DOSSIERS
Alle dossiers

Collectieve exploitatie  

IEF 11892

Rechtbank gebiedt ondertekening IE-exploitatiecontract

Rechtbank Arnhem 3 oktober 2012, LJN BY0532 (8Ball Music tegen Lubix Europe B.V.)

Exploitatie van IE-rechten, waaronder portretrechten. Contractenrecht. 8ball Music B.V. houdt zich onder meer bezig met de exploitatie van intellectuele eigendomsrechten van uitvoerende kunstenaars met wie zij een exclusieve exploitatieovereenkomst op het gebied van onder andere optredens, ‘merchandising’, ‘sponsoring’ en ‘endorsement’ heeft gesloten. Lubix Europe B.V. voert een groothandel in consumentelektronica, waaronder mobiele telefoonaccessoires als een ‘bluetooth headset’.

Op grond van een overeenkomst is Lubix Europe B.V. aan 8ball Music B.V. een vergoeding verschuldigd voor het gebruik van onder meer de portret-, handelsnaam en merkrechten aangaande de betrokkene. Enkele wensen van Lubix:

• Bekendmaking deal in de Media, bladen etc, etc
• Het is de bedoeling dat [betrokkene1] bij het ontwerpproces nauw betrokken gaat worden, zowel voor de unit zelf evenals de verpakking. Hierdoor wordt het echt zijn ding met zijn Identiteit. Het vaker dragen is dan minder een kwestie daar het echt iets van hem is
• Wij hebben begrepen dat [betrokkene1] nauw betrokken gaat worden in “ The Voice 2” het zou helemaal top zijn als hij zijn “Beetle” om heeft

Vraag of tussen 8Ball Music en Lubix Europe een overeenkomst tot stand is gekomen op 1 augustus 2011, met betrekking tot het herontwerpen door een bekende zanger van een "Lubix Beetle Bluetooth Headset". Rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Overeenstemming over essentialia van de overeenkomst, eventuele openstaande punten zijn van ondergeschikte betekenis, partijen hebben gedeeltelijk uitvoering gegeven aan wat is overeengekomen en tevens verder onderhandeld over deopenstaande punten. Vordering tot betaling factuur toegewezen. De rechtbank gebiedt Lubix Europe B.V. om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot ondertekening van de laatste schriftelijke uitwerking van de overeenkomst.

 

4.8.  Op basis van bovengenoemde mailwisseling mocht 8ball Music B.V. erop vertrouwen dat omtrent de daarin genoemde onderwerpen overeenstemming was bereikt. Lubix Europe B.V. heeft weliswaar aangevoerd dat zij nog mondelinge voorbehouden heeft gemaakt, waarmee zij klaarblijkelijk doelt op de onderwerpen die in voormelde emails aan de orde zijn gekomen. Zij heeft deze stelling echter niet nader onderbouwd. Dat had wel van haar mogen worden verwacht, gelet op de betwisting daarvan door 8ball Music B.V. Lubix Europe B.V. heeft ter comparitie haar verweer slechts herhaald, zonder nadere concretisering. Dat betekent dat niet als vaststaand kan worden aangenomen dat er nog mondelinge voorbehouden zijn gemaakt ten aanzien van de onderwerpen die staan opgesomd in de e-mails van 20 juli 2011 en 28 juli 2011.


5.1.  veroordeelt Lubix Europe B.V. om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan 8ball Music B.V. te betalen een bedrag van € 59.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119a BW over het bedrag van € 59.500,00 met ingang van 1 oktober 2011 tot de dag van volledige betaling,


5.2.  gebiedt Lubix Europe B.V. om de door haar aangegane verplichtingen uit de overeenkomst van 1 augustus 2011 volledig en tijdig na te komen, met de aantekening dat zij gekweten is van de betaling van € 59.500,00 indien zij tijdig aan de beslissing onder 5.1. heeft voldaan,

5.3.  gebiedt Lubix Europe B.V. om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis over te gaan tot ondertekening van de laatste schriftelijke uitwerking van de overeenkomst van 1 augustus 2011, zoals aan Lubix Europe B.V. per e-mail verstuurd op 5 oktober 2011, met de aantekening dat de looptijd van de overeenkomst van 1 augustus 2011 aanvangt per 1 oktober 2011, de eerste betalingstermijn verschuldigd is per 1 oktober 2011 en de tweede betalingstermijn verschuldigd is per 1 april 2012,

IEF 11863

Grenspost (Arrest HR)

HR 12 oktober 2012, LJN BW8301 (Stichting De Thuiskopie tegen Opus Supplies Deutschland GmbH)

Uitspraak ingezonden door Tobias Cohen Jehoram en Vivien Rörsch, De Brauw Blackstone Westbroek.

Auteursrecht. Thuiskopie. Niet-doorberekenen van billijke vergoeding was een keuze van Opus. Leveringsvoorwaarden waarin klantverhouding als importeur werd bestempeld, maakt de billijke vergoeding oninbaar. Over de uitleg van art. 16c Auteurswet, de procedure voortgezet na het tussenarrest van de Hoge Raad van 20 november 2009 (IEF 8367) en na het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 juni 2011 (IEF 9791) en de conclusie A-G (IEF 11412). De Hoge Raad vernietigt het arrest van 12 juli 2007 (IEF 4391) en verwijst naar Hof Amsterdam.

