IEF 23439
3 april 2026
Uitspraak

Afwijzing vorderingen tegen ING tot uitbetaling restsaldo, verwijdering IVR-registratie en inzage in interne stukken; proceskostenveroordeling wegens misbruik van procesrecht

 
IEF 23438
3 april 2026
Uitspraak

Afname van biometrische gegevens van verdachten, motiveringsplicht en strafbaarstelling van weigering onder Richtlijn 2016/680

 
IEF 23444
2 april 2026
Artikel

Overzicht UPC-uitspraken

 
IEF 23431

Eindvonnis na tussentijds hoger beroep over bestuurdersaansprakelijkheid voor onbetaalde Buma- en Sena-vergoedingen bij exploitatie van Fresh FM

Rechtbank Amsterdam 10 dec 2025, IEF 23431; ECLI:NL:RBAMS:2025:11296 (Buma/Sena tegen Scoezh, [gedaagde 2], [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding en de curator [gedaagde 2]), https://ie-forum.nl/artikelen/eindvonnis-na-tussentijds-hoger-beroep-over-bestuurdersaansprakelijkheid-voor-onbetaalde-buma-en-sena-vergoedingen-bij-exploitatie-van-fresh-fm

Rb. Amsterdam 10 december 2025, IEF 23431; ECLI:NL:RBAMS:2025:11296 (Buma/Sena tegen Scoezh, [gedaagde 2], [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding en de curator [gedaagde 2]). Deze zaak betreft een eindvonnis na tussentijds hoger beroep in een procedure van Buma en Sena tegen SCOEZH, haar indirect bestuurder dan wel feitelijk beleidsbepaler [gedaagde 2], diens holding en diens curator. Aanleiding is dat SCOEZH de radiozender Fresh FM exploiteerde en over de jaren 2010 tot en met mei 2016 vergoedingen verschuldigd was aan Buma en Sena wegens uitzending van muziek uit hun repertoire, maar die vergoedingen niet betaalde en evenmin de benodigde opgaven deed over inkomsten en muziekgebruik. Daardoor konden Buma en Sena hun vergoedingen niet volledig berekenen en brachten zij in elk geval minimumvergoedingen en voorschotten in rekening. De procedure tegen SCOEZH zelf is geschorst wegens haar faillissement in 2018 en niet door de curator voortgezet. In een eerder tussenvonnis had de rechtbank al geoordeeld dat [gedaagde 2] persoonlijk een ernstig verwijt kon worden gemaakt, maar het hof heeft in zijn arrest van 14 mei 2024 geoordeeld dat dit oordeel prematuur was zolang de hoogte van de vorderingen op SCOEZH nog niet was vastgesteld. Daarom moet de rechtbank nu eerst bepalen welke vorderingen Buma en Sena nog daadwerkelijk op SCOEZH hebben, en pas daarna beoordelen in hoeverre [gedaagde 2] daarvoor persoonlijk aansprakelijk is. Buma en Sena vorderen onder meer een verbod voor [gedaagde 2] om nog inbreuk te (doen) maken op hun rechten, verificatie van hun vorderingen in het faillissement van [gedaagde 2], erkenning daarvan door de curator en een bevel tot aanvullende opgave conform de modelovereenkomst. De rechtbank wijst het gevorderde inbreukverbod toe, maar wijst de gevorderde opgave af omdat die verplichting op SCOEZH rustte en niet op [gedaagde 2] in persoon. Daarna beoordeelt de rechtbank per post welke bedragen nog als vordering op SCOEZH kunnen gelden. Voor Buma accepteert zij onder meer een deel van de vordering uit het oude vonnis van 26 mei 2010, een deel van de voorschotfacturen voor etheruitzendingen en latere proceskostenveroordelingen, maar niet de aanvullende licentievergoeding van € 55.000, omdat die nooit aan SCOEZH is gefactureerd en dus niet opeisbaar is geworden, en ook niet de gevorderde webcastingvergoeding, omdat onvoldoende is gebleken dat SCOEZH daarvoor contractueel of anderszins aansprakelijk was. Voor Sena accepteert de rechtbank een deel van de facturen voor etheruitzendingen, een belangrijk deel van de facturen voor webcasting op basis van de tussen Sena, SCOEZH en [gedaagde 2] gesloten vaststellingsovereenkomst, en een proceskostenveroordeling uit een eerder kort geding. Zo komt de rechtbank uit op een vordering van € 124.403,61 voor Buma en € 60.124,60 voor Sena op SCOEZH.

