IEF 23581
1 juni 2026
Artikel

Nederlands Octrooicongres op dinsdag 9 juni 2026: we bespreken de actuele jurisprudentie

 
IEF 23580
1 juni 2026
Uitspraak

Podcast over restitutie roofkunst niet onrechtmatig jegens Mondex en haar oprichter

 
IEF 23579
1 juni 2026
Uitspraak

Verbetervonnis in IE-verstekzaak: proceskosten alsnog begroot op grond van artikel 1019h Rv

 
IEF 23572

Uitspraak ingezonden door C. Theunis, Artes.

Arrondissementsrechtbank Antwerpen: particulier kan ook in kort geding naar ondernemingsrechtbank

Belgische gerechten 21 apr 2026, IEF 23572; 26/20/E (([particulier] tegen [persuitgevers]) ), https://ie-forum.nl/artikelen/arrondissementsrechtbank-antwerpen-particulier-kan-ook-in-kort-geding-naar-ondernemingsrechtbank

Arrondissementsrechtbank Antwerpen 21 april 2026, IEF 23572; IEF-BE 4227; 26/20/E ([particulier] tegen [persuitgevers]). In deze zaak tussen een particuliere eiser en twee persuitgevers als verwerende partijen stond de vraag centraal of de voorzitter van de ondernemingsrechtbank, zetelend in kort geding, bevoegd is om kennis te nemen van een vordering ingesteld door een niet-onderneming tegen ondernemingen. Aanleiding voor het geschil vormden online nieuwsartikelen waarin eiseres – volgens haar ten onrechte en op identificeerbare wijze – werd neergezet in verband met strafrechtelijke feiten. Zij stelde dat de berichtgeving feitelijke onjuistheden en misleidende citaten bevatte en dat zij daardoor aanzienlijke reputatieschade had geleden. In kort geding vorderde zij onder meer dat de publicaties binnen 24 uur offline zouden worden gehaald, althans zouden worden geanonimiseerd en gecorrigeerd, telkens op straffe van een dwangsom van € 5.000 per dag of per overtreding. De zaak werd aanhangig gemaakt bij de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen. De voorzitter stelde evenwel ambtshalve de vraag naar de materiële bevoegdheid. Hoewel vaststond dat de verwerende partijen ondernemingen zijn, is eiseres dat niet. In de rechtsleer bestaat een opvatting dat artikel 573, tweede lid Ger. W. – dat toelaat dat een niet-ondernemer een onderneming voor de ondernemingsrechtbank dagvaardt – niet geldt in kort geding. Volgens deze visie heeft die bepaling een uitzonderlijk karakter en moet zij restrictief worden uitgelegd, zodat zij enkel toepassing vindt in bodemprocedures en niet in spoedeisende procedures. Om die reden werd de zaak bij beschikking van 3 april 2026 verwezen naar de arrondissementsrechtbank Antwerpen, teneinde zich uit te spreken over deze bevoegdheidsvraag. De arrondissementsrechtbank verwerpt deze beperkende lezing en geeft een meer systematische interpretatie van artikel 573 Ger. W. Zij overweegt dat deze bepaling, mede in het licht van de Wet Natuurlijke Rechter, niet (langer) kan worden beschouwd als een uitzondering op de algemene bevoegdheidsregels.

IEF 23571

Rapport geschreven door de advocaten van Härting.

WK 2026 en reclame: juridische spelregels in kaart gebracht

Het wereldkampioenschap voetbal 2026 komt eraan. Bedrijven bereiden zich voor op campagnes die meeliften op de wereldwijde aandacht, maar die zichtbaarheid brengt ook de nodige juridische vragen met zich mee: wat mag je eigenlijk zeggen, tonen of suggereren als je geen officiële sponsor bent?

In een recent rapport zetten de advocaten van Härting de belangrijkste juridische kaders rondom reclame in het kader van het WK 2026 uiteen. Het rapport behandelt onder meer de grenzen van het merkenrecht bij het gebruik van officiële aanduidingen en symbolen van het toernooi, de rol van auteursrecht bij logo’s en visuele elementen, en de ruimte die niet-sponsoren hebben om aan te haken bij de publieke aandacht rond het evenement. Ook komt het fenomeen ‘ambush marketing’ aan bod en de wijze waarop dit juridisch wordt beoordeeld.