Een Duitse aanbieder verkoopt vanuit Duitsland via internet blanco-gegevensdragers aan Nederlandse consumenten. De vraag is wie dan als ‘importeur’ (op wie de verplichting tot betaling van de thuiskopievergoeding rust) in de zin van art. 16c lid 2 Aw moet worden aangemerkt.

2.4 (...) In het licht van de in het tussenarrest vastgestelde feiten, zoals herhaald en samengevat in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.18, en in aanmerking genomen

(i) dat, zoals in het tussenarrest al is overwogen, indien de koper/consument voor de toepassing van art. 16c lid 2 Aw als importeur heeft te gelden op de grond dat hij ingevolge de leveringsvoorwaarden van de verkoper in de rechtsverhouding tussen partijen als zodanig is aangemerkt, zulks zou leiden tot de situatie dat de billijke vergoeding in feite oninbaar zou zijn en daarmee sprake is van het "onmogelijk" zijn als bedoeld aan het slot van het tweede antwoord van het HvJEU,
(ii) dat in de door het hof vastgestelde feiten besloten ligt dat op het grondgebied van Nederland het nadeel ontstaat dat auteurs van auteursrechtelijk beschermde werken lijden als gevolg van reproduceren, bedoeld in art. 16c lid 1 Aw, van zulke werken op de informatiedrager door de in Nederland wonende kopers daarvan, en
(iii) dat Opus GmbH over de mogelijkheid beschikt het bedrag van deze billijke vergoeding door te berekenen in de door de kopers betaalde prijs voor de informatiedragers,

moet worden geoordeeld dat Opus GmbH in de zin van art. 16c lid 2 Aw als importeur van de informatiedragers in Nederland heeft te gelden en dus de in deze bepaling bedoelde billijke vergoeding is verschuldigd.

2.5. Daaraan doet niet af dat Opus GmbH geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid het bedrag van deze billijke vergoeding door te berekenen aan de kopers van de informatiedragers. Dit berust op een door Opus GmbH gemaakte keuze waarvan de gevolgen voor haar rekening komen.

2.6. Gelet op het antwoord dat het HvJEU heeft gegeven op de tweede door de Hoge Raad gestelde vraag van uitleg staat aan de hiervoor in 2.4 aan art. 16c lid 2 Aw gegeven uitleg voor het onderhavige geval, evenmin in de weg dat Opus GmbH een niet in Nederland gevestigde rechtspersoon is.

Lees de grosse nr. 07/13259, LJN BW8301.

Op andere blogs:
Cassatieblog (Thuiskopievergoeding kan worden geheven van buitenlandse verkoper van informatiedragers)
Internetrechtspraak (Hoge Raad 12 oktober 2012 (in buitenland gevestigde importeur))

IEF 11798

Brandbrief Buma/Stemra over positie muziekauteurs

L.A.J.M. de Wit, Brandbrief over positie muziekauteurs aan minister-president Rutte, 24 september 2012. - doc-versie

In't kort: De nieuwe legale aanbieders kunnen op lange termijn alleen overleven als er een heel duidelijk verschil is tussen de legale en de illegale markt. Tegen gratis zullen zij nooit serieus kunnen concurreren. Het is nu aan de politiek om de norm te stellen. En hier wijkt onze situatie wezenlijk af van de situatie in andere landen. Nederland is samen met Bulgarije het enige land in Europa waar de overheid niets onderneemt om de muziekauteurs en uitgevers te beschermen. Daarom wil ik via deze brief een klemmend beroep op u doen om bij de formatie van een nieuw kabinet aandacht te besteden aan deze economisch zeer belangrijke groep die tot nu toe nog niet op de steun van politiek Den Haag heeft kunnen rekenen. Zorg ervoor dat hun rechten beschermd worden en dat de legale initiatieven een eerlijke kans krijgen.

Via deze brief doe ik een dringende oproep aan u om tijdens het formatieproces aandacht te besteden aan de belangen van de componisten, tekstschrijvers en muziekuitgevers in Nederland. De muziekindustrie bevindt zich op een kruispunt. Na jaren van grote daling in de inkomsten zorgen nieuwe business modellen voor een afvlakking hiervan. Het is nu aan de politiek om haar verantwoordelijkheid te nemen en uitvoering te geven aan één van haar kerntaken, namelijk, het beschermen van - intellectuele - eigendommen. Alleen op deze manier krijgt deze markt een serieuze kans, net als dat al het geval is in de ons omringende landen. (...)

Het is voor Buma/Stemra als belangenbehartiger goed om te zien dat de legale online markt zich de afgelopen jaren in rap tempo heeft ontwikkeld. Hier heeft Buma/Stemra ook hard aan meegewerkt. Momenteel heeft Buma/Stemra licenties met zo’n 60 online aanbieders van muziek. Grote bekende namen zijn iTunes, Ziggo Muziek, Spotify en YouTube.
Deze partijen dragen een afgesproken percentage van hun omzet af aan de makers van de muziek waar zij hun geld mee verdienen.