IEF 23429

Tussenvonnis over kwalificatie van bijdrage aan filmproductie, naamsvermelding en billijke vergoeding; rechtbank overweegt deskundigenbericht

Rechtbank Amsterdam 21 jan 2026, IEF 23429; ECLI:NL:RBAMS:2026:1669 ([eiser] tegen [gedaagde 1] c.s.), https://ie-forum.nl/artikelen/tussenvonnis-over-kwalificatie-van-bijdrage-aan-filmproductie-naamsvermelding-en-billijke-vergoeding-rechtbank-overweegt-deskundigenbericht

Rb. Amsterdam 21 januari 2026, IEF 23429; ECLI:NL:RBAMS:2026:1669 ([eiser] tegen [gedaagde 1] c.s.). In dit tussenvonnis staat een geschil centraal over de bijdrage van eiser aan de totstandkoming van een film van gedaagden en de vraag hoe die bijdrage juridisch moet worden gekwalificeerd. Partijen hebben in februari 2023 een medewerkersverklaring ondertekend waarin eiser voor 25 draaidagen als regieassistent wordt aangesteld tegen een vergoeding van € 1.600 exclusief btw, maar eiser stelt dat zijn feitelijke werkzaamheden verder gingen en dat hij als coregisseur moet worden aangemerkt. Hij vordert daarom onder meer een verklaring voor recht dat hij als coregisseur moet worden vermeld, aanpassing van de credits in intro, aftiteling en IMDb, een billijke vergoeding op grond van art. 25c jo. 45d Aw, een aanvullende billijke vergoeding op grond van art. 25d jo. 45d lid 7 Aw, en exploitatie-informatie op grond van art. 25ca Aw. Gedaagden erkennen dat eiser creatieve inbreng heeft geleverd en dus maker is in de zin van de Auteurswet, en ook dat hij recht heeft op een billijke vergoeding, maar betwisten dat hij als coregisseur heeft gefungeerd. De rechtbank stelt vast dat de oorspronkelijke afspraak inderdaad uitgaat van de functie van regieassistent, maar dat niet is uitgesloten dat de samenwerking tijdens de productie anders is gaan lopen. Dat betekent echter nog niet dat eiser juridisch als coregisseur moet worden aangemerkt. De rechtbank merkt bovendien op dat de vorderingen tegen [gedaagde 1] in privé uiteindelijk in ieder geval zullen worden afgewezen, omdat onvoldoende is weersproken dat diens onderneming in de BV is ingebracht.

IEF 23430

Kort geding bij verstek over YouTube-video’s: verwijdering, rectificatie, verbod op diffamerende uitlatingen en staking van portret- en auteursrechtinbreuk

Rechtbank Amsterdam 23 feb 2026, IEF 23430; ECLI:NL:RBAMS:2026:3000 (ONLINE TRADING CAMPUS LLC en [eiser] tegen [gedaagde]), https://ie-forum.nl/artikelen/kort-geding-bij-verstek-over-youtube-video-s-verwijdering-rectificatie-verbod-op-diffamerende-uitlatingen-en-staking-van-portret-en-auteursrechtinbreuk

