Disosa toont niet aan dat zij op eigen naam mag procederen over Louis Vuitton-merken
Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 14 juli 2026, IEF 23689; ECLI:NL:OGEAM:2026:90 (Disosa tegen Vegas). Corlac Games exploiteert onder de naam Vegas een casino op Sint Maarten. In het casino waren op muren en wanddecoraties tekens aangebracht die gelijk waren aan verschillende op Sint Maarten geregistreerde beeldmerken en woord-beeldmerken van Louis Vuitton. Ook droeg het personeel bedrijfskleding waarop Louis Vuitton-tekens zichtbaar waren. Louis Vuitton had voor dit gebruik geen toestemming verleend. Disosa stelde dat sprake was van merkinbreuk en vorderde in kort geding onder meer staking van het gebruik, verwijdering of vernietiging van de betrokken materialen, plaatsing van een rectificatie, verstrekking van informatie over de herkomst van de wanddecoratie en oplegging van dwangsommen. Het Gerecht nam een spoedeisend belang aan, omdat de vorderingen waren gericht op het beëindigen van een gestelde merkinbreuk waaruit schade kon voortvloeien.
SAVE THE DATE: Jong IE-borrel op donderdag 15 oktober
Ha mede Jong IE’ers,
Het is weer tijd voor een borrel zónder juridische opschepperij cq. fijnslijperij! Zet donderdag 15 oktober dus alvast groot in de agenda.
Heb je nieuwe kantoorgenoten die ook toe zijn aan een gezellige borrel met jonge vakgenoten? Stuur deze save the date gerust door. Willen zij voortaan zelf onze uitnodigingen ontvangen? Stuur dan een mail met naam en kantoor naar Ploon Meijer (ploon.meijer@hoogenhaak.nl).
Meer informatie volgt binnenkort.
Wij hebben er in ieder geval al veel zin in. Tot snel!
Yiyi Song
Bram Bogaerts
Nathalie Rodriguez
Luna Snellenberg
Uitspraak ingezonden door Bas Peper & Thera Adam-van Straaten, Eversheds Sutherland.
Voormalig Roadlok-distributeur moet Benelux-merk overdragen en merkgebruik in Nederland staken; rechtbank onbevoegd voor EU-brede maatregelen
Rb. Midden-Nederland 14 juli 2026, IEF 23694; C/16/612212 / KL ZA 26-150 (New Hampton Technologies c.s. (ROADLOK) tegen Quality Works c.s.). New Hampton houdt zich sinds 2005 bezig met de ontwikkeling, productie en verkoop van het Roadlok-motorslot, een ART4-gecertificeerd remklauwslot. Quality Works treedt vanaf 2019 op als distributeur binnen de EU. Gedurende de samenwerking registreert Quality Works het woordmerk ROADLOK als Benelux-merk, verricht zij internationale merkregistraties voor de EU, het VK en de VS en registreert zij daarnaast 33 domeinnamen met ‘Roadlok’ of ‘Roadlock’ op eigen naam. Volgens New Hampton vinden deze registraties zonder haar voorafgaande toestemming plaats en raakt zij daarvan pas na de inschrijvingen op de hoogte. Quality Works betwist dit en stelt dat de merkregistraties in overleg met New Hampton zijn verricht. Na beëindiging van de samenwerking in 2025 brengt Quality Works een eigen concurrerend motorslot op de markt onder de naam Lock Works Guardian. Via de Roadlok-domeinnamen en mailings aan retailers wekt zij de indruk dat het Roadlok-slot niet meer beschikbaar is in Europa en dat het Lock Works-slot daarvoor in de plaats komt.
Artikel geschreven door Dirk Visser.
Alle buitenlanders beschermd door de Nederlandse Auteurswet
De Nederlandse Auteurswet beschermt alle binnenlandse én alle buitenlandse ‘makers van werken van letterkunde, wetenschap of kunst, ongeacht de nationaliteit of de gewone verblijfplaats van de maker’. Dat blijkt binnenkort ook duidelijk uit artikel 47 Auteurswet, zodra dat is aangepast zoals wordt voorgesteld in een wetsvoorstel dat sinds 14 juli 2026 bij de Raad van State ligt.
