Geen resultaatsverbintenis bij softwareontwikkeling; beslag op auteursrechten blijft in stand
Rb. Amsterdam 15 april 2026, IEF 23648; ECLI:NL:RBAMS:2026:6075 (212 tegen DPO). In deze zaak tussen 212 Holding B.V. en DPO One B.V. staat de uitleg van een managementovereenkomst centraal die betrekking heeft op de commerciële ontwikkeling van software. De Rechtbank Amsterdam buigt zich over de vraag of de overeengekomen werkzaamheden moeten worden aangemerkt als een inspanningsverplichting of een resultaatsverplichting, of 212 is tekortgeschoten in de uitvoering van haar opdracht en of DPO daarom betaling van managementvergoedingen en terugbetaling van een converteerbare lening mocht weigeren. 212 verrichtte vanaf april 2024 op basis van een managementovereenkomst werkzaamheden als algemeen directeur voor DPO, een onderneming die software en diensten op het gebied van informatietechnologie en dataprivacy ontwikkelt. Tot haar taken behoorden onder meer de groei van het bedrijf, het ontwikkelen van een technische roadmap, het verbeteren van het partnermodel, het uitbreiden van het netwerk van verkooppartners en het aanscherpen van de prijsstrategie. Naast de managementovereenkomst sloten partijen een convertible loan agreement waarbij 212 € 60.000 aan DPO uitleende. Daarbij was overeengekomen dat de lening direct opeisbaar zou worden indien DPO de managementovereenkomst zou beëindigen. Nadat betaling van de managementvergoedingen uitbleef, legde 212 bovendien conservatoir beslag op de auteursrechten die rusten op het Software-as-a-Service-systeem van DPO, naast beslag op de bankrekening van DPO. Na ongeveer zes maanden ontstond een geschil. DPO stelde dat 212 haar opdracht nauwelijks had uitgevoerd, geen resultaten had geboekt, onvoldoende inzicht had gegeven in haar werkzaamheden en daardoor toerekenbaar tekort was geschoten. Volgens DPO mocht de managementovereenkomst daarom worden ontbonden, hoefden de openstaande facturen niet meer te worden betaald en mocht de terugbetaling van de lening worden opgeschort. Daarnaast vorderde DPO schadevergoeding van € 30.000 en opheffing van de door 212 gelegde conservatoire beslagen. 212 stelde daartegenover dat zij haar werkzaamheden overeenkomstig de overeenkomst had uitgevoerd, dat uitsluitend sprake was van een inspanningsverplichting en dat DPO de openstaande managementvergoedingen én de lening moest voldoen. De rechtbank stelt voorop dat de managementovereenkomst moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf, waarbij beslissend is welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij over en weer van elkaar mochten verwachten.
Rb. Amsterdam: Telegraaf hoeft citaat over vermeende betrokkenheid dierenactivist niet te verwijderen
Rb. Amsterdam 27 november 2025, IEF 23655; IT&Recht 5326; ECLI:NL:RBAMS:2025:9184 ([eiser] tegen De Telegraaf). In deze zaak tussen [eiser] en De Telegraaf staat de vraag centraal of De Telegraaf onrechtmatig heeft gehandeld door in een online artikel een citaat op te nemen waarin een derde [eiser] in verband brengt met een grote brand bij een pluimveebedrijf. [eiser], een dierenrechtenactivist die bekendstaat als de "[alias 1]", vordert – onder meer op straffe van een dwangsom – verwijdering van de passage en plaatsing van een rectificatie. Aanvankelijk was ook Mediahuis Nederland B.V. als gedaagde partij betrokken, maar de vordering tegen Mediahuis is ter zitting ingetrokken, zodat alleen de online publicatie op de website van De Telegraaf aan de orde is. De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen af. De publicatie is niet onrechtmatig in de zin van artikel 6:162 BW, omdat De Telegraaf de uitlating slechts als boodschapper heeft weergegeven en voldoende journalistieke zorgvuldigheid heeft betracht. De voorzieningenrechter verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. De gewraakte passage maakt deel uit van een artikel over de arrestatie van een activist die had gedreigd met brandstichting bij het kantoor van BBB. In dat artikel staat dat volgens deze activist een cel van het Animal Liberation Front onder leiding van [eiser] verantwoordelijk zou zijn voor een eerdere miljoenenbrand bij een pluimveebedrijf. Nadat [eiser] De Telegraaf had verzocht de passage te rectificeren, voegde de krant een reactie van hem aan het artikel toe waarin hij iedere betrokkenheid bij de brand en iedere band met de betreffende bron ontkent. De passage zelf werd niet verwijderd. De procedure bestond uit een kort geding met mondelinge behandeling op 24 november 2025, waarin [eiser] na debat zijn vordering tegen Mediahuis Nederland B.V. introk en uitsluitend de online publicatie op de website van De Telegraaf van [datum 1] 2025 aan de orde stelde. De voorzieningenrechter stelt voorop dat toewijzing van de gevorderde maatregelen een beperking zou vormen van de vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM en dat die beperking alleen gerechtvaardigd kan zijn indien sprake is van onrechtmatigheid in de zin van artikel 6:162 BW. Daarom moet een afweging plaatsvinden tussen enerzijds het belang van De Telegraaf om verslag te doen van nieuwswaardige gebeurtenissen en anderzijds het belang van [eiser] om niet lichtvaardig te worden blootgesteld aan beschuldigingen die zijn eer en goede naam aantasten.
