Uitspraak ingezonden door Paul Trapman, Ploum.
Erik Fruit aansprakelijk voor inbreuk op 'Labubu'-merken van Pop Mart
Rb. Den Haag 23 september 2026, IEF 23865; C/09/696283 (Popmart tegen Erik Fruit). In deze zaak tussen Pop Mart en Erik Fruit heeft de rechtbank geoordeeld dat groothandel Erik Fruit B.V. inbreuk heeft gemaakt op de Uniemerken van Pop Mart (bekend van het figuur 'Labubu'). Erik Fruit had ruim 7.000 namaakproducten van de populaire vinylknuffels geleverd aan diverse filialen van supermarktketen Jumbo. Pop Mart vorderde een inbreukverbod, opgave van feiten en cijfers, en schadevergoeding op te maken bij staat. Erik Fruit verweerde zich onder meer met de stelling dat de inkopers van Jumbo expliciet om koplopers/kopieën hadden gevraagd omdat de originele Labubu's niet verkrijgbaar waren, waardoor er bij de professionele afnemer geen verwarring kon ontstaan. Ook voerde Erik Fruit aan dat 'lafufu' een soortnaam zou zijn geworden en dat zij slechts op verzoek handelde.
Auteursrechtinbreuk op bloemenvazen van Des Pots
Rb. Noord-Holland 26 augustus 2026, IEF 23866; ECLI:NL:RBNHO:2026:11723 (Des Pots tegen [gedaagde]). Des Pots exploiteert een collectie bloemenvazen die volgens haar in 2006 is ontworpen en vanaf januari 2007 op de markt is gebracht. Gedaagde bood in 2025 op een beurs en via haar webshop sterk overeenstemmende rozenvazen aan. De rechtbank oordeelt dat de bloemenvazen auteursrechtelijk beschermd zijn. Gedaagde had de beschermingswaardigheid van de vormgeving niet concreet betwist, zodat de rechtbank uitgaat van auteursrechtelijke bescherming aan de hand van de maatstaf dat sprake moet zijn van een eigen intellectuele schepping die de vrije en creatieve keuzes van de maker weerspiegelt. Ook staat voldoende vast dat Des Pots auteursrechthebbende is. Des Pots kan zich beroepen op artikel 8 Aw, omdat zij de vazen als van haar afkomstig openbaar heeft gemaakt zonder vermelding van een natuurlijke persoon als maker. Daarnaast volgt uit een overgelegde akte dat de ontwerpster haar auteursrechten aan Des Pots heeft overgedragen. De betwisting van het makerschap door gedaagde acht de rechtbank onvoldoende gemotiveerd.
UPC CoA: eierverpakkingspatent slechts geldig in beperkte vorm, geen inbreuk door Omni-Pac
UPC CoA 19 augustus 2026, IEF 23855; IEFbe 4315; UPC_CoA_908/2025; UPC_CoA_909/2025; UPC_CoA_918/2025 (Hartmann tegen Omni-Pac). In deze zaak tussen Hartmann Packaging en Omni-Pac staat de geldigheid en inbreuk op EP 2 755 901 centraal. Het octrooi van Hartmann ziet op een eierverpakking en op een werkwijze voor de vervaardiging daarvan. Hartmann stelde dat de door Omni-Pac geproduceerde en verhandelde ComPac-eierverpakkingen inbreuk maakten. Omni-Pac betwistte de inbreuk en stelde een tegenvordering tot nietigverklaring in. De Local Division Düsseldorf hield conclusie 1 slechts in gewijzigde vorm volgens auxiliary request 2 in stand, maar achtte werkwijzeconclusie 6 zoals verleend geldig. De inbreukvordering van Hartmann werd afgewezen. Beide partijen gingen in hoger beroep. Het Court of Appeal gaat eerst in op enkele processuele punten. R. 222.2 RoP, op grond waarvan nieuwe verzoeken, feiten en bewijsmiddelen in hoger beroep buiten beschouwing kunnen worden gelaten, ziet niet op nieuwe juridische argumenten. Een partij mag in hoger beroep dus een nieuw juridisch argument aanvoeren wanneer dat argument is gebaseerd op feiten en bewijs die al in eerste aanleg waren aangevoerd. De uitleg van een octrooiconclusie is volgens het Court of Appeal een rechtsvraag. Nieuwe bewijsmiddelen die Hartmann in hoger beroep had ingediend, worden daarentegen niet toegelaten, omdat Hartmann niet aannemelijk had gemaakt dat deze redelijkerwijs niet eerder konden worden overgelegd, terwijl hun relevantie bovendien gering was. Bij de uitleg van conclusie 1 oordeelt het Court of Appeal dat de daarin genoemde ‘upwardly extending retainment projection’ moet worden onderscheiden van de traditionele flexibele sluitflappen uit de stand van de techniek. Het octrooi beoogt juist een verpakking te bieden die zonder zo'n traditionele sluitflap betrouwbaar en in één mechanische beweging kan worden gesloten en vergrendeld. De conclusie vereist niet dat de retainment projection een bepaalde mate van stijfheid heeft, maar een traditionele, scharnierende flexibele sluitflap valt wel buiten de betekenis van dit kenmerk.