(...) De nieuwe legale aanbieders kunnen op lange termijn alleen overleven als er een heel duidelijk verschil is tussen de legale en de illegale markt. Tegen gratis zullen zij nooit serieus kunnen concurreren. Het is nu aan de politiek om de norm te stellen.

En hier wijkt onze situatie wezenlijk af van de situatie in andere landen. Nederland is samen met Bulgarije het enige land in Europa waar de overheid niets onderneemt om de muziekauteurs en uitgevers te beschermen. Als gevolg daarvan maakt in Nederland de omzet van de legale online markt met slechts 14% het kleinste gedeelte uit van de totale muziekmarkt. In Zweden is dit 44% en in de USA zelfs 51%. Dit zijn landen waar de overheid wel inspanningen verricht om de rechten van auteurs te beschermen. Als gevolg daarvan maakt in Nederland de omzet van de legale online markt met slechts 14% het kleinste gedeelte uit van de totale muziekmarkt. In Zweden is dit 44% en in de USA zelfs 51%. Dit zijn landen waar de overheid wel inspanningen verricht om de rechten van auteurs te beschermen.

Daarom wil ik via deze brief een klemmend beroep op u doen om bij de formatie van een nieuw kabinet aandacht te besteden aan deze economisch zeer belangrijke groep die tot nu toe nog niet op de steun van politiek Den Haag heeft kunnen rekenen. Zorg ervoor dat hun rechten beschermd worden en dat de legale initiatieven een eerlijke kans krijgen.

Hoogachtend,

Mr. L.A.J.M. de Wit
Bestuursvoorzitter Buma/Stemra a.i.

IEF 11787

Fiche Richtlijn collectief beheer: korte inhoud voorstel

Kamerbrief 21 september 2012, Informatievoorziening over nieuwe Commissievoorstellen, Fiche 4: Richtlijn Collectief beheer auteurs- en naburige rechten en muziekrechten op internet, p. 27-34.

Minimumharmonisatie. Korte inhoud voorstel
Het voorstel richt zich op de verbetering van het functioneren van organisaties die zich bezighouden met het beheer van auteurs- en naburige rechten (collectieve beheersorganisaties (hierna: cbo’s) door eisen aan governance en transparantie te stellen en op verbetering van de auteursrechtlicentiëring van online muziekdiensten (zoals download- of streamingwebsites).

Bevoegdheidsvaststelling en subsidiariteits- en proportionaliteitsoordeel
De rechtsbasis wordt gevormd door de artikelen 50 lid 2 onder g, 53 en 62 VWEU. Subsidiariteit: positief, omdat goed functioneren van collectieve beheersorganisaties en verbeteren van licentiëring op internet grensoverschrijdende kwesties zijn. Proportionaliteit: positief, zolang het voorstel voorziet in minimumharmonisatie en lidstaten de nodige flexibiliteit biedt om op nationaal niveau aanvullende of strengere regels te stellen.

Implicaties/risico’s/kansen
Het voorstel vertoont overlap met het bij de Eerste Kamer aanhangige wetsvoorstel dat het toezicht op cbo’s versterkt ((Eerste Kamer, vergaderjaar 2011-2012, 31 766 A). 31766) en behelst een uitbreiding van de taken van het College van Toezicht auteurs- en naburige rechten (toezichthouden op de eisen die worden gesteld aan cbo´s die multiterritoriale licenties verlenen voor online muziekdiensten).\

Nederlandse positie
Het kabinet verwelkomt het richtlijnvoorstel maar heeft nog veel vragen bij de uitwerking. Nederland staat positief tegenover een Europees kader voor governance en transparantie omdat dit het functioneren van cbo’s in grensoverschrijdende situaties kan verbeteren. Voorwaarde is wel dat de richtlijn voorziet in minimumharmonisatie en voldoende flexibiliteit biedt om op nationaal niveau regelingen te treffen, bijvoorbeeld om gebruikers te beschermen.

De richtlijn moet aansluiten bij voortzetting van het beleid dat zich richt op één factuur voor ondernemingen (werkgroep Pastors) en aan de instelling van één loket voor de incasso van vergoedingen door cbo’s in de offline omgeving. Er zal duidelijkheid moeten komen over de wijze waarop de regels voor transparantie en i worden gehandhaafd in lidstaten waar geen overheidstoezicht bestaat. Zonodig moet het voorstel op dit punt verder worden aangescherpt. De regeling voor multiterritoriaal licentiëren van muziekauteursrecht op internet kan bijdragen aan het versterken van het legale aanbod van muziekwerken op internet. Dat is een wenselijk streven, maar er moet meer duidelijkheid komen omtrent het uiteindelijke effect van deze richtlijn op het aanbod van legale muziekdiensten en op het aantal cbo’s dat overgaat tot multiterritoriale licentiëring. Naast het belang van de gebruiker zijn de gevolgen voor de culturele diversiteit, de positie van Nederlands repertoire, de gevolgen voor de positie van de individuele auteur en de bescherming van persoonsgegevens voor Nederland aandachtspunten in de onderhandelingen.