Rb. Amsterdam 23 februari 2026, IEF 23430; IT 5172; ECLI:NL:RBAMS:2026:3000 (ONLINE TRADING CAMPUS LLC en [eiser] tegen [gedaagde]). In dit kort geding bij verstek staan Online Trading Campus LLC en [eiser] tegenover [gedaagde] naar aanleiding van op YouTube geplaatste video’s en andere uitlatingen over eisers. Gedaagde verschijnt niet op de mondelinge behandeling van 17 februari 2026, waarna de voorzieningenrechter vaststelt dat de formaliteiten zijn nageleefd en verstek verleent. De rechtbank overweegt vervolgens dat de vorderingen van eisers grotendeels niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen en wijst deze daarom in hoofdzaak toe, zij het met aanpassing van enkele termijnen, beperking van de dwangsom en aanpassing van de tekst van de gevorderde rectificatie, juist omdat het om een verstekvonnis gaat. De voorzieningenrechter beveelt gedaagde om binnen 48 uur na betekening de drie in de dagvaarding genoemde video’s van internet en meer in het bijzonder van het YouTube-kanaal [naam kanaal] te verwijderen en verwijderd te houden. Daarnaast moet gedaagde binnen diezelfde termijn de inbreuk op de portretrechten van eiser sub 2 staken en gestaakt houden door diens portret niet langer openbaar te maken in de video’s en bijbehorende thumbnails. Ook moet hij binnen 48 uur de inbreuk op de auteursrechten van eisers staken en gestaakt houden door de in de dagvaarding omschreven beelden niet langer openbaar te maken of te verveelvoudigen. Verder verbiedt de voorzieningenrechter gedaagde om binnen 48 uur na betekening, online en offline, al dan niet met inschakeling van derden, nog langer onrechtmatige en diffamerende uitlatingen over eisers te doen.

IEF 23422

Uitspraak ingezonden door Merel Teunissen, Liaise Advocaten.

Uitingen fan over relatie met zanger niet onrechtmatig bevonden

Rechtbank Amsterdam 27 mrt 2026, IEF 23422; C/13/783721 / KG ZA 26-127 MdV/EvK (Lewis tegen Van Ooijen), https://ie-forum.nl/artikelen/uitingen-fan-over-relatie-met-zanger-niet-onrechtmatig-bevonden

Rb Amsterdam 27 maart 2026, IEF 23422, IT 5168; C/13/783721 / KG ZA 26-127 MdV/EvK (eiser tegen gedaagde). De zaak betreft een Australische singer-songwriter (eiser) en een Nederlandse fan/therapeut (gedaagde) die circa 2,5 jaar een affectieve/seksuele relatie hebben gehad nadat eiser haar via Instagram benaderde en zij elkaar in Amsterdam ontmoetten. In het najaar van 2025 is die relatie geëindigd, waarna op sociale media en in de fan-omgeving (Discord) beschuldigingen tegen eiser over grensoverschrijdend gedrag en machtsmisbruik rond jonge vrouwelijke fans naar buiten kwamen. Eiser reageerde daarop met een publieke Instagrampost met excuses. Gedaagde heeft vervolgens op TikTok, Instagram en YouTube berichten geplaatst waarin zij spreekt over een “abusive relationship”, therapie/coaching rond narcissistic abuse en persoonlijk haar ervaringen deelt, maar zij noemt eiser daarin niet bij naam. Eiser stelt dat haar posts, één-op-één Instagram-DM’s en spraakberichten feitelijk neerkomen op beschuldigingen van verkrachting, (seksuele en psychische) mishandeling van vrouwen, seksueel grensoverschrijdend gedrag en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, en dat zij bovendien niet-uitgebrachte nummers van hem (zoals ‘Butterfly’) online heeft laten verschijnen. Hij vordert in kort geding een breed verbod op dergelijke uitlatingen (zowel openbaar als in privé- of groepsberichten), verwijdering van alle berichten over hem of in elk geval de berichten met genoemde beschuldigingen, een contactverbod ten opzichte van hem, zijn relaties en (toekomstige) partners, rectificaties op haar socialemediakanalen, staking van iedere auteursrechtinbreuk en oplegging van dwangsommen, plus veroordeling van gedaagde in de proceskosten. Gedaagde voert aan dat zij uitsluitend haar eigen ervaringen en beleving van de relatie deelt binnen haar vrijheid van meningsuiting, dat de term “abusive” breder is dan alleen strafbare mishandeling, dat de DM’s privé waren en door derden zijn gelekt, dat eiser nergens met naam wordt genoemd en dat zij geen muziek van hem online heeft gezet.

