IEF 23554
13 mei 2026
Artikel

Europese Commissie scherpt richtsnoeren voor deepfakes en AI-content aan: Daniël de Weerd spreekt hierover op IE Zomerforum

 
IEF 23547
13 mei 2026
Artikel

Het wetsvoorstel Nieuw naburig recht deepfakes van personen: een kritische bespreking van twee onderbelichte aspecten – Jorn Torenbosch & Charlotte Vrendenbarg

 
IEF 23555
13 mei 2026
Artikel

Aanvraag merkbescherming stem Taylor Swift vooral voor de show

 
IEF 23543

AG kiest voor Rome-I bij overdracht exclusieve gebruiksrechten op foto’s

Duitse Gerechten 23 apr 2026, IEF 23543; ECLI:EU:C:2026:349 ((IU tegen BT)), https://ie-forum.nl/artikelen/ag-kiest-voor-rome-i-bij-overdracht-exclusieve-gebruiksrechten-op-foto-s

Oberlandsgericht Düsseldorf 23 april 2026, IEF23543; ECLI:EU:C:2026:349 (IU tegen BT). In deze zaak staat de vraag centraal welk nationaal recht geldt voor de formele geldigheid van een auteursrechtlicentie wanneer een derde die geldigheid betwist in een procedure over auteursrechtinbreuk. BT, een Duitse verkoper van autoaccessoires, staat tegenover concurrent IU. Tussen 2014 en 2018 liet BT in Polen productfoto’s maken van automatten door een Poolse fotograaf. De echtgenoot van BT bracht de automatten steeds naar de studio. Daarna kreeg BT de foto’s op een USB-stick. Partijen spraken mondeling af dat BT de foto’s mocht gebruiken voor eBay-aanbiedingen. Een schriftelijke overeenkomst kwam er niet. IU gebruikte dezelfde foto’s later in eigen eBay-aanbiedingen zonder toestemming van BT. BT stapte daarom naar de Duitse rechter wegens  auteursrechtinbreuk. De Landgericht gaf BT gelijk. Volgens de rechter had de fotograaf exclusieve gebruiksrechten aan BT overgedragen. IU maakte dus inbreuk door de foto’s zonder toestemming te reproduceren. In hoger beroep betoogde IU dat BT niet mocht procederen. Volgens IU was de overdracht of exclusieve licentie ongeldig. Pools recht bepaalt namelijk dat een overdracht van auteursrechten schriftelijk moet gebeuren. Omdat partijen alleen een mondelinge afspraak maakten, zou geen geldige overdracht of exclusieve licentie bestaan. BT maakte onderscheid tussen de formele geldigheid van de overdracht van auteursrechten en de geldigheid van de overeenkomst daaronder. Volgens BT geldt voor die overdracht artikel 8 lid 1 van de Rome II-Verordening. Daardoor zou het recht gelden van het land waarvoor bescherming wordt ingeroepen. Omdat BT bescherming vraagt in Duitsland, zou Duits recht van toepassing zijn. Volgens de verwijzende rechter kent het Duitse auteursrecht geen schriftelijkheidsvereiste voor een overdracht of exclusieve licentie als deze. De Oberlandesgericht Düsseldorf legde vervolgens twee prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie. De Duitse rechter wil weten of artikel 8 lid 1 Rome II ook geldt voor de formele geldigheid van een overdracht van exclusieve gebruiksrechten op auteursrechtelijk beschermde foto’s. Als dat niet zo is, wil de rechter weten of de Rome I-Verordening geldt, vooral de artikelen 4 en 11 over het toepasselijke recht en de formele geldigheid van overeenkomsten.

IEF 23542

Rb. Amsterdam: geen geldige overdracht van Puri Safe-merken voorafgaand aan faillesement

Rechtbank Amsterdam 29 apr 2026, IEF 23542; ECLI:NL:RBAMS:2026:3937 ((Indsun tegen de curator en TransHeroes)), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-amsterdam-geen-geldige-overdracht-van-puri-safe-merken-voorafgaand-aan-faillesement

