Geen inzage in concrete SVOD-tarieven Buma/Stemra, wel geanonimiseerde criteria via registeraccountant
Hof Amsterdam 13 oktober 2026, IEF 23951; ECLI:NL:GHAMS:2026:3006 (Disney tegen [geïntimeerde 2] / [geïntimeerde 1]). In deze zaak beslist het hof op het verzoek van Disney om op grond van artikel 843a (oud) Rv inzage te krijgen in licentieovereenkomsten en tariefgegevens van Buma/Stemra. Disney heeft deze gegevens opgevraagd ten aanzien van andere aanbieders van *subscription video on demand* (SVOD) op de Nederlandse markt om te kunnen controleren of Buma/Stemra bij het bepalen van de licentietarieven voor muziekauteursrechten de gelijkebehandelingsplicht van artikel 21 van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties (WTCBO) heeft nageleefd. In eerdere tussenbeschikkingen had het hof al geoordeeld dat het verzoek van Disney voor een klein deel toewijsbaar is [IEF 23678]. Disney heeft namelijk een rechtmatig belang bij kennisname van de gehanteerde criteria, factoren en omstandigheden bij het bepalen van de tarieven, evenals de redenen voor eventuele kortingen of afslagen. Disney heeft echter geen recht op inzicht in concrete tarieven of de specifieke voorwaarden per individuele concurrent. In de onderhavige beschikking maakt het hof de groep vergelijkbare marktpartijen concreet en stelt het de exacte wijze van inzage vast. Disney stelde dat de inzage betrekking zou moeten hebben op zeventien SVOD-aanbieders. Het hof oordeelt echter dat de relevante groep aanbieders voldoende homogeen moet zijn. Partijen die SVOD-diensten uitsluitend aanbieden als onderdeel van een breder pakket (zoals in combinatie met lineaire televisie of shopping-diensten) zijn onvoldoende vergelijkbaar met zuivere SVOD-diensten zoals Disney+. Na uitsluiting van deze vijf zogeheten bundelaanbieders resteert een groep van elf relevante SVOD-aanbieders waarop het bevel betrekking heeft. Gegevens over lopende onderhandelingen en aanbieders die geen licentieovereenkomst hadden op of na 1 december 2018 vallen buiten de reikwijdte van de inzage.
Publicatie De Telegraaf over strafzaak niet onrechtmatig
Rb. Amsterdam 20 oktober 2025, IEF 23941; IT 5611; ECLI:NL:RBAMS:2025:11555 ([eiser] tegen De Telegraaf). De Telegraaf publiceert een artikel over een man waarin onder meer wordt gesteld dat hij langdurig een kat-en-muisspel met politie en justitie heeft gespeeld, over veel geld beschikt, slim en manipulatief is en contacten op hoog niveau heeft op Malta. De man stelt dat de publicatie meerdere feitelijke onjuistheden bevat, subjectief en suggestief is en in strijd is met de onschuldpresumptie. Volgens hem heeft het artikel bovendien mede geleid tot zijn plaatsing op een Afdeling Intensief Toezicht (AIT) en op de lijst van gedetineerden met een vlucht- of maatschappelijk risico (GVM-lijst), met de status 'hoog'. Hij vordert primair verwijdering van de publicatie en subsidiair rectificatie, op straffe van een dwangsom. Daarnaast vordert hij een verklaring voor recht dat De Telegraaf onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld. De Telegraaf voert verweer en stelt onder meer dat zij zonder voorafgaande waarschuwing is gedagvaard.
Christiaan Alberdingk Thijm bespreekt hoe de aansprakelijkheid van platforms zich ontwikkelt
Christiaan Alberdingk Thijm (bureau Brandeis) bespreekt hoe de aansprakelijkheid van platforms zich ontwikkelt tijdens het Benelux Merkencongres op donderdag 29 oktober. Daarbij komt in het bijzonder de auteursrechtelijke context aanbod.