IEF 11786

Prejudiciële vragen: mededeling aan patiënten in een kuuroord

Prejudiciële vragen aan HvJ EU 14 september 2012, zaak C-351/12 (Ochranný svaz autorský pro práva k dílům hudebním, o. s. (OSA) tegen Léčebné lázně Mariánské Lázně, a. s.)

Marienbad, TrinkhallePrejudiciële vragen gesteld door Krajský soud v Plzni, Tsjechische republiek.

Collectief beheer. Beperking van auteursrecht voor zorginstellingen in strijd met Richtlijn. Mededeling via radio/televisie aan patiënten in de kamers van een kuurinrichting. Artikel 56 e.v. VWEU (vrij verkeer diensten); artikel 102 VWEU (misbruik machtspositie); Richtlijn 2001/29/EG; Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt. Drie vragen:

1. Moet richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, aldus worden uitgelegd dat een beperking die makers een vergoeding ontzegt voor de mededeling van hun werk via radio- of televisie-uitzending door middel van radio- of televisieontvangstapparatuur aan patiënten in de kamers van een kuurinrichting die geldt als onderneming, in strijd is met de artikelen 3 en 5 (artikel 5, leden 2, sub e, 3, sub b, en 5) ervan?

2. Zijn deze bepalingen van de richtlijn inzake bovenbedoeld gebruik van een werk zo nauwkeurig en onvoorwaardelijk dat collectieve beheersorganisaties voor auteursrechten zich er voor de nationale rechter in een geschil tussen particulieren op kunnen beroepen, indien een lidstaat de richtlijn niet correct in nationaal recht heeft omgezet?

3. Moeten de artikelen 56 en volgende en 102 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (of, in voorkomend geval, artikel 16 van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt) aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan de toepassing van bepalingen van nationaal recht die het collectieve beheer van auteursrecht op het grondgebied van de staat voorbehouden aan één enkele collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten (monopolist), zodat afnemers van de dienst niet de vrije keuze hebben voor een collectieve beheersorganisatie van een andere lidstaat van de Europese Unie?

Verzoekster OSA, een collectieve beheersorganisatie voor auteursrechten op muziekwerken, vordert een bedrag van CZK 546 995 van verweerster wegens ongerechtvaardigde verrijking. Verweerster is een onderneming op het gebied van intramurale en ambulante zorg (bronnenbad) waarbij accommodatie en catering wordt aangeboden. Zij heeft geen overeenkomst met verzoekster gesloten voor het gebruik van werken die op de in de accommodatie aanwezige radio- en tv-toestellen te horen en te zien zijn. Verzoekster gaat er daarbij vanuit dat de in de Tsjechische auteurswet neergelegde beperking van het auteursrecht voor zorginstellingen in strijd is met Richtlijn 2001/29.

Verweerster stelt dat de door haar verstrekte zorg gedeeltelijk uit de staatskas wordt betaald. Ook het beheer/onderhoud van de geneeskrachtige bronnen is een publiekrechtelijke taak. Zij meent dat de Richtlijn niet geschonden wordt en zo ja dan zou die in een geschil tussen particulieren toch niet kunnen worden ingeroepen. Ook is zij van mening dat verzoekster misbruik maakt van haar monopoliepositie en hogere vergoedingen vraagt dan buitenlandse collectieve beheersorganisaties. Zij ziet daardoor haar concurrentiepositie verslechteren en beschouwt de machtspositie van verzoekster als een inperking van de vrijheid van dienstverrichting.

Op andere blogs:
KluwerCopyrightBlog (First hotel rooms, then dental practice, and now spa establishments)

IEF 11783

Federatie Auteursrechtbelangen: opzet, bestuur, waarheen en pleidooi voor herwaardering auteursrecht

Uit de VOI©Email special: Het Platform Makers, het Platform Creatieve Media Industrie en de Vereniging VOI©E werken samen in de Federatie Auteursrechtbelangen aan wie zij gemeenschappelijke taken hebben gedelegeerd. Deze taken zijn als volgt samen te vatten:
- voorbereiding en vaststelling gezamenlijke standpunten en bevordering hiervan;
- informatie-uitwisseling en het bieden van een platform voor gecoördineerd optreden; - voorlichting en promotie;
- financiering en aansturing van collectieve handhaving (door Stichting Brein).

Voorzitter Federatie Auteursrechtbelangen bepleit herwaardering auteursrecht
In zijn essay “Auteursrecht in een digitale wereld- Bescherm kunstenaar ook op het web”, afgelopen zaterdag aan de vooravond van de 100ste verjaardag van de Nederlandse Auteurswet gepubliceerd in Het Financieele Dagblad, bepleit de nieuwe voorzitter van de Federatie Auteursrechtbelangen Pim van Klink een herwaardering van het auteursrecht vanwege de cruciale rol voor de ontwikkeling van de gehele economie. Lees zijn essay hier.

Waarheen, waarvoor... Federatie Auteursrechtbelangen
In de eerste vergadering van het nieuwe bestuur van de Federatie Auteursrechtbelangen hebben de contouren en ambities van de Federatie vorm gekregen.