UPC CoA: onderneming verantwoordelijk voor naleving inbreukverbod op externe marketingplatforms
UPC CoA 17 augustus 2026, IEF 23854; IEFbe 41314; UPC_CoA_87/2026 (Lepu tegen Occlutech). In deze zaak tussen Lepu Medical en Occlutech staat de naleving van een voorlopig inbreukverbod centraal. De Local Division Hamburg had Lepu verboden bepaalde medische implantaten in onder meer Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland en Ierland aan te bieden, in de handel te brengen, te gebruiken, in te voeren of voor die doeleinden op te slaan. Aan overtreding van dit verbod was een dwangsom verbonden. Nadat Occlutech om verbeurte van dwangsommen had verzocht, veroordeelde de Local Division Lepu tot betaling van € 58.800 wegens niet-naleving van het verbod. Lepu komt tegen die beslissing in beroep. Het Court of Appeal stelt voorop dat degene tot wie een verbod is gericht in beginsel ook verantwoordelijk is voor derden die hij inschakelt om aan dat verbod te voldoen. Hetzelfde geldt wanneer een onderneming gebruikmaakt van een extern marketingplatform en daarvoor zelf content aanlevert. In dat geval moet de onderneming ervoor zorgen dat de inhoud op dat platform niet tot schending van het rechterlijk bevel leidt. Lepu kan zich daarom niet met succes beroepen op het feit dat derden betrokken waren bij het beheer van haar website of andere online kanalen.
Gerecht EU: verwarringsgevaar tussen ANTMINER en ANTCHAIN ondanks hoog aandachtsniveau
Gerecht EU 23 september 2026, IEF 23864; IEFbe 4318; ECLI:EU:T:2026:586 (ANTMINER). Bitmain Technologies heeft registratie aangevraagd van het Uniewoordmerk ANTMINER voor onder meer hardware en software voor cryptomining in klasse 9. Advanced New Technologies heeft hiertegen oppositie ingesteld op basis van verschillende oudere Uniemerken, waaronder ANT en ANTCHAIN. De oppositieafdeling wees de oppositie toe op grond van het oudere merk ANT. Nadat Bitmain een procedure tot vervallenverklaring van ANT had ingesteld, verzocht zij om schorsing van de beroepsprocedure. De kamer van beroep wees dit verzoek af en handhaafde de weigering van ANTMINER, ditmaal op grond van verwarringsgevaar met het oudere merk ANTCHAIN. Het Gerecht oordeelt dat de kamer van beroep de procedure niet hoefde te schorsen. Op grond van art. 71 lid 1 onder b van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/625 beschikt de kamer van beroep over een ruime beoordelingsvrijheid. Omdat de oppositie ook kon slagen op basis van ANTCHAIN, waarvan de geldigheid niet werd betwist, vormde de parallelle procedure over ANT op zichzelf onvoldoende grond om de weigering tot schorsing als een kennelijke beoordelingsfout aan te merken. Ook de gestelde schending van de beginselen van gelijkheid en onpartijdigheid was onvoldoende onderbouwd.
Rb. Amsterdam: vervalste merkartikelen wegen mee bij sluiting tweedehandswinkel
Rb. Amsterdam 11 september 2026, IEF 23861; ECLI:NL:RBAMS:2026:9159 (verzoekster tegen de burgemeester). De burgemeester van Aalsmeer heeft het voor publiek toegankelijke pand waarin verzoekster een tweedehandswinkel exploiteert voor drie maanden gesloten op grond van art. 2:49a lid 1 onder d en e APV Aalsmeer 2026. Tijdens een integrale controle waren in het magazijn onder meer stroomstootwapens, stiletten, pepperspray, dolken, een katapult, op vuurwapens gelijkende voorwerpen en munitie aangetroffen. Daarnaast werden goederen gevonden die volgens de politie verband hielden met beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. In het winkelgedeelte en een afzonderlijke ruimte werden verder artikelen van onder meer Hugo Boss, Lacoste, Louis Vuitton, Rolex en TAG Heuer aangetroffen die door deskundigen van React als vervalst zijn aangemerkt. De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester vanwege de aangetroffen verboden wapens in beginsel bevoegd was het pand te sluiten op grond van art. 2:49a lid 1 onder d APV. Ook kon de burgemeester zich op grond van onderdeel e op het standpunt stellen dat het geopend blijven van het bedrijf een ernstig gevaar voor de openbare orde opleverde. Daarbij weegt de voorzieningenrechter onder meer mee dat eerder verboden goederen waren aangetroffen en dat verzoekster onvoldoende kon toelichten welke maatregelen waren getroffen om te voorkomen dat verboden goederen in handen van klanten zouden komen. Dat niet aannemelijk is geworden dat verzoekster bewust in verboden goederen handelde, neemt die bevoegdheid niet weg.
