Gerecht EU: geen restitutio in integrum na gemiste verlengingstermijn voor Uniemodel
Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23886; IEFbe 4329; ECLI:EU:T:2026:551 (Barth tegen EUIPO). Barth GmbH verzocht om vernietiging en wijziging van een beslissing van de Derde kamer van beroep van het EUIPO over een geregistreerd Uniemodel voor isolerende dozen. De bescherming van het model liep op 17 juni 2024 af. Nadat noch binnen de reguliere termijn, noch binnen de aanvullende termijn tegen betaling van een toeslag om verlenging was verzocht, stelde het EUIPO vast dat de bescherming was verstreken. Barth diende vervolgens een verzoek om restitutio in integrum in op grond van artikel 67 lid 1 van Verordening nr. 6/2002. Volgens Barth was de termijnoverschrijding het gevolg van een samenloop van fouten van twee medewerkers van haar gemachtigde. Het Gerecht bevestigt dat herstel in de vorige toestand alleen mogelijk is wanneer de betrokkene, ondanks alle door de omstandigheden vereiste zorgvuldigheid, een termijn niet heeft kunnen naleven. Daarvoor moet een systeem van interne controle en termijnbewaking bestaan dat onbedoelde termijnoverschrijdingen in beginsel uitsluit. Menselijke fouten bij de handmatige verwerking van termijnen zijn volgens het Gerecht niet uitzonderlijk of onvoorzienbaar. Het gebruikte controlesysteem bood onvoldoende waarborgen: de controle berustte in wezen op de ene medewerker die het werk van een andere medewerker controleerde, terwijl geen systematische controle plaatsvond op de medewerker die de verlengingstermijn uit het systeem verwijderde. Ook werd niet in ieder dossier gecontroleerd of de verlengingsvergoeding daadwerkelijk was betaald. Systematische controles, zoals het opvragen van een betalingsbewijs of een controle achteraf of de verlenging in het register was ingeschreven, hadden de fout kunnen ontdekken.
Rechtbank Noord-Holland ontbindt arbeidsovereenkomst BumaStemra wegens verstoorde arbeidsverhouding
Rb. Noord-Holland 14 september 2026, IEF 23884; ECLI:NL:RBNHO:2026:12034 (BumaStemra tegen [verweerder]). BumaStemra verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer wegens een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder g BW. De kantonrechter oordeelt dat sprake is van een ernstige en duurzame verstoring, zodanig dat van BumaStemra redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Na de volledige herstelmelding van de werknemer in januari 2026 hebben partijen veelvuldig gesproken en gecorrespondeerd over haar plaatsing in een nieuw team en de inhoud van haar functie. Volgens de kantonrechter heeft BumaStemra die functie voldoende toegelicht en geconcretiseerd, rekening gehouden met de zorgen van de werknemer over werkdruk en overbelasting en aangeboden het takenpakket gefaseerd op te bouwen. De standpunten van partijen zijn vervolgens verder verhard. Daarbij bleef de werknemer haar bezwaren tegen de nieuwe werksituatie verbinden aan het conflict uit 2024 met haar voormalige leidinggevende en aan haar bredere wantrouwen binnen de organisatie. BumaStemra heeft volgens de kantonrechter wel degelijk pogingen gedaan om de arbeidsrelatie te herstellen: er zijn meerdere gesprekken gevoerd, mediation is aangeboden en BumaStemra heeft uiteindelijk ingestemd met de wens van de werknemer om daarin ook haar klacht over haar voormalige leidinggevende te bespreken. Nadat de werknemer formele klachten indiende en vervolgens liet weten niet meer aan enige vorm van mediation te willen meewerken, ontstond een patstelling. De ernstige verwijten van de werknemer over intimidatie en pestgedrag zijn bovendien niet voldoende onderbouwd en zijn ook in de klachtenprocedure niet komen vast te staan. Deze omstandigheden bevestigen volgens de kantonrechter de ernst en duurzaamheid van de verstoorde arbeidsverhouding.
Artikel geschreven door Victor den Hollander en Olivia van Rikxoort, De Vos & Partners.
Music Streaming Fraud: The New Problem After Piracy?
Introduction into the Dark Side of Music
In the first quarter of the 21st century, we have been confronted with the emergence of music streaming services. At the start of the 21st century, online music revenues consisted of mostly of “a-la-carte” downloadable music (via iTunes), mobile music (remember Apple’s iPod) in the second place, and physical music in the third place. Streaming music – which erupted by the launch of Spotify in 2008 - did not exist on a global scale until 2010-2015, becoming the largest source of revenue in the Music industry in 2015.
