DOSSIERS
Alle dossiers

Collectieve exploitatie  

IEF 12108

Modernisering auteurs- en naburigrecht online en doorbreken van de status quo

Brief van Consumentenbond, Ntb en FNV KIEM aan de leden van de Vaste Kamercommissie voor V&J, Modernisering auteurs- en naburigrecht online en doorbreken van de status quo, 7 december 2012.

In een brief van Consumentenbond, Ntb en FNV KIEM aan de leden van de Vaste Kamercommissie voor Veiligheid & Justitie, hebben zij namens het 3©-DA Platform twee elkaar aanvullende maatregelen voorgesteld [zie ook IEF 12070]:

De huidige inrichting van het auteurs- en naburig recht betreffende on-demand digitale diensten geeft feitelijk muziek- en film/tv-producenten een monopoliepositie op de digitale markt, die zij offline voor openbaarmakingen van audiowerk niet hebben. Hierdoor worden auteurs- en naburige rechten op de digitale markt zeer gefragmenteerd beheert, met als gevolg hoge drempels voor innovatie en een rem (de facto en de jure blokkade) op de ontwikkeling van nieuwe digitale diensten door ondernemers.

I. Voor on-demand streaming diensten en sites die p2p-gebruik faciliteren stelt het Platform invoering van verplicht collectief beheer ("radiomodel") voor. Dit systeem geeft online ondernemers de mogelijkheid nieuwe digitale diensten te ontwikkelen en garandeert rechthebbenden een eerlijke vergoeding.

II. Legaliseer daarnaast het niet-commercieel up- en downloaden (p2p-gebruik) door privé-personen middels introductie van een internetvergoeding (te betalen via het internet abonnement).

IEF 12096

Nadere vragen over wetsvoorstel toezicht collectief beheer

Nader voorlopig verslag inzake wijziging toezicht op collectieve beheersorganisaties, Kamerstukken I 2012-2013, 31 766, nr. G.

Nadere vragen over de brief van VOI©E, het corrigerend effect door middel van bestuurlijke boetes aan bestuurders, de mogelijkheid van gedwongen samenwerking van cbo's en de gefaseerde inwerkingtreding van het wetsvoorstel.

Bij de brief van VOI©E wordt een probleem gesignaleerd met betrekking tot de onestop-shop voor onderhandelingen, betalingen en klachten in met name de omroepsector. De CDA-fractie stellen het op prijs om van de regering te vernemen hoe het in de brief aangeduide probleem kan worden ondervangen.

Bestuurlijke boete bestuurders: De vraag [wordt] gesteld of het opleggen van een bestuurlijke boete wel een corrigerend effect zal hebben, omdat de boete in feite wordt gedragen door de rechthebbenden die zelf geen deel hebben aan de onjuiste gedraging van de bestuurders en deze vaak niet tot aftreden kunnen dwingen. (...) Kan de regering aangeven waarom een bestuurlijke boete effectief is om ongewenst gedrag van de (bestuurders van) cbo’s te voorkomen? Zou, om het gewenste resultaat te bereiken, kunnen worden volstaan met het opleggen van een dwangsom door het College van Toezicht? Graag een reactie van de regering.

Gedwongen samenwerking:  De leden van de CDA-fractie zouden graag zien, dat de regering nog eens helder uitlegt waarom ook gedwongen samenwerking mogelijk moet zijn tussen cbo’s, die niet beschikken over een aan de wet
ontleende positie.

Gefaseerde inwerkingtreding: In zijn brief van 23 november jl.5 wijst de staatssecretaris op de mogelijkheid van gefaseerde invoering van dit wetsvoorstel. De leden van de GroenLinks-fractie vragen de staatssecretaris waar hij precies aan denkt als hij het heeft over gefaseerde invoering? Aan welke artikelen denkt hij en hoe lang wil hij daarbij dan wachten met de invoering? Is het de bedoeling de inwerkingtreding voor een bepaalde periode (bijvoorbeeld een jaar), of voor onbepaalde tijd (in afwachting van Europese regelgeving) uit te stellen? Indien dat laatste het geval is: hoe wenselijk acht de staatssecretaris dit vanuit wetgevingsoogpunt? Is gefaseerde invoering niet met name bedoeld voor het later, maar wel zeker in werking laten treden van bepaalde artikelen met het oog op praktische uitvoerbaarheid? Graag een reactie van de regering.

IEF 12094

Is het Noorse model haalbaar voor Nederland?

Magic Canoe iBooks shelfEen bijdrage van Frank Huysmans, UvA - capaciteitsgroep Mediastudies.

Met wat (tamelijk eenvoudig) zoekwerk vond ik meer details over de deal tussen de Noorse nationale bibliotheek en de koepelorganisatie Kopinor waarin 5 uitgeversorganisaties en 17 auteursorganisaties verenigd zijn. De deal houdt het volgende in:

  • iedereen met een Noors IP-adres kan gratis boeken lezen op de site van de nationale bibliotheek;
  • de boeken kunnen niet worden gedownload of uitgeprint; ze kunnen alleen online worden gelezen;
  • uitgevers, auteurs en andere 'makers' (vertalers, illustratoren) worden uit een collectieve regeling betaald;
  • rechthebbenden kunnen individuele titels van de Boekenplank laten verwijderen.

