeling met Beauty Line c.s., waarna de procedure tegen hen werd doorgehaald en het kwekersrecht aan hen werd overgedragen. Eiseressen trokken vervolgens hun inhoudelijke vorderingen tegen de resterende logistieke partners in, maar handhaafden hun vordering tot vergoeding van de proceskosten op grond van artikel 1019h Rv.
Artikel geschreven door Stefaan Meuwissen, Knowledge Lawyer I.P. bij Hogan Lovells International LLP.
AI roept nieuwe vragen op in domeinnaamgeschillen
Stefaan Meuwissen, 21 juli 2026.
Generatieve AI kan binnen enkele seconden een professioneel ogende UDRP-klacht of reactie opstellen, compleet met ogenschijnlijk relevante rechtsleer, gestructureerde juridische argumenten en verwijzingen naar zaken. Dat heeft een voordeel: het kan de praktische drempels voor deelname verlagen en ertoe leiden dat meer verweerders inhoudelijk reageren in plaats van verstek te laten gaan, en door AI ondersteunde reacties zouden uiteindelijk eerder regel dan uitzondering kunnen worden. Er is echter ook een keerzijde. De vloeiendheid en schijnbare autoriteit van door AI gegenereerde tekst kunnen ernstige zwaktes verhullen,waaronder verzonnen gezaghebbende bronnen, onjuiste citaten, irrelevante juridische analyses en feitelijke stellingen waarvoor geen gelijktijdig bestaand bewijs beschikbaar is. AI verandert ook het bewijs waarop partijen zich beroepen. Zoekresultaten, website-inhoud, bedrijfsplannen en waarderingen van domeinnamen kunnen inmiddels allemaal door AI worden gegenereerd. In sommige gevallen maakt het door AI gegenereerde materiaal zelf deel uit van het betwiste gedrag, bijvoorbeeld een website die vrijwel volledig door een geautomatiseerd hulpmiddel is gebouwd en die volgens een partij kwade trouw zou aantonen. Voor advocaten en panelleden is de praktische vraag voortaan zelden of AI is gebruikt. De vraag is of het resulterende stuk of bewijs nauwkeurig, relevant, verifieerbaar en voldoende is om vast te stellen wat de UDRP daadwerkelijk vereist.
Artikel geschreven door Rudi Holzhauer.
Worden IE-rechthebbenden de dupe van Dupes of van Algemene belangen?
Artikel geschreven door Rudi Holzhauer.
In het eerste BMM bulletin van 2026 bespreken de Rotterdamse advocaten Paul Trapman en Evianne Roos de grenzen die het IE recht stelt aan de handel in dupes. Dupes zijn qua prijs goedkopere duplicaten van originele dure luxe producten. En dat is iets anders dan een namaakproduct. Het is ook geen piraterij in de zin van de EU Anti-piraterijverordening.
“Bij namaakproducten is het doel het originele product zo goed mogelijk te imiteren – de vormgeving wordt zo precies mogelijk overgenomen en merk en teken zijn (vrijwel) identiek. Consumenten (of andere derden) kunnen bij namaak in beginsel niet zien dat het niet om het echte product gaat. Een dupe heeft daarentegen juist niet als doel een zogenaamde double identity6 te creëren. De dupe wordt juist gepositioneerd als een betaalbaar alternatief voor een duur luxeproduct. Daarbij worden zoveel mogelijk de stijl, de kenmerken, het design en de eigenschappen van het originele product gekopieerd, maar juist het merk, de logo’s en de precieze branding worden niet overgenomen.7 Ook de juridische definitie van een namaakproduct toont het verschil. Hoewel het Unierecht geen uniforme definitie kent van een namaakproduct,8 wordt in de praktijk veelal aansluiting gezocht bij de definitie die de Douane hanteert op grond van de Anti-piraterijverordening.” (Trapman en Roos, blz. 26)
Zij leggen e.e.a. uit in hun zeer informatieve en IE-degelijke artikel. Niets mis mee. Goede analyses en bijdrage. Zij het wel: van binnenuit. D.w.z. vanuit het nu in Nederland geldende IE-recht. Begrijpelijk natuurlijk, maar … dan haak ik bijna meteen af. Met een glimlach. En wijs ik op al die IE-blabla. En al die negatieve impact op onze economie en daarmee op onze samenleving. Een ander perspectief.