In the first decade, IFPI reported that piracy was the biggest threat for music and the online market. In 2025, streaming is dominant accounting for 80% of market revenue. While the combined market of physical and digital music was plummeting from approximately $ 20.7 billion in 2005, to $ 19.6 billion in 2006, in 2024, streaming constituted 69 percent of recorded music revenues worldwide, signalling a profound transformation in the music industry.[1] With this shift, the industry has entered a new legal era: the protection of rights, accurate royalty allocation, and market integrity depend on the reliability of streaming data.
The trigger for this article: fraud case at BumaStemra
So how reliable is streaming data and the system of royalty distribution? As two Amsterdam-based lawyers, this question struck us, after the general members’ meeting of the Dutch collective music rights organization (CMO) Buma/Stemra was abruptly cancelled in May 2025, just one day before it was due to take place.[2] The cancellation followed reports of fraud, which prevented the auditor from signing off on the annual accounts. According to Dutch press coverage, ‘dozens of cases of fraud’ had been uncovered, involving approximately €107.000 that had been distributed to fraudulent accounts. During an internal audit at the end of April 2025, it was discovered that fraudsters used false documents to become member of Buma/Stemra and receive remuneration for the use of music. Among other things, forged non-Dutch identity documents were used. The president of Buma/Stemra confirmed that 81 suspicious accounts had been blocked. These accounts had collectively submitted nearly 900 musical works for which royalties were claimed and paid out.
Although the individuals behind the scheme remain unidentified to date, the episode illustrates that fraud is no abstract problem. It strikes at the heart of the collective management system, with real consequences for transparency, governance, and trust in the music industry. The core problem with such schemes is not only the unlawful enrichment of fraudsters, but also the financial and image harm inflicted on legitimate rightsholders. Because royalties are distributed from a common pool, every euro diverted to a fraudulent account is one less for genuine artists, composers, lyricists, publishers and labels. In this way, fraud does not merely distort reporting figures; it directly undermines the trust and fairness upon which CMO’s (like Buma/Stemra) depend.[3]
The Bigger Problem: Manipulating Streaming Data
Moreover, fraud extends beyond rights registration and frequently takes place on the streaming platforms themselves, where play counts are artificially inflated. Fraudulent streaming is a theft of revenues that should have gone to legitimate artists and authors, but the implications reach further than royalty misallocation. Manipulated streams skew platform recommendation algorithms, making it harder for authentic artists to have their music discovered. They also corrupt the consumer data that artists and their teams increasingly rely upon to plan tours and marketing campaigns, thereby narrowing the already limited opportunities available to emerging talent seeking a foothold in the business.
The problem is, of course, not limited to the Netherlands but extends across borders, with its impact magnified on a global scale. According to the International Federation of the Phonographic Industry (IFPI), the streaming market was valued at approximately €18 billion in 2024. Even if Apple Music’s estimate, that fraud accounts for “less than 1%” of activity, were correct, this would still represent hundreds of millions of euros in losses each year, as The Guardian has calculated.
In this article, we will outline the various methods employed in fraudulent schemes (paragraph 2), provide an overview of international case law together with our key takeaways (paragraph 3), examine the measures currently implemented by streaming platforms (paragraph 4), and conclude with our recommendations for the future (paragraph 5).
Artikel geschreven door Margriet Koedooder, De Vos & Partners.
ATRESMEDIA: Rethinking Equitable Remuneration After 30 Years
1. Introduction: The Atresmedia judgment
In its 2020 Atresmedia judgment[1] the Court of Justice of the EU (CJEU) found that, when a phonogram is incorporated into an audiovisual work, it no longer qualifies as a “phonogram”. Consequently, the rights in the “phonogram” cease to be applicable (although the phonogram regains its quality when published later separately).
The CJEU has deduced from this finding that, as long as a phonogram is incorporated with permission in an audiovisual work, the right of performers and producers to a single equitable remuneration for such “phonogram” is not applicable.
This marked a dramatic change in the neighbouring rights landscape in the Netherlands – after 30 years, since broadcasters and other users of music in audiovisual productions, such as commercials, films, TV series and videos, now refuse to pay separately for the broadcasting of music in audiovisual productions. However, despite Atresmedia, Dutch performers and phonogram producers of commissioned and fixated music, demand fair market conditions.
De volgende stap voor de ervaren IE-jurist: Mr. S.K. Martens Academie 2026-2027
Vorige week werd de afgelopen leergang van de Mr. S.K. Martens Academie feestelijk afgesloten met de diplomauitreiking. In het jaar daarvoor werkten de deelnemers tijdens masterclasses en online sessies aan actuele vraagstukken binnen het IE- en procesrecht, met veel aandacht voor de praktijk. Zo stond ook een oefenrechtbank op het programma, waarin deelnemers hun procesvaardigheden konden toepassen in een realistische setting.
We danken alle deelnemers, docenten en hoofddocenten voor hun inzet, betrokkenheid en bijdrage aan een inhoudelijk sterke en inspirerende leergang.