Bestuur Federatie benoemd
De Federatie Auteursrechtbelangen bestaat uit een onafhankelijk voorzitter en drie vertegenwoordigers van elk van de drie aangesloten organisaties: Platform Makers, Platform Creatieve Media Industrie en VOI©E. Het bestuur is bij de start als volgt samengesteld.

Opzet stichting Federatie Auteursrechtbelangen, organisatie voor auteursrecht en naburige rechten
De statuten van de sinds 1984 bestaande Stichting Auteursrechtbelangen zijn aangepast aan het nieuwe samenwerkingsverband dat in september officieel van start is gegaan.

Het Platform Makers, het Platform Creatieve Media Industrie en de Vereniging VOI©E werken samen in de Federatie Auteursrechtbelangen aan wie zij gemeenschappelijke taken hebben gedelegeerd. Deze taken zijn als volgt samen te vatten:
- voorbereiding en vaststelling gezamenlijke standpunten en bevordering hiervan;
- informatie-uitwisseling en het bieden van een platform voor gecoördineerd optreden; - voorlichting en promotie;
- financiering en aansturing van collectieve handhaving (door Stichting Brein).

Werkwijze
Ieder der drie platforms stelt autonoom het beleid vast voor zijn specifieke werkterrein c.q. zijn gebied van belangenbehartiging. In de Federatie kan worden besproken op welke terreinen en op welke wijze afstemming en overleg en zo gewenst gezamenlijk optreden plaatsvindt. De voorzitter van de Federatie heeft geen functie in een van de drie platforms, noch in een van de bij een platform aangesloten organisaties.

Bij de uitvoering van haar werkzaamheden maakt de Federatie gebruik van een ambtelijk secretaris en bureaufaciliteiten, waarbij wordt samengewerkt met VOI©E. De financiering van de werkzaamheden van de Federatie geschiedt door collectieve bestemming van een gedeelte van de opbrengst uit de collectieve exploitatie van de rechten, verdeeld over de sectoren muziek, video en geschriften/multimedia.

Bestuur en Federatieraad
De Federatie is een stichting. Alleen de drie platforms zijn aangesloten bij de Federatie. Ieder platform is vertegenwoordigd in het bestuur met drie zetels, maar daarnaast behouden aangeslotenen van de platforms invloed op de beleidsontwikkeling van en besluitvorming binnen de Federatie door middel van participatie in de Federatieraad. Elk platform wijst vier afgevaardigden, niet zijnde bestuursleden, aan die stemrecht hebben in de Federatieraad.

IEF 11775

HR stelt HvJ EU vragen over het vaststellen van de thuiskopievergoeding

HR 21 september 2012, LJN BW5879 (ACI Adam B.V. c.s. tegen Stichting De Thuiskopie en Stichting Onderhandelingen Thuiskopie Vergoeding) - grosse
Uitspraak mede ingezonden door Mieke Merkelijn, vivien Rörsch en Tobias Cohen Jehoram, De Brauw Blackstone Westbroek. en Rob Meijer en Thijs van Aerde, Houthoff Buruma.

In navolging van IEF 9217. Uit't persbericht: De Hoge Raad heeft vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie die betrekking hebben op het vaststellen van de thuiskopievergoeding.

De Auteurswet schrijft voor dat een thuiskopievergoeding moet worden betaald voor het – op zichzelf toegestane – opnemen door particulieren van auteursrechtelijk beschermde werken op beeld- en geluidsdragers zoals lege cd’s en dvd’s. Deze vergoeding moet worden betaald door de fabrikanten en importeurs van deze dragers. Die fabrikanten en importeurs berekenen die vergoeding door aan de gebruikers door een opslag op de koopprijs van die dragers.

In cassatie heeft de Hoge Raad de vraag voorgelegd gekregen hoe de hoogte van de thuiskopieervergoeding moet worden berekend. Bij het beantwoorden van deze vraag is van belang of bij die berekening moet worden uitgegaan van het totale aantal thuiskopieën, dat wil zeggen zowel die uit legale, als die uit illegale bron, of dat alleen moet worden uitgegaan van kopieën uit legale bron. Voor de hoogte van de vergoeding maakt dit een groot verschil.  Dit roept de vraag op of de Europese Auteursrichtlijn, waar het gaat om de bepaling die het maken van thuiskopieën toestaat,onderscheid maakt tussen legale en illegale thuiskopieën.

Het hof vond deze laatste vraag niet van belang. Volgens de bedoeling van de Nederlandse wetgever, die geen verschil maakt tussen legale en illegale thuiskopieën, zou de hoogte van de vergoeding moeten worden gebaseerd op het totaal aan thuiskopieën, legaal én illegaal, aldus het hof (LJN BO3982, [red.. zie ook IEF 9217] ).