Daarnaast wordt stilgestaan bij actuele ontwikkelingen, zoals het gebruik van AI in reclame-uitingen – waaronder deepfakes en fake out-of-home campagnes – en de bijbehorende juridische aandachtspunten. Tot slot gaan de auteurs in op het kader voor public viewing, inclusief vragen rond licenties, uitzendrechten en praktische regelgeving. Het rapport biedt daarmee een overzicht van de belangrijkste juridische thema’s waarmee ondernemingen rekening moeten houden bij marketingactiviteiten rondom het WK 2026.

Lees het volledige rapport via: HaertingAdvertising regulations for the 2026 FIFA World Cup | HÄRTING Rechtsanwälte

Ook bij deLex staan we stil bij de juridische aspecten van het WK. Tijdens ons event op 23 juni gaan we dieper in op de vraag hoe bedrijven binnen de grenzen van het recht kunnen inspelen op grote sportevenementen. 

IEF 23569

WK & Recht op dinsdag 23 juni 2026

Op dinsdag 23 juni 2026 organiseren we ons nieuwe seminar WK & Recht

Het wereldkampioenschap voetbal staat weer voor de deur. Midden juni speelt Nederland zijn eerste wedstrijd in de strijd om de wereldtitel. Heel Nederland kijkt mee naar de prestaties van het Nederlands elftal.

Maar het WK speelt niet alleen op het veld. Het roept ook juridische vragen op. Daarom organiseren we op dinsdag 23 juni het seminar WK & Recht in Buro de Pijp, Amsterdam. Samen met Sabin Tigu (Ploum) gaan we in op de juridsiche aspecten van het WK. Zo bespreken we bijvoorbeeld hoe het zit met privacy-aspecten, zoals gezichtsherkenning en wedstrijddata. Ook gaan we in op licenties. We sluiten de middag af met een paneldiscussie, waarin we de marketing rondom het WK bespreken. Mag je bijvoorbeeld het WK als reclame voor je bedrijf gebruiken? En zijn WK-logo's beschermd? 

IEF 23526

In één lunch helemaal bij: Actualiteiten Reclamerecht op woensdag 3 juni 2026

Wilt u in korte tijd weer helemaal up-to-date zijn in het reclamerecht? Kom naar de Actualiteitenlunch Reclamerecht. Tijdens deze interactieve bijeenkomst nemen Ebba Hoogenraad en Lisa Peek (beide Hoogenraad & Haak) u in twee uur mee langs de belangrijkste Nederlandse en Europese rechtspraak, wetgeving en ontwikkelingen. U krijgt daarmee in korte tijd een actueel, volledig en praktijkgericht overzicht van wat er speelt in het reclamerecht.

Zo staan we stil bij de aangescherpte regels rond reclame gericht op jongeren en de nieuwe Reclamecode Voedingsmiddelen. Ook de laatste ontwikkelingen op het gebied van duurzaamheidsclaims komen uitgebreid aan bod. Daarnaast bespreken we de rol van influencers: wat is toegestaan, waar liggen de grenzen en welke verantwoordelijkheid rust daarbij op de adverteerder? Denk hierbij aan juice-channels of andere overeenkomsten.

Tot slot zoomen we in op het Europese kader. We behandelen nieuwe en aankomende regelgeving zoals de Empowering Consumers Directive en de Digital Fairness Act, de ontwikkelingen rond groene claims op Europees niveau en de transparantievereisten uit de AI Act voor het gebruik van generatieve AI in reclame. Uiteraard wordt dit aangevuld met de relevante rechtspraak van het Hof van Justitie.

Kortom, een praktische en actuele update van het reclamerecht. We verwelkomen u graag. 

IEF 23570

Article written by Thomas Fröhlich, CMS

Advertising for the 2026 and 2027 World Cups – Getting ready for the big event

It's now just a few months until June, when the 2026 Men's World Cup will be held across three countries for the first time: the USA, Canada and Mexico. The Women's World Cup will follow next year in Brazil. For official tournament sponsors and FIFA partners, the World Cup is a magnet for publicity. However, such official partnerships are open to only a select few companies. Anyone wishing to capitalise on the hype surrounding the World Cup should carefully check whether their advertising is legally permissible: Trade mark law, competition law and, where applicable, local laws in the host countries, as well as FIFA regulations set limits on how the event is allowed to be referenced in advertising, and violations can quickly prove costly.