Het complete contract met details over de collectieve vergoedingsregeling staat online op de Kopinor-site. In paragraaf 8 staat gespecificeerd wat de bibliotheek aan Kopinor is verschuldigd. In 2013 zal het gaan om 0,36 Noorse kronen (NOK) per online gepubliceerde pagina, in 2014 dalend naar NOK 0,34 en in 2015 naar NOK 0,33. Nota bene: deze tarieven zijn onderhevig aan indexering en dienen jaarlijks opnieuw te worden betaald. Voor 2012 is nog geen tarief afgesproken. Mogelijk komt dat doordat de prijs per pagina per jaar de afgelopen jaren veel hoger lag. In 2009 was die namelijk vastgesteld, blijkens het eerdere contract, op NOK 0,56, ook met indexering. Dus laat die de afgelopen jaren zijn opgelopen tot 0,60, dan is met de nieuwe overeenkomst de prijs bijna gehalveerd. Reden daarvoor is waarschijnlijk de uitbreiding van het aantal titels, waardoor de rechthebbenden per jaar toch fiks meer gaan ontvangen.

Waarom zijn die cijfers zo interessant (en waarom vertel ik dit dus allemaal)? Omdat als je een en ander op de achterkant van een bierviltje naar Nederland vertaalt, het blijkt te gaan om bedragen die met de aanstaande uitname uit het Gemeentefonds (en misschien zelfs daarzonder) heel goed zijn op te brengen. Rekent u even mee?

Eerst een paar aannames:
- het gemiddelde te publiceren boek beslaat 250 pagina's;
- net als in Noorwegen zal het bij ons gaan om 50.000 titels nu, 110.000 begin 2013 en 250.000 titels in 2017;
- de verhouding Noorse kroon versus Euro blijft zoals die nu is, 7,3 NOK voor een EUR;
- de jaarlijkse prijsindex bedraagt 2 procent.

Mijn kostenraming (zie bijgaand pdf-bestand) laat zien dat het bedrag dat men in Noorwegen betaalt voor de collectieve regeling oploopt van rond 1 miljoen euro dit jaar tot 3,3 miljoen in 2017 - het gaat dan ook om ruim 4 keer zoveel titels als nu. Houden we echter rekening met het gegeven dat er in Nederland 16,7 miljoen inwoners zijn tegen maar bijna 5 miljoen in Noorwegen, dan zullen de Nederlandse rechthebbenden wellicht aanvoeren dat het bedrag per pagina hier hoger moet liggen. Houden we hiermee rekening en verhogen we het bedrag per pagina naar rato, dan hebben we het over een slordige 3,5 miljoen nu en 11,2 miljoen in 2017 (bij een gelijktijdige stijging van het aantal titels van 60.000 naar 250.000).

De uitname uit het Gemeentefonds ten behoeve van inkoop van digitale content ligt nog lang niet vast (het dreigt zelfs 2015 te gaan worden voor het met de invoering van de nieuwe Bibliotheekwet zover is). Maar alom wordt in Den Haag gerekend met een bedrag van tussen de 16 en 25 miljoen jaarlijks. De geraamde bedragen vallen daar dus ruim binnen, mits het Noorse model in Nederland tot voorbeeld mag strekken.

Het grote voordeel van zo'n collectieve regeling is natuurlijk dat er een heleboel administratieve rompslomp (die ook geld kost, denk aan de Stichting Leenrecht en Buma/Stemra) mee voorkomen wordt, en dat zowel schrijvers, uitgevers als lezers voor een aantal jaar vooruit weten waar ze aan toe zijn. Een geleidelijke overgang van papier naar digitaal komt ermee binnen bereik. Daarin zijn met name de risico's die uitgevers en auteurs nu vrezen in het maken van de sprong naar digitaal afgedekt.

Tijd voor een reisje van vertegenwoordigers van OCW, NUV,VSenV, SIOB, VOB, BNL, SSPN en NBD|Biblion naar Noorwegen? Lijkt me een goede investering. ;)

Bijlage Noors model voor Nederland.

IEF 12086

Prejudiciële vragen: wetgeving die compensatie privékopie garandeert

Prejudiciële vragen aan HvJ EU, zaak C-463/12 (Copydan Båndkopi tegen Nokia Danmark A/S) - verwijzingbeschikking

Auteursrecht. Naburige rechten. Thuiskopieheffing, compensatie voor rechthebbenden.

De zaak speelt tussen verzoekster Copydan (de door het Deense Min Cultuur erkende collectieve beheersorganisatie) en Nokia. Het gaat om de vraag of Nokia verplicht is om een vergoeding voor blanco dragers aan Copydan te betalen, te weten de geheugenkaarten die Nokia invoert voor gebruik in de door haar verkochte mobiele telefoons. Verzoekster is van mening dat Nokia daartoe verplicht is en zij daagt Nokia (in 2010) tot betaling van een schadevergoeding van 14.826.828,99 Deense Kroon. Nokia concludeert tot afwijzing omdat de omvang van het kopiëren voor privé-gebruik zo onbeduidend is dat geen vergoeding kan worden geëist voor geheugenkaarten in mobiele telefoons.

