Seminar Life Sciences & Recht op dinsdag 12 mei 2026 met vroegboekkorting
Op dinsdag 12 mei 2026 vindt ons nieuwe congres Life Sciences & Recht plaats, onder leiding van Judith Krens (Pinsent Masons), Hester Borgers (Bird & Bird) en Erik Vollebregt (Axon Lawyers). Tijdens dit seminar staan we onder andere stil bij de hervorming van de Europese farmaceutische wetgeving die in aantocht is: de EU Pharma Reform. We bespreken de belangrijkste veranderingen (e.g. regulatory exclusivities, verplichtingen rondom beschikbaarheid en toeleveringszekerheid, de Bolar-exceptie) en de praktische implicaties voor de industrie. Verder besteden we een deel van de middag aan de een update over de Europese medische hulpmiddelen wetgeving (MDR/IVDR). De middag wordt afgesloten met een interactief paneldebat waarin we de brug slaan tussen regelgeving en rechtspraktijk. Centraal staat de vraag: hoe beïnvloedt de (veranderende) life sciences wetgeving de (octrooi)procespraktijk?
Laatste plekken voor het seminar over de Cyberbeveiligingswet op 16 april 2026
Veel van ons leven en werk speelt zich inmiddels af in de digitale wereld. Tegelijkertijd nemen cyberdreigingen toe, denk aan grote datalekken. Daarmee groeit het belang van goede digitale beveiliging voor bedrijven en publieke instellingen. Om het niveau van cyberbeveiliging binnen de Europese Unie te versterken is de NIS2-richtlijn opgesteld, de opvolger van de eerdere NIS1-richtlijn.
In Nederland wordt deze richtlijn geïmplementeerd via de Cyberbeveiligingswet (Cbw), die naar verwachting in het tweede kwartaal van 2026 in werking treedt. De Cbw vervangt de huidige Wet beveiliging netwerk- en informatiesystemen (Wbni) en introduceert strengere verplichtingen voor organisaties in sectoren met een belangrijk maatschappelijk of economisch gewicht. De wet bevat onder meer regels over risicobeheer, meldplichten bij incidenten, bestuurlijke verantwoordelijkheid en toezicht. Daarnaast speelt de samenwerking met zogeheten Computer Security Incident Response Teams (CSIRT’s) een belangrijke rol bij het detecteren en afhandelen van cyberincidenten.
Tegelijkertijd wordt ook de Critical Entities Resilience Directive (CER-richtlijn) in Nederland geïmplementeerd, via de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (Wwke). Beide wetten zullen naar verwachting gelijktijdig in werking treden en markeren een belangrijke stap in het versterken van de digitale weerbaarheid van vitale sectoren.
Uitspraak ingezonden door Inez ten Brink en Roeland Grijpink, HOYNG ROKH MONEGIER.