The World Cup as a FIFA brand

The World Cup is organised by FIFA (Fédération Internationale de Football Association) and is far more than just a major sporting event – it is a global brand. Unlike the Olympic Games, for which the name and symbol are specially protected in Germany by a separate Act on the Protection of the Olympic Emblem and Olympic Names (OlympSchG), there is no comparable special law for the World Cup. Neither in Europe nor in the host countries.

However, this does not alter the fact that FIFA wishes to secure exclusive rights to the commercial exploitation of the World Cup – from media rights and marketing to licensing and ticketing – to the greatest extent possible, and consistently protects this exclusivity through its own intellectual property rights and contractual arrangements: With an extensive international trade mark portfolio, it protects such things as official tournament names, logos, slogans, graphic elements and product designs against unauthorised use. In doing so, FIFA pursues a brand strategy that is also broad in scope: The protection covers numerous classes of goods and services, from food and drink to financial services, musical instruments and means of transport. This means that FIFA's trade marks are also protected for many goods and services that one might not immediately associate with the World Cup or football.

FIFA has protected numerous signs

FIFA's protected signs for the 2026 and 2027 World Cups include:

- the official logo of the 2026 FIFA World Cup "26"

- the official slogans for the 2026 World Cup: "WE ARE 26", "SOMOS 26" and "NOUS SOMMES 26"

- the mascots for the 2026 World Cup: Clutch the Bald Eagle, Maple the Moose and Zayu the Jaguar

- the official logo of the 2027 FIFA Women's World Cup "BRAZIL 2027"

- the FIFA World Cup trophy

- host city designs

This list is by no means exhaustive. The official logo and the official slogan of the 2027 Women's World Cup, "GO EPIC", are, for example, still being reviewed by the German Patent and Trade Mark Office in Germany. Details of which other symbols and designs FIFA has protected, and the terms of use that apply to them, can be found in the official FIFA guidelines, which have already been published for the 2026 World Cup.

IEF 23567

“Laat je (b)likkuh”: geen strijd met Nederlandse Reclame Code

Overig 16 apr 2026, IEF 23567; 2026/00112 ((klacht tegen Stëlz)), https://ie-forum.nl/artikelen/laat-je-b-likkuh-geen-strijd-met-nederlandse-reclame-code

SRC 16 april 2026, IEF 23567; RB 4012; 2026/00112 (klacht tegen Stëlz). In deze zaak staat een klacht centraal over een billboardposter van Stëlz hard iced tea, waarop een vrouw in carnavalskleding lachend en knipogend een blikje vasthoudt, met daarbij de slogan “laat je (b)likkuh!” en een illustratie van een mond met uitgestoken tong. De poster was geplaatst in de openbare ruimte en voorzien van onder meer de aanduiding “vastelaovend” en het NIX18-logo. Klager stelt dat de slogan een seksueel suggestieve woordspeling vormt op het woord “likken”, die in combinatie met de beeldtaal een expliciete seksuele lading krijgt. Volgens klager leidt dit bovendien tot objectivering van vrouwen, nu de knipogende vrouw onderdeel wordt van deze dubbelzinnige boodschap. Daarbij wordt benadrukt dat de uiting zich in de openbare ruimte bevindt (bushokjes) en daarmee ook zichtbaar is voor minderjarigen. In het licht van de maatschappelijke discussie over seksisme en straatintimidatie acht klager de uiting in strijd met de normen van goede smaak en fatsoen als bedoeld in de Nederlandse Reclame Code. Adverteerder betwist dit en voert aan dat sprake is van een carnavaleske woordspeling waarin het woord “blik” centraal staat, passend binnen een traditie van dubbelzinnige en speelse humor tijdens carnaval. Van een expliciete seksuele boodschap is volgens adverteerder geen sprake. De vrouw wordt neergezet als een zelfverzekerde deelnemer aan een feestelijke setting, zonder dat sprake is van seksuele objectivering of een suggestieve lichaamshouding. Bovendien maakt de uiting deel uit van een bredere campagne waarin zowel mannen als vrouwen voorkomen in een vergelijkbare setting met vergelijkbare humoristische woordspelingen.

IEF 23568

AI en auteursrecht medio 2026: internationale consensus over output, verdeeldheid over input

In aanloop naar het ALAI Congress 2026 in Den Haag zijn achttien nationale rapporten gepubliceerd over auteursrecht en AI. De rapporten zijn afkomstig uit verschillende rechtsstelsels, waaronder diverse EU-lidstaten, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Mexico, Argentinië en Zwitserland. Daarnaast organiseerde deLex afgelopen week een online update over AI en auteursrecht met professor Daniel Gervais, waarin de meest recente internationale ontwikkelingen op dit terrein werden besproken.

