Rechtspraak  

IEF 23886

Gerecht EU: geen restitutio in integrum na gemiste verlengingstermijn voor Uniemodel

Gerecht EU (voorheen GvEA) 9 sep 2026, IEF 23886; ECLI:EU:T:2026:551 (Barth tegen EUIPO), https://ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-geen-restitutio-in-integrum-na-gemiste-verlengingstermijn-voor-uniemodel

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23886; IEFbe 4329; ECLI:EU:T:2026:551 (Barth tegen EUIPO). Barth GmbH verzocht om vernietiging en wijziging van een beslissing van de Derde kamer van beroep van het EUIPO over een geregistreerd Uniemodel voor isolerende dozen. De bescherming van het model liep op 17 juni 2024 af. Nadat noch binnen de reguliere termijn, noch binnen de aanvullende termijn tegen betaling van een toeslag om verlenging was verzocht, stelde het EUIPO vast dat de bescherming was verstreken. Barth diende vervolgens een verzoek om restitutio in integrum in op grond van artikel 67 lid 1 van Verordening nr. 6/2002. Volgens Barth was de termijnoverschrijding het gevolg van een samenloop van fouten van twee medewerkers van haar gemachtigde. Het Gerecht bevestigt dat herstel in de vorige toestand alleen mogelijk is wanneer de betrokkene, ondanks alle door de omstandigheden vereiste zorgvuldigheid, een termijn niet heeft kunnen naleven. Daarvoor moet een systeem van interne controle en termijnbewaking bestaan dat onbedoelde termijnoverschrijdingen in beginsel uitsluit. Menselijke fouten bij de handmatige verwerking van termijnen zijn volgens het Gerecht niet uitzonderlijk of onvoorzienbaar. Het gebruikte controlesysteem bood onvoldoende waarborgen: de controle berustte in wezen op de ene medewerker die het werk van een andere medewerker controleerde, terwijl geen systematische controle plaatsvond op de medewerker die de verlengingstermijn uit het systeem verwijderde. Ook werd niet in ieder dossier gecontroleerd of de verlengingsvergoeding daadwerkelijk was betaald. Systematische controles, zoals het opvragen van een betalingsbewijs of een controle achteraf of de verlenging in het register was ingeschreven, hadden de fout kunnen ontdekken.

IEF 23872

Voorzieningenrechter Den Haag: beroep op must-fit-exceptie slaagt voorlopig in geschil over IVF-kweekschaal

Rechtbank Den Haag 18 sep 2026, IEF 23872; C/09/709951 (Vitrolife tegen Birr), https://ie-forum.nl/artikelen/voorzieningenrechter-den-haag-beroep-op-must-fit-exceptie-slaagt-voorlopig-in-geschil-over-ivf-kweekschaal

Rb. Den Haag 18 september 2026, IEF 23872; C/09/709951 / KG ZA 26-853 (Vitrolife tegen Birr). Vitrolife, producent van onder meer de EmbryoScope+ voor IVF-procedures, is houdster van een Uniemodel voor delen van de vormgeving van een daarbij gebruikte kweekschaal. Birr brengt sinds begin 2026 de TLX-E Culture Dish op de markt, die geschikt is voor gebruik in de EmbryoScope+. Vitrolife stelde dat Birr met deze schaal inbreuk maakt op haar Uniemodel en vorderde in kort geding een inbreukverbod met nevenvorderingen. Tussen partijen was niet in geschil dat de TLX-E de relevante uiterlijke kenmerken van het Vitrolife-model overneemt: zestien cirkels, naast elkaar gepositioneerd in een licht gebogen lijn, gegroepeerd in vier groepen van vier, waarbij iedere cirkel bestaat uit een culture well met daarin een microwell. Vitrolife zou Birr het gebruik daarvan daarom in beginsel op grond van artikel 20 lid 1 UModVo kunnen verbieden. Birr beriep zich echter op artikel 9 UModVo. De voorzieningenrechter acht voorshands artikel 9 lid 2 UModVo van toepassing. De software van de EmbryoScope+ is afgestemd op kweekschalen met acht of zestien culture wells en de afstand tussen de culture wells kan daarom niet worden gewijzigd. Ook moeten de bodems van de microwells binnen een beperkte bandbreedte op een bepaalde afstand van het midden van de rotatieschijf liggen om door het systeem te worden herkend en afgebeeld. Volgens de voorzieningenrechter kunnen de relevante kenmerken daarom niet zodanig anders worden vormgegeven dat nog steeds een voor de EmbryoScope+ bruikbare kweekschaal ontstaat.