Met de afsluiting van deze lichting kijken we ook alweer vooruit. Eind november start een nieuwe groep met de officiële specialisatieopleiding op het gebied van intellectueel eigendoms- en procesrecht. De opleiding is bedoeld voor ervaren advocaten, rechters en (bedrijfs)juristen die hun kennis verder willen verdiepen en hun praktische vaardigheden willen aanscherpen.
Tijdens de opleiding komen onder meer procederen, bewijs, merkenrecht, auteursrecht en de invloed van AI op de rechtspraktijk aan bod. Door de kleinschalige opzet is er veel ruimte voor interactie, discussie en het uitwisselen van ervaringen met docenten en andere deelnemers.
De inschrijvingen voor de nieuwe lichting zijn nog geopend.
Voor aanmelden of een offerte op maat mail naar info@delex.nl.
Uitspraak ingezonden door Laurens van den Nouweland, de Merkplaats.
Eindstation voor theorientexpress.nl: treinrestaurant moet domeinnaam overdragen aan ORIENT EXPRESS
WIPO Geschillenbeslechter, 17 september 2026, IEF 23880; DNL2026-0023 (Orient Express tegen Administratiekantoor Zen). Dit geschil tussen Orient Express en Administratiekantoor Zen gaat om een klein restaurant in Nederland met twee kamers die zijn ingericht als restauratiecoupé. De website stond onder de domeinnaam theorientexpress.nl, en het restaurant heette eerst "The Oriënt Express Dining Experience". Orient Express is tegenwoordig onderdeel van de hotelgroep ACCOR en biedt nog altijd luxe treinreizen aan. De naam is als merk beschermd in de hele Europese Unie. Toen Orient Express de website ontdekte, stuurde zij de eigenaar een brief met het verzoek het gebruik van de naam te staken en de domeinnaam over te dragen. De restauranthouder paste de naam van zijn zaak aan naar "The Oriënt Dining Experience". De domeinnaam wilde hij echter houden, tenzij hij er iets voor terugkreeg: twee kaartjes voor de Venice-Simplon-Orient-Express van Amsterdam naar Wenen of Venetië. Orient Express ging er niet op in. De zaak kwam terecht bij de geschillenregeling van SIDN. Om een domeinnaam op deze manier over te laten dragen, moet de merkhouder aantonen dat aan drie eisen is voldaan: de domeinnaam is gelijk aan het merk of lijkt er zo op dat verwarring kan ontstaan, de huidige houder heeft zelf geen recht op of goede reden voor de domeinnaam en de domeinnaam is te kwader trouw geregistreerd of wordt te kwader trouw gebruikt. De eerste eis was snel afgehandeld. Het woordje "the" voor het merk en het ontbrekende koppelteken maken geen verschil: het merk ORIENT EXPRESS is in de domeinnaam herkenbaar. Bij de tweede eis voerde de restauranthouder zijn belangrijkste verweer. De Orient Express is volgens hem een historisch en cultureel begrip, dat al lang bestond voordat de huidige eigenaar het merk had. Bovendien bood hij een restaurant aan en geen treinreizen, dus niemand zou in verwarring raken.
Gerecht EU vernietigt EUIPO-beslissing wegens onvoldoende motivering over onderscheidend vermogen element ‘food’
Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23887; IEFbe 4330; ECLI:EU:T:2026:538 (Food Pass). Agraya GmbH maakte op grond van artikel 8 lid 1 onder b UMVo oppositie tegen de inschrijving van het aangevraagde beeldmerk Food Pass voor diensten in de klassen 42 en 44, met een beroep op haar oudere Uniewoordmerk FoodPLUS voor diensten in de klassen 35, 41 en 42. De oppositieafdeling wees de oppositie af en de Tweede kamer van beroep bevestigde die beslissing. Voor de beoordeling ging de kamer, uit proceseconomische overwegingen en vanuit de voor Agraya gunstigste veronderstelling, ervan uit dat alle betrokken diensten identiek waren. Zij achtte de tekens visueel en fonetisch minder dan gemiddeld overeenstemmend en begripsmatig verschillend. Daarbij oordeelde zij dat het gemeenschappelijke element ‘food’ slechts een zwak onderscheidend vermogen had en dat het oudere merk FoodPLUS, mede vanwege het weinig onderscheidende karakter van ‘plus’, slechts een minimaal intrinsiek onderscheidend vermogen bezat. Op grond daarvan kwam zij tot de conclusie dat geen verwarringsgevaar bestond.