Rb. Amsterdam 29 april 2026, IEF23542; ECLI:NL:RBAMS:2026:3937 (Indsun tegen de curator en TransHeroes). In deze zaak staat de vraag centraal of twee Benelux-beeldmerken van het failliete bedrijf Puri Safe Pharmaceuticals rechtsgeldig vóór het faillissement waren overgedragen aan gelieerde vennootschap Indsun Holdings B.V. De Rechtbank Amsterdam oordeelt dat daarvan geen sprake is. Volgens de rechtbank ontbrak een geldige titel voor de overdracht van de merken, waardoor deze onderdeel zijn gebleven van de faillissementsboedel en rechtsgeldig door de curator konden worden verkocht aan TransHeroes. Aan het geschil lag een interne transactie binnen de groep ten grondslag. Indsun stelde dat de merken al vóór het faillissement aan haar waren overgedragen op basis van een lening van € 250.000 van aandeelhouders aan Puri Safe Pharmaceuticals, gecombineerd met een koopovereenkomst voor de IE-rechten van 17 januari 2024. Volgens Indsun zou € 60.000 van die lening zijn verrekend met de koopprijs van de merken. De curator en TransHeroes betwistten dat die overeenkomsten daadwerkelijk bestonden op het moment van de overdracht. De curator vernietigde bovendien buitengerechtelijk de gestelde overdracht op grond van de faillissementspauliana (art. 42 Fw, subsidiair art. 47 Fw). De rechtbank onderzoekt eerst of de overdracht van de merken überhaupt geldig tot stand is gekomen. Daarbij kent zij groot gewicht toe aan de administratie van Puri Safe Pharmaceuticals. In de boekhouding ontbreekt ieder spoor van de gestelde lening van € 250.000, van een terugbetalingsverplichting of van de verrekening van € 60.000 als koopprijs voor de merken. Dat gebrek aan administratieve verwerking acht de rechtbank reeds doorslaggevend. Daarnaast constateert de rechtbank onduidelijkheden over de datum waarop de leningsovereenkomst daadwerkelijk tot stand is gekomen en inconsistenties tussen de feitelijke gang van zaken en de tekst van de koopovereenkomst. Op basis daarvan concludeert de rechtbank dat de koopovereenkomst ten tijde van de levering nog niet bestond. Daardoor ontbrak een geldige titel als bedoeld in artikel 3:84 BW en is de overdracht van de merken niet rechtsgeldig tot stand gekomen. Puri Safe Pharmaceuticals bleef daarom rechthebbende van de merken, zodat deze in de faillissementsboedel vielen.

IEF 23540

Rb. Rotterdam wijst alle vorderingen van Ravestein af in de langlopende Calais Port 2015-zaak

Rechtbank Rotterdam 8 apr 2026, IEF 23540; ECLI:NL:RBROT:2026:4497 ((Ravestein tegen Cargotec & MacGregor c.s.)), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-rotterdam-wijst-alle-vorderingen-van-ravestein-af-in-de-langlopende-calais-port-2015-zaak

Rb. Rotterdam 8 april 2026, IEF23540; ECLI:NL:RBROT:2026:4497 (Ravestein tegen Cargotec & MacGregor c.s.). Deze zaak draait om een langlopend geschil tussen linkspanbouwer Ravestein en MacGregor en Cargotec over het project Calais Port 2015. Ravestein verwijt MacGregor c.s. dat zij via hoofdaannemer Bouygues vertrouwelijke tekeningen en technische knowhow van Ravestein gebruikten bij de bouw van linkspans voor de haven van Calais. Ravestein beriep zich op auteursrecht, slaafse nabootsing, bedrijfsgeheimen en profiteren van wanprestatie. Daarnaast legde Ravestein in 2020 conservatoir beslag op Linkspan Calais 10, waarna MacGregor c.s. in reconventie schadevergoeding vorderden wegens onrechtmatige beslaglegging. Voor het eindvonnis van 8 april 2026 wees de rechtbank meerdere tussenvonnissen en besliste zij in verschillende incidenten. In 2023 en 2024 draaide de procedure vooral om exhibitie-incidenten op grond van artikel 843a Rv. De rechtbank verplichtte MacGregor toen om onder meer correspondentie met Bouygues en contractstukken over de linkspans te geven, zodat Ravestein bewijs kon verzamelen voor haar stelling dat MacGregor toegang had tot vertrouwelijke ontwerptekeningen en bedrijfsinformatie van Ravestein. Aan de afgifte van deze stukken was een dwangsom verbonden van € 5.000 per dag(deel), tot een maximum van € 100.000, maar in een later tussenvonnis oordeelde de rechtbank dat MacGregor aan deze verplichtingen had voldaan en dat er geen dwangsommen waren verbeurd. In het tussenvonnis van 3 september 2025 oordeelde de rechtbank echter dat Ravestein niet slaagde in de opgedragen bewijslevering. Volgens de rechtbank lieten de stukken, getuigenverklaringen en documenten uit de 843a-procedure onvoldoende zien dat MacGregor de volledige set vertrouwelijke tekeningen en bedrijfsgeheimen van Ravestein had gekregen of gebruikt. Ook onderbouwde Ravestein volgens de rechtbank onvoldoende dat Bouygues en MacGregor verborgen afspraken of schikkingen hadden gemaakt. Daarom kondigde de rechtbank al aan dat zij alle vorderingen van Ravestein zou afwijzen. In reconventie wees de rechtbank daarnaast de vordering van MacGregor c.s. wegens onrechtmatig procederen expliciet af, omdat geen sprake was van misbruik van procesrecht.