De Hoge Raad vindt het weldegelijk van belang of de Europese Auteursrichtlijn verschil maakt tussen legale en illegale thuiskopieën. Daarom stelt de Hoge Raad de volgende vragen aan het Europese Hof van Justitie, samengevat:

• Laat de Europese Auteursrichtlijn het kopiëren uit illegale bron wel of niet toe? (Zo nee, dan zal de Nederlandse Auteurswet (art. 16c) net zo moeten worden uitgelegd.)
• En mag – in het geval kopiëren uit illegale bron volgens deze richtlijn niet is toegestaan – door de wet een vergoeding worden opgelegd voor thuiskopieën uit illegale bron, zolang er geen mogelijkheden zijn om illegaal thuiskopiëren tegen te gaan?.

1. Dient art. 5 lid 2, aanhef en onder b - al dan niet in verbinding met art. 5 lid 5 - Auteursrechtrichtlijn aldus te worden uitgelegd dat de daar bedoelde beperking van het auteursrecht geldt voor aan de in dat artikel vermelde eisen beantwoordende reproducties, ongeacht of de exemplaren van het werk waaraan die reproducties zijn ontleend, rechtmatig - dat wil zeggen: zonder schending van de auteursrechten van de rechthebbenden - ter beschikking zijn gekomen van de betrokken natuurlijke persoon, of geldt die beperking slechts voor reproducties die zijn ontleend aan exemplaren die zonder auteursrechtinbreuk aan de betrokken persoon ter beschikking zijn gekomen?

2. a. Indien het antwoord op vraag 1 luidt als aan het slot daarvan vermeld, kan toepassing van de 'driestappentoets', bedoeld in art. 5 lid 5 Auteursrechtrichtlijn, dan aanleiding vormen om de werkingssfeer van de beperking van art. 5 lid 2 uit te breiden, of kan die toepassing slechts ertoe leiden de reikwijdte van de beperking terug te dringen?

b. Indien het antwoord op vraag 1 luidt als aan het slot daarvan vermeld, is dan een regel van nationaal recht die ertoe strekt dat ter zake van reproducties, door een natuurlijke persoon voor privégebruik gemaakt en zonder enig direct of indirect commercieel oogmerk, een billijke vergoeding verschuldigd is, ongeacht of de vervaardiging van die reproducties ingevolge art. 5 lid 2 Auteursrechtrichtlijn geoorloofd is - en zonder dat die regel afbreuk doet aan het verbodsrecht van de rechthebbende en diens aanspraak op schadevergoeding - strijdig met art. 5 Auteursrechtrichtlijn, dan wel met enige andere regel van Europees recht?

Is voor de beantwoording van deze vraag, in het licht van de 'driestappentoets' van art. 5 lid 5 Auteursrechtrichtlijn, van belang dat technische voorzieningen om het maken van ongeoorloofde privékopieën tegen te gaan (nog) niet beschikbaar zijn?

3. Is de Handhavingsrichtlijn van toepassing op een geding als het onderhavige, waarin - nadat een lidstaat op de voet van art. 5 lid 2 onder b Auteursrechtrichtlijn de verplichting tot het afdragen van de in die bepaling bedoelde fair compensation heeft opgelegd aan producenten en importeurs van dragers die geëigend en bestemd zijn voor de reproductie van werken, en heeft bepaald dat die fair compensation dient te worden afgedragen aan een door die lidstaat aangewezen organisatie die met de heffing en verdeling van de fair compensation is belast - door betalingsplichtigen wordt gevorderd dat de rechter ten aanzien van bepaalde in geschil zijnde omstandigheden die van belang zijn voor de vaststelling van de fair compensation, verklaringen voor recht geeft ten laste van de bedoelde organisatie, die zich daartegen verweert?

Op andere blogs:
DeBrauw Legal Alert (CJ asked if private copy from illegal source is legal)
Cassatieblog (Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over thuiskopievergoeding)
Rechtennieuws (Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over thuiskopievergoeding)
Stichting BREIN (Hoge Raad stelt vragen over thuiskopievergoeding voor kopiëren van illegaal aanbod)
SOLV
(Hoge Raad stelt prejudiciële vragen over thuiskopievergoeding en downloaden uit illegale bron)
Internetrechtspraak (Hoge Raad 21 september 2012 (ACI vs. Thuiskopie))

IEF 11766

Internetconsultatie Richtlijn collectieve beheersorganisaties

Internetconsultatie Richtlijn collectieve beheersorganisaties

Einddatum consultatie 19 oktober 2012.
Concept regeling: hier
Ontwerp toelichting (impact assessment): hier

Doel van de consultatie
Doel van de consultatie is de standpunten van Nederlandse belanghebbenden over bepaalde onderwerpen in deze richtlijn te inventariseren. De inventarisatie zal gebruikt worden om het Nederlandse standpunt voor de onderhandelingen in Brussel nader te bepalen. Wij zijn vooral geinteresseerd in de verwachte effecten van de richtlijn voor de praktijk.

Verwachte effecten van de regeling
Collectieve beheersorganisaties (cbo) zullen moeten voldoen aan eisen op het gebied van transparantie en governance. Cbo’s zullen bovendien met elkaar moeten gaan concurreren doordat rechthebbenden de mogelijkheid krijgen (voor een gedeelte van hun rechten) van cbo te wisselen en doordat het voorstel een regeling bevat voor de uitgifte van multiterritoriale licenties door cbo’s.

