IEF 22183
8 augustus 2024
Artikel

Inschrijving geopend Mr. S.K.Martens Academie 2024-2025

 
IEF 22180
8 augustus 2024
Uitspraak

Babyvoeding van Nutricia komt niet in aanmerking voor octrooi

 
IEF 22179
8 augustus 2024
Uitspraak

Procureur-generaal Hoge Raad over de gevolgen van vernietiging op verbeurde dwangsommen in IT-zaak

 
IEF 14379

Gebruiksrecht op beurseiland na aanschaf elementen

Rechtbank Amsterdam 12 november 2014, IEF 14379 (Imaging You tegen Sevenstar)
Uitspraak ingezonden door Huib Berendschot, Noedeng Yeh en Roderick Chalmers Hoynck van Papendrecht, AKD. Imaging You ontwerpt een beurseiland van 36m2 voor Sevenstar Yacht, gedaagden koopt elementen van de beursstand. Na einde van de samenwerking vordert Imaging You staking van gebruik van de gekochte elementen op basis van het auteursrecht dat niet is overgedragen. Uit de algemene voorwaarden noch uit reactie op de beëindiging van de samenwerking blijkt dat Sevenstar geen gebruik mocht maken van het ontwerp.

4.8. Dat Sevenstar geen gebruik zou mogen maken van het ontwerp dan wel daar een vergoeding voor zou moeten betalen blijkt ook niet uit het bepaalde in de algemene voorwaarden. Er moet immers een onderscheid gemaakt worden tussen het ontwerp zelf en de beursstand die op basis van dat ontwerp is aangeschaft. Oftewel, zoals door Sevenstar terecht is opgemerkt, wanneer iemand een auto koopt waarbij het ontwerp van de auto auteursrechtelijk is beschermd, mag diegene de auto naar eigen inzicht gebruiken, maar is het niet toegestaan om een nieuwe auto te maken.

4.9. Ten slotte geldt dat ook op het moment dat Sevenstar de samenwerking met Imaging You beëindigde door Imaging You niet kenbaar is gemaakt dat Sevenstar, zonder daarvoor een vergoeding te betalen, geen gebruik mocht maken van het door Imaging You gemaakte ontwerp.

Lees de uitspraak hier (html/pdf)

IEF 14378

Geen inbreuk op interfaces tandheelkundige software

Rechtbank Noord-Holland 5 november 2014, IEF 14378 (Complan tegen Qsinc c.s.)
Uitspraak en samenvatting ingezonden door Mark Jansen, Dirkzwager. Voormalige medewerker van (en later freelancer voor) Complan, en later Digipractice. Complan beschuldigt medewerker en Digipractice (als leveranciers) en SKU (als gebruiker) van auteursrechtinbreuk op tandheelkundige software die door SKU wordt gebruikt. Complan wordt aangemerkt als auteursrechthebbende op de grafische gebruikersinterface (5.4), maar niet op de iconen (5.3) en de databasestructuur (5.5).  Van inbreuk op de broncodes op de gebruiksinterface is geen sprake, aangezien daarvoor te weinig is gesteld (5.7-5.15). Van inbreuk op de grafische interface is ook geen sprake, aangezien de verschillen te groot zijn, te weinig is onderbouwd of de overeenstemming functioneel van aard is (5.16-5.22).

Het beroep op rechtsverwerking c.q. het bestaan van een vaststellingsovereenkomst wordt door de rechtbank gelet o het voorgaande in het geheel niet meer behandeld (5.23). Partijen hadden in het verleden namelijk reeds een (uitvoerige) discussie over deze kwestie gevoerd, naar aanleiding waarvan in 2008 een deskundigenbericht was uitgebracht (zie r/o 2.6 e.v.).
De rechtbank doet deze zaak – met voorafgaand bewijsbeslag, provisionele vordering tot inzage met tussenvonnis en twee schriftelijke rondes – vervolgens qua proceskosten af als eenvoudige zaak (5.25). Volgens de rechtbank is over de proceskosten geen BTW verschuldigd (ook al kan SKU deze niet verrekenen).

IEF 14377

Rechter heeft grote mate van vrijheid bij wijze van winstberekening ex 27a Aw

HR 14 november 2014, IEF 14377 (Sjopspel - Shoppingspel)
Auteursrecht. Vervolg op HR 18 februari 2000 en HR IEF 3052 en IEF 13397. Vordering tot winstafdracht vanwege inbreuk Sjopspel op het door eiser ontwikkelde 'Shoppingspel'. Ex artikel 27a Aw kan naast schadevergoeding de inbreukmaker worden veroordeeld tot afdracht van de winst. Daar ligt een grote mate van vrijheid van de rechter voor het vaststelling vn de winstberekening. Inbreukmaker voldoet niet aan verplichting tot afleggen van rekening en verantwoording ex art. 21 en 22 Rv. De ingangsdatum van de compensatoire rente wordt vervroegd dat 1997 tot 1989.

4.2.3. Art. 27a Aw laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de wijze van winstberekening (vgl. HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1533, NJ 2013/503).

Indien, zoals in dit geval, de inbreukmaker niet voldoet aan zijn verplichting om ter zake van de door de inbreuk genoten winst rekening en verantwoording af te leggen, dient de rechter die omstandigheid bij zijn begroting in aanmerking te nemen. Art. 27a Aw voorziet niet in een sanctie voor het geval die verplichting niet wordt nageleefd. Indien de inbreukmaker handelt in strijd met zijn verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording op de voet van art. 27a Aw, kan de rechter de inbreukmaker in de gelegenheid stellen hieraan alsnog te voldoen. Uit het niet naleven van de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording kan de rechter de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. In een zodanig geval is immers sprake van een situatie waarin een partij handelt in strijd met haar verplichting om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren (art. 21 Rv). Indien de rechter een partij heeft gelast in verband met de beoordeling van een vordering op de voet van art. 27a Aw, bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen en die partij dit nalaat, zal dat in het algemeen niet gerechtvaardigd zijn indien die partij de verlangde bescheiden zonder goede grond niet heeft bewaard. Ook daaruit kan de rechter de gevolgtrekking maken die hij geraden acht (art. 22 Rv).