Arubaanse rechter: mandaat Ducapro onvoldoende voor collectieve handhaving muziekrechten
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 10 juni 2026, IEF 23647; ECLI:NL:OGEAA:2026:160 (Ducapro tegen QW). Het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba wijst de vorderingen van Ducapro tegen Q-Waves af. Q-Waves exploiteert een radiostation op Aruba en zendt muziekwerken uit. Ducapro beroept zich op haar rol als vertegenwoordiger van BUMA/STEMRA op Aruba en stelt dat Q-Waves onrechtmatig handelt door zonder toestemming en zonder betaling muziekwerken openbaar te maken van auteurs en rechthebbenden die via BUMA/STEMRA zouden worden vertegenwoordigd. Zij vordert onder meer een verklaring voor recht, een verbod op verder gebruik van die muziekwerken en schadevergoeding. Het Gerecht stelt voorop dat muziekwerken onder de Arubaanse Auteursverordening worden beschermd en in beginsel niet zonder toestemming van de rechthebbende openbaar mogen worden gemaakt. De Nederlandse Auteurswet, de Wet op de naburige rechten en de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties gelden echter niet op Aruba, omdat het geen Rijkswetten zijn. Ook behandelt het Gerecht de vordering niet als collectieve actie op grond van artikel 3:305a BW, omdat Ducapro die grondslag niet vanaf het verzoekschrift duidelijk aan haar vordering ten grondslag legt.
Volg deLex op LinkedIn
Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.
Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.
Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.
Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.
Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.
Schrijf u hier in voor de gratis wekelijkse nieuwsbrief van IE-Forum
In deze gratis nieuwsbrief vindt u de jurisprudentie van de afgelopen week op IE-Forum. Handig voor jurisprudentielunches en als u zelf besprekingen voorbereidt.
Schrijf u hier in voor de gratis wekelijkse nieuwsbrief van IE-Forum.
Geüpcyclede Chanel-sieraden vallen niet onder uitputting van merkrechten
Cour de Cassation 21 mei 2026, IEF 23645; 25/00621 ([Z] tegen Kamad Reworked). In deze zaak tussen [Z] en Kamad Reworked staat de vraag centraal of sieraden die zijn samengesteld uit geüpcyclede onderdelen waarop Chanel-merken voorkomen, zonder toestemming van de merkhouder mogen worden vervaardigd en verkocht. Kamad Reworked verkocht via haar website en fysieke winkel onder meer kettingen, armbanden, riemkettingen en oorbellen waarin bedels waren verwerkt die waren voorzien van het bekende dubbele C-monogram en de tekens “[E]” en “[Z]”. Volgens Kamad Reworked ging het om authentieke tweedehands onderdelen die door middel van upcycling een nieuwe bestemming kregen. De rechtbank stelt vast dat de gebruikte tekens op de sieraden door het relevante publiek worden opgevat als aanduidingen van commerciële herkomst. Daarmee is sprake van merkgebruik in het economisch verkeer. Dat op de website wordt vermeld dat het gaat om creaties van Kamad Reworked en dat bij de producten een certificaat van authenticiteit wordt geleverd, doet daar niet aan af. De merken blijven immers zichtbaar aanwezig op de producten zelf en vervullen voor de consument een herkomstaanduidende functie. Het beroep op uitputting wordt verworpen. De rechtbank overweegt dat Kamad Reworked geen beroep op uitputting toekomt, omdat de litigieuze sieraden als nieuwe producten op de markt worden gebracht die als zodanig nooit door de merkhouder in de handel zijn gebracht. Daarbij wordt expliciet benadrukt dat het verbod geldt ongeacht of (een deel van) de sieraden afkomstig is van oorspronkelijk door [Z] gecommercialiseerde producten die zijn geüpcycled. Ten aanzien van het bekende dubbele C-monogram oordeelt de rechtbank dat sprake is van een sterke overeenstemming met de ingeroepen merken. De litigieuze sieraden zijn bovendien identiek aan de waren waarvoor de merken zijn ingeschreven. Gelet op de prominente plaats van het monogram op de sieraden, de onderscheidingskracht van het teken en de bekendheid van de merken binnen de mode- en accessoiresector, bestaat volgens de rechtbank een reëel verwarringsgevaar. De vermelding “Kamad Reworked” op de achterzijde van de bedels en de disclaimer op de website nemen dat gevaar niet weg. Volgens de rechtbank versterkt die disclaimer zelfs de indruk dat een deel van het product afkomstig is van Chanel.