Artikel 17 DSM-richtlijn heeft het traditionele systeem voor bepaalde platforms ingrijpend veranderd. Dit artikel roept een aansprakelijkheid voor aanbieders van een onlinedienst voor het delen van content, denk daarbij aan platforms als Youtube en Facebook. Ze kunnen aansprakelijk zijn bij schending van auteursrechten van hun gebruikers, ook wel uploaders van content. Welke verantwoordelijkheden rusten sindsdien op platforms en hoe gaat de industrie daar in de praktijk mee om? De bijdrage biedt een genuanceerde blik op deze ontwikkeling en op de verhouding tussen platformverantwoordelijkheid, auteursrecht en fundamentele rechten.
Tijdens het Benelux Merkencongres spreken ook Tobias Cohen Jehoram, Martin Senftleben, Luminita Olteanu, Marjolein Bronneman, Jorn Torenbosch en Henry Robben. Er zijn nog enkele plekken beschikbaar, dus wacht niet te lang met uw aanmelding.
Facebookbericht met herleidbare beschuldiging van seksueel misbruik terecht verwijderd
Rb. Midden-Nederland 30 september 2026, IEF 23940; IT 5610; ECLI:NL:RBMNE:2026:6971 ([eiser] tegen [gedaagden]). Twee personen plaatsen op 12 juni 2025 een bericht op Facebook waarin zij een man beschuldigen van het herhaaldelijk verkrachten van een destijds negenjarig meisje. Het bericht wordt geplaatst op een persoonlijke Facebookpagina en in een openbare Facebookgroep. Hoewel de man niet bij naam wordt genoemd, is de beschuldiging door de specifieke combinatie van genoemde verenigingen tot hem herleidbaar. De man ontkent de beschuldiging en stelt dat het bericht zijn eer en goede naam aantast. In juli 2026 volgen twee nieuwe publicaties: een Facebookbericht over de aangifte van de dochter van gedaagden wegens seksueel misbruik in haar jeugd en een gedicht op een persoonlijke website. De man vordert verwijdering van de berichten, rectificatie, een verbod op toekomstige soortgelijke uitlatingen en een voorschot van € 3.000 op immateriële schadevergoeding. Ongeveer een week voor de mondelinge behandeling verwijderen gedaagden het oorspronkelijke Facebookbericht en plaatsen zij een rectificatie op de persoonlijke Facebookpagina van een van hen.
Luminita Olteanu van Universiteit Warwick spreekt op Benelux Merkencongres
Luminita Olteanu (Universiteit Warwick) spreekt op het Benelux Merkencongres op donderdag 29 oktober. Daar gaat ze in op het arrest IKEA / Vlaams Belang en bespreekt ze de vrijheid van meningsuiting vs de geldige reden.
Tijdens het Benelux Merkencongres spreken ook Tobias Cohen Jehoram, Martin Senftleben, Marjolein Bronneman, Jorn Torenbosch, Christiaan Alberdingk Thijm en Henry Robben. Er zijn nog enkele plekken beschikbaar, dus wacht niet te lang met uw aanmelding.
Uitspraak ingezonden door Dirk Visser en Paul Kreijger, Visser Schaap & Kreijger.