UPC CoA: tegenvordering tot nietigverklaring mag afhankelijk worden gesteld van vaststelling van inbreuk
UPC CoA 17 augustus 2026, IEF 23853; IEFbe 4313; UPC_CoA_40/2026; UPC_CoA_123/2026 (AorticLab tegen Emboline). In deze zaak tussen Emboline en AorticLab staat de vraag centraal of een tegenvordering tot nietigverklaring afhankelijk mag worden gesteld van de voorwaarde dat het octrooi inbreuk maakt, en welke gevolgen zo’n voorwaardelijke tegenvordering heeft in hoger beroep. Emboline had AorticLab aangesproken wegens inbreuk op EP 2 129 425. AorticLab stelde een tegenvordering tot nietigverklaring in, maar maakte deze tijdens de mondelinge behandeling afhankelijk van een vaststelling van octrooi-inbreuk door het gerecht. De Local Division Munich oordeelde dat geen sprake was van inbreuk en besliste daarom niet inhoudelijk op de tegenvordering. Het Court of Appeal oordeelt dat een inbreukvordering en een tegenvordering tot nietigverklaring onder het UPCA en de Rules of Procedure afzonderlijke procedures zijn. Een voorwaarde waarbij de tegenvordering tot nietigverklaring afhankelijk wordt gesteld van een vaststelling van inbreuk, is daarom geen zuiver intra-procedurele maar een ‘inter-procedural’ voorwaarde. Dat onderscheid is met name van belang voor de wijze waarop hoger beroep moet worden ingesteld: bij een inter-procedurele voorwaarde moet tegen de beslissing in de tegenvorderingsprocedure afzonderlijk beroep worden ingesteld en kan niet worden volstaan met een cross-appeal in de inbreukprocedure.
Artikel geschreven door Joost Becker en Dieuwertje Bouchier, Dirkzwager.
De EmpCo-Richtlijn: wat verandert er per 27 september 2026 omtrent duurzaamheidsclaims?
Joost Becker en Dieuwertje Bouchier, 25 augustus 2026.
De ‘Empowering Consumers for the Green Transition Directive’ (de ‘EmpCo-Richtlijn’) introduceert strengere regels voor duurzaamheidsclaims. Wat betekent dit voor uw onderneming? Wij zetten de belangrijkste veranderingen en aandachtspunten op een rij.
Boetebeding uit onthoudingsverklaring ziet alleen op specifiek genoemde foto’s
Rb. Overijssel 15 september 2026, IEF 23860; ECLI:NL:RBOVE:2026:5540 ([eiser] tegen [gedaagde]). [eiser] en [gedaagde] zijn directe concurrenten op het gebied van elektrotechnische infrastructuur. Nadat [gedaagde] zonder toestemming twee foto’s van [eiser] op haar website had geplaatst, verstrekte zij een onthoudingsverklaring. Daarin erkende zij dat [eiser] rechthebbende was op de in de voorafgaande correspondentie bedoelde foto’s, erkende zij daarop inbreuk te hebben gemaakt, zegde zij toe ieder gebruik van die foto’s te staken en gestaakt te houden en verbond zij daaraan een boete van € 500 per dag met een maximum van € 10.000. Enkele maanden later verscheen een andere, derde foto van [eiser] op de website van [gedaagde]. [eiser] stelde dat daarmee de maximale boete uit de onthoudingsverklaring was verbeurd. De kantonrechter stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat de onthoudingsverklaring een eenzijdige rechtshandeling is. De uitleg daarvan vindt daarom plaats aan de hand van de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 en 3:35 BW. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en komt geen beslissend gewicht toe aan uitsluitend de taalkundige betekenis van de gebruikte bewoordingen.
Article written by Frederiek Fernhout, Stijn de Jong and Branda Katan, Stibbe.
AI Copyright Claims in Europe: Key Considerations
Frederiek Fernhout, Stijn de Jong and Branda Katan, 4 September 2026.
As AI copyright litigation accelerates in the United States, technology companies operating in Europe face a structurally different legal landscape. Unlike in the US, fair use does not exist under Dutch or EU copyright law. The DSM Directive's text and data mining exceptions are narrow, subject to opt-out, and have been interpreted restrictively by German courts. The WAMCA, combined with developing case law on EU-wide jurisdiction, suggests that large-scale collective AI copyright and privacy claims in the Netherlands may be a question of timing rather than probability. This article sets out the key legal considerations, the most significant pending cases – including the Advocate General opinion in Like Company v. Google – and the steps technology companies may wish to consider to assess their exposure across European markets.