Artikel geschreven door Laura Poolman & Santino van Os, Kennedy van der Laan.
Nederlandse rechter gebruikt AVG voor verbod ‘nudification’ AI-tools, EU-wetgever volgt met voorstel voor EU-breed verbod onder AI-verordening
De door Stichting Offlimits ingestelde kortgedingprocedure tegen X en diens AI-chatbot Grok heeft recentelijk veel losgemaakt. Niet in de minste plaats vanwege de verstrekkende gevolgen van de uitkomst daarvan. De belangenorganisatie die online grensoverschrijdend gedrag bestrijdt, en seksueel kindermisbruik in het bijzonder, nam het op 12 maart 2026 in de rechtbank Amsterdam op tegen deze Tech-gigant vanwege de ‘nudification’-content die via Grok, onder meer van minderjarigen, binnen een handomdraai kon worden gemaakt. En met succes: de functionaliteiten van Musk’s AI-chatbot voor het creëren van deze contentcategorie voor Nederlandse gebruikers zijn verboden.
HvJ EU: lidstaten mogen buitenlandse pornowebsites niet algemeen verplichten tot leeftijdsverificatie
HvJ EU 16 juni 2026, IEF 23643; IT 5323; ECLI:EU:C:2026:492 (WebGroup Czech Republic en NKL Associates tegen Franse Staat / Coyote System tegen Franse Staat). In deze gevoegde zaken staat de vraag centraal in hoeverre lidstaten regels mogen opleggen aan online diensten die in een andere lidstaat zijn gevestigd. Het Hof van Justitie buigt zich over de Franse regels die pornografische websites verplichten een leeftijdsverificatiesysteem in te voeren om minderjarigen de toegang te ontzeggen, en over regels die aanbieders van navigatie- en verkeersapps verbieden informatie over bepaalde politiecontroles door te geven. Het Hof schetst daarbij uitvoerig de reikwijdte van het begrip “gecoördineerd gebied” in de Richtlijn elektronische handel, de verhouding tussen dat gecoördineerde gebied en de (beperkte) harmonisatie in hoofdstuk II en III, en de ruimte die lidstaten behouden om op te treden ter bescherming van fundamentele belangen zoals de waardigheid van minderjarigen, de openbare orde en de openbare veiligheid. De eerste zaak betreft twee Tsjechische ondernemingen die pornografische websites exploiteren. Op grond van Franse wetgeving mogen minderjarigen geen toegang hebben tot pornografische inhoud. Een eenvoudige verklaring van de gebruiker dat hij of zij meerderjarig is, volstaat daarvoor niet. De Franse strafbepaling verbiedt in algemene en abstracte bewoordingen het aanbieden van bepaalde content die door minderjarigen kan worden gezien, en wordt uitgewerkt in een regeling die de toezichthouder (ARCOM) in staat stelt concrete aanbieders individueel aan te schrijven en hen te verplichten technische maatregelen te nemen die de leeftijd van gebruikers daadwerkelijk controleren. De ondernemingen voeren aan dat Frankrijk hiermee de Richtlijn elektronische handel schendt, omdat aanbieders van informatiemaatschappijdiensten in beginsel uitsluitend onder het recht van hun lidstaat van vestiging vallen. De tweede zaak draait om de Franse navigatie-app van Coyote. De Franse wetgever heeft bepaald dat aanbieders van elektronische rijhulpen en navigatiediensten gedurende een beperkte periode en binnen een geografisch beperkt gebied geen meldingen mogen verspreiden over bepaalde alcohol- en drugscontroles of politieacties tegen personen die worden gezocht voor ernstige misdrijven of een ernstige bedreiging vormen voor de openbare orde. Volgens Coyote vormt dit een ontoelaatbare beperking van de vrije dienstverrichting en legt deze regeling in feite een verboden algemene toezichtverplichting op. Het Hof begint met een principiële uitleg van de Richtlijn elektronische handel. Volgens het Hof is het zogenoemde “gecoördineerde gebied” niet beperkt tot de onderwerpen die uitdrukkelijk zijn geharmoniseerd in hoofdstuk II en III van de richtlijn. Ook nationale regels die niet zijn geharmoniseerd vallen daaronder, mits zij betrekking hebben op de toegang tot of de