Het voorstel voor een ‘Wet collectief rechtenbeheer en toezicht’ dient vooral ter vervanging van de huidige ‘Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten’ uit 2003, maar bevat ook een zeer wenselijk verduidelijking van de Auteurswet. Wie nu in de Auteurswet kijkt vindt in het huidige artikel 47 een ingewikkelde bepaling met allerlei voorwaarden die helemaal niet in overeenstemming is met het geldende recht. Discriminatie op grond van nationaliteit mocht binnen de EU al heel lang niet en sinds het Kwantum/Vitra arrest uit 2024 mag discriminatie van buitenlandse auteurs helemaal niet meer. Binnenkort blijkt dat dus ook duidelijk uit de wet.
Wel zijn er twee uitzonderingen:
- Het zogenaamde ‘volgrecht’, het recht op een heffing bij verkoop van originele kunstwerken’, geld alleen voor EU-onderdanen en onderdanen van ander landen die zelf ook een volgrecht kennen. Dat blijkt uit artikel 43g Auteurswet.
- Daarnaast blijft er sprake van ‘termijn-vergelijking’ van artikel 42 Auteurswet: buitenlandse auteurs zijn in Nederland niet meer beschermd als het auteursrecht in hun eigen land is verlopen.
Het is voor studenten en rechtszoekenden zeer wenselijk dat het geldende recht op dit punt gewoon duidelijk uit de wet blijkt en niet op basis van rechtspraak en literatuur bij elkaar gepuzzeld hoeft te worden. Het voorstel is in overeenstemming met het advies van de Commissie auteursrecht van 23 juni 2026.
Artikel 32 Wet op de Naburige Rechten dat ook absoluut geen weergave van het geldend recht over de toepasselijkheid op buitenlandse artiesten en producenten bevat wordt (nog) niet aangepast. De reden daarvoor is dat dat veel ingewikkelder is én dat er mogelijk op EU-niveau een zogenaamde ‘RAAP-fix’ aan zit te komen, waardoor de gevolgen van het RAAP-arrest mogelijk zullen worden terug gedraaid en het weer anders wordt dan het nu is.
Geen verplichting tot vervolgopdrachten en geen opschortingsrecht wegens gevreesde auteursrechtinbreuk
Rb. Amsterdam 29 januari 2018, IEF 23695; ECLI:NL:RBAMS:2018:409 (Agendum tegen Dutchlabel). Agendum gaf reclamebureau Dutchlabel opdracht een communicatieconcept te ontwikkelen, dat Dutchlabel presenteerde met een daarbij ontworpen logo en huisstijl. Vervolgens sloten partijen een afzonderlijke overeenkomst voor het maken van drie foto’s en het gebruik daarvan gedurende één jaar. Nadat Agendum had meegedeeld geen verdere uitwerkingen door Dutchlabel te willen laten verzorgen, weigerde Dutchlabel de reeds betaalde foto’s te leveren. Zij stelde dat Agendum verplicht was vervolgopdrachten te verstrekken of het gestelde auteursrecht op het communicatieconcept af te kopen en dat zij de levering mocht opschorten uit vrees dat Agendum het concept door een andere vormgever zou laten uitwerken. De kantonrechter verwerpt dit verweer. Gesteld noch gebleken was dat partijen bij de opdracht tot conceptontwikkeling vervolgopdrachten waren overeengekomen. Ook indien op het concept auteursrecht rustte, volgde daaruit niet dat Dutchlabel zonder uitdrukkelijke afspraak vervolgopdrachten of afkoop van dat auteursrecht kon afdwingen. Als professioneel reclamebureau had Dutchlabel Agendum bij het aangaan van de overeenkomst duidelijk moeten informeren over de door haar gestelde auteursrechtelijke beperkingen. Omdat zij dat onvoldoende had gedaan, mocht zij er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat Agendum zich ook tot vervolgopdrachten had verbonden.