De rapporten en online update bieden samen een scherp overzicht van de huidige stand van het internationale debat rond AI en auteursrecht. Daarbij valt een duidelijke tweedeling op. Over de outputzijde van generatieve AI bestaat veel consensus, terwijl de opvattingen over de inputzijde juist uiteenlopen. In dit artikel bespreken we deze ontwikkelingen uitgebreider.

IEF 23566

MUKA/LAMUCCA: nietigverklaring van Uniebeeldmerk wegens verwarringsgevaar voor restaurantdiensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 13 mei 2026, IEF 23566; ECLI:EU:T:2026:341 (Ixo Restauración, SL tegen EUIPO en Promollum 142 B, SL), https://ie-forum.nl/artikelen/muka-lamucca-nietigverklaring-van-uniebeeldmerk-wegens-verwarringsgevaar-voor-restaurantdiensten

Gerecht EU 13 mei 2026, IEF 23566; IEFbe 4223; ECLI:EU:T:2026:341 (Ixo Restauración, SL tegen EUIPO en Promollum 142 B, SL). In dit arrest gaat het om een nietigheidsprocedure tegen het Uniebeeldmerk MUKA, bestaande uit het woordelement “muka” in licht gestileerde zwarte hoofdletters, geregistreerd voor catering-/restaurantdiensten in klasse 43. Promollum 142 B, SL verzocht om nietigverklaring op basis van haar oudere Spaanse woordmerk LAMUCCA, eveneens geregistreerd voor catering-/restaurantdiensten in klasse 43. De nietigheidsgrond was artikel 60 lid 1 onder a UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8 lid 1 onder b en artikel 8 lid 5 UMVo, maar de nietigheidsafdeling en vervolgens de Kamer van Beroep wezen de nietigheid toe op grond van verwarringsgevaar ex artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Ixo Restauración betoogde bij het Gerecht onder meer dat normaal gebruik van het oudere merk niet was bewezen, omdat het bewijs volgens haar vooral betrekking had op voedingsmiddelen of verkoopdiensten en niet op restaurantdiensten. Het Gerecht verwerpt dat betoog. Voor de relevante perioden, 20 september 2018 tot en met 19 september 2023 en, vanwege de vijfjaarstoets op de datum van aanvraag van het jongere merk, 8 april 2017 tot en met 7 april 2022, had Promollum voldoende bewijs overgelegd van daadwerkelijk gebruik van LAMUCCA voor restaurantdiensten in Spanje. Daarbij ging het onder meer om persartikelen, belasting- en btw-aangiften, leveranciersverklaringen, kassabonnen, facturen en stukken waaruit bleek dat restaurants binnen de LAMUCCA-groep onder dat teken diensten aanboden. Dat sommige stukken betrekking hadden op eten of ingrediënten deed daaraan niet af, omdat de kassabonnen wezen op bereide gerechten die ter plaatse werden geconsumeerd, bijvoorbeeld in de zaal of op het terras, en leveranciersfacturen zagen op onder meer bestek, ingrediënten en drank voor restaurants die onder LAMUCCA exploiteerden. Ook gebruik door restaurants zoals “Lamucca Andes”, “Lamucca Carmen” en “Lamucca Fuencarral” kon worden meegewogen, omdat dat gebruik door de merkhouder was toegestaan. Bovendien kan gebruik als handelsnaam of vennootschapsnaam als merkgebruik gelden wanneer de betrokken diensten zelf onder dat teken worden aangeboden, wat hier het geval was.