Hof Amsterdam: HowardsHome maakt met nieuwssignaleringsdienst inbreuk op auteursrecht en persuitgeversrecht
Hof Amsterdam 20 oktober 2026, IEF 23943; zaaknr. 200.350.773/01 (de Uitgevers tegen HowardsHome). DPG Media, Mediahuis Nederland en Mediahuis NRC (hierna: de uitgevers) hebben hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de Rechtbank Amsterdam [IEF 22332], waarin hun vorderingen wegens inbreuk op het auteursrecht, databankenrecht en persuitgeversrecht waren afgewezen. De zaak betreft de commerciële nieuwssignaleringsdienst van Knowledge Exchange B.V., handelend onder de naam HowardsHome. Deze dienst verzamelde informatie uit onder meer openbaar beschikbare RSS-feeds van de uitgevers en bood klanten tegen betaling signaleringen aan met hyperlinks, nieuwskoppen, tekstfragmenten en, indien beschikbaar, verkleinde afbeeldingen (thumbnails). Het Gerechtshof Amsterdam oordeelt dat het overgrote merendeel van de gebruikte perspublicaties auteursrechtelijk beschermd is en dat de uitgevers gerechtigd zijn de daarop rustende auteursrechten uit te oefenen of in te roepen. Door beschermde teksten en afbeeldingen te verveelvoudigen en openbaar te maken, heeft HowardsHome inbreuk gemaakt op het auteursrecht. Het beroep op de uitzondering voor tijdelijke reproducties (artikel 13a Aw) slaagt niet, omdat de reproducties zelfstandige economische waarde hadden en de kern van de commerciële dienstverlening vormden. Ook de beroepen op de nieuwsexceptie (artikel 15 Aw), de rapportage-exceptie (artikel 16a Aw) en het citaatrecht (artikel 15a Aw) worden verworpen. Voor een geslaagd beroep op het citaatrecht is onder meer vereist dat een rechtstreeks en nauw verband bestaat tussen het geciteerde werk en de eigen beschouwingen van de gebruiker. HowardsHome voegde echter geen eigen beschouwingen toe en gebruikte de fragmenten als onderdeel van haar commerciële product. Bovendien werd niet voldaan aan de eis dat het citeren naar billijkheid geschiedt en door het bijzondere doel wordt gerechtvaardigd. Ook de tekst- en dataminingexceptie (artikel 15o Aw) biedt geen bescherming, omdat deze uitsluitend betrekking heeft op reproducties en niet op openbaarmakingen. Daarnaast kwalificeren de werkzaamheden van HowardsHome volgens het hof niet als tekst- en datamining in de zin van artikel 25a lid 3 Aw.
Uitspraak ingezonden door Bertil van Kaam en Pascal Steijvers, Van Kaam Advocaten.
Rechtbank gebiedt gemeenteraadslid PRO beschuldigingen jegens speelparkeigenaar te rectificeren
Rb. Den Haag 20 oktober 2026, IEF 23942; ECLI:NL:RBDHA:2026:30325 ([eiser] tegen [gedaagde]). Eiser in deze zaak is een ondernemer en eigenaar van een speelpark. Hij heeft dit speelpark op 21 april 2026 op een executieveiling gekocht en heeft het park op 21 juli 2026 geopend voor het publiek. Gedaagde is een gemeenteraadslid in de gemeente waar het speelpark gelegen is en houdt zich bezig met woningbouw. Het gemeenteraadslid heeft zich via diverse (sociale media)kanalen herhaaldelijk negatief uitgelaten over de speelparkeigenaar. In een radio-interview met Rijnmond op 22 april 2026 kwalificeert hij hem onder meer als "een spijkerharde speculant" die "de Samaritaan speelt", dat het hem "puur om het geld gaat" en dat hij later op het terrein van het speelpark "peperdure woningen" wil bouwen terwijl "hij net doet of hij het voor de kinderen in de wijk doet" (uitlating 1). Uitlating 1 is in diverse media overgenomen. Op 21 augustus 2026 beschuldigt het gemeenteraadslid de speelparkeigenaar er in een interview op YouTube daarnaast van de lokale Amsterdamse fracties van de Partij voor de Deuren en het CDA te hebben omgekocht door hen elk € 100.000,00 te doneren om hun stemgedrag te beïnvloeden (uitlating 2). Het gemeenteraadslid weigert voornoemde beschuldigingen te rectificeren, waarna de speelparkeigenaar een procedure bij de voorzieningenrechter in Den Haag start. Het gemeenteraadslid stelt dat sprake zou zijn van een SLAPP.
Binnenkort verkrijgbaar: Rechtsvorming door het HvJ in het Europese merkenrecht – Marjolein Bronneman
Binnenkort verschijnt bij uitgeverij deLex het boek Rechtsvorming door het HvJ in het Europese merkenrecht – Een onderzoek naar de rechten van de merkhouder van Marjolein Bronneman. In dit proefschrift onderzoekt Bronneman hoe het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) de rechten van de merkhouder heeft gevormd en verder ontwikkeld, en hoe de door het Hof ontwikkelde normen zich verhouden tot het wettelijke systeem van het Europese merkenrecht.