IEF 23538

Rb. Den Haag wijst claim op mede-eigendom van LinXis-octrooien af

Rechtbank Den Haag 22 apr 2026, IEF 23538; ECLI:NL:RBDHA:2026:9754 ((LinXis tegen [partij 1] en [partij 2])), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-wijst-claim-op-mede-eigendom-van-linxis-octrooien-af

Rb. Den Haag 22 april 2026, IEF23538; ECLI:NL:RBDHA:2026:9754 (LinXis tegen [partij 1] en [partij 2]). De Rechtbank Den Haag oordeelt in dit geschil tussen biotechbedrijf LinXis en voormalig bestuurder en consultant [partij 1] dat [partij 1] geen aanspraak kan maken op een aandeel in de octrooifamilies van LinXis. In de latere managementovereenkomsten ontbraken weliswaar expliciete IE‑overdrachtsclausules, maar volgens de rechtbank laten de afspraken en de samenwerking tussen partijen zien dat de octrooirechten bij LinXis liggen. [partij 1] werkte sinds 2015 via verschillende vennootschappen voor LinXis als patent consultant en later als CBO, CFO en CEO. In de eerste managementovereenkomst uit 2015 stond een expliciete IE‑overdrachtsclausule. Die bepaling ontbrak in de overeenkomsten uit 2017 en 2019. Tijdens de samenwerking vroeg LinXis meerdere octrooifamilies aan, waarbij [partij 1] deels als uitvinder stond vermeld. Volgens [partij 1] lieten de latere overeenkomsten bewust ruimte voor eigen IE‑rechten en een latere vergoeding voor overdracht. De rechtbank volgt hem daarin niet. De rechtbank vindt het logisch dat LinXis als biotechonderneming alle IE‑rechten binnen het bedrijf wilde houden. Ook weegt mee dat [partij 1] in subsidie‑ en financieringsdocumenten namens LinXis sprak van “solely owned patent applications”. Daarnaast maakten partijen geen concrete afspraken over een aparte vergoeding voor IE‑overdracht. Omdat [partij 1] de overeenkomsten zelf namens beide partijen ondertekende, had hij volgens de rechtbank eventuele mede‑eigendomsrechten expliciet moeten vastleggen. De rechtbank verklaart zowel LinXis als [partij 1] niet‑ontvankelijk in hun vorderingen over het uitvinderschap wegens gebrek aan belang (Art. 3:303 BW). Ook als [partij 1] mede‑uitvinder is, betekent dat volgens de rechtbank nog niet dat hij recht heeft op de octrooien. De rechtbank wijst ook het verzoek af om [partij 1] uit de octrooiregisters te verwijderen. LinXis stemde eerder zelf in met zijn vermelding als uitvinder en maakte onvoldoende duidelijk welk nadeel dat nu oplevert. 

IEF 23539

HvJ EU: geen voorlopige IE-maatregelen zonder bodemprocedure

HvJ EU 23 apr 2026, IEF 23539; ECLI:EU:C:2026:340 ((M.M. Ristorazione Srl tegen Villa Ramazzini)), https://ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-geen-voorlopige-ie-maatregelen-zonder-bodemprocedure