Vonnis Pixelhobby / Flying Tiger: auteursrechtinbreuk op DIY-sleutelhangers
Rb. Noord-Holland 1 april 2026, IEF 23456; C/15/366100 (Pixelhobby tegen Flying Tiger). In dit vonnis staat de vraag centraal of de DIY-sleutelhangers van Flying Tiger inbreuk maken op de auteursrechten op de Pixelhobby-sleutelhangers. De rechtbank acht zich bevoegd omdat de gestelde onrechtmatige daad en de daaruit voortvloeiende schade zich mede in Nederland en in Noord-Holland voordoen. Vervolgens past zij de gebruikelijke auteursrechtelijke maatstaf toe: ook een gebruiksvoorwerp of werk van toegepaste kunst kan beschermd zijn, mits sprake is van een eigen intellectuele schepping die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt door vrije en creatieve keuzes; louter technisch bepaalde elementen vallen buiten bescherming, maar het enkele feit dat een product functionele trekken heeft, sluit auteursrecht niet uit. Het verweer van Flying Tiger dat Pixelhobby niet duidelijk genoeg zou hebben omschreven welk werk zij beschermt, wordt verworpen: volgens de rechtbank gaat het om een concreet en voor menselijke waarneming vatbaar mozaïek-speelgoedsysteem, bestaande uit onder meer kleine vierkante pixels, kleurmatjes, een transparante basisplaat in hangervorm met afgerond dakje en gat, en de uiteindelijk resulterende kenmerkende “pixellook”; de losse voorbeeldpatronen als zodanig zijn daarbij niet het beschermde werk. Ook het verweer dat het product te functioneel en dus niet oorspronkelijk zou zijn, faalt. De rechtbank oordeelt dat juist de combinatie van keuzes, waaronder de afmetingen en vorm van de pixels, het licht bolle bovenoppervlak, het materiaal en de semi-matte uitstraling, de specifieke matjes, de transparante basisplaat met pinnetjes en de sleutelhangerconfiguratie, in onderlinge samenhang voldoende creatieve ruimte laat en een niet-triviale, niet louter technisch bepaalde totaalindruk oplevert. Daarnaast verwerpt de rechtbank het verweer tegen de rechthebbendheid: zij acht voldoende aannemelijk dat de auteursrechten via de liquidatie-overdracht van Ger Verschoor Inc. en de overdrachtsakte van april 2025 bij Pixelplast zijn terechtgekomen, terwijl Pixelhobby B.V. op grond van die akte een exclusieve licentie heeft verkregen om die rechten te exploiteren en te handhaven.
Kort geding over toegang tot Instagram-account van gezamenlijke tandartspraktijk
Rb. Rotterdam 26 februari 2026, IEF 23452; ECLI:NL:RBROT:2026:2593 ([eisers] tegen [gedaagde]). In dit kort geding staat een conflict centraal over het Instagram-account van een in 2021 door [eiser sub 1] en [gedaagde] opgezette tandartspraktijk. Eind december 2025 verschenen op dat openbare account foto’s en video’s van [eiser sub 2] en van de twee minderjarige dochters van [eiser sub 1] en [eiser sub 2], voorzien van ernstig diffamerende en seksueel getinte teksten; ook werden de gebruikersnaam en accountomschrijving gewijzigd. De voorzieningenrechter verklaart de minderjarige dochters niet-ontvankelijk, omdat zij als minderjarigen procesonbekwaam zijn en voor procederen namens hen een machtiging van de kantonrechter vereist was op grond van art. 1:253k BW jo. art. 1:349 lid 1 BW, welke ontbrak. Ten aanzien van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] oordeelt de voorzieningenrechter dat voldoende aannemelijk is dat [gedaagde] feitelijke toegang heeft tot het Instagram-account. Dat oordeel baseert de rechter op de onweersproken inhoud van ontmoetingen en een telefoongesprek tussen [gedaagde] en de broer van [eiser sub 2], waaruit volgens de voorzieningenrechter volgt dat [gedaagde] de betreffende foto’s en video’s van het account heeft verwijderd en de accountnaam en accountomschrijving heeft gewijzigd. De primair gevorderde overdracht van het account aan [eiser sub 1] wordt afgewezen, omdat [eiser sub 1] en [gedaagde] het account gezamenlijk hebben aangemaakt en op dat moment nog gezamenlijk eigenaar zijn van de tandartspraktijk, zodat volledige uitsluiting van [gedaagde] van het account te ver gaat. Wel wordt de subsidiaire vordering toegewezen: [gedaagde] moet binnen 48 uur alle inloggegevens en toegangscodes van het Instagram-account aan [eiser sub 1] verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 5.000 ineens en € 500 per dag, met een maximum van € 25.000.