Vraag 1: Is het verenigbaar met richtlijn 2001/29/EG dat een regeling van een lidstaat voorziet in compensatie voor de rechthebbenden voor reproducties die zijn gemaakt vanaf de volgende bronnen:
1) bestanden waarvan het gebruik is toegestaan door de rechthebbenden en waarvoor de klant betaalt (gelicentieerde inhoud van bijvoorbeeld internetwinkels);
2) bestanden waarvan het gebruik is toegestaan door de rechthebbenden en waarvoor de klant niet betaalt (gelicentieerde inhoud bijvoorbeeld in het kader van een marketingactie);
3) de eigen dvd's, cd's, mp3-speler, computer enz. van de gebruiker, waar geen doeltreffende technische voorzieningen worden aangewend;
4) de eigen dvd's, cd's, mp3-speler, computer enz. van de gebruiker, waar doeltreffende technische voorzieningen worden aangewend;
5) de dvd's, cd's, mp3-speler, computer enz. van een derde;
6) werken die onrechtmatig zijn gekopieerd van het internet of andere bronnen;
7) bestanden die op een andere wijze rechtmatig zijn gekopieerd van bijvoorbeeld het internet (uit rechtmatige bronnen, waarbij geen licentie is verleend)?

Vraag 2: Hoe moet rekening worden gehouden met doeltreffende technische voorzieningen (zie artikel 6 van de richtlijn) in de regelgeving van de lidstaten inzake compensatie voor rechthebbenden (zie artikel 5, lid 2, sub b, van de richtlijn)?

Vraag 3: Wanneer is bij de berekening van compensatie voor het kopiëren voor privé-gebruik (zie artikel 5, lid 2, sub b, van de richtlijn) sprake van "situaties waar de schade voor de rechthebbende minimaal zou zijn" als bedoeld in punt 35 van de considerans van de richtlijn, waardoor het niet verenigbaar zou zijn met de richtlijn dat een regeling van een lidstaat voorziet in compensatie voor de rechthebbenden voor dergelijk kopiëren voor privé-gebruik (zie in dit verband het onderzoek waarnaar in punt 2 hierboven wordt verwezen)?

Vraag 4. a) Indien ervan wordt uitgegaan dat het kopiëren voor privé-gebruik niet de hoofdfunctie of belangrijkste functie is van geheugenkaarten in mobiele telefoons, is het dan verenigbaar met de richtlijn dat een regeling van een lidstaat voorziet in compensatie voor de rechthebbenden voor het kopiëren op geheugenkaarten van mobiele telefoons?

Vraag 4. b) Indien ervan wordt uitgegaan dat het kopiëren voor privé-gebruik een van de verscheidende hoofdfuncties of wezenlijke functies van geheugenkaarten in mobiele telefoons is, is het dan verenigbaar met de richtlijn dat een regeling van een lidstaat voorziet in compensatie voor de rechthebbenden voor het kopiëren op geheugenkaarten van mobiele telefoons?

Vraag 5: Is het verenigbaar met het begrip "rechtvaardig evenwicht" als bedoeld in punt 31 van de considerans van de richtlijn en met de uniforme uitlegging van het begrip "billijke compensatie" (zie artikel 5, lid 2, sub b, van de richtlijn), waarbij moet worden uitgegaan van de "schade", dat op basis van een regeling van een lidstaat een vergoeding wordt geïnd voor geheugenkaarten, terwijl geen vergoeding wordt geïnd voor intern geheugen zoals mp3-spelers of iPods, die zijn ontworpen en hoofdzakelijk worden gebruikt voor het kopiëren voor privé-gebruik?

Vraag 6. a) Staat de richtlijn eraan in de weg dat op basis van een regeling van een lidstaat een vergoeding voor het kopiëren voor privé-gebruik wordt geïnd van een producent en/of importeur die geheugenkaarten verkoopt aan bedrijven, die de geheugenkaarten doorverkopen aan zowel particuliere als zakelijke klanten, zonder dat de producent en/of importeur weet of de geheugenkaarten worden verkocht aan particuliere dan wel zakelijke klanten?

Vraag 6. b) Is het voor het antwoord op vraag 6-a relevant of de regeling bepalingen bevat op grond waarvan producenten, importeurs en/of distributeurs geen vergoeding hoeven te betalen voor geheugenkaarten die voor professionele doeleinden worden gebruikt, producenten, importeurs en/of distributeurs, wanneer de vergoeding toch is betaald, terugbetaling van de vergoeding voor geheugenkaarten kunnen verkrijgen voor zover deze kaarten voor professionele doeleinden worden gebruikt, en producenten, importeurs en/of distributeurs zonder vergoeding te betalen geheugenkaarten kunnen verkopen aan andere ondernemingen die zijn geregistreerd bij de organisatie die het vergoedingsstelsel beheert?