uitoefening van een activiteit van een informatiemaatschappijdienst en niet vallen onder de expliciete uitzonderingen in de richtlijn (zoals belasting, gegevensbescherming, kansspelen e.d.). Dat geldt eveneens voor regels van strafrechtelijke aard en voor regels die de openbare orde, openbare veiligheid of de bescherming van minderjarigen dienen. De richtlijn sluit dergelijke terreinen niet categorisch uit en de in de bijlage genoemde derogaties vormen een uitputtende lijst van materies waarvoor het art. 3‑mechanisme niet geldt. Daaruit volgt volgens het Hof dat zowel een verplichting om de leeftijd van gebruikers van pornografische websites te controleren als een verbod om bepaalde verkeersinformatie door te geven, kwalificeren als eisen die betrekking hebben op de uitoefening van een informatiemaatschappijdienst (toegangsvoorwaarden, inhoud/functionaliteit van de dienst). Deze nationale regels vallen daarom binnen het gecoördineerde gebied van de richtlijn en moeten worden getoetst aan het stelsel van artikel 3 daarvan, waarin het uitgangspunt geldt dat een dienst in beginsel wordt gereguleerd door de lidstaat waar de aanbieder is gevestigd en andere lidstaten de vrije dienstverrichting niet mogen beperken, behoudens een beroep op de derogatie van artikel 3, lid 4. Het Hof maakt vervolgens een onderscheid tussen algemene wetgeving en individuele maatregelen.
Landgericht Berlin: geen merkinbreuk door AI-gegenereerde zoekresultaten over parfumdupes
Landgericht Berlin 1 juni 2026, IEF 23642; IT 5322; 52 O 62/26 9 ([Antragstellerin] tegen [Antragsgegnerin]). In deze zaak tussen een parfum- en cosmeticaconcern en de exploitant van een bekende zoekmachine staat de vraag centraal of AI-gegenereerde zoekresultaten waarin bekende parfums worden gekoppeld aan zogenoemde Duftzwillinge of parfumdupes een merkinbreuk opleveren. Het Landgericht Berlin oordeelt dat daarvan geen sprake is. Volgens de rechtbank gebruikt de zoekmachine de betrokken merken niet zelf in de zin van de Uniemerkenverordening, maar schept zij slechts de technische voorwaarden voor het weergeven en ordenen van informatie van derden in een nieuw zoekresultaten format. De verzoekende partij maakt deel uit van een internationaal parfum- en cosmeticaconcern en brengt verschillende bekende parfums op de markt die zijn beschermd door Uniemerken. De wederpartij exploiteert vanuit Ierland een zoekmachine die recent twee AI-functies heeft toegevoegd: een automatisch gegenereerd overzicht van zoekresultaten (Übersicht mit KI) en een interactieve AI-modus waarin gebruikers vragen kunnen stellen en vervolgvragen kunnen stellen. Beide functies genereren antwoordteksten op basis van informatie die afkomstig is van websites van derden. Daarbij worden de geraadpleegde websites door middel van links, snippets en voorbeeldafbeeldingen weergegeven. Op elke zoekopdracht worden de overzichts- en antwoordteksten opnieuw gegenereerd, zodat de uitkomsten niet vast en herhaalbaar zijn. De zaak draait om zoekopdrachten naar parfumdupes. Wanneer gebruikers bijvoorbeeld zoeken naar "duftzwillinge" of naar een bekend parfum in combinatie met de vraag naar alternatieven, verschijnen in de AI-overzichten en AI-antwoorden lijsten met vergelijkbare parfums van andere aanbieders. Daarbij worden ook websites van deze aanbieders getoond en in sommige gevallen verschijnen boven de AI-samenvatting gesponsorde advertenties voor zowel het originele parfum als de alternatieve geuren. Volgens de parfumproducent maakt de zoekmachine hiermee ongeoorloofd gebruik van haar merken en worden consumenten actief naar aanbieders van imitatieparfums geleid. De vordering is daarbij toegesneden op het verbieden van de merknamen in de KI-overzichten en KI-antwoorden zelf, niet op het verbieden van specifieke gelinkte zoekresultaten of concrete URL’s van derdewebsites. Voordat de rechtbank toekomt aan de inhoudelijke