Gerecht bevestigt verwarringsgevaar tussen beeldmerk go VEGE en woordmerk végé’
Gerecht 15 juli 2026, IEF 23693; IEFbe 4262; ECLI:EU:T:2026:469 (Desimo, Lda. tegen EUIPO en Topas GmbH). Het Gerecht verwerpt het beroep van Desimo tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO, waarbij de inschrijving van het beeldmerk go VEGE gedeeltelijk is geweigerd wegens verwarringsgevaar met het oudere Uniewoordmerk végé’ van Topas. De betrokken waren en diensten bestaan onder meer uit vegetarische en plantaardige voedingsmiddelen in de klassen 29 en 30 en detailhandelsdiensten voor voedingsmiddelen in klasse 35. Desimo betwistte niet dat het relevante publiek bestaat uit het algemene en professionele publiek in de Europese Unie, met een laag tot gemiddeld aandachtsniveau, dat de betrokken waren en diensten deels identiek en deels, ten minste in geringe mate, soortgelijk zijn en dat het oudere merk een zwak onderscheidend vermogen heeft. Volgens het Gerecht mocht de kamer van beroep oordelen dat het woordelement ‘VEGE’ het dominante bestanddeel van het aangevraagde merk vormt. Dit element trekt door zijn centrale positie en omvang in de eerste plaats de aandacht van de consument. Het kleinere woord ‘go’ heeft voor het Engelstalige publiek een zwak onderscheidend karakter, omdat het kan worden opgevat als een aansporing om een vegetarische levensstijl aan te nemen. De groene cirkel en de tak met bladeren zijn hoofdzakelijk decoratief en verwijzen in de context van de betrokken waren en diensten naar een ecologisch of milieuvriendelijk karakter. Een element met een zwak onderscheidend vermogen kan niettemin dominant zijn wanneer het door zijn positie of omvang de totaalindruk van het merk bepaalt.
Gerecht bevestigt gedeeltelijke weigering van het teken OPENAI wegens beschrijvend karakter
Gerecht EU 15 juli 2026, IEF 23692; IEFbe 4261; ECLI:EU:T:2026:472 (OpenAI tegen EUIPO). Het Gerecht verwerpt het beroep van OpenAI, Inc. tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO om het woordteken OPENAI niet in te schrijven voor bepaalde waren en diensten in de klassen 9, 42 en 45. Het relevante publiek bestaat uit het Engelstalige algemene en professionele publiek in de Europese Unie, met een aandachtsniveau dat varieert van gemiddeld tot hoog. Volgens het Gerecht zal dit publiek het teken gemakkelijk herkennen als een combinatie van ‘open’ en ‘AI’, waarbij ‘AI’ algemeen wordt begrepen als de afkorting van artificial intelligence en ‘open’ in de technologische context onder meer kan verwijzen naar toegankelijke, onbeperkte, transparante of vrij beschikbare kunstmatige intelligentie. Voor toepassing van artikel 7 lid 1 onder c UMVo is voldoende dat ten minste één mogelijke betekenis van een teken een kenmerk van de betrokken waren of diensten beschrijft. De combinatie OPENAI volgt bovendien de gewone Engelse grammaticale structuur en creëert geen indruk die voldoende afwijkt van de som van haar bestanddelen. Dat de woorden zonder spatie zijn samengevoegd en dat de combinatie niet als vaste uitdrukking in een woordenboek voorkomt, neemt het beschrijvende karakter daarom niet weg.
Processtelling van MSD is geen afdwingbare toezegging om marktintroductie van Keytruda SC uit te stellen
Rb. Den Haag 3 juli 2026, IEF 23691; ECLI:NL:RBDHA:2026:18266 (Halozyme tegen MSD). Halozyme is houdster van Europees octrooi EP 2 792 622 B1 voor gemodificeerde PH20-hyaluronidasepolypeptiden en voert met MSD een VRO-procedure over de vraag of Keytruda SC, een subcutane formulering van het kankergeneesmiddel Keytruda met het enzym ALT-B4, inbreuk maakt op dat octrooi. In haar conclusie van antwoord in reconventie had MSD onder meer betoogd dat geen concrete dreiging bestond dat zij Keytruda SC buiten Nederland op de Europese markt zou brengen. Nadat Zweedse en Deense vennootschappen van de MSD-groep Keytruda SC met gebruikmaking van de centrale Europese marktvergunning van MSD in de betreffende geneesmiddelen- en prijzendatabases hadden laten opnemen en op de markt hadden gebracht, vorderde Halozyme in kort geding verwijdering van die vermeldingen en een tijdelijk verbod op het vervaardigen, aanbieden en verhandelen van Keytruda SC in verschillende Europese landen gedurende de VRO-procedure. Volgens Halozyme had MSD met haar processtelling toegezegd, althans de gerechtvaardigde schijn gewekt, dat de MSD-groep de marktintroductie zou uitstellen. De voorzieningenrechter acht zich op grond van artikel 4 Brussel I-bis internationaal bevoegd en neemt een spoedeisend belang aan vanwege het gestelde risico op verlies van marktaandeel zolang Keytruda SC in Denemarken en Zweden beschikbaar is.