De Europese Commissie geeft in haar Impact Assessment dat zij verwacht dat het voorstel de volgende effecten heeft voor de betrokken doelgroepen:

(Transparantie en governance)
- Rechthebbenden kunnen beter toezicht houden op de financiën en de besluitvorming van cbo's.
- Rechthebbenden kunnen het functioneren van cbo's vergelijken.
- Rechthebbenden krijgen inspraak in de besluitvorming van de cbo (verdeling van gelden e.d.)
- Cbo's zullen op langere termijn efficiënter moeten gaan opereren en de concurrentie zal toenemen.
- Gebruikers profiteren doordat cbo's efficiënter gaan functioneren en daardoor betere service gaan bieden.
- Gebruikers profiteren ook doordat een geschillenbeslechtingsregeling wordt ingesteld.

(Multiterritoriaal licentiëren)
-Opkomst van enkele cbo's die multiterritoriaal kunnen licentiëren.
-Rechthebbenden hebben een sterke incentive om voor een paspoortcbo te kiezen en daarbij voor de meest efficiënte cbo.
-Meer keuze voor gebruikers en makkelijker om licenties voor geheel Europa te verkrijgen.
- De markt voor cbo's consolideert zonder dat sprake is van monopolievorming.
- Geen wederkerigheidsovereenkomsten hoeven te worden gesloten.
- Geen tweedeling ontstaat tussen commercieel aantrekkelijk en niet-commercieel aantrekkelijk repertoire.

Op welke onderdelen van de regeling wordt een reactie gevraagd
In het bijzonder zien wij graag een aantal vragen beantwoord. De vragen zullen verschijnen als op de link "Geef uw reactie op deze consultatie" wordt geklikt. Deze vragen gaan over de transparantie en governance van cbo's (Titel II) en de mogelijkheid tot verkrijging van een multilaterale licentie (Titel III). In uw antwoord verzoeken wij u een onderscheid te maken tussen off- en online in de beschrijving van de effecten van de richtlijn. Ten slotte willen wij graag weten of u vindt dat het voorstel zich tot muziekrechten moet beperken of dat het ook op naburige rechten van toepassing moet zijn en hoe u verwacht dat de markt zich ontwikkelt wanneer dit voorstel in deze vorm wordt aangenomen.

IEF 11736

Reactie Buma/Stemra op het voorstel voor de Richtlijn Collectief Beheer

M. de Vries en A. Kroeze, Reactie Buma/Stemra op het voorstel voor de Richtlijn Collectief Beheer, IE-Forum, IEF 11736.

Een bijdrage van Michael de Vries en Anja Kroeze, Buma/Stemra.

Uit de conclusie: Met de Europese Commissie onderschrijft Buma/Stemra dat auteursrechten van significant belang zijn voor de economie en de muziekcultuur. Dat Europese regels worden gesteld aangaande bestuur, transparantie en financieel beheer om dat belang te beschermen en een ‘level playing field’ te creëren in Europa is goed voor rechthebbenden en consumenten.

Ten aanzien van de consumenten wordt opgemerkt dat voor wat betreft het legale online aanbod al grote stappen zijn gezet. Ter illustratie wordt aangegeven dat door SEO Economische Onderzoek (hierna: ‘SEO’) het volgende wordt geconcludeerd: “Tot slot dient te worden opgemerkt dat de digitale markten zeer dynamisch zijn. Dit blijkt onder meer uit de progressie van de muzieksector, waar veel knelpunten die enkele jaren geleden nog actueel waren, inmiddels zijn overwonnen” .

Buma/Stemra wijst er op dat er aan de nieuwe richtlijn ook mogelijke risico’s kleven. De volgende risico’s worden gesignaleerd:

1). De mogelijkheden welke worden geboden aan CBO’s om hun repertoire op niet exclusieve basis onder te brengen bij hubs in combinatie met de grote mogelijkheden voor beheer van rechthebbenden kan leiden tot een situatie van versnippering van repertoire. Daarnaast bestaat de verwachting dat de majors waarschijnlijk hun MR online rechten zelf zullen blijven beheren en deze dus niet centraal zullen laten beheren door een hub. Hierdoor bestaat het risico dat rechtenbeheer in de praktijk administratief behoorlijk ingewikkeld wordt.

 

2). Zoals hiervoor gesteld krijgen hubs onder de richtlijn de mogelijkheid om multi territoriale licenties te verstrekken aan DSP’s voor online muziekaanbod. Wanneer deze hubs tevens het repertoire beheren van de kleine CBO’s, dan kan de situatie ontstaan dat online tarieven voor gebruikers in Nederland in grote mate beïnvloed worden door deze hubs.

3) In het bijzonder wordt voor de Nederlandse CBO’s opgemerkt dat ervoor moet worden gewaakt dat met het voorstel Wet Toezicht en de daarmee samenhangende te verwachten AMvB’s, de regeldruk op Nederlandse CBO’s niet zo hoog wordt dat de concurrentiepositie van Nederlandse CBO’s ongelijk is aan die van de buitenlandse CBO’s. De richtlijn bevat minimum harmonisatie en de het wetsontwerp Toezicht Collectief Beheer is op een aantal vlakken strenger.