IEF 23868

A-G: kosten van EUIPO-nietigheidsprocedure vallen volgens bijzondere kostenregeling

HvJ EU 24 sep 2026, IEF 23868; ECLI:EU:C:2026:792 (Suzhou Anri Child Products), https://ie-forum.nl/artikelen/a-g-kosten-van-euipo-nietigheidsprocedure-vallen-volgens-bijzondere-kostenregeling

Conclusie AG HvJ EU 24 september 2026, IEF 23868; IEFbe 4319; ECLI:EU:C:2026:792 (Suzhou Anri Child Products). In zaak C-573/25 staat de vraag centraal of advocatenkosten die zijn gemaakt in nietigheidsprocedures bij het EUIPO kunnen worden betrokken bij de kostenbegroting van een afzonderlijke nationale procedure over een voorlopige maatregel. Cybex had bij het Landgericht Düsseldorf een voorlopige maatregel verkregen waarmee Suzhou werd verboden haar S63-kinderwagen in Duitsland aan te bieden, daarvoor reclame te maken, deze op de markt te brengen, in te voeren, uit te voeren of voor die doeleinden in bezit te hebben wegens gestelde inbreuk op twee ingeschreven Gemeenschapsmodellen van Cybex. Die maatregel werd later opgeheven. Cybex stelde hoger beroep in, maar trok dat vervolgens in, waarna zij in de kosten van de nationale procedure werd verwezen. Het Landgericht Düsseldorf begrootte die kosten op € 8.748,04. Parallel daaraan had Suzhou bij het EUIPO twee nietigheidsprocedures tegen de modellen van Cybex ingesteld. Suzhou wilde de daarmee gemoeide advocatenkosten eveneens in de nationale kostenbegroting betrekken, waardoor zij uitkwam op € 100.966,77. A-G Campos Sánchez-Bordona adviseert het Hof de hierover gestelde zevende tot en met negende prejudiciële vraag niet-ontvankelijk te verklaren. Omdat de EUIPO-procedures nog aanhangig zijn, staat nog niet vast welke partij daarin in het gelijk of ongelijk zal worden gesteld en dus evenmin wie de daar gemaakte kosten moet dragen. Bovendien heeft het hoofdgeding bij de Duitse rechter betrekking op de kosten van de nationale procedure over de voorlopige maatregel en niet op de afzonderlijke nietigheidsprocedures bij het EUIPO. Volgens de A-G zijn de betreffende prejudiciële vragen daarom niet relevant voor de beslechting van het hoofdgeding.

IEF 23845

Amelie tuinstoel maakt inbreuk op Uniemodel van Vincent Sheppard en Amelie loungeset op haar auteursrecht

Rechtbank Den Haag 22 jul 2026, IEF 23845; ECLI:NL:RBDHA:2026:27094 (Vincent Sheppard tegen Intergamma c.s), https://ie-forum.nl/artikelen/amelie-tuinstoel-maakt-inbreuk-op-uniemodel-van-vincent-sheppard-en-amelie-loungeset-op-haar-auteursrecht

Rb. Den Haag 22 juli 2026, IEF 23845; ECLI:NL:RBDHA:2026:27094 (Vincent Sheppard tegen Intergamma c.s.). Vincent Sheppard, producent van de KODO-collectie, stelt dat Intergamma c.s. met het aanbieden en verkopen van de Amelie tuinstoel en Amelie loungeset in Nederland en België inbreuk maken op haar intellectuele-eigendomsrechten. Ten aanzien van de KODO dining chair beroept Vincent Sheppard zich op het ingeschreven Uniemodel nr. 006570933-0003. De voorzieningenrechter verwerpt het beroep van Intergamma c.s. op nietigheid. De KODO dining chair wekt bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk dan de aangevoerde oudere modellen, zodat in dit kort geding voorshands van de geldigheid van het KODO-model moet worden uitgegaan. Aan het model komt bovendien een ruime beschermingsomvang toe. De Amelie tuinstoel is volgens de voorzieningenrechter nagenoeg identiek aan de KODO dining chair. De twee geconstateerde verschillen, één horizontale buis in de rugleuning in plaats van twee en een extra horizontale staaf tussen de voorpoten, zijn te gering om tot een andere algemene indruk te leiden. De Amelie tuinstoel wekt bij de geïnformeerde gebruiker daarom geen andere algemene indruk dan het KODO-model en maakt daarop inbreuk. Omdat de gevorderde voorzieningen ten aanzien van de tuinstoel reeds op deze modelrechtelijke grondslag kunnen worden toegewezen, laat de voorzieningenrechter de daarnaast aangevoerde auteursrechtelijke en onrechtmatigedaadsgrondslag onbesproken.