Cassatieblog (Winstafdracht in het auteursrecht – hoe de winst te begroten als de administratie is weggegooid)

IEF 14376

Journaliste mocht met waardenoordelen publiceren over seksschandalen

EHRM 21 oktober 2014, IEF 14376 (Hlynsdottir tegen IJsland 2)
Mediarecht. Vrijheid van meningsuiting. Onrechtmatige uiting. De uitlating in de TV-uitzending, inhoudende dat eiser ongeschikt zou zijn om met kinderen te werken, is niet onrechtmatig. De nationale rechter heeft op onjuiste gronden aangenomen dat de journalist in strijd heeft gehandeld met hetgeen van een verantwoordelijk beroepsuitoefenaar mag worden verwacht.

(a) General principles
57. The essential function the press fulfils in a democratic society is a central factor for the Court’s determination in the present case. The duty of the press is to impart information and ideas, including on all matters of public interest, in accordance with its obligations and responsibilities. However, it must not overstep certain bounds, first and foremost as regards the reputation and rights of others and the need to prevent the disclosure of confidential information. The public also has a right to receive such information and ideas. In addition, the Court is mindful of the fact that journalistic freedom also covers possible recourse to a degree of exaggeration, or even provocation. In cases such as the present one the national margin of appreciation is further circumscribed by the interest of democratic society in enabling the press to exercise its vital role of ‘public watchdog’ in imparting information of serious public concern (see Von Hannover v. Germany (No. 2) [GC], nos. 40660/08 and 60641/08, 7 February 2012, § 102, Bladet Tromsø and Stensaas v. Norway [GC], no. 21980/93, §§ 59 and 62, ECHR 1999 III; Tønsbergs Blad A.S. and Haukom v. Norway, no. 510/04, § 82, 1 March 2007, with further references; and Björk Eiðsdóttir, cited above, § 65).”