IEF 23428

Eerste inzageverzoek kan buitensporig zijn, maar schending van het inzagerecht kan wél tot AVG-schadevergoeding leiden

HvJ EU 19 mrt 2026, IEF 23428; ECLI:EU:C:2026:216 (Brillen Rottler GmbH & Co. KG tegen TC), https://ie-forum.nl/artikelen/eerste-inzageverzoek-kan-buitensporig-zijn-maar-schending-van-het-inzagerecht-kan-wel-tot-avg-schadevergoeding-leiden

HvJ EU 19 maart 2026, IEF 23428; IEFbe 4172; ECLI:EU:C:2026:216 (Brillen Rottler GmbH & Co. KG tegen TC). In C-526/24 verduidelijkt het Hof de verhouding tussen art. 12 lid 5, art. 15 lid 1 en art. 82 lid 1 AVG. Aanleiding is een geschil tussen een Duits opticiensbedrijf en een particulier die zich eerst aanmeldt voor de nieuwsbrief van dat bedrijf, daarbij persoonsgegevens verstrekt, en dertien dagen later een inzageverzoek op grond van art. 15 AVG indient. Nadat het bedrijf dat verzoek afwijst met een beroep op art. 12 lid 5 AVG en stelt dat sprake is van misbruik van recht, vordert de betrokkene bovendien € 1.000 schadevergoeding op grond van art. 82 AVG. Volgens het bedrijf blijkt uit openbaar toegankelijke bronnen dat deze betrokkene stelselmatig volgens een vast patroon handelt: hij verstrekt persoonsgegevens, dient daarna een inzageverzoek in en probeert vervolgens schadevergoeding te verkrijgen wegens een vermeende AVG-schending. De verwijzende rechter vraagt het Hof daarom onder meer of ook een eerste inzageverzoek al als “buitensporig” kan gelden, of schending van het inzagerecht zelfstandig tot schadevergoeding kan leiden, en of verlies van controle of onzekerheid over persoonsgegevens als immateriële schade kan worden aangemerkt.

IEF 23426

Het nieuwe AI-Forum tijdschrift is verschenen (auteursrecht, aansprakelijkheid, cybersecurity & meer)

Wat is de stand van zaken op het gebied van AI en auteursrecht? Hoe zit dat met aansprakelijkheid en cybersecurity? Wat is de wisselwerking tussen de AVG en de AI-verordening in de praktijk? En last but not least: zijn we te afhankelijk geworden van Big Tech?

In het nieuwe AI-Forum tijdschrift (2026-1) brengen wij deze actuele thema’s samen.

Met dank aan de bijdragen van:

Daniel Gervais (Vanderbilt University);
Roeland de Bruin (Kienhuis Legal);
Julie Petersen (Artes Law);
Thijs Kelder en Wouter Seinen (Pinsent Masons) ;
Fulco Blokhuis (Boekx);
Menno Weij (The Data Lawyers).

Nog geen abonnee? Het volledige tijdschrift is vrij toegankelijk via ons proefabonnement.

IEF 23425

Oud jaartal in luxemerk kan misleidend zijn wanneer het ten onrechte eeuwenoud vakmanschap en prestige suggereert

HvJ EU 26 mrt 2026, IEF 23425; ECLI:EU:C:2026:250 (Fauré Le Page Maroquinier SAS en Fauré Le Page Paris SAS tegen Goyard ST-Honoré SAS), https://ie-forum.nl/artikelen/oud-jaartal-in-luxemerk-kan-misleidend-zijn-wanneer-het-ten-onrechte-eeuwenoud-vakmanschap-en-prestige-suggereert