Prejudiciële vraag gesteld over het bewaren van persoonsgegevens door telecommunicatiediensten
Prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie EU 20 november 2026, IEF 23445; IT 5184; IEFbe 4176; C-741/25 (MR tegen TM) via MinBuza. In Polen is in november 2024 een regeling in werking getreden die telecommunicatieondernemingen verplicht om de gegevens van de gebruikers van hun netwerken te bewaren en op te slaan. De nationale regelgeving legt geen beperkingen op ten aanzien van de personen op wie deze maatregelen betrekking hebben. Op grond van het Unierecht mag alleen in bijzondere gevallen worden vastgesteld waarom de bescherming van persoonsgegevens speciaal moet worden beperkt. De verwijzende rechter vraagt zich daarom af of de nationale regeling in strijd is met richtlijn 2002/68 en met diverse bepalingen van het Handvest.
Terugvordering na vernietiging van een schadevonnis: rechtsopvolgers niet zonder meer gebonden aan de veroordeling van de cedent
Rb. Amsterdam 1 april 2026, IEF 23451; ECLI:NL:RBAMS:2026:3265 ([eiser 1] tegen Longnorth c.s.). In deze procedure vorderen [eiser 1] en [eiser 2] terugbetaling van bedragen die in 2019 zijn betaald na een vonnis van de rechtbank Den Haag, waarin [eiser 1] wegens merkinbreuk met betrekking tot Jack Daniel’s-producten was veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten aan Jack Daniel’s, Brown-Forman en Pitts Bay. In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag vervolgens geoordeeld dat Pitts Bay haar vordering al op 27 december 2007 aan Longnorth en Bacardi had gecedeerd, zodat Pitts Bay zelf niets meer van [eiser 1] te vorderen had; voor zover de eerdere vonnissen Pitts Bay betroffen, zijn die vernietigd en is Pitts Bay tot terugbetaling veroordeeld. In de onderhavige procedure beroepen eisers zich jegens Longnorth, Bacardi, Jack Daniel’s, Brown-Forman en hun advocaat op gezag van gewijsde, derden- of precedentwerking, onverschuldigde betaling en onrechtmatige daad. De rechtbank wijst dat grotendeels af. Longnorth en Bacardi waren in de procedure bij het hof geen formele of materiële procespartij, zodat zij niet op die grond aan de veroordeling van Pitts Bay zijn gebonden. Art. 236 Rv brengt volgens de rechtbank alleen mee dat in deze procedure vaststaat dát Pitts Bay haar vordering in 2007 aan Longnorth en Bacardi had overgedragen; daaruit volgt niet dat Longnorth en Bacardi daardoor zelf zonder meer gehouden zijn tot terugbetaling. Ook het beroep op derden- of precedentwerking faalt. Verder is de betaling van de zogenoemde Pitts Bay-vordering zelf niet onverschuldigd geweest: de vernietiging van het eerdere vonnis betekent niet dat die materiële vordering niet bestond, maar slechts dat Pitts Bay niet meer de rechthebbende was. Het hof had immers al geoordeeld dat [eiser 1] die vordering op 20 maart 2019 bevrijdend aan Longnorth en Bacardi had betaald, en eisers hebben in deze procedure niet onderbouwd dat op [eiser 1] geen of slechts een lagere schadevergoedingsplicht rustte. Anders ligt het uitsluitend voor het bedrag van € 10.664,78 aan proceskosten dat ten behoeve van Pitts Bay op grond van het vernietigde eindvonnis was betaald: daarvoor is de rechtsgrond door het tussenarrest komen te vervallen, zodat Longnorth en Bacardi dat bedrag wél moeten terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2022. Voor de proceskosten van het hoger beroep geldt dat [eiser 1] daarvoor slechts een vordering op Pitts Bay als procespartij heeft, zodat ook dat deel niet tegen Longnorth en Bacardi toewijsbaar is.