Het boek biedt inzicht in de rechtsvormende rol van het HvJ en behandelt onder meer de functieleer, de door het Hof ontwikkelde rechten van de merkhouder en de beperkingen daarop. Daarnaast komen actuele vraagstukken aan bod, zoals de mogelijkheden voor merkhouders om op te treden tegen de verhandeling van refurbished en upcycled merkproducten. Bronneman laat zien waar de rechtspraak en het wettelijke systeem met elkaar wringen en doet concrete voorstellen voor een begrijpelijker, evenwichtiger en toekomstbestendiger Europees merkenrecht. Daarmee biedt het boek zowel een analyse van de rechtspraak als praktische aanknopingspunten voor iedereen die zich met het merkenrecht bezighoudt.
Binnenkort verkrijgbaar bij uitgeverij deLex.
Buma en Sena onderbouwen onvoldoende dat winkelier beschermde muziek openbaar heeft gemaakt
Rb. Amsterdam 10 september 2026, IEF 23938; ECLI:NL:RBAMS:2026:9973 (Buma en Sena tegen WB). Buma en Sena stellen dat White and Black (WB), exploitant van een winkel in een overdekte winkelpromenade, zonder toestemming auteursrechtelijk en nabuurrechtelijk beschermd muziekrepertoire openbaar heeft gemaakt. Tijdens een controlebezoek op 31 juli 2025 constateerde een inspecteur dat in de winkel muziek hoorbaar was. Volgens zijn rapport werd de muziek via een streamingdienst afgespeeld. Omdat WB de daaropvolgende factuur onbetaald liet, vorderen Buma en Sena schadevergoeding ter hoogte van de verschuldigd geachte licentievergoedingen, namelijk € 1.171 aan Buma en € 176,29 aan Sena. Daarnaast vorderen zij een verbod op verdere openbaarmaking zonder licentie. WB betwist dat zij beschermde muziek openbaar heeft gemaakt en voert aan dat de hoorbare muziek afkomstig was van een luidspreker achter de nooduitgang, in een gemeenschappelijke ruimte van het winkelcentrum. Ter onderbouwing overlegt WB een verklaring van de beheerder van het winkelcentrum, waaruit blijkt dat de muziek afkomstig is van de alarm- en ontruimingsinstallatie en dat het winkelcentrum zelf vergoedingen aan Buma en Sena betaalt.
Rechtbank Den Haag stelt prejudiciële vraag over internationale bevoegdheid bij inzageverzoek tegen derde
Rb. Den Haag 9 oktober 2026, IEF 23937; ECLI:NL:RBDHA:2026:30246 (Volkswagen tegen DHL c.s.). Volkswagen verzoekt de rechtbank op grond van artikel 195a Rv om DHL Express (Netherlands) en drie Duitse DHL-vennootschappen te veroordelen tot het verstrekken van gegevens over de betrokkenen bij een zending met vermeend inbreukmakende producten. De zending kwam in november 2023 via Duitsland de Europese Unie binnen en werd door de Duitse douane tegengehouden op grond van de Antipiraterijverordening (Verordening (EU) 608/2013). De producten zijn vervolgens vernietigd. Het inzageverzoek houdt verband met een nog aanhangig te maken bodemprocedure tegen Metafa Holland wegens vermeende inbreuk op Uniemodelrechten van Volkswagen. DHL c.s. betwist de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Volgens Volkswagen moet voor de bevoegdheidsvraag worden aangesloten bij de rechtsverhouding tussen haar en Metafa, terwijl DHL c.s. en Metafa stellen dat de rechtsverhouding tussen Volkswagen en DHL bepalend is. In een eerdere tussenbeschikking had de rechtbank aangekondigd hierover een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad te willen stellen.