Buma/Stemra vindt het belangrijk dat de waarborgen die de Europese Commissie voorstelt in de richtlijn blijven staan. Deze waarborgen zijn namelijk belangrijk ter bescherming van de culturele diversiteit en de “kleinere” CBO’s en nationale rechthebbenden.

Lees de gehele bijdrage hier.

IEF 11731

Voor verlenging geen afzonderlijke uitleenvergoeding verschuldigd

Conclusie A-G HR 7 september 2012, zaaknr. 11/04472 (Stichting Leenrecht tegen Vereniging van Openbare Bibliotheken)

Conclusie ingezonden door Dirk Visser en Marloes Bakker, Klos Morel Vos & Schaap.


Cassatie ná IEF 9889 en IEF 8697. De AG concludeert tot verwerping van het cassatieberoep. Verlengingen zijn geen afzonderlijke uitleningen en er is geen leenrechtvergoeding voor verschuldigd. Vordering en specificatie van volledige proceskosten bij schriftelijke toelichting dienen tijdig te worden opgegeven, zodat de wederpartij zich daartegen naar behoren kan verweren. Dit belemmert niet om dergelijke kosten bij schriftelijke toelichting in cassatie te vorderen.

Onderdeel 1, samengevat, er moet een onderscheid worden gemaakt tussen het Unierechtelijke begrip uitlenen en het Nederlandsrechtelijk begrip uitlenen "als de handeling die in het Nederlandse auteursrechtelijk systeem een leenrechtvergoeding doet ontstaan". Het hof heeft aan het Europese begrip getoetst.

R.o. 3.14.1. De discussie of een verlenging als een afzonderlijke rechtshandeling moet worden gezien, is naar mijn mening niet relevant voor de betekenis van het begrip uitlenen in de Auteurswet. De kwalificatie 'rechtshandeling' in artikel 15c Auteurswet beoogt naar mijn mening niet om de betekenis van het begrip uitlenen nader te bepalen.

Onderdeel 2, samengevat: het hof miskend dat een verlenging een openbaarmaking vormt in de zin van de Auteurswet (en VRL 2006) en waarmee uitzondering is gecreëerd op de uitputtingsregeling.

Onderdeel 3, samengevat: Het hof heeft miskend dat het uitleenrecht een uitzondering vormt op het verbodsrecht en daarom beperkt dient te worden uitgelegd

3.45 In het licht van het voorgaande valt verder niet in te zien dat, enkel omdat voor een verlenging geen separate vergoeding wordt betaald, geconcludeerd zou moeten worden dat de vergoedingsregeling in strijd is met het Unierecht (...) danwel tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden, danwel de belangen van de auteur onredelijk schaadt. Die waarderingen hangen af van meer variabelen.

Onderdeel 4, samengevat: het hof heeft ten onrechte doorslaggevende betekenis toegekend aan het feit dat verlenging mogelijk is zonder dat de lener het exemplaar eerst terugbrengt.

3.48 Het hof heeft aansluiting gezocht bij het element van terbeschikkingstelling. Met de overweging aan het slot van rov 12 heeft het hof niet toch betekenis gehecht aan de wijze van verlenging maar aan de terbeschikkingstelling. Het onderdeel mist dus feitelijke grondslag.

3.49 Aanvullend merk ik nog het volgende op. In subonderdeel 4.2 wordt een onderscheid gemaakt tussen twee invalshoeken: het uitlenersperspectief en het inlenersperspectief. Het uitlenersperspectief doelt op et oordeel van het hof (in rov 7 en 8) dat uitlenen ziet op het buiten de feitelijk macht van de uitlener brengen. Het inlenersperspectief wordt in het subonderdeel omschreven als het "ter beschikking staan" respectievelijk als het "ter beschikking krijgen" van het exemplaar, wat volgens het subonderdeel het geval is zowel tijdens de periode van het lenen als tijdens de periode van uitlening.

Aan de invulling die het hof aan de terbeschikkingstelling heeft gegeven - te weten: een "concrete uitlening" - is bij de bespreking van onderdeel 2 reeds aandacht bestaat. He door  subonderdeel 4.2 bedoelde inlenersperspectief is een andere manier om deze "concrete uitlening" te bezien. In het inlenersperspectief krijgt  de inlener het exemplaar namelijk twee maal tot zijn beschikking (...), terwijl tegelijkertijd vanuit het uitleversperspectief slechts een maal de macht is afgestaan. Wat er verder ook zij van deze benadering, zij kan niet tot cassatie leiden nu  het begrip uitlening in de VRL niet ziet op de "concrete uitlening".

Onderdeel 5: toelichting volledige proceskosten kan in cassatie

3.55 (...) de gevorderde kosten dienen zo tijdig te worden opgegeven en gespecificeerd dat de wederpartij zich daartegen naar behoren kan verweren. Dit belemmert niet dergelijke kosten bij schriftelijke toelichting in cassatie te vorderen (...).