Kort geding over gestelde schendingen van een exclusieve merkrechtlicentie
Rb. Amsterdam 18 maart 2026, IEF 23450; ECLI:NL:RBAMS:2026:2822 (Copar tegen CSB). In dit kort geding tussen Copar en Continental Sweets Belgium (CSB) staat de vraag centraal of CSB in strijd heeft gehandeld met een in 2012 gesloten exclusieve, eeuwigdurende en royaltyvrije licentieovereenkomst op grond waarvan Copar de betrokken woord- en vormmerken in Nederland mag gebruiken voor de productie en distributie van snoepgoed. De rechtbank Amsterdam acht zich bevoegd op grond van de forumkeuze in de overeenkomst (art. 25 Brussel I-bis) en past, conform de rechtskeuze van partijen, Nederlands recht toe. Daarbij speelt mee dat in een eerder bodemvonnis van 12 juni 2024 reeds voor recht was verklaard dat de opzegging van de licentieovereenkomst door CSB van 22 juni 2023 geen effect had en dat Copar de relevante Benelux-merken in Nederland mocht blijven gebruiken; tegen dat vonnis liep nog hoger beroep. De vorderingen van Copar in conventie worden afgewezen, omdat in dit kort geding onvoldoende aannemelijk is geworden dat CSB door rechtstreekse verkoop aan in Nederland gevestigde afnemers de exclusieve licentie heeft geschonden. Dat de producten bij Jumbo in Nederland en via Bol.com worden aangeboden, dat CSB als fabrikant wordt genoemd, of dat de producten van Belgische oorsprong zijn, volstaat daarvoor niet, omdat de producten ook via buiten Nederland gevestigde tussenpartijen in Nederland terecht kunnen zijn gekomen. Ook de correspondentie over Jumbo acht de voorzieningenrechter onvoldoende, nu CSB gemotiveerd heeft toegelicht dat zij aan Jumbo België B.V. verkoopt en aan een distributiecentrum in Nederland levert ten behoeve van Belgische winkels. Omdat een contractuele tekortkoming niet voldoende aannemelijk is, wordt ook de gevorderde administratieve inzage via een registeraccountant afgewezen; de verwijzing naar de Handhavingsrichtlijn en het BVIE kan Copar daarbij niet baten. De proceskosten in conventie worden niet begroot op grond van art. 1019h Rv, omdat het geschil overwegend verbintenisrechtelijk van aard is, maar volgens het reguliere liquidatietarief.
Eén enkele billijke vergoeding bij kabeldoorgifte van synchronisaties
Hof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2026, IEF 23449; ECLI:NL:GHARL:2026:2078 (Sena tegen Ziggo). In dit arrest staat de vraag centraal of Ziggo aan Sena op grond van de artikelen 2, 6 en 7 Wet op de naburige rechten (Wnr) een billijke vergoeding moet betalen voor de doorgifte via de kabel van buitenlandse televisieprogramma’s waarin muziek is verwerkt in audiovisuele opnamen (synchronisaties), zoals films, series, reclames en videoclips. Het hof oordeelt dat art. 7 Wnr richtlijnconform moet worden uitgelegd in het licht van art. 8 lid 2 VLN-richtlijn en het arrest Atresmedia. Volgens het hof hebben rechthebbenden voor hun prestatie in een synchronisatie recht op één enkele billijke vergoeding. Indien zij bij de verwerking van hun prestatie in die synchronisatie al een vergoeding hebben ontvangen, of daarover afspraken hebben gemaakt, is Ziggo voor de latere kabeldoorgifte van die synchronisatie geen aanvullende billijke vergoeding meer verschuldigd. Indien zij geen vergoeding hebben ontvangen en daarover ook geen afspraken hebben gemaakt, blijft voor die doorgifte wel een billijke vergoeding verschuldigd. In dat geval kan Sena, mede op grond van art. 14a Wnr jo. art. 26a Auteurswet, ook handhavend optreden. Het hof verklaart daarom voor recht dat Ziggo vanaf 1 april 2022 inbreuk maakt op de naburige rechten van de door Sena vertegenwoordigde rechthebbenden, voor zover Ziggo synchronisaties doorgeeft via buitenlandse televisieprogramma’s waarbij die rechthebbenden voor de verwerking van hun prestatie in die synchronisaties geen vergoeding hebben ontvangen; in de motivering verbindt het hof dit stelselmatig ook aan het ontbreken van afspraken over vergoeding.