HvJ EU 26 maart 2026, IEF 23425; IEFbe 4169; ECLI:EU:C:2026:250 (Fauré Le Page Maroquinier SAS en Fauré Le Page Paris SAS tegen Goyard ST-Honoré SAS). Het Hof verduidelijkt de reikwijdte van art. 3, lid 1, onder g, Richtlijn 2008/95, dat ziet op merken die het publiek kunnen misleiden. Het hoofdgeding betreft twee Franse merken met de aanduiding “Fauré Le Page Paris 1717”, ingeschreven in 2011 voor onder meer lederwaren, reistassen, koffers en handtassen. De achtergrond is dat de historische onderneming Maison Fauré Le Page, sinds 1716 actief in Parijs op het gebied van wapens, munitie en lederen accessoires, in 1992 wordt ontbonden, terwijl Fauré Le Page Paris pas in 2009 wordt opgericht en kort daarna het oudere Franse merk “Fauré Le Page” overneemt. Goyard ST-Honoré, actief in de luxe lederwaren- en reisartikelensector, vordert nietigverklaring van de merken wegens hun vermeend misleidende karakter. De cour d’appel de Paris oordeelt na terugverwijzing dat de bestanddelen “Parijs 1717” bij het relevante publiek de indruk kunnen wekken dat sprake is van een sinds 1717 voortgezette onderneming en van overgedragen eeuwenoud vakmanschap, terwijl daarvan feitelijk geen sprake is. Volgens die rechter is dat van belang omdat consumenten van luxe lederwaren bijzonder veel gewicht hechten aan geschiedenis, traditie en erfgoed, en daaruit kwaliteit en prestige van de waar afleiden. In cassatie voeren de vennootschappen Fauré Le Page aan dat een merk alleen misleidend kan zijn wanneer het onjuiste informatie geeft over de kenmerken van de waren of diensten zelf, en niet wanneer het slechts betrekking heeft op kenmerken van de merkhouder. De verwijzende rechter vraagt daarom of een merk dat een getal bevat dat door het relevante publiek wordt opgevat als een verwijzing naar het oprichtingsjaar van de onderneming, en dat daardoor de suggestie wekt van eeuwenoud vakmanschap dat de waar een kwaliteitsgarantie en een prestigieus imago verleent, onder art. 3, lid 1, onder g, kan vallen.

IEF 23423

Samenwerkingsovereenkomst: geen verjaring, maar ontbreken van ingebrekestelling en verzuim leidt tot afwijzing van de wanprestatievorderingen

Rechtbank Rotterdam 4 mrt 2026, IEF 23423; ECLI:NL:RBROT:2026:2297 ([naam] tegen FTG), https://ie-forum.nl/artikelen/samenwerkingsovereenkomst-geen-verjaring-maar-ontbreken-van-ingebrekestelling-en-verzuim-leidt-tot-afwijzing-van-de-wanprestatievorderingen

Rb. Rotterdam 4 maart 2026, IEF 23423; ECLI:NL:RBROT:2026:2297 ([naam] tegen FTG). De rechtbank wijst de vorderingen van [naam] B.V. tegen [naam 2] Group B.V. (FTG) af in een geschil over een samenwerkingsovereenkomst betreffende een concept voor duurzame verpakkingen voor bloemen en planten. Partijen waren overeengekomen dat een door FTG aan te wijzen groepsvennootschap per 1 november 2018 het merk, de domeinnaam, de website en de voorraad van [naam] zou overnemen, tegen betaling van een eenmalige vergoeding van € 15.000 exclusief btw en daarnaast gedurende drie jaar een procentuele vergoeding over door de FTG-groep gerealiseerde en betaalde omzet. FTG wees Zyon Group B.V. aan voor de uitvoering van de samenwerking, terwijl [naam 3], bestuurder en aandeelhouder van [naam], binnen de FTG-groep in dienst trad. [naam] stelde dat FTG was tekortgeschoten doordat zij onvoldoende verkoopondersteuning had geboden en de verwachte omzet niet had gerealiseerd. De rechtbank verwerpt eerst de formele verweren van FTG. FTG is zelf partij gebleven bij de overeenkomst, zodat [naam] haar terecht heeft gedagvaard; van contractsoverneming in de zin van art. 6:159 BW is geen sprake. Ook het beroep op verjaring faalt, omdat de e-mail van 14 december 2020 een geldige stuitingsmededeling in de zin van art. 3:317 lid 1 BW bevat: voor FTG was voldoende duidelijk dat [naam] haar aanspraken handhaafde en een procedure in het vooruitzicht stelde.