(b) Application of those principles to the present case
58. The Court observes from the outset that in its judgment of 18 February 2010 the Supreme Court rejected Mrs X’s libel action in respect of a series of statements contained in the applicant’s article to the effect that Mrs X had taken part in sexual activities along with Mr Y and a number of female patients at Byrgið. On the other hand, the Supreme Court found the applicant liable for defamation in respect of the latter part of the sentence under item i., which she had attributed to Ms A, “... not appropriate that the one who hunts for him works in a primary school.”
59. The Supreme Court was of the view that the aforementioned words “which ha[d] by no means been proven to be true, indicated that [Mrs X] was guilty of criminal conduct” and that they “contained a coarse insinuation against [her] about a criminal act.” Furthermore, “[t]he statement [had] appeared in a conspicuous manner in a widely-read newspaper and was likely to affect the dignity and professional reputation of [Mrs X].” Moreover, it had not been proven that the statement had been correctly quoted from Ms A and therefore the Supreme Court found the applicant, as the author of the article, liable for its content (Article 235 of the Penal Code and section 15 (1) of the Printing Act) and declared the statement null and void (Article 241 of the Penal Code).
60. The accusations against Mr Y had surfaced when a national television channel broadcast in a news programme a story in which he was accused of, among other things, the sexual offences which were the subject matter of the impugned newspaper article. Subsequently, a high profile criminal investigation was opened against Mr Y and Mrs X, who both had the formal status of suspects, which led to Mr Y being indicted but not Mrs X. It was in this context that the applicant’s news coverage was published and there can be no doubt that, seen as a whole, it related to an issue of serious public concern in Iceland.
61. The most careful scrutiny on the part of the Court is called for when, as in the present case, the measures taken or sanctions imposed by the national authority are capable of discouraging the participation of the press in debates over matters of legitimate public concern (see Björk Eiðsdóttir, § 69; Jersild, cited above, § 35; Bergens Tidende and Others, cited above, § 52; and Tønsbergs Blad A.S. and Haukom, cited above, § 88; compare MGN Limited v. the United Kingdom, no. 39401/04, §§ 150 and 155, 18 January 2011; Von Hannover v. Germany (no. 2), cited above, §§ 106 07, 7 February 2012; and Axel Springer AG, cited above, §§ 87-88).
62. The protection of the right of journalists to impart information on issues of general interest requires that they should act in good faith and on an accurate factual basis and provide “reliable and precise” information in accordance with the ethics of journalism (see, for example, Goodwin v. the United Kingdom, 27 March 1996, § 39, Reports of Judgments and Decisions 1996 II; Fressoz and Roire, cited above, § 54; Bladet Tromsø and Stensaas, cited above, § 65; McVicar v. the United Kingdom, no. 46311/99, § 73, ECHR 2002-III; and Pedersen and Baadsgaard, cited above, § 78). Under the terms of paragraph 2 of Article 10 of the Convention, freedom of expression carries with it “duties and responsibilities” that also apply to the media, even with respect to matters of serious public concern. Those “duties and responsibilities” are significant when there is a question of attacking the reputation of a named individual and infringing the “rights of others”. Thus, special grounds are required before the media can be dispensed from their ordinary obligation to verify factual statements that are defamatory of private individuals. Whether such grounds exist depends in particular on the nature and degree of the defamation in question and the extent to which the media can reasonably regard their sources as reliable with respect to the allegations (see, among other authorities, Björk Eiðsdóttir, § 70; McVicar, § 84; Bladet Tromsø and Stensaas, § 66; and Pedersen and Baadsgaard, § 78, all cited above).
63. The Court finds that there are no such special grounds in the present case. According to the domestic courts’ assessment of the evidence, it had not been proven that the impugned statement stemmed from Ms A. The Court does not question that conclusion as the Supreme Court’s findings on this issue cannot be considered manifestly unreasonable.
64. The Court will thus go on to consider the impugned article as a whole and have particular regard to the words used in the disputed part of the article and the context in which it was published, as well as the manner in which it was prepared (see Sürek v. Turkey (no. 1) [GC], no. 26682/95, § 62, ECHR 1999 IV). It must examine whether relevant and sufficient grounds were adduced by the national authorities as a basis for finding that the applicant did not act in good faith and in compliance with an ordinary journalistic obligation to verify factual allegations. That obligation required that the factual basis on which she relied be sufficiently accurate and reliable and be considered proportionate to the nature and degree of the allegation, given that the more serious the allegation, the more solid the factual basis has to be (see Björk Eiðsdóttir, § 71; and Pedersen and Baadsgaard, § 78, both cited above,).
65. In this regard the Court, firstly, observes that the above-mentioned meaning attached to the defamatory sentence, namely that it contained a coarse insinuation about a criminal act, was not derived explicitly from the sentence itself but was the result of an interpretation by the domestic courts. However, the domestic courts did not explain in their judgments how the word “hunt”, used in the statement: “the one who hunts for him” (emphasis added), would be perceived by the ordinary reader as an innuendo about a criminal act. Indeed, the judgments contained no reference to any legal provision under which the act could be objectively subsumed, nor did they offer any clarification or description of the alleged criminal offence. This was all the more necessary considering that the Supreme Court had already rejected Mrs X’s libel action in respect of a series of statements contained in the applicant’s article referring to the active participation of Mrs X in sexual activities with a number of female patients at Byrgið, including seeking to have sexual encounters with Ms A in private (see item f., referred to in paragraph 10), as well as the allegation that Mrs X was fully aware of Mr Y’s abuse of the patients and that she sometimes participated in the sexual games (see item l., referred to in paragraph 10). The Court is therefore not convinced that the reasons relied on by the domestic courts were relevant to the legitimate aim of protecting the rights and reputation of Mrs X (see Erla Hlynsdόttir v. Iceland, no. 43380/10, § 62, 10 July 2012, and Bergens Tidende and Others, cited above, § 56).
66. Secondly, in accordance with the Court’s case-law, a fundamental distinction should be made between statements that are to be categorized as factual assertions and value judgments. In its contextual examination of the disputed statement as a whole, the Court must carry out its own evaluation of the impugned statement (see, amongst other authorities, Nikowitz and Verlagsgruppe News GmbH v. Austria, no. 5266/03, §§ 25-26, 22 February 2007). Furthermore, the Court has acknowledged (see, for example, Vides Aizsardzības Klubs v. Latvia, no. 57829/00, § 43, 27 May 2004; and Katamadze v. Georgia (dec.), no. 69857/01, 2 February 2001) that the distinction between value-judgments and statements of fact may be blurred, and that the issue may need to be resolved by examining the degree of factual proof.
67. On this basis, the Court observes that the Supreme Court found that the first part of the impugned statement in item i: (“... this person is crazy. I cannot see that she has anything to offer as a teaching assistant or in any kind of relief work. I do not know what she is doing in this school ...”), constituted a value judgment that did not amount to unlawful defamation under the relevant national provisions. This conclusion is supported by the Supreme Court’s own finding that the similar statement in item n. (see paragraph 10), to the effect that Mr B found it “odd that a woman in this position [was] working with children” constituted a value judgment. On the other hand, the Supreme Court considered that the latter part (“... not appropriate that the one who hunts for him works in a primary school”) was “a different matter”, but without specifying in which way (see paragraph 18 above).
68. In light of the above, the Court is of the view that the affirmation that it was “not appropriate” that Mrs X “work[ed] in a primary school” ought to have been regarded as a value judgment. On the other hand, the portrayal of Mrs X as being the “one who hunts for” Mr Y, which was the stated basis for the said value judgment, included a factual element, namely that Mrs X had taken part in sexual activities with Mr Y and female patients at the Byrgið rehabilitation center. However, that element was considered an established fact by the Supreme Court, which also noted Mr Y’s conviction for his conduct (see paragraph 18 above). The words “hunts for him”, when assessed in light of the article as a whole, and in particular the established facts of Mrs X active participation in sexual activities, among other things her seeking to have sexual encounters with Ms A in private and her active participation in sexual games (see paragraph 65 above), may be more readily understood as a value based characterization of established factual events rather than a pure factual assertion (see, mutatis mutandis, Nilsen and Johnsen, cited above, § 50).(...)
74. The defamation proceedings brought by Mrs X against the applicant, Ms A and Mr B ended in an order declaring the statement null and void and requiring the applicant to pay Mrs X ISK 300,000 (approximately EUR 1,650) in compensation for non-pecuniary damage and ISK 100,000 for the costs of publishing the judgment, plus interest.
75. In light of the above, the Court finds, in the concrete circumstances of the present case, that the Supreme Court did not base its judgment on relevant and sufficient grounds demonstrating convincingly that the applicant acted in bad faith or otherwise inconsistently with the diligence expected of a responsible journalist reporting on a matter of public interest. Moreover, and importantly, the Court reiterates that even assuming that the reasons adduced by the Supreme Court were relevant for the purposes of the interference in question, it has not been shown that the national court balanced the applicant’s rights to freedom of expression as a journalist and Mrs X’s rights to her reputation, in accordance with the established principles in the Court’s case-law, and thus examined thoroughly whether the measure imposed corresponded to a pressing social need. Consequently, the judgment of the Supreme Court was not based on sufficient grounds so as to constitute a proportionate measure under paragraph 2 of Article 10 of the Convention (see, for instance, Wizerkaniuk v. Poland, no. 18990/05, § 87, 5 July 2011; and Erla Hlynsdόttir, cited above, § 72).
There has accordingly been a violation of Article 10 of the Convention. 