Prejudiciële vragen gesteld over de Geneesmiddelenrichtlijn
Prejudiciële vragen gesteld aan Hof van Justitie EU 30 december 2025; IEF 23447; LS&R 2371; IEFbe 4182; C-877/25 (College ter beoordeling van geneesmiddelen, Laboratorios Cinfa SA, Laboratorios Normon, SA, Zentiva k.s., Win Medica SA, Refarm SA tegen Organon NV) via MinBuza. Verzoeker heeft in Nederland handelsvergunningen aangevraagd voor geneesmiddelen bij het College van beoordeling van geneesmiddelen (CBG), voor de combinatie van twee werkzame stoffen. De aanvraag werd goedgekeurd, maar de rechtbank oordeelde daarna dat dit onterecht was. De twee werkzame stoffen werden al in een ander geneesmiddel samengevoegd, waarvan de beschermingsperiode nog liep. De Afdeling twijfelt over hoe artikel 10ter van de Geneesmiddelenrichtlijn moet worden uitgelegd, in het bijzonder of het mogelijk is dat meerdere vergunningen worden verleend voor dezelfde combinatie van werkzame stoffen op grond van dat artikel.
Gerecht vernietigt EUIPO-beslissing over het merk déjà vu wegens gebrek aan beoordeling van de gebruiksduur
Gerecht EU 8 oktober 2025, IEF 23453; IEFbe 4183; ECLI:EU:T:2025:947 (Huda Beauty Ltd tegen EUIPO en Norbert Schulz). In deze zaak vordert Huda Beauty Ltd op grond van art. 263 VWEU gedeeltelijke nietigverklaring van een beslissing van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO van 16 april 2024, voor zover die beslissing de vervalvordering tegen het EU-woordmerk déjà vu voor waren in klasse 3 (“parfumerieproducten”) had afgewezen. Het vervalverzoek was gebaseerd op art. 58 lid 1, onder a, UMVo, omdat het merk volgens Huda Beauty gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar niet normaal was gebruikt. De door de interveniënt opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding wordt door het Gerecht verworpen: de bestreden beslissing was op 22 april 2024 aan Huda Beauty meegedeeld, zodat het op 2 juli 2024 ingestelde beroep, rekening houdend met de beroepstermijn van twee maanden van art. 72 lid 5 UMVo en de forfaitaire afstandstermijn van tien dagen, tijdig was. Ten gronde stelt het Gerecht voorop dat werkelijk gebruik moet worden aangetoond aan de hand van concrete en objectieve gegevens, en dat op grond van art. 10 lid 3 van Gedelegeerde Verordening 2018/625 cumulatief moet blijken van de plaats, duur, omvang en aard van het gebruik. De relevante periode liep hier van 21 april 2016 tot en met 20 april 2021. Hoewel voor verval niet is vereist dat het merk onafgebroken gedurende de gehele periode is gebruikt, maar voldoende is dat sprake is van normaal gebruik tijdens een deel daarvan, moet de Kamer van Beroep wel zelfstandig beoordelen of het temporele element van het gebruik voldoende is aangetoond. Juist daarin schoot de bestreden beslissing volgens het Gerecht tekort. Onder het kopje “duur en plaats van het gebruik” bevatte die beslissing slechts één overweging, die geen temporele elementen noemde en in wezen alleen betrekking had op Duitsland als plaats van gebruik. Dat elders in de beslissing bewijsstukken waren opgesomd of in het kader van de omvang van het gebruik enkele stukken waren genoemd die mogelijk ook iets over de duur konden zeggen, maakt dat niet anders: de Kamer van Beroep had in de bestreden beslissing geen zelfstandige beoordeling en geen eigen conclusie gegeven over de duur van het gebruik van het merk. Daarmee heeft zij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.