Vraag 6. c) Is het voor het antwoord op de vragen 6-a en 6-b relevant

1) of de regeling bepalingen bevat op grond waarvan producenten, importeurs en/of distributeurs geen vergoeding hoeven te betalen voor geheugenkaarten die voor professionele doeleinden worden gebruikt, maar het begrip "professionele doeleinden" als een aftrekmogelijkheid wordt opgevat die enkel bestaat voor ondernemingen die zijn goedgekeurd door Copydan, terwijl een vergoeding moet worden betaald voor geheugenkaarten die professioneel worden gebruikt door andere zakelijke klanten die niet zijn goedgekeurd door Copydan;

2) of de regeling bepalingen bevat op grond waarvan producenten, importeurs en/of distributeurs, wanneer de vergoeding toch is betaald, (theoretisch) terugbetaling van de vergoeding voor geheugenkaarten kunnen verkrijgen voor zover deze kaarten voor professionele doeleinden worden gebruikt, maar (a) in de praktijk alleen de koper van de geheugenkaart de terugbetaling van de vergoeding kan verkrijgen, en (b) de koper van geheugenkaarten een aanvraag voor terugbetaling van de vergoeding moet indienen bij Copydan;

3) of de regeling bepalingen bevat op grond waarvan producenten, importeurs en/of distributeurs zonder vergoeding te betalen geheugenkaarten kunnen verkopen aan andere ondernemingen die zijn geregistreerd bij de organisatie die het vergoedingsstelsel beheert, maar (a) Copydan de organisatie is die het vergoedingsstelsel beheert, en (b) de geregistreerde ondernemingen niet weten of de geheugenkaarten zijn verkocht aan particuliere dan wel zakelijke klanten?

 

IEF 12082

Verspilling en wettelijk ongepast om door te gaan met de uitvoering van Thuiskopiebesluit

FAIR Consumer Electronics c.s., Brief aan Staatssecretaris Teeven inzake de afschaffing thuiskopieheffing en AmvB, brief van 4 december 2012.

Thuiskopieheffing. Downloadverbod. Administratieve lasten. Misverstand Memorie van Toelichting en SONT-voorzitter. We hebben begrepen (...) dat u inmiddels steun heeft van een Kamermeerderheid om nieuwe wetgeving te ontwikkelen die het mogelijk maakt om aanbieders van illegaal aanbod aan te pakken en de thuiskopieheffing zal afschaffen [zie o.a. IEF 12042] .

Desalniettemin willen we onze teleurstelling uitspreken over uw beslissing om de AMvB inzake de Thuiskopieheffing niet in te trekken of de datum van inwerkingtreding uit te stellen. Zoals we u eerder hebben laten weten in onze  brief van 19 november 2012, zal de uitbreiding van de thuiskopieheffing ernstige schade toebrengen aan onze bedrijven en ons vermogen bemoeilijken om onze klanten te bedienen binnen en buiten Nederland. (...)

Inmiddels is duidelijk dat de administratieve lasten waar de industrie mee wordt geconfronteerd tenministe €50.000.000 bedragen. Voor en toelichting op dit bedrag verwijzen wij naar de bijlage waarin wij deze lasten toelichten.

Zoals we hebben aangegeven bij diverse gelegenheden in de SONT-vergaderingen en in onze brief van 19 november, hebben wij ernstige twijfels omtrent de wettigheid van de AMvB. Het is in strijd met de Richtlijn Auteursrecht en uitspraken van het Europese Hof van Justitie. In zijn huidige vorm voldoet de heffing niet aan de eis dat een billijke vergoeding wordt gebaseerd op de schade van het kopiëren voor privégebruik, en omvat tevens een vergoeding van illegale kopieën. Verder is de AMvB een willekeurige toepassing van de heffing en slaagt deze er niet in om een werkbaar systeem op te zetten met een vrijstelling van producten die worden verkocht aan professionele gebruikers.

Gezien de plannen om de heffing af te schaffen in de zeer nabije toekomst, is het een verspilling en wettelijk ongepast om door te gaan met de uitvoering van het Besluit per 1 januari 2013. Het dwingen van de industrie om te voldoen aan en tijdelijke maatregel die duidelijk in strijd is met het Europees recht en een onevenredige financiële last is voor de industrie, is niet wettelijk of commercieel aanvaardbaar.

IEF 12071

Onderscheid tussen hotelkamers en bed and breakfast is niet te maken

Vzr. Rechtbank 's-Gravenhage 29 november 2012, zaaknr. 428666 / KG ZA 12-1109 (Stichting Videma tegen Hertog-Inn)

Uitspraak ingezonden door Anneke Stekelenburg, Jacqueline Seignette, Höcker advocaten.

Stichting Videma sluit overeenkomsten met rechthebbenden waarin deze haar te machtigen om namens hen op te treden tegen inbreuk en schadevergoeding te vorderen. In dit geval heeft Videma Hertog-Inn, een bed and breakfast (met vijf kamers), uitgenodigd een licentie te nemen. Zij beschikt niet over een licentie voor de doorgifte van televisieprogramma's. Een deurwaarder heeft zich blijkens het daarvan opgemaakte proces-verbaal als gast laten inschrijven en vastgesteld dat op de televisie in de kamer een groot aantal zenders beschikbaar was.

Onder verwijzing naar SGAE/Rafael Hoteles [IEF 3022] en Divani [IEF 8924] wordt een inbreukverbod op de doorgifte aan hotelkamers en vertoning in de gemeenschappelijke ruimten gevorderd. Nu de toestemming ontbreekt, worden de licentievergoedingen van 2009 tot en met 2012, zoals gevorderd, toegewezen. De overwegingen die aan het Rafael Hoteles-arrest ten grondslag liggen lijken dan ook zonder meer van toepassing op het onderhavige geval. Een relevant onderscheid tussen hotelkamers en kamers in een bed and breakfast is niet te maken.

