Ferrari-replica levert merkinbreuk en auteursrechtinbreuk op; slaafse nabootsing afgewezen wegens gebrek aan belang
Rb. Den Haag 8 april 2026, IEF 23477; ECLI:NL:RBDHA:2026:8206 (Ferrari tegen [gedaagde]). In deze bodemzaak oordeelt de rechtbank Den Haag dat [gedaagde], een Nederlandse autohandelaar en reparateur, met het aanbieden van een op een Toyota MR2 gebaseerde replica van een Ferrari F355 inbreuk heeft gemaakt op zowel de Uniemerken van Ferrari als op het auteursrecht op het ontwerp van de Ferrari F355. Het voertuig was via de eigen website en via Marktplaats aangeboden voor € 59.950 en werd in de advertenties uitdrukkelijk aangeduid als onder meer “Ferrari Turbo F355” en “replica Ferrari F355”; bovendien waren op het voertuig en in de advertenties Ferrari-tekens aangebracht. De rechtbank acht zich voor de merkrechtelijke vorderingen bevoegd voor de gehele Europese Unie, maar voor auteursrecht en slaafse nabootsing slechts voor Nederland. De merkinbreuk wordt aangenomen op grond van art. 9 lid 2 sub a UMVo, omdat [gedaagde] zonder toestemming tekens gebruikte die gelijk zijn aan Ferrari’s Uniemerken voor dezelfde waren, namelijk voertuigen. Dat [gedaagde] had aangeboden de Ferrari-tekens van het voertuig te verwijderen, doet daaraan niet af, omdat de reeds gepleegde inbreuk en de daardoor veroorzaakte schade daarmee niet ongedaan worden gemaakt en evenmin was toegezegd dat in de toekomst geen gelijkende of identieke Ferrari-tekens meer zouden worden gebruikt. Ook de auteursrechtelijke grondslag slaagt. Tussen partijen was niet in geschil dat de Ferrari F355 een auteursrechtelijk beschermd werk is en dat Ferrari rechthebbende is. De rechtbank past vervolgens het door het HvJ EU in Mio geformuleerde criterium toe en onderzoekt of oorspronkelijke creatieve elementen van de Ferrari F355 zonder toestemming zijn gebruikt en of juist die elementen op herkenbare wijze zijn overgenomen in het aangeboden voertuig. Daarbij zijn volgens de rechtbank niet beslissend of beide voertuigen dezelfde algemene visuele indruk wekken of hoe ruim de beschermingsomvang van de Ferrari F355 is. De rechtbank vergelijkt de voertuigen zoals die op de markt zijn gebracht en acht de combinatie van een lange, brede en omhooggerichte voorzijde, een naar achter gerichte cockpit, twee zijsteunen achter de cockpit, luchtinlaten in beide zijkanten en een opvallende horizontale bodyline rondom het voertuig auteursrechtelijk relevante trekken die in het aangeboden voertuig op herkenbare wijze zijn overgenomen. De door [gedaagde] aangevoerde verschillen, onder meer in motorkap, koplampen, grille, daklijn, interieur, motor, achterlichten, velgen, geluid en afwerking, doen daar volgens de rechtbank niet aan af, mede omdat een deel daarvan geen betrekking heeft op de externe vormgeving. De rechtbank concludeert daarom dat de buitenkant van het voertuig auteursrechtinbreuk oplevert. De vordering wegens slaafse nabootsing wordt afgewezen, niet omdat die grondslag inhoudelijk faalt, maar omdat Ferrari naast het toe te wijzen EU-wijde merkenverbod en het Nederlandse auteursrechtverbod onvoldoende zelfstandig belang heeft bij een aanvullend verbod op die grondslag.