Hof van Justitie EU 23 april 2026, IEF 23539; ECLI:EU:C:2026:340 (M.M. Ristorazione Srl tegen Villa Ramazzini). Deze zaak gaat over een geschil tussen de Italiaanse ondernemingen M.M. Ristorazione en Villa Ramazzini over het gebruik van het teken “Mò Mò Pizza, Sapori e Salute”. Villa Ramazzini, houdster van het beeldmerk Mò Mò, had bij de rechtbank in Rome een voorlopige voorziening verkregen waarbij het gebruik van het teken werd verboden, verwijdering ervan werd bevolen en een dwangsom werd opgelegd. Villa Ramazzini stelde vervolgens geen bodemprocedure in om het merkinbreuk definitief vast te laten stellen. M.M. Ristorazione verzocht daarop om opheffing van de voorlopige maatregelen. De Italiaanse rechter wees dat verzoek af onder verwijzing naar artikel 132 lid 4 van het Italiaanse Wetboek van Intellectueel Eigendom, dat voor bepaalde zogenoemde anticiperende maatregelen een uitzondering maakt op het verval zonder bodemprocedure. Het Hof legde prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie over de verenigbaarheid van die nationale regeling met artikel 9 lid 5 van de Handhavingsrichtlijn. Het Hof oordeelt dat artikel 9 lid 5 van toepassing is op alle voorlopige maatregelen als bedoeld in artikel 9 leden 1 en 2 van de richtlijn, waaronder voorlopige verbodsbevelen in merkinbreukzaken. De richtlijn maakt geen onderscheid tussen gewone voorlopige maatregelen en anticiperende maatregelen die sterk vooruitlopen op een definitieve beslissing. Het Hof van Justitie verduidelijkt in dit arrest de grenzen van voorlopige IE-maatregelen onder de Handhavingsrichtlijn (richtlijn 2004/48). Volgens het Hof mogen voorlopige maatregelen niet feitelijk definitief worden wanneer de eiser nalaat tijdig een bodemprocedure aanhangig te maken. Artikel 9 lid 5 van de richtlijn verplicht in dat geval tot intrekking, beëindiging of verval van de maatregel indien de verweerder daarom verzoekt.

IEF 23535

VMC Studiemiddag – Openbaarmaking van oorlogsarchieven en verslaggeving in conflictgebieden: Uitdagingen bij waarheidsvinding in het licht van informatievrijheid

Vrijdagmiddag 12 juni 2026, 13.30-17.00 uur, aansluitend een borrel (tot 18.30 uur)
OBA Oosterdok, Oosterdokskade 143, 1011 DL Amsterdam

Tijdens deze studiemiddag staan twee actuele en maatschappelijke relevante thema’s centraal. In het eerste deel bespreken we de voorgenomen digitalisering en online openbaarmaking van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging (CABR), het archief met dossiers over onderzoek en berechting van vermeende collaborateurs na de Tweede Wereldoorlog. Deze ontwikkeling roept belangrijke vragen op over historische waarheidsvinding, maatschappelijke verantwoording en de bescherming van betrokkenen en hun nabestaanden. Daarbij staan we niet alleen stil bij de balans tussen openbaarheid van overheidsinformatie en de bescherming van persoonsgegevens, maar gaan we ook in op recente wetgevingsontwikkelingen én op de auteursrechtelijke aspecten die bij deze openbaarmaking een rol spelen. De volgende sprekers leveren een bijdrage:

  • Hester van Rossum – ten Cate (Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding)
  • Leontine Weesing – Loeber (Ministerie van OCW)
  • Martin Senftleben (Instituut voor Informatierecht)
IEF 23534

Verwarringsgevaar tussen proGlan en PRO PLAN

Gerecht EU (voorheen GvEA) 6 mei 2026, IEF 23534; ECLI:EU:T:2026:315 (Ecuphar tegen EUIPO en Société des produits Nestlé SA), https://ie-forum.nl/artikelen/verwarringsgevaar-tussen-proglan-en-pro-plan

Gerecht EU 6 mei 2026, IEF 23534, IEFbe 4219; ECLI:EU:T:2026:315 (Ecuphar tegen EUIPO en Société des produits Nestlé SA). In T-291/25 bevestigt het Gerecht de weigering van de Uniemerkaanvraag voor het figuratieve teken proGlan, aangevraagd voor “medicines for anal gland function for veterinary use” in klasse 5. Nestlé had oppositie ingesteld op basis van haar oudere internationale registratie met werking in de EU voor het woordmerk PRO PLAN, geregistreerd voor “nutritional supplements for veterinary use” en “nutritional supplements for animal consumption” in klasse 5. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het Gerecht verklaart allereerst dat het niet bevoegd is om zelf registratie van het aangevraagde merk toe te staan en dat het beroep tegen de beslissing van de oppositieafdeling niet-ontvankelijk is, omdat bij het Gerecht alleen beslissingen van de Kamers van Beroep kunnen worden aangevochten. Inhoudelijk bevestigt het Gerecht dat het relevante publiek bestaat uit zowel het algemene publiek, zoals huisdiereigenaren, als professionals, zoals dierenartsen, binnen de Europese Unie. Professionals hebben doorgaans een hoog aandachtsniveau en ook het algemene publiek heeft een hoger dan gemiddeld aandachtsniveau, omdat de betrokken waren de gezondheid en het welzijn van dieren kunnen beïnvloeden. Dat verhoogde aandachtsniveau sluit verwarringsgevaar echter niet uit.