Op andere blogs:
European Courts
MediaReport

Inforrm's Blog

 

IEF 14374

Geen kledingmerk voor WTC

Bijdrage ingezonden door Bas Kist, Chiever. De World Trade Center Association WTCA in New York is er niet in geslaagd de namen WTC en WORLD TRADE CENTER als merk te registeren voor merchandise-artikelen zoals kleding, zonnebrillen en juwelen. De WTCA, die verantwoordelijk is voor de exploitatie van het WTC, had de registraties aangevraagd omdat het wel brood ziet in het uitventen van de bekende namen WTC en WORLD TRADE CENTER voor merchandise-doeleinden. Bedrijven zijn bereid grof geld te betalen als ze het merk WTC op hun producten mogen zetten.

GEEN MERKFUNCTIE
Echter, het Amerikaanse merkenbureau heeft de registraties geweigerd. In de eerste plaats kunnen deze namen volgens het merkenbureau geen merkfunctie vervullen: immers, wie op een T-shirt WTC ziet staan, beschouwt dat niet als merk, maar slechts als een herinnering aan de dramatische gebeurtenissen van 2001.

UNFAIR
Bovendien, als je de WTCA een monopolie geeft voor het gebruik van de aanduiding WTC of WORLD TRADE CENTER op consumentenproducten, dan wordt het voor familieleden van slachtoffers van 9/11 onmogelijk om zelf ter nagedachtenis artikelen met de aanduiding WTC op de markt te brengen. En dat is ‘unfair’, aldus het merkenbureau. De WTCA pikt het niet en gaat tegen de uitspraak in beroep.

Bas Kist
Dit artikel werd eerder gepubliceerd in NRC Handelsblad Geen kledingmerk voor WTC NRC 13-11-2014

IEF 14373

Auteursrechtdebat: Reacties op het Algemeen Overleg Auteursrecht

Door Jeroen van Wijngaarden, Kamerlid VVD-fractie. Thema: Downloadverbod & thuiskopie. Het gaat de VVD en mij om het principe dat werk moet lonen, voor iedereen, dus ook voor de makers van een auteursrechtelijk beschermd werk. Gelukkig slaagt de sector er steeds beter in om via legale alternatieven drie op de vier Nederlanders te verleiden om langs legale weg naar muziek te luisteren of een film te kijken. Het illegale segment krimpt, maar is nog steeds aanzienlijk. Mijn oproep aan het kabinet is geweest om met internetaanbieders en rechthebbenden om de tafel te gaan om te kijken of en hoe zij legaal gebruik verder kunnen stimuleren, zonder de privacy van de internetgebruiker aan te tasten. Het is positief dat staatssecretaris Teeven heeft toegezegd dat te gaan doen. Als de wil er maar is dan zijn deze partijen bij uitstek in staat om zelf technische en creatieve oplossingen te bedenken.

IEF 14372

Bodypump is te miniem gebruikt zowel commercieel als geografisch

Hof van Beroep Gent 3 november 2014 & Rechtbank van Koophandel Gent 3 maart 2011, IEF 14372 (Bodypump)
Uitspraak ingezonden door Wouter Seinen, Alexis Hallemans, Tom Heremans, CMS. Eerder gepubliceerd als IEFbe 1048. Woord- en beeldmerk vervallen verklaard. HDD exploiteert groepsfitnessprogramma's en is sinds 2008 houder van woordmerk BODY PUMP en beeldmerk 'Lesmills Bodypump'. Gedaagde exploiteert The Escape Center en heeft in 1998 beeldmerk 'bodypump' gedeponeerd, maar heeft geen normaal gebruik gemaakt van het merk. Zowel commercieel als geografisch is het gebruik te miniem geweest.

De stukken tonen veeleer aan dat het teken 'body pump' gebruikt werd, om in het fitnesscentrum te Gent in het algemeen lessen aan te duiden waarin op muziek en met gewichten aan fitness gedaan werd. Het is onvoldoende aangetoond dat X met het woord- en beeldmerk marktaandelen behouden of verkregen heeft voor de waren of dlensten waarvoor het is ingeschreven.

13. HDD werpt op dat de heer X geen normaal gebruik gemaakt heeft van het woord- en beeldmerk dat hij deponeerde (toepassing van artikel 2.26 en 2. 27 BVIE). Met name zou het gebruik te miniem zijn, zowel wat betreft de commerciële exploitatie als geografisch.

Er wordt een normaal gebruik van een merk gemaakt wanneer het, overeenkomstig de wezenlijke functie ervan, te weten het waarborgen van de identiteit van de oorsprong van de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven, wordt gebruikt teneinde voor die waren of diensten een afzet te vinden of te behouden, met uitsluiting van symbolisch gebruik dat alleen ertoe strekt, de aan de merkinschrijving verbonden rechten te behouden. Bij de beoordeling of een normaal gebruik van het merk is gemaakt, moet rekening worden gehouden met alle feiten en omstandigheden aan de hand waarvan kan warden vastgesteld dat de commerciële exploitatie ervan in het economische verkeer regel is, inzonderheid de gebruiken die in de betrokken economische sector gerechtvaardigd warden geacht om voor de door het mark beschermde waren of diensten marktaandelen te behouden of te verkrijgen, de aard van die waren of diensten, de kenmerken van de markt en de omvang en de frequentie van het gebruik van het merk, (GEU 19 december 2012, C-149/11, Leno Merken BV/Hagelkruis Beheer BV, curia.europa.eu, r.o. 29)

