In ov. 5.18 concludeert de A-G na een uitgebreide beschouwing:
“Van de juistheid van het in nr. 5.12 weergegeven standpunt van de Benelux-regeringen in hun Gemeenschappelijk Commentaar bij de BTMW 2003 [te weten dat de kinderkapperstoel-leer de facto overeind blijft, red.], en daarmee van een Europeesrechtelijke ‘acte clair’ in die zin, kan m.i. niet worden uitgegaan. Daarvoor is enerzijds dat Gemeenschappelijk Commentaar te apodictisch, en anderzijds de literatuur in andere zin, of in twijfelende zin, voldoende serieus.
Omgekeerd kan een volgens de opvattingen van sommige auteurs aperte onjuistheid van het standpunt van de Benelux-regeringen in hun Gemeenschappelijk Commentaar bij de BTMW 2003, evenmin als een ‘acte clair’ gelden. Ik herinner daartoe aan de beschouwingen van Massa, Vanderbeeken en Strowel, en van Quaedvlieg. De Europese waarheid zou wel eens in het midden kunnen liggen”.
Vervolgens concludeert de A-G (in ov. 5.19) “dat het onderwerp kwalificeert voor prejudiciële vragen van uitleg van de Modellenrichtlijn” (zij het zijns inziens, om andere cassatie-technische redenen, niet in deze zaak).
De relevante passage in de conclusie van de A-G is ov. 5.9 t/m 5.19.
Lees de volledige conclusie hier.