beoordeling, behandelt zij de internationale bevoegdheid. Omdat de exploitant van de zoekmachine in Ierland is gevestigd, kan de bevoegdheid niet worden gebaseerd op de hoofdregel van artikel 125 lid 1 UMVo. Wel is het Landgericht Berlin bevoegd op grond van artikel 125 lid 5 UMVo, omdat de gewraakte AI-resultaten in het Duits zijn opgesteld en zich richten tot gebruikers in Duitsland. De bevoegdheid strekt zich echter uitsluitend uit tot handelingen die in Duitsland plaatsvinden of dreigen plaats te vinden, gelet op artikel 126 lid 2 UMVo. Een Uniewijd verbod kan de rechtbank daarom niet uitspreken. De rechtbank verwerpt eerst het verweer dat de vorderingen te onbepaald zouden zijn. Zij acht de onder het motto "wenn dies geschieht wie folgt" geformuleerde verzoeken voldoende concreet, omdat daarmee wordt aangesloten bij de specifieke wijze waarop de merktekens in de KI-overzichten en KI-antwoorden verschijnen. Nu de eiseres niet de verwerking van bepaalde zoekresultaten of specifieke derde-URL’s wil verbieden, maar de merknamen in de KI-teksten als zodanig, acht de rechtbank het voorwerp van het gevorderde verbod voldoende scherp omlijnd. De rechtbank verwerpt vervolgens het beroep op het merkenrecht. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie vereist een merkinbreuk dat sprake is van een eigen gebruik van het teken in het economisch verkeer. Daarvoor is nodig dat de aangesproken partij een actieve rol speelt, invloed uitoefent op het gebruik van het teken en het teken gebruikt in haar eigen commerciële communicatie. De rechtbank verwijst in dit verband onder meer naar de rechtspraak over zoekwoorden advertenties en online marktplaatsen. De vraag of een normaal geïnformeerde en redelijk oplettende gebruiker een verband legt tussen het tekengebruik en de commerciële communicatie van de platform exploitant zelf is daarbij doorslaggevend.
BenGH: beroep op niet-geregistreerd Tsjechisch merk strandt bij gebrek aan onderbouwing
BenGH 2 juni 2026, IEF 23644; IEFbe 4241; C 2025/12 (Mogador tegen Panon). In deze zaak tussen Mogador s.r.o. en Panon Healthy Food d.o.o. staat een oppositie tegen een Benelux-woord-/beeldmerk voor rijstepap en rijstproducten centraal. Mogador beroept zich daarbij op artikel 2.14 lid 2 onder b jo. artikel 2.2ter lid 3 onder b BVIE en stelt dat Panon een teken heeft aangevraagd waarop zij oudere niet-geregistreerde Tsjechische merkrechten bezit. Het Benelux-Gerechtshof moet beoordelen of Mogador voldoende heeft aangetoond dat zij naar Tsjechisch recht als houdster van dergelijke oudere merkrechten kan worden aangemerkt. Panon heeft bij het BBIE een Benelux-woord-/beeldmerk aangevraagd voor rijstepap en rijstproducten voor het snel bereiden van gerechten in klasse 30. Mogador heeft tegen deze aanvraag oppositie ingesteld. Volgens Mogador was sprake van oudere niet-geregistreerde merken waarvan zij houdster was en had Panon het teken als vertegenwoordiger of handelspartner zonder toestemming op eigen naam aangevraagd. Het BBIE wees de oppositie af, waarna Mogador beroep instelde bij het Benelux-Gerechtshof. Voorafgaand aan de inhoudelijke beoordeling verwerpt het Hof een ontvankelijkheidsverweer van Panon. Het Hof oordeelt op basis van het BVIE en het Reglement op de procesvoering dat, nu de beroepstermijn op een zondag verstreek, de vervaldag verschoof naar de eerstvolgende werkdag (2 juni 2025), zodat het beroep tijdig is ingesteld.Het Hof stelt voorop dat artikel 2.2ter lid 3 onder b BVIE ertoe strekt misbruik door gemachtigden of vertegenwoordigers van een merkhouder tegen te gaan. Het Hof wijst erop dat een beroep op deze bepaling alleen kan slagen wanneer onder meer vaststaat dat de opposant houder is van een ouder merk. Dat begrip omvat niet alleen ingeschreven merken, maar kan ook niet-geregistreerde merken omvatten, voor zover het recht van het land van oorsprong dergelijke rechten erkent.