(...)
Met de neergelegde stukken bewijst de heer X onvoldoende dat hij het gedeponeerde woord- en beeldmerk 0628 789 gebruikt heer voor het waarborgen van de identiteit van de oorsprong van de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven. Dit is zijn identiteit, minstens de identiteit van het fitnesscentrum waar het merk gebruikt word. Er kan uit de stukken niet afgeleid worden dat het merk gebruikt werd om aan de gemiddeld geïnteresseerde consument duidelijk te maken dat een fitnessdienst aangeboden werd, die specifiek van de heer X, desgevallend van zijn fitnesscentrum, afkomstig was. De stukken tonen veeleer aan dat het teken “Bodypump" gebruikt werd, om in het fitnesscentrum te Gent in het algemeen lessen aan te duiden waarin op muziek en met gewichten aan fitness gedaan werd. Het is onvoldoende aangetoond dat de heer X met het woord- en beeldmerk marktaandelen behouden of verkregen heeft voor de waren of diensten waarvoor het is ingeschreven.

Dit alles verantwoordt niet dat de heer X een monopolie heeft op het teken "Bodypump", dat in principe voor de gehele Benelux geldt.

Op andere blogs:
Dirkzwager

IEF 14371

BestWater: Geen uitspraak over toegestaan embedden naar illegale content

Bijdrage ingezonden door Paul Geerts, Rijksuniversiteit Groningen. De BestWater-beschikking [IEF 14315] is weer een uitspraak van het HvJ die de gemoederen sterk bezighoudt. Centrale vraag is of uit de beschikking kan/mag worden afgeleid of (ook) het embedden naar illegale content is toegestaan. Volgens mij moeten wij met het trekken van die conclusie erg voorzichtig zijn. Wat wij goed in de gaten moeten houden is dat het BGH in r.o. 22 van zijn arrest het volgende overweegt:

"Die Beklagten geben den Film jedoch nicht für ein neues Publikum wieder. Der Film ist bereits durch das Einstellen auf der Videoplattform "YouTube" für alle Internetnutzer öffentlich zugänglich geworden. Durch die Verknüpfung des Films mit ihrer Internetseite erweitern die Beklagten den Kreis der potentiellen Adressaten nicht. Die Wiedergabe des Films über die Internetseite der Beklagten erfolgt auch nicht nach einem spezifischen technischen Verfahren, das sich von demjenigen der ursprünglichen Wiedergabe unterscheidet. Der Film wird bei einem Abruf über die Internetseiten der Beklagten technisch auf dieselbe Weise von der Plattform "YouTube" an die Nutzer übermittelt, wie wenn diese Nutzer den Film über das Angebot von "YouTube" abrufen würden".

Het BGH gaat er dus van uit dat via de embedded link van gedaagden het werk van BestWater niet aan een nieuw publiek ter beschikking wordt gesteld. Hoewel men bij deze vaststelling allerlei vraagtekens kan plaatsen (zie hierna ook nog nr. 6), moeten wij ons goed realiseren dat dit wel het uitgangspunt is waarmee het HvJ heeft gewerkt. Dat komt ook in de prejudiciële vraag van het BGH tot uiting. Het BGH wil weten of

"die Einbettung eines auf einer fremden Internetseite öffentlich zugänglich gemachten fremden Werkes" een mededeling aan het publiek is ook "wenn das fremde Werk damit nicht für ein neues Publikum wiedergegeben wird und die Wiedergabe nicht nach einem spezifischen technischen Verfahren erfolgt, das sich von demjenigen der ursprünglichen Wiedergabe unterscheidet".

 

In de vraag van het BGH zit dus al ingebakken dat het HvJ ervan uit moet gaan dat door het embedden van gedaagden geen nieuw publiek wordt bereikt. Dat moeten wij denk ik heel goed voor ogen blijven houden.

Welnu, uit eerdere jurisprudentie van het HvJ weten wij dat van een nieuw publiek sprake is indien het publiek dat kan kennisnemen van de doorgifte of wederdoorgifte van het werk, een andere doelgroep is dan die de auteursrechthebbende bij de oorspronkelijke mededeling voor ogen stond.

Wanneer de verwijzende rechter de vraag toespitst op de situatie dat geen sprake is van een nieuw publiek, dan moet het HvJ er dus van uitgaan dat BestWater bij de oorspronkelijke mededeling (op de eigen website? [Mij is niet duidelijk geworden wat de oorspronkelijke mededeling van BestWater is geweest, maar dat doet er uiteindelijk ook niet toe want het HvJ moest (van het BGH) ervan uitgaan dat die er is geweest en dat BestWater bij die oorspronkelijke mededeling ook het internetpubliek voor ogen heeft gehad dat de website van gedaagden kan raadplegen. Dat BestWater het filmpje dan mogelijk niet zelf op YouTube heeft gezet doet er dan ook niet toe (r.o. 4). ]), ook het publiek voor ogen heeft gehad dat de website van gedaagden kan raadplegen.

En ja, dan snap ik heel goed dat het HvJ in r.o. 12 zegt dat:

"Gemäß Art. 99 seiner Verfahrensordnung kann der Gerichtshof, wenn die Antwort auf eine zur Vorabentscheidung vorgelegte Frage klar aus der Rechtsprechung abgeleitet werden kann, auf Vorschlag des Berichterstatters und nach Anhörung des Generalanwalts jederzeit die Entscheidung treffen, durch mit Gründen versehenen Beschluss zu entscheiden".