Concurrent moet gebruik van sterk overeenstemmende handelsnaam voor elektrische tweewielers staken
Rb. Den Haag 19 juni 2026, IEF 23690; ECLI:NL:RBDHA:2026:17794 ([eiser] tegen [gedaagde]). Een ondernemer die elektrische fietsen, scooters en steppen verkoopt, vorderde in kort geding dat een later opgerichte concurrent het gebruik van een sterk overeenstemmende handelsnaam en domeinnaam zou staken. De concurrent voerde aan dat niet zij, maar een zustervennootschap de onderneming onder de bestreden naam dreef. De voorzieningenrechter verwerpt dit verweer. De domeinnaam stond geregistreerd op naam van de gedaagde en via de bijbehorende website werden onder de bestreden naam fatbikes aangeboden. Mede gelet op de groepsstructuur, de gemeenschappelijke indirect bestuurder en een wijziging van de domeinnaamregistratie kort na de oprichting van de gedaagde, acht de voorzieningenrechter voorshands voldoende aannemelijk dat zij onder die naam aan het handelsverkeer deelnam. Ook acht hij voldoende aannemelijk dat de eiser zijn handelsnaam al vóór de start van de concurrerende onderneming voerde. De oudere handelsnaam is volgens de voorzieningenrechter niet zuiver beschrijvend, omdat uit de naam niet direct of indirect blijkt welke producten of diensten worden aangeboden, en heeft daarom onderscheidend vermogen.
Hof Arnhem-Leeuwarden: plaatsing van volledige krantenartikelen in eigen systeem is auteursrechtinbreuk; schade in dit geval begroot op gemiste advertentie-inkomsten
Hof Arnhem-Leeuwarden 11 juli 2017, IEF 23688; ECLI:NL:GHARL:2017:5916 ([appellant] tegen Cozzmoss). Een onderneming nam volledige pdf-bestanden van zeven artikelen uit Trouw en de Volkskrant op in haar eigen digitale informatiesysteem en plaatste in haar eigen opiniestukken hyperlinks naar die bestanden. Het hof oordeelt dat zij de artikelen daarmee zonder toestemming heeft verveelvoudigd en openbaar gemaakt. Dat de artikelen ook op de websites van de dagbladen beschikbaar waren, maakt dit niet anders. Anders dan in Svensson werd niet gelinkt naar de door de rechthebbenden zelf gepubliceerde artikelen, maar naar eigen verveelvoudigingen, waardoor volgens het hof een nieuw publiek werd bereikt. De betwisting dat de auteursrechten bij Trouw en de Volkskrant berustten, was pas bij pleidooi aangevoerd en daarom op grond van de tweeconclusieregel te laat. Voor één artikel was evenmin impliciete toestemming verkregen. Ook het beroep op artikel 15a Aw faalt. Hoewel het integraal citeren van een werk niet principieel is uitgesloten, was de volledige opname van de artikelen hier niet proportioneel en niet functioneel noodzakelijk. Een relevant gedeelte of een samenvatting had kunnen volstaan en de gekozen wijze van publicatie deed afbreuk aan de normale exploitatie van de artikelen, waaronder het genereren van advertentie-inkomsten op de websites van de kranten. De handhaving van het auteursrecht hoefde evenmin te wijken voor artikel 10 EVRM, omdat andere manieren beschikbaar waren om de inhoud onder de aandacht te brengen en de gevorderde maatregel niet disproportioneel was.