Er is geen reden om Stichting Videma haar eigen kosten te laten dragen, omdat er sprake zou zijn van een proefproces of omdat Stichting Videma op onzorgvuldig wijze zou hebben geprocedeerd. Hertog-Inn is integendeel bij herhaling in de gelegenheid gesteld een licentie te nemen, maar heeft het, naar vooralsnog moet worden vastgesteld op niet houdbare gronden, op een procedure aan laten komen.

4.1.4. Uit het door Stichting Videma aangehaalde arrest inzake SGAE - Rafael Hoteles (LJN BF9316) volgt dat al sprake is van een mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3, lid 1 van richtlijn 2001/29 wanneer het werk op zodanige wijze in een hotelkamer voor het publiek beschikbaar wordt gesteld dat het voor de leden van dit publiek toegankelijk is, ongeacht of daarvan gebruik wordt gemaakt (vergelijk het arrest onder 43). Het Hof van Justitie hecht daarbij belang aan de omstandigheid dat de mededeling een winstoogmerk heeft (overweging 44) en oordeelt dat het privékarakter van hotelkamers niet in de weg staat aan te nemen dat een mededeling aan het publiek plaatsvindt (overweging 54). Het begrip openbaarmaking in artikel 3 Auteurswet moet op overeenkomstige wijze worden uitgelegd (vergelijk H.R. 19 juni 2009, LJN BH7602).

4.1.5. Vooralsnog valt niet in te zien dat het voorgaande zou gelden voor doorgifte van televisieprogramma's in hotelkamers, maar niet van toepassing zou zijn op kamers in een bed and breakfast. Hertog-Inn heeft daarvoor ook geen argumenten aangevoerd, anders dan dat de omvang van het gebruik van de kamers in een bed and breakfast geringer zou zijn en de gast zou verblijven in de huiselijke kring van de gastvrouw. Dat laatste is mogelijk een kwestie van sfeer, maar doet niet af aan het gegeven dat aan het publiek tegen betaling tijdelijk verblijf in een kamer wordt aangeboden. Dat de intensiteit van het gebruik van kamers relevant zou zijn blijkt niet. De overwegingen die aan Rafael Hoteles arrest ten grondslag liggen lijken dan ook zonder meer van toepassing op het onderhavige geval. Een relevant onderscheid tussen hotelkamers en kamers in een bed and breakfast is niet te maken.

Lees de grosse KG ZA 12-1109, afschrift (schone pdf) KG ZA 12-1109.

Op andere blogs:
Novagraaf (Bed & Breakfast in beeld)

IEF 12044

Eventuele verlenging is onderdeel van de oorspronkelijke uitlening

HR 23 november 2012, LJN BX7484 (Stichting Leenrecht tegen Vereniging van Openbare Bibliotheken)

Uitspraak ingezonden door Tobias Cohen Jehoram, Vivien Rörsch en Paul Tjiam, De Brauw Blackstone Westbroek.

In navolging van IEF 8697 (Rechtbank), IEF 9889 (hof) en IEF 11731 (Conclusie A-G). Auteursrecht. Uitlening bibliotheekboeken. Uitleg van het begrip rechtshandeling in de zin van artikel 15g jo. 15c Aw:

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het begrip rechtshandeling in dat systeem nauw verweven is met het begrip uitleenhandeling en dat blijkens de wetsgeschiedenis "het aantal rechtshandelingen als bedoeld in art. 15c Aw" (art. 15g Aw) betrekking heeft op "het aantal uitleningen" (Kamerstukken II, 1992-1993, 23 247, nr. 3, p.22), zodat aan het gebruik van het begrip rechtshandeling in dit verband geen zelfstandige betekenis toekomt (rov. 3.4.3).

Een verlenging is geen nieuwe openbaarmaking. Een eventuele verlenging maakt onderdeel uit van de oorspronkelijke uitlening. Uit de omstandigheid dat over de periode van verlenging geen separate vergoeding behoeft te worden betaald volgt immers niet, zoals het hof terecht heeft overwogen (rov. 19), dat de door de auteur te ontvangen vergoeding niet mede betrekking heeft op eventuele verlengingen, zodat geen sprake is van ontneming van eigendom zoals bedoeld in art. 17 Handvest en art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Onderdeel 3 faalt dan ook.

De Hoge Raad verwerpt het beroep van Stichting Leenrecht. De proceskosten zijn bij schriftelijke toelichting en niet reeds bij conclusie van antwoord ingesteld, Stichting Leenrecht heeft gelegenheid gehad om bij repliek te betwisten, dus vordering wordt toegewezen.

Rechtshandeling
3.4.3. Aan het voorgaande doet niet af dat art. 15c Aw voorziet in een nationale vergoedingssysteem (...)het hof [heeft] niet miskend dat de hoogte van de verschuldigde vergoeding op grond van art. 15g Aw dient te worden bepaald door "het aantal rechtshandelingen als bedoeld in art. 15c Aw", waaronder volgens het hof ook verlengingen zijn begrepen. Het hof heeft zijn oordeel dat een verlenging niet als een nieuwe uitlening is te beschouwen hierop gebaseerd, dat onder uitlening als bedoeld in de VRL 2006 en de Auteurswet is te verstaan een rechtshandeling waarbij het werk voor beperkte tijd aan een bepaalde persoon uit het desbetreffende publiek voor gebruik wordt afgestaan. Een verlenging is dan niet als een relevante nieuwe rechtshandeling aan te merken. De periode van verlenging valt immers onder de "beperkte tijd" gedurende welke een gebruik het werk tot zijn feitelijke beschikking krijgt (rov. 15). Dat getuigt niet van een onjuiste opvatting (...). Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het begrip rechtshandeling in dat systeem nauw verweven is met het begrip uitleenhandeling en dat blijkens de wetsgeschiedenis "het aantal rechtshandelingen als bedoeld in art. 15c Aw" (art. 15g Aw) betrekking heeft op "het aantal uitleningen" (Kamerstukken II, 1992-1993, 23 247, nr. 3, p.22), zodat aan het gebruik van het begrip rechtshandeling in dit verband geen zelfstandige betekenis toekomt.

Geen hogere vergoeding
3.4.5. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat bij de bepaling van de hoogte van de verschuldigde vergoeding rekening moet worden gehouden met de omvang van de terbeschikkingstelling van beschermde zaken, zoals in Nederland is geïmplementeerd in de vergoedingssystematiek van art. 15g Aw in verbinding met art. 15c Aw (kort gezegd: het aantal uitleningen). Anders dan het onderdeel betoogt, volgt daaruit niet dat een verlenging van een uitlening zou moeten leiden tot een hogere vergoeding.

Niet mede een verlenging
3.6.2. (...) Met betrekking tot de vormgeving van een vergoedingssysteem is aan de lidstaten een ruime beoordelingsmarge is het niet onverenigbaar om het daartoe strekkende vergoedingssysteem - dat ingevolge art. 15 g Aw in verbinding met art. 15c Aw is gebaseerd op het aantal uitleningen - aldus te interpreteren, zoals het hof heeft gedaan, dat een eventuele verlenging onderdeel uitmaakt van de oorspronkelijke uitlening. Deze uitleg miskent evenmin dat de inhoud, de strekking en het doel van de desbetreffende communautaire bepalingen meebrengen dat de nationale rechter het nationale recht zo dient uit te leggen dat de rechthebbenden een passend inkomen ontvangen. Uit de omstandigheid dat over de periode van verlenging geen seperate vergoeding behoeft te worden betaald volgt immer niet, zoals het hof terecht heeft overwogen (rov. 19), dat de door de auteur te ontvangen vergoeding niet mede betrekking heeft op eventuele verlengingen, zodat geen sprake is van ontneming van eigendom zoals bedoeld in art. 17 Handvest en art. 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Onderdeel 3 faalt dan ook.

Inzake proceskosten
3.9. (...) SL heeft bij repliek aangevoerd dat de vordering van VOB wegens strijd met de goede procesorde en het beginsel van hoor en wederhoor dient te worden afgewezen, aangezien zij eerste bij schriftelijke toelichting en niet reeds bij conclusie van antwoord is ingesteld. (...) Nu SL bij repliek gelegenheid heeft gehad de door VOB gevorderde kosten te betwisten, maar zulks heeft nagelaten, zullen deze worden toegewezen.

Lees de grosse hier: 11/04472, LJN BX7484.

Op andere blogs:
Cassatieblog (Geen extra leenrechtvergoeding verschuldigd bij verlenging uitlening)
KluwerCopyrightBlog (No separate remuneration for renewal of library book loan)
Leenrecht (Hoge Raad wijst eis Stichting Leenrecht af)

 

IEF 12043

Staatssecretaris: Ik vertrouw erop dat Nederlandse cbo's goed voorbereid zullen zijn op de Europese ontwikkelingen

Kamerbrief over Richtlijnvoorstel collectief beheer, kenmerk 324397.

Graag maak ik van de gelegenheid gebruik om mijn standpunt ten aanzien van beide voorstellen nogmaals uiteen te zetten. Het onlangs aangetreden kabinet hecht aan een spoedige totstandkoming van het wetsvoorstel verbetering toezicht. Het belang van dit voorstel heb ik eerder verwoord in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (Kamerstukken II, 31 766, nr. 3).

Governance en transparantie (eerste deel)
Multiterritoriaal licentiëren (tweede deel)
Verhouding tot wetsvoorstel 31766 (Wetsvoorstel verbetering toezicht)
Bestuur cbo’s
Criteria lidmaatschap
Multiterritoriale licentieverlening

Ik vertrouw er op dat met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Nederlandse cbo's goed voorbereid zullen zijn op de Europese ontwikkelingen. De voorwaarden die het wetsvoorstel toezicht stelt aan de governance en transparantie van Nederlandse cbo‟s hebben tot gevolg dat het functioneren van Nederlandse cbo's in internationale verhoudingen en door buitenlandse rechthebbenden als positief zal worden beoordeeld. Aldus wordt de concurrentiepositie van Nederlandse cbo‟s eerder versterkt dan verzwakt. Nederlandse cbo‟s kunnen zich in het buitenland ook profileren door te wijzen op het feit dat men onder toezicht staat van een onafhankelijke, door de Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen toezichthouder. Hierin kan ook behulpzaam zijn dat VOICE recent een keurmerk heeft ingevoerd waarmee Nederlandse cbo‟s kunnen aantonen dat hun dienstverlening aan bepaalde kwaliteitseisen voldoet.

 

(...)

Het is op dit moment onduidelijk in hoeverre de voorstellen van de Europese Commissie zullen leiden tot verandering van de markt voor cbo‟s, bijvoorbeeld doordat er meer buitenlandse cbo‟s in Nederland actief zullen worden. Nederland heeft de Commissie gevraagd meer inzicht te geven in de verwachte ontwikkeling van de markt naar aanleiding van de voorstellen. De eerste indruk van de Commissie in het Impact Assessment is dat zij geen grote buitenlandse concurrentie verwacht voor de bestaande, offline inning en verdeling van rechten.

Naar aanleiding van de vraag of minimumharmonisatie zal leiden tot een gelijk speelveld, merk ik op dat het richtlijnvoorstel tot gevolg zal hebben dat alle cbo‟s in de EU moeten voldoen aan een gemeenschappelijk basisniveau ter zake governance en transparantie. In zoverre is sprake van een gelijk speelveld. Nederland zet zich er voor in dat de richtlijn voldoende bescherming biedt. Nederland hecht er veel waarde aan dat de richtlijn in ieder geval de nodige flexibiliteit biedt om het hoge beschermingsniveau van het wetsvoorstel ten aanzien van de gebruiker in stand te houden.

IEF 12034

Computer- en telefoonfabrikanten dagvaarden Staat wegens thuiskopieheffing

Uit't persbericht van ICT~Office: Een groot aantal ICT- en telefoonbedrijven sleept de Staat voor de rechter vanwege de nieuwe thuiskopieregeling [red. IEF 11927, en PriceWaterHouseCoopers-rapport over Thuiskopie onderzoek naar gederfde inkomsten door thuiskopieën, red. IEF 11914]. De bedrijven, waaronder ook leden van ICT~Office, vinden dat de vele tientallen miljoenen die staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie wil laten ophalen door stichting de Thuiskopie in geen verhouding staan met de inkomsten die de film- en muziekindustrie mislopen door thuiskopiëren. De bedrijven die naar de rechter zijn gestapt stellen de Staat daarom aansprakelijk voor alle schade die zij van de regeling gaan ondervinden. Ook stichting de Thuiskopie is gedagvaard en er zal worden gevorderd om het geld dat teveel is geïnd terug te betalen.

Uit't gezamenlijke persbericht [pdf]: van STOBI (stichting overlegorgaan blanco informatiedragers) en FIAR (de vereniging vertegenwoordigt de fabrikanten, importeurs en agenten van audio en visuele media in Nederland): Vandaag hebben een groot aantal computer- en telefoonfabrikanten, waaronder Acer, Dell, Hewlett-Packard en Imation, de Nederlandse Staat gedagvaard over de vaststelling van nieuwe thuiskopieheffingen op computers en telefoons.

Deze claim volgt op een brandbrief die afgelopen maandag aan staatssecretaris Teeven werd gestuurd en waarin deze bedrijven er op wezen dat de excessief hoge heffing ten behoeve van de film- en platenindustrie niet in verhouding staat met de economische schade die het veroorzaakt voor de rechthebbenden. De bedrijven stellen de Staat nu aansprakelijk voor alle schade die zij van de heffing ondervindt. Ook Stichting de Thuiskopie is gedagvaard en er zal worden gevorderd om het geld dat zij teveel hebben geïnd terug te betalen aan de industrie. De claim kan volgens de bedrijven oplopen tot tientallen miljoenen euro's alleen al voor 2013.

Enkele weken geleden liet staatssecretaris Teeven weten dat er per 1 januari 2013 een heffing komt op onder andere computers, smartphones en tablets [red. IEF 11927]. Die heffing is bedoeld als tegemoetkoming voor schade die de film- en platenindustrie ondervindt door maken van thuiskopiëen, bv. om muziek of films thuis via computer, tablet of smartphone later te kunnen bekijken en beluisteren.

Volgens de Europese Richtlijn moet – als een overheid ervoor kiest een heffing in te stellen – de heffing zijn gebaseerd op de daadwerkelijke schade van auteursrechthebbenden. De regeling die op 1 januari van kracht dreigt te worden gaat niet uit van die basisvoorwaarde. Die regeling beoogt een bedrag van € 40 miljoen op jaarbasis bijeen te brengen. In de dagvaarding stellen de elektronica bedrijven dat dat schadebedrag excessief is en volledig uit de lucht gegrepen.

In het bedrag van € 40 miljoen is bijvoorbeeld ook de schade uit illegaal downloaden van muziek en films meegenomen. Ook dat is volgens de Europese Richtlijn niet de bedoeling: die schade mag niet worden verhaald door een heffing op apparaten. Momenteel is deze vraag aanhangig gemaakt bij het Europese Hof van Justitie. Als het Hof inderdaad besluit dat privé-kopieën uit een illegale download niet mogen worden meegenomen in de heffing, dan moet de Staat deze teveel betaalde heffing terug betalen. Daarnaast is de heffing in haar huidige vorm ook nog eens strijdig met een uitspraak van de Europese rechter dat er op professioneel gebruikte apparaten geen heffing mag worden ingesteld.
Deze worden immers niet gebruikt voor thuiskopiëren. Maar de regeling voorziet nu op alle apparaten
een heffing en professionele gebruikers moeten nu door middel van een ingewikkelde constructie hun
geld terug zien te krijgen.

Tenslotte is het besluit om de heffing in te stellen onzorgvuldig tot stand gekomen. Niet alleen door de
onjuiste manier waarop het schade bedrag is vastgesteld, ook vanwege de opstelling van de voorzitter
van de SONT (het orgaan dat de hoogte van de heffing en het aantal apparaten waarop deze geldt,
vaststelt) die de deelnemende producentenorganisaties (STOBI, FIAR CE en ICT~Office) liet geloven
dat een definitief besluit nog niet was voorgelegd aan de staatssecretaris, terwijl dat wel het geval
was. Ondanks de bezwaren over de heffing heeft de industrie op verzoek van staatssecretaris Teeven
deelgenomen aan de onderhandelingen. Zij is daardoor onaangenaam verrast door de uitspraak van
de staatssecretaris dat de industrie geen gebruik zou hebben gemaakt van de inspraakmogelijkheden
in de SONT. De vele bezwaren vanuit de industrie zijn simpelweg niet meegenomen in de
overwegingen van SONT en die van de staatssecretaris. Een van de bezwaren van de industrie heeft
betrekking op de korte tijd die zij heeft om de heffing in te voeren. In haar advies over de heffing
betwijfelde de Raad van State al of de industrie redelijkerwijs in staat kan worden geacht deze heffing
in te voeren.

Op andere blogs:
1709blog (Hardware providers sue Dutch government over private copying levy hike)

IEF 12024

Luxemburgs parlement: benoeming onafhankelijke autoriteit collectief beheer gaat verder dan nodig

Gemotiveerd advies van het Luxemburgse parlement inzake het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende het collectieve beheer van auteursrechten en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening van rechten inzake muziekwerken voor onlinegebruik op de interne markt (COM(2012)0372 – C7-0183/2012 – 2012/0180(COD))

De antwoordtermijn voor de nationale parlementen loopt af op 29 oktober 2012. Na antwoord van de Poolse Sejm [IEF 11995], Zweedse Riksdag [IEF 11969] en de Franse senaat, maakt het Luxemburgse parlement [IEF 12013] de volgende opmerkingen op het voorstel richtlijn [IEF 11565]: (...)

Toetsing op naleving van beginselen van subsidiariteit en evenredigheid Vanuit algemeen gezichtspunt kan de Commissie van economische zaken, buitenlandse handel en solidaire economie met de redenering van de Europese Commissie ten aanzien van het subsidiariteitsbeginsel instemmen. Vanwege de transnationale aard van de problemen die zich bij auteursrechtenbeheer van muziekwerken voordoen, kunnen de doelen van de beoogde
maatregelen immers beter op EU-niveau worden verwezenlijkt.

Bij nadere beschouwing moet de parlementscommissie evenwel constateren dat de Commissie in haar voorstel in zeer vergaande mate ook de details wil regelen, zonder dat zij daarvoor een overtuigende motivering geeft.

Zo wil zij voor de toepassing van de in te voeren regels de lidstaten zelfs voorschrijven een specifieke autoriteit aan te wijzen (artikel 39), die moet worden belast met het beheer van klachtenprocedures (artikel 37), oplegging van sancties (artikel 38) en toezicht op de naleving van titel III (artikel 40). Het is met name artikel 39 die bij deze parlementscommissie op bezwaren stuit. Dat artikel luidt als volgt:

" Artikel 39 Bevoegde instanties: De lidstaten stellen de Commissie voor [datum] in kennis van de bevoegde instanties als bedoeld in de artikelen 21, 37, 38 en 40. De Commissie publiceert die informatie op haar website."

Afgezien van de ernstige problemen die in de Luxemburgse situatie met de uitvoering van artikel 39 gemoeid zouden zijn, meent deze parlementscommissie dat deze bepaling ingaat tegen de beginselen zoals geformuleerd in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, luidende als volgt:

" (...) Krachtens het subsidiariteitsbeginsel treedt de Unie op de gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen, slechts op indien en voor zover de doelstellingen van het overwogen optreden niet voldoende door de lidstaten op centraal, regionaal of lokaal niveau kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang of de gevolgen van het overwogen optreden beter door de Unie kunnen worden bereikt. (...)

Krachtens het evenredigheidsbeginsel gaan de inhoud en de vorm van het optreden van de Unie niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van de Verdragen te verwezenlijken. (...) ".

Getoetst aan deze beginselen van de Europese Unie gaat het voorschrift dat in elke lidstaat een onafhankelijke autoriteit moet worden benoemd die specifiek moet waken over de toepassing van de regels van de voorgestelde richtlijn, verder dan nodig is.

Het zou meer in overeenstemming zijn met het subsidiariteitsbeginsel als de interne organisatie van de lidstaten ongemoeid werd gelaten en een verscheidenheid aan nationale systemen voor controle van die regels werd toegestaan. In Luxemburg zou volgens het huidige systeem de rechter bevoegd zijn om die controle uit te oefenen.

Conclusie
Om de hierboven uiteengezette redenen is de Commissie van economische zaken, buitenlandse handel en solidaire economie van mening dat de voorgestelde regeling in haar huidige vorm niet aan het subsidiariteitsbeginsel beantwoordt.