En dan kan het antwoord op de prejudiciële vraag alleen zijn dat in het geval dezelfde techniek wordt gebruikt, maar geen nieuw publiek wordt bereikt er geen sprake is van een mededeling aan het publiek in de zin van art. 3 lid 1 ArRl. Dat is logisch, zou Cruijff zeggen.

En dat betekent volgens mij dat het HvJ in de BestWater-beschikking geen enkele uitspraak gedaan heeft over de vraag of embedden van illegale content al dan niet is toegestaan.


P.G.F.A. Geerts

IEF 14369

Auteursrechtdebat: Embedden van (illegale) content is toegestaan: ongewenst & onverstandig

Door Charlotte Meindersma, Charlotte's Law & Fine Prints. Een reactie op het overzicht bij hyperlinken & embedden IEF 14362. Met Bestwater bevestigt het HvJ EU simpelweg het Svensson-arrest. Embedden is toegestaan. Ook wanneer de embedded content onrechtmatig is openbaar gemaakt. Deze uitspraken leveren mijns inziens drie problemen op.

Allereerst heeft de maker, die zijn werk niet zelf, op een eenvoudig toegankelijke plaats, online heeft openbaar gemaakt, niet het (gehele) internetpubliek voor ogen gehad. Daardoor is er bij embedden wel sprake van een nieuw publiek. Voor de gebruikers, de embedders, weliswaar prettig, omdat voor hen lastig te achterhalen kan zijn of een werk al dan niet rechtmatig openbaar is gemaakt. Voor de makers is dit echter slecht nieuws, omdat door het legale embedden het werk ongevraagd veel verspreid kan worden, waardoor de ‘inbreuk’ (al is daar juridisch technisch misschien geen sprake meer van, voor de maker zal dat wel zo voelen) groter wordt. De schade is groter.

Ten tweede zorgt embedden ervoor dat de naam van de maker en de oorspronkelijke bron niet per definitie zichtbaar zijn voor internetgebruikers die de website met embedded content bezoeken. Een naam staat tenslotte niet altijd op of in het werk. Dat is de maker ook niet verplicht. Een naam die slechts bij het werk staat, zal niet meegenomen worden bij het embedden. Ook de bron is niet altijd duidelijk, omdat er niet per definitie doorgeklikt kan worden naar de bronsite, waardoor meer dan gemiddelde technische kennis nodig is om de bronsite te achterhalen.

Als laatste kan de maker op financiële achterstand komen te staan, wanneer de maker het werk zelf op een eigen website openbaar gemaakt heeft. Hoe vaker de (embedded) content bekeken wordt, hoe meer hostingcapaciteit dit kost. Stel dat content viral gaat, bijvoorbeeld omdat het door een aantal populaire websites als front.nl en GeenStijl wordt geëmbed, kost dit hostingcapaciteit waar de maker voor zal moeten betalen. Daarnaast kan het zijn dat de maker op diens eigen website advertentie-inkomsten misloopt, omdat bezoekers immers de content al via andere websites kunnen bekijken. Daarnaast kunnen de websites die de content embedden juist wel advertentie-inkomsten genereren door de populaire content te embedden. Ze maken geen kosten, maar verdienen wel met de embedded content. Ten koste van de maker.

IEF 10424

Overzicht modellenrechtpraktijk HvJ EU

Dit overzicht zal het komende jaar dienst doen als living document met voor de praktijk relevante rechtspraak van het HvJ EU vanaf zomer 2010, inclusief conclusies en aanhangige prejudiciële vragen. Steeds als er arresten zijn gewezen, conclusies zijn genomen of verzoeken zijn neergelegd wordt dit overzicht bijgewerkt. in deze serie: auteursrecht, modellenrecht, merkenrecht, octrooirecht en reclamerecht). Onder redactie van Laurens Kamp, Bingh advocaten.

Inhoudsopgave
A. HvJ EU
B. Gerecht EU
C. Conclusies HvJ EU
D. Aanhangige prejudiciële vragen
E. Verder in de pijplijn (vragen nog niet definitief gesteld)
F. Aanhangig bij het Gerecht EU
G. Boards of Appeal OHIM
H. Bijzonder arresten van de Hoge Raad of de Gerechtshoven