IEF 23424

Technisch noodzakelijke serverkopieën bij platforms zijn reproducties, maar vergen binnen art. 17 DSM-richtlijn geen afzonderlijke toestemming

HvJ EU 26 mrt 2026, IEF 23424; ECLI:EU:C:2026:270 (ustro-Mechana en AKM tegen Aufsichtsbehörde für Verwertungsgesellschaften), https://ie-forum.nl/artikelen/technisch-noodzakelijke-serverkopieen-bij-platforms-zijn-reproducties-maar-vergen-binnen-art-17-dsm-richtlijn-geen-afzonderlijke-toestemming

Conclusie A-G 26 maart 2026, IEF 23424; IEFbe 4168; ECLI:EU:C:2026:270 (Austro-Mechana en AKM tegen Aufsichtsbehörde für Verwertungsgesellschaften). De conclusie van A-G Emiliou in zaak C-579/24 betreft de verhouding tussen art. 2 en 3 Infosoc-richtlijn en art. 17 DSM-richtlijn in de context van online content-sharing service providers zoals YouTube, SoundCloud en Pinterest. Aanleiding is een Oostenrijks geschil tussen de collectieve beheersorganisaties Austro-Mechana en AKM en de Oostenrijkse toezichthouder voor beheersorganisaties. Austro-Mechana beheert onder meer reproductierechten, terwijl AKM onder meer rechten van mededeling en beschikbaarstelling aan het publiek beheert. De prejudiciële vragen draaien om de vraag of de digitale kopieën van beschermde content die automatisch op de servers van zulke platforms worden gemaakt wanneer gebruikers content uploaden, reproducties zijn in de zin van art. 2 Infosoc-richtlijn, en of daarvoor naast de onder art. 17 lid 1 DSM-richtlijn vereiste toestemming voor mededeling of beschikbaarstelling aan het publiek nog een aparte toestemming nodig is. De A-G beantwoordt eerst bevestigend dat zulke technisch noodzakelijke serverkopieën inderdaad onder het reproductierecht vallen. Art. 2 Infosoc-richtlijn is ruim geformuleerd en omvat directe of indirecte, tijdelijke of permanente reproducties, met elk middel en in elke vorm; ook opslag op servers valt daaronder. Volgens de A-G kan evenmin een beroep worden gedaan op de uitzondering van art. 5 lid 1 Infosoc-richtlijn voor tijdelijke, incidentele en technisch noodzakelijke reproducties, omdat de betrokken serverkopieën niet louter vluchtig of tijdelijk zijn, maar potentieel langdurig op de servers blijven opgeslagen. Daarmee bevestigt hij dat het uploaden van content naar zulke platforms niet alleen een handeling van mededeling of beschikbaarstelling aan het publiek onder art. 3 Infosoc-richtlijn oplevert, maar daarnaast ook een zelfstandige handeling van reproductie onder art. 2 Infosoc-richtlijn.

IEF 23413

Merken,- modellen- en auteursrecht op 22 april 2026 met vroegboekkorting

Op woensdag 22 april 2026 organiseren we de voorjaarseditie van actualiteiten merken- modellen- en auteursrecht.  Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op het gebied van productvormgeving, auteursrecht en merkenrecht, met Selmer Bergsma (De Brauw Blackstone Westbroek), Jesse Hofhuis (HOFHUIS) en Joris van Manen (HOYNG ROKH MONEGIER). In slechts drie uur tijd, tijdens de lunch, heeft u weer het complete overzicht.