IEF 23565

OBELIX en wapens: EUIPO beoordeelde de reputatiebescherming te beperkt

Gerecht EU (voorheen GvEA) 13 mei 2026, IEF 23565; ECLI:EU:T:2026:343 (Les Éditions Albert René tegen EUIPO en WERKEN 11 MICHAŁ LUBIŃSKI), https://ie-forum.nl/artikelen/obelix-en-wapens-euipo-beoordeelde-de-reputatiebescherming-te-beperkt

Gerecht EU 13 mei 2026, IEF 23565; IEFbe 4222; ECLI:EU:T:2026:343 (Les Éditions Albert René tegen EUIPO en WERKEN 11 MICHAŁ LUBIŃSKI). In dit arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 13 mei 2026 staat een nietigheidsprocedure centraal over het Uniewoordmerk Obelix, dat door WORKS 11 Michał Lubiński was geregistreerd voor wapens, munitie en aanverwante producten in klasse 13. Les Éditions Albert René, rechthebbende achter de Asterix- en Obelix-franchise, vorderde nietigverklaring op basis van haar oudere Uniewoordmerk OBELIX, geregistreerd voor onder meer waren en diensten in de klassen 9, 16, 25, 28 en 41. De vordering was gebaseerd op artikel 60 lid 1 onder a UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8 lid 1 onder b en artikel 8 lid 5 UMVo. De nietigheidsafdeling wees het verzoek af wegens onvoldoende bewijs van normaal gebruik van het oudere merk. De Kamer van Beroep liet het normaal gebruik vervolgens uit proceseconomische overwegingen in het midden en beoordeelde de zaak alsof normaal gebruik was aangetoond. Zij oordeelde dat geen verwarringsgevaar bestond, omdat de betrokken waren en diensten ongelijksoortig waren, en dat artikel 8 lid 5 UMVo evenmin toepassing vond, omdat de reputatie van het oudere merk niet voldoende was bewezen en het relevante publiek geen verband zou leggen tussen Obelix voor wapens en het oudere merk OBELIX. Het Gerecht verwerpt de motiveringsklacht van Les Éditions Albert René: de beslissing was niet innerlijk tegenstrijdig, omdat de Kamer van Beroep normaal gebruik slechts hypothetisch aannam en vervolgens afzonderlijk de reputatie van het oudere merk beoordeelde. Ook heeft de Kamer van Beroep daarmee niet de geldigheid van het oudere merk ter discussie gesteld en evenmin geoordeeld dat namen van fictieve personages niet als merk kunnen functioneren.

IEF 23564

Auteursrechtinbreuk op productfoto’s van wandpanelen

Rechtbank Midden-Nederland 29 apr 2026, IEF 23564; ECLI:NL:RBMNE:2026:2307 ([eiser] tegen [handelsnaam 2]), https://ie-forum.nl/artikelen/auteursrechtinbreuk-op-productfoto-s-van-wandpanelen

Rb. Midden-Nederland 29 april 2026, IEF 23564; ECLI:NL:RBMNE:2026:2307 ([eiser] tegen [handelsnaam 2]). In dit vonnis van de kantonrechter Midden-Nederland staat het gebruik van productfoto’s en productnamen van wandpanelen op een concurrerende website centraal. [eiser] exploiteert een onderneming in muurbedekking en had door een professionele fotograaf foto’s laten maken van marmerlook-wandpanelen, die hij op zijn eigen website plaatste. [handelsnaam 2], eveneens actief in de verkoop van wandpanelen, gebruikte die foto’s en de bijbehorende productnamen op haar eigen website. De kantonrechter oordeelt dat de vier foto’s waarop de volledige wandpanelen met aankleding te zien zijn auteursrechtelijk beschermde werken zijn, omdat daarin voldoende creatieve keuzes besloten liggen, onder meer in belichting, camerahoek, compositie en enscenering. De vier ingezoomde uitsneden van die foto’s genieten daarentegen geen zelfstandige auteursrechtelijke bescherming, omdat het enkel uitsnijden van een bestaande foto onvoldoende creatieve of artistieke keuzes oplevert. Ook de productnamen, zoals Bianco Carrara Marmerpaneel, Crème Marfil Marmer Wandpaneel, Grigio Carnico Marmerpaneel en Marquina Marmerpaneel, zijn niet auteursrechtelijk beschermd: zij verwijzen vooral beschrijvend naar kleur, marmersoort of groeve en worden ook op vergelijkbare wijze door andere aanbieders gebruikt. Verder is [eiser] niet zelf als maker van de foto’s aan te merken op grond van artikel 6 Auteurswet, omdat niet is gebleken dat hij vrijwel alle creatieve keuzes heeft gemaakt en de fotograaf slechts als uitvoerende “hand” fungeerde. Wel heeft [eiser] de auteursrechten en bijbehorende vorderingsrechten rechtsgeldig verkregen door overdracht bij akte van 13 oktober 2025, zodat hij bevoegd is om ook tegen eerdere inbreuken op te treden.