A. Hof van Justitie EU
1. HvJ EU 20 oktober 2011, zaak C-281/10, IEF 10374; PepsiCo v. OHIM/Grupo Promer Mon Graphic;
Uitleg begrip “geïnformeerde gebruiker”. Naast elkaar vergelijken van producten niet onder alle omstandigheden mogelijk. Gerecht mag het daadwerkelijke product in aanmerking nemen om de beoordeling van de inbreuk op basis van de modelregistratie te bevestigen.
2. HvJ EU 16 februari 2012, Zaak C-488/10; IEF 10919 (Celaya Emparanza y Galdos Internacional S.A. tegen Proyectos Integrales de Balizamientos S.L.)
Het is voor het starten van een inbreukprocedure niet relevant in hoeverre de inbreukmaker zijn model heeft ingeschreven als gemeenschapsmodel. Een inbreukverbod leidt echter niet automatisch tot nietigheid van het latere modelrecht. De houder van het latere model kan geen rechten ontlenen aan het feit dat zijn model is ingeschreven, aangezien het BHIM een aanvrage voor inschrijving alleen op formele gronden toetst. De door de verordening verleende rechten dienen objectief te worden beoordeeld, en de omvang daarvan hangt niet af van het gedrag van de aanvrager van het gemeenschapsmodel.
3. HvJ EU 15 november 2012, zaak C-180/11; IEF 12005 (Bericap)
Bepalingen die niet van toepassing zijn op de nietigheidsprocedure (gebruiksmodellen in Hongarije). Procesrecht: vraag of artikel 1019h van toepassing is in een zuivere nietigheidszaak.
4. HvJ EU 18 oktober 2012, Hogere voorzieningen C-101/11 en C-102/11; IEF 11890(Jose Manuel Baena Grupo SA v. OHIM/Herbert Neumann en Andoni Galdeano del Sel)
Vordering tot nietigverklaring van een model wegens strijd met een ouder Gemeenschapsmerk. Gerecht oordeelt dat het latere model een andere algemene indruk wekt bij de geïnformeerde gebruiker. Bij gebreke aan nauwkeurige aanwijzingen in de verordening kan er niet van worden uitgegaan dat de wetgever de beoordeling van eventuele modellen tot de rechtstreekse vergelijking heeft willen beperken.
5. HvJ EU 13 februari 2014, IEF 13538, zaak C-479/12 (Gautzsch Großhandel)
Het begrip ingewijden in de betrokken sector is niet beperkt tot handelaars die aan het ontwerp van het betrokken product hebben deelgenomen. Beschikbaarstelling aan het publiek hoeft niet plaats te vinden op het grondgebied van de Europese Unie. Bewijslast dat sprake is van namaak van een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel ligt bij de houder. Vermeend inbreukmaker draagt de bewijslast dat sprake is van een onafhankelijk scheppend werk.
6. HvJ EU 19 juni 2014, IEF 13959, zaak C-345/13 (Karen Millen Fashions) - dossier
Bij de beoordeling van het eigen karakter van een model moet worden uitgegaan van een of meer individueel beschouwde oudere modellen. Van de houder van een niet-ingeschreven gemeenschapsmodel kan niet worden verwacht dat hij bewijst dat zijn model een eigen karakter heeft.

B. Gerecht EU
1. Gerecht EU 6 oktober 2011, zaak T-246/10, IEF 10299  Industrias Francisco Ivars SL v. OHIM/Motive Srl.;
Vormgevingskenmerken van een machine zijn niet uitsluitend door hun technische functie bepaald, aangezien andere vormen mogelijk zijn. De oriëntatie van de koelvinnen van beide machines is een onbelangrijk detail.
3. Gerecht EU 9 september 2011, zaken T-10/08 en T-11/08, IEF 10157 Kwang Yang Motor Co. Ltd. v. OHIM/Honda Giken Kogyo Kabushiki Kaisha;
Nietigheidsprocedure op basis van een ouder US Design Patent. Onderdeel in een samengesteld voortbrengsel (motor van een grasmaaier). Zichtbaarheid beperkt tot bovenkant van de motor. Geïnformeerde gebruiker is de gebruiker van het samengestelde voortbrengsel. Vrijheid van de ontwerper niet beperkt door het enkele feit dat model bepaalde onderdelen dient te hebben, ook noodzakelijk dat deze op de wijze zoals vastgelegd in het model worden toegepast.
4. Gerecht EU 14 juni 2011, zaak T-68/10, IEF 9779 Sphere Time v. OHIM/Punch SAS;
Nietigheidsprocedure. Eerdere openbaarmaking van een vergelijkbaar design. Uitleg van begrip “geïnformeerde gebruiker”. Weergave van elementen in onderbroken lijnen betekent dat elementen geen onderdeel uitmaken van het model. Rol van afbeeldingen in vergelijking algemene indruk. Toepassing artikel 61(2) GModVo.
5. Gerecht EU 22 juni 2010, zaak T-153/08; IEF 8930 Shenzhen Taiden Industrial Co. Ltd v. OHIM/Bosch Security Systems B.V.;
Nietigheidsprocedure. Bewijs van openbaarmaking van model. Openbaarmaking op basis van verschillende bronnen mogelijk. Uitleg van begrippen geïnformeerde gebruiker en vrijheid van de ontwerper. Uitleg van de wijze waarop de algemene indruk moet worden vergeleken.
6. Gerecht EU 13 november 2012, zaken T-83/11 en T-84/11 (Antrax It Srl v. OHIM/(the) Heating Company B.V.B.A.)
Verzadiging van de stand van de techniek kan de perceptie van de geïnformeerde gebruiker beïnvloeden. Door het bestaan van andere modellen met dezelfde globale kenmerken kunnen kleine(re) verschillen een grotere rol spelen dan anders het geval zou zijn.
7. Gerecht EU 9 maart 2012, zaak T-450/08; IEF 11020 (Coverpla tegen BHIM)
Verzoeker mag in een nietigheidsprocedure kiezen welke bewijsmiddelen hij aandraagt om aan te tonen dat een ouder model voor het publiek beschikbaar is gesteld. OHIM moet alle ingediende stukken in aanmerking nemen om daarover een oordeel te vormen (r.o. 23). De beschikbaarstelling kan daarbij niet worden bewezen door aannames, maar moet worden bewezen door middel van concrete en objectieve middelen die een effectieve beschikbaarstelling op de markt aantonen (r.o. 24) (waarmee het Gerecht afwijkt van het vonnis in Sphere Time). Daarbij mogen verschillende bewijsstukken worden gecombineerd (r.o. 25).
8. Gerecht EU 14 mei 2014, IEF 12739, zaak T-68/11, Kastenholz v. OHIM/qwatchme A/S;
Hoger beroep tegen het vonnis van de derde Kamer van Beroep van het OHIM (zaak R 1086/2009-3). Nietigheidsvordering gericht tegen Gemeenschapsmodel 602363-00003 (afbeelding van een wijzerplaat) op grond van de artikelen 25 lid 1 sub b en 25 lid 1 sub f GModVo wegens het ontbreken van nieuwheid en schending van het auteursrecht op een kunstwerk van Paul Heimbach. Nietigheidsvordering tot tweemaal toe afgewezen. Gemeenschapsmodel niet nietig door auteursrecht op oudere kunstwerken.
9. Gerecht EU 9 september 2014, IEF 14184, zaak T 494/12 (Biscuit)
Vereiste van zichtbaarheid bij normaal gebruik geldt ook bij niet-samengestelde voortbrengselen. Als een kenmerk niet zichtbaar is bij het gebruik van het voortbrengsel, of het gehele voortbrengsel waarvan het model een onderdeel vormt, dan speelt het geen rol bij de beoordeling van het eigen karakter van het onderdeel in kwestie.
9. Gerecht EU 3 oktober 2014, IEF 14274, zaak T 39/13 (Niewinski tegen BHIM) - dossier
Als het oudere model dat de basis voor een vordering tot nietigverklaring vormt een onderdeel van een samengesteld voortbrengsel betreft, dan kunnen daarvan alleen de zichtbare kenmerken in aanmerking worden genomen.