IEF 23533

Verwarringsgevaar tussen alma FARMACIE en ALMA HYBRID

Gerecht EU (voorheen GvEA) 6 mei 2026, IEF 23533; ECLI:EU:T:2026:317 (Pharma Green Holding SpA SB tegen EUIPO en Alma Lasers Ltd), https://ie-forum.nl/artikelen/verwarringsgevaar-tussen-alma-farmacie-en-alma-hybrid

Gerecht EU 6 mei 2026, IEF 23533; IEFbe 4218; ECLI:EU:T:2026:317 (Pharma Green Holding SpA SB tegen EUIPO en Alma Lasers Ltd). In T-480/25 bevestigt het Gerecht de weigering van de Uniemerkaanvraag voor het figuratieve teken alma FARMACIE, aangevraagd voor onder meer cosmetica, farmaceutische producten, voedingssupplementen en farmaceutische/medische diensten in de klassen 3, 5 en 44. Alma Lasers had daartegen oppositie ingesteld op grond van haar oudere internationale registratie met werking in de EU voor het woordmerk ALMA HYBRID, geregistreerd voor onder meer medische lasers, medische diensten en hygiëne- en schoonheidsverzorging. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het Gerecht oordeelt dat de Kamer van Beroep haar beoordeling mocht beperken tot het Spaans- en Portugeestalige publiek, omdat voor weigering van een Uniemerk voldoende is dat verwarringsgevaar bestaat in een deel van de Unie. Voor cosmetica en schoonheidsverzorging geldt een gemiddeld aandachtsniveau, terwijl voor farmaceutische producten, voedingssupplementen en medische of farmaceutische diensten een hoog aandachtsniveau kan gelden vanwege het verband met gezondheid. Dat hogere aandachtsniveau sluit verwarringsgevaar echter niet uit, omdat ook oplettende consumenten merken meestal niet rechtstreeks vergelijken en moeten afgaan op hun onvolmaakte herinnering.

IEF 23478

Actualiteiten Privacyrecht op woensdag 24 juni 2026

Op woensdag 24 juni 2026 organiseren we vanaf 15.00 uur Actualiteiten Privacyrecht.

Tijdens deze middag nemen Quinten Kroes (Brinkhof) en Vita Zwaan (Rubicon Impact & Litigation) u mee in de ontwikkelingen en rechtspraak op het gebied van privacyrecht. In slechts twee uur tijd krijgt u een helder en actueel overzicht van relevante rechtspraak.

Tot 1 juni 2026 geldt een kortingsactie: meld u voor deze datum aan en ontvang €50 vroegboekkorting. 

IEF 23531

Rb. Den Haag: conservatoir beslag op namaaklampen blijft in stand

Rechtbank Den Haag 20 apr 2026, IEF 23531; ECLI:NL:RBDHA:2026:9742 (([eiser] tegen Graypants)), https://ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-conservatoir-beslag-op-namaaklampen-blijft-in-stand

Rb. Den Haag 20 april 2026, IEF 23531; ECLI:NL:RBDHA:2026:9742 ([eiser] tegen Graypants). De voorzieningenrechter wijst de vordering tot opheffing van conservatoir derdenbeslag af in een geschil tussen een dropshipping-webshop ([eiser]) en Graypants. Graypants is houdster van een Uniemodel en auteursrechten op het ontwerp van de Wick-tafellamp. In december 2025 constateerde zij dat via de webshop van [eiser] lampen werden aangeboden die met dit model overeenstemden, waarbij ook gebruik werd gemaakt van campagnefoto’s van Graypants. Na verkregen verlof liet Graypants op 20 en 21 januari 2026 conservatoir derdenbeslag leggen onder meer op Rabobank, BAWAG en Revolut. Het eerste bedrag van € 70.400,87 werd op 12 februari 2026 beperkt tot € 61.425. Na verlenging van de termijn stelde Graypants op 17 februari 2026 een bodemprocedure in wegens inbreuk op haar model- en auteursrechten. [eiser] vordert in kort geding opheffing van het beslag op grond van art. 705 lid 2 Rv. Hij stelt dat de vordering van Graypants ondeugdelijk is, omdat hij de betreffende lampen niet heeft verkocht en de webshop al op 30 september 2025 zou hebben overgedragen aan een derde. Graypants betwist deze overdracht gemotiveerd en voert aan dat deze, mede gelet op het late moment van overlegging van stukken, ongeloofwaardig voorkomt. De voorzieningenrechter maakt duidelijk dat een beslag alleen wordt opgeheven als al snel blijkt dat de vordering niet klopt of dat het beslag niet nodig is. Daarbij rust de stelplicht en bewijslast in beginsel op degene die opheffing vordert en vindt ook een belangenafweging plaats.