Hof Den Haag: waarborgen bij raadpleging en plaatsing ANPR-camera’s schieten tekort; oordeel over noodzaak aangehouden
Hof Den Haag 29 september 2026, IEF 23879; IT 5542; ECLI:NL:GHDHA:2026:2898 (Privacy First tegen de Staat). Privacy First komt in hoger beroep op tegen de afwijzing van haar vorderingen over artikel 126jj Sv, op grond waarvan politie en Koninklijke Marechaussee met ANPR-camera’s het kenteken, de locatie, het tijdstip en een foto van passerende voertuigen kunnen vastleggen en deze gegevens vier weken kunnen bewaren. Het hof stelt voorop dat deze systematische verwerking een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer uit artikel 8 EVRM en tevens binnen het bereik van de artikelen 7 en 8 Handvest valt. De inmenging is volgens het hof wel “bij wet voorzien”: uit artikel 126jj Sv, het Besluit en de Regeling is voldoende voorzienbaar onder welke omstandigheden gegevens worden verzameld, hoe lang zij worden bewaard en onder welke voorwaarden zij kunnen worden geraadpleegd. De verwerking van ANPR-passagegegevens verschilt volgens het hof in aard en intensiteit van de bewaring van telecommunicatiegegevens, maar kan vanwege de schaal van de verwerking en de mogelijkheid om verplaatsingspatronen af te leiden wel degelijk een ernstige inmenging in de persoonlijke levenssfeer vormen. Daarom moeten de in de rechtspraak van het HvJ ontwikkelde eisen ten aanzien van toegang, toezicht en toetsing mede worden betrokken bij de beoordeling van de ANPR-regeling.
Gerecht EU: Britse JOULES-merken kunnen na Brexit geen grondslag meer vormen voor oppositie tegen Jules Gents
Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23878; IEFbe 4326; ECLI:EU:T:2026:618 (Jules Gents). Joules Ltd verzocht om vernietiging van een beslissing van de Eerste kamer van beroep van het EUIPO waarbij haar oppositie tegen het beeldmerk Jules Gents was afgewezen. De oppositie was onder meer gebaseerd op twee oudere Britse woordmerken JOULES, een internationale registratie JOULES met werking in de Europese Unie en een ouder Uniemerk Joules. De Oppositiedivisie had de oppositie aanvankelijk toegewezen wegens verwarringsgevaar met een van de Britse merken. Na afloop van de Brexit-overgangsperiode oordeelde de kamer van beroep echter dat die Britse merken niet langer als grondslag voor de oppositie konden dienen. Het Gerecht bevestigt dat het bestaan van een relatieve weigeringsgrond niet alleen moet worden beoordeeld op de datum van indiening van de jongere Uniemerkaanvraag, maar ook op het moment waarop het EUIPO definitief over de oppositie beslist. Omdat de overgangsperiode op 31 december 2020 was geëindigd, waren de Britse merken op de datum van de beslissing van de kamer van beroep niet langer merken die in een lidstaat waren beschermd in de zin van artikel 8 lid 2 onder a ii van Verordening nr. 207/2009. Zij konden daarom niet meer als basis voor de oppositie dienen. Het Gerecht bevestigt tevens dat voor de beoordeling van het verwarringsgevaar met het oudere Uniemerk het relevante grondgebied bestond uit de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk.
Gerecht EU: kwade trouw bij internationale registratie MAP wegens eerdere samenwerking en kennis van oudere MAP-merken
Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23877; IEFbe 4325; ECLI:EU:T:2026:606 (MAP). Heinz Reinwald en HK Evolution LTD verzochten het Gerecht om vernietiging van een beslissing van de Tweede kamer van beroep van het EUIPO waarbij de internationale registratie MAP, met aanwijzing van de Europese Unie voor waren in de klassen 5 en 29, nietig was verklaard wegens kwade trouw. Omdat de aanwijzing van de Unie dateerde van 13 april 2011, beoordeelt het Gerecht de materiële voorwaarden aan de hand van artikel 52 lid 1 onder b van Verordening nr. 207/2009. Voor internationale registraties is voor de beoordeling van kwade trouw beslissend het tijdstip waarop de Europese Unie wordt aangewezen, en niet de eerdere datum waarop het nationale basismerk is aangevraagd. Kwade trouw moet worden vastgesteld aan de hand van een globale beoordeling van alle relevante feitelijke omstandigheden en op basis van objectieve aanwijzingen voor de intentie van de aanvrager. Het Gerecht bevestigt dat Reinwald en HK Evolution ten tijde van de aanvraag wisten of hadden moeten weten dat International Nutrition Research Center (INRC) het element MAP gebruikte in eerdere merken voor identieke of soortgelijke producten. Uit onder meer facturen, correspondentie, oudere merkregistraties en de samenwerking rond het MAP-product bleek bovendien dat vóór de relevante datum een contractuele en commerciële relatie tussen partijen bestond. Volgens het Gerecht was voor die beoordeling geen formele distributieovereenkomst vereist; ook een andere contractuele relatie kan relevant zijn voor de vaststelling van kwade trouw.