C. Conclusies voor het Hof van Justitie EU
-

D. Aanhangige prejudiciële vragen
-

E. Verder in de pijplijn (vragen nog niet definitief gesteld)
-

F. Aanhangig bij het Gerecht EU
1. Gerecht EU 16 januari 2013, T-23/13, Senz v. Impliva
Model paraplu's

G. Boards of Appeal OHIM
1. Derde Kamer van Beroep OHIM, 25 januari 2008, zaak R84/2007-3 (Ferrari S.P.A./Dansk Supermarked A/S)
Race-auto wekt dezelfde algemene indruk op de geïnformeerde gebruiker van de speelgoedauto (miniatuurversie van de race-auto in kwestie). Andere gebruiksfunctie en andere geïnformeerde gebruiker niet relevant.

2. Derde Kamer van beroep OHIM, 22 oktober 2009, zaak R 690/2007-3 (Lindner Recyclingtech GmbH v. Franssons Verstäder AB); bij Gerecht EU T-98/10
Voor de vraag in hoeverre een vormgevingskenmerk is uitgesloten van bescherming op grond van artikel 8(1) GModVo is het niet relevant of er alternatieve vormgevingskenmerken mogelijk zijn die eenzelfde functie hebben. Artikel 8(1) GModVo sluit alleen die vormgevingskenmerken uit van bescherming die uitsluitend zijn gekozen om een bepaalde functie te vervullen. Vormgevingskenmerken die objectief gezien zijn gekozen om het voorwerp in zekere mate visueel aantrekkelijk te maken vallen niet onder de uitsluitingsgrond van artikel 8(1) GModVo.
3. Third Board of Appeal 24 januari 2011, zaak R 91/2010-3 Svedbergs i Dalstorp AB v. Gofab Design AB;
Elementen weergegeven in gestippelde lijnen maken geen onderdeel uit van de weergave waarin ze zijn afgebeeld.
4. Derde Kamer van beroep OHIM, 18 februari 2013, IEF12731, zaak R-595/2012-3 (A.C.J. Ammerlaan v. OHIM)
Een levend organisme geldt niet als een voortbrengsel in de zin van artikel 3 van de Verordening, aangezien het geen op industriële of ambachtelijke wijze vervaardigd voorwerp is.
5. Derde Kamer van beroep OHIM 12 juli 2011, zaak R 1701/2010-3, Geobra Brandstatter GmbH & Co KG v. Shantou Wanshun Toys Industrial Co. Ltd.;
Het toevoegen van een niet onderscheidend element zorgt niet voor een andere indruk bij de geïnformeerde gebruiker. De enkele toevoeging van een element aan een bestaand model (i.c. een aanhanger bij een vrijwel identieke speelgoedvrachtwagen) is onvoldoende om een andere algemene indruk bij de geïnformeerde gebruiker te wekken.
6. Derde Kamer van beroep OHIM, 25 oktober 2011, zaak R-978/2010-3 (The Proctor & Gamble Company v. SCA Hygiene Products AB)
Elementen die worden weergegeven in stippellijnen zijn elementen waarvoor geen bescherming wordt gezocht en maken derhalve geen onderdeel uit van de weergave in kwestie. De modelhouder kan deze elementen niet achteraf toch in niet-onderbroken lijnen weergeven, aangezien dit een uitbreiding van de beschermingsomvang van het model in kwestie zou opleveren.

H. Bijzondere arresten Nederlands Hoge Raad en Gerechtshoven
1. Gerechtshof ’s-Gravenhage 17 mei 2011, IEF 9691 I-Drain B.V.B.A. v. Easy Sanitary Solutions;
Een nieuwe gebruiksfunctie van een bestaand model brengt niet zonder meer met zich mee dat zelfstandige modelbescherming kan worden verkregen. Afstand van de Kinderkapperstoelleer uit het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 1995, IEF 12132 (BIE 1998, 63; NJ 1995, 670).
2.Gerechtshof ’s-Gravenhage 30 november 2010, IEF 9252 Hansgrohe AG v. Tiger Nederland B.V.;
Geen eigen karakter belichaamd in elementen die kunnen worden beschouwd als een uiting van een bepaalde stijl of trend. Geen verwatering van een modelrecht mogelijk, zo lang de modelrechthouder consequent optreedt tegen navolgingen. Apparaatgerichte leer tevens van toepassing in het modelrecht.
3. HR 31 mei 2013, IEF 12714, Apple Inc. v. Samsung Electronics
De vraag of een modelrecht beschikt over een eigen karakter moet worden beantwoord aan de hand van de verschillen die bestaan tussen het model en het model of de modellen waarop het nietigheidsverweer is gebaseerd. Dit geldt evengoed wanneer de partij die zich op de nietigheid van het model beroept, zich baseert op meerdere oudere modellen, en dus op het vormgevingserfgoed als zodanig (anders: HvJEU in Karen Millen).