IEF 23801

Loop Cocoon maakt geen inbreuk op Uniemodel van Alpine voor baby-oorkappen

Rechtbank Den Haag 7 sep 2026, IEF 23801; ECLI:NL:RBDHA:2026:25842 (Alpine tegen Loop), https://ie-forum.nl/artikelen/loop-cocoon-maakt-geen-inbreuk-op-uniemodel-van-alpine-voor-baby-oorkappen

Rb. Den Haag 7 september 2026, IEF 23801; ECLI:NL:RBDHA:2026:25842 (Alpine tegen Loop). Alpine Nederland B.V., producent van onder meer gehoorbescherming voor baby’s, vordert in kort geding een inbreukverbod met nevenvorderingen tegen Loop B.V. Alpine beroept zich op haar op 19 december 2023 geregistreerde Uniemodel voor de Muffy Baby en stelt dat Loop door het ter verkoop aanbieden van de Loop Cocoon inbreuk maakt op dit model, omdat de Loop Cocoon bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt. De voorzieningenrechter gaat voorshands uit van de geldigheid van het Alpine-model, omdat Loop de nietigheid daarvan niet heeft ingeroepen. Bij de beoordeling van de gestelde inbreuk is bepalend of de Loop Cocoon bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk wekt, waarbij rekening wordt gehouden met de vrijheid van de ontwerper en de afstand van het model tot het vormgevingserfgoed. De voorzieningenrechter gaat voor de geïnformeerde gebruiker uit van ouders van baby’s en jonge kinderen.

IEF 23787

Ex parte verbod tegen Meeuw Group wegens merkinbreuk door verhandeling van parfums

Rechtbank Den Haag 4 aug 2026, IEF 23787; ECLI:NL:RBDHA:2026:23168 (verzoekster tegen gerekwestreerde), https://ie-forum.nl/artikelen/ex-parte-verbod-tegen-meeuw-group-wegens-merkinbreuk-door-verhandeling-van-parfums

Rb. Den Haag 4 augustus 2026, IEF 23787; ECLI:NL:RBDHA:2026:23168 (verzoekster tegen gerekwestreerde). Coty Beauty Germany GmbH heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag verzocht om zonder voorafgaand verhoor maatregelen te treffen tegen Meeuw Group B.V. wegens gestelde inbreuk op haar intellectuele-eigendomsrechten. De voorzieningenrechter oordeelt voorshands dat geen reden bestaat om aan de geldigheid van de door Coty ingeroepen rechten te twijfelen en dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat Meeuw Group daarop inbreuk maakt. Ook acht de rechter het spoedeisend belang voldoende aannemelijk om een bevel zonder voorafgaand verhoor van Meeuw Group te rechtvaardigen. Voor zover het geschil betrekking heeft op de ingeroepen Uniemerken, kan de bevoegdheid van de rechtbank zich tot de gehele Europese Unie uitstrekken.

IEF 23778

SuperLink-kettingen maken inbreuk op Uniemodellen Avient; techniekexceptie faalt

Rechtbank Den Haag 28 aug 2026, IEF 23778; ECLI:NL:RBDHA:2026:24327 (Avient tegen Port Star), https://ie-forum.nl/artikelen/superlink-kettingen-maken-inbreuk-op-uniemodellen-avient-techniekexceptie-faalt

Rb. Den Haag, 28 augustus 2026, IEF 23778; ECLI:NL:RBDHA:2026:24327 (Avient tegen Port Star). In deze zaak vordert Avient in kort geding een verbod op de verhandeling van de SuperLink-kettingen van Port Star wegens inbreuk op twee ingeschreven Uniemodellen voor haar kunststofkettingen, het Kettingmodel en het Schalmmodel. Avient brengt onder het merk Dyneema kunststofkettingen op de markt voor onder meer de scheepvaart. Port Star was distributeur van de Dyneema-ketting en produceert en verkoopt inmiddels eigen kunststofkettingen onder de naam SuperLink. Zij biedt deze aan op de Europese markt en presenteerde de kettingen in juni 2026 op de beurs Breakbulk Europe in Rotterdam. Volgens Avient heeft Port Star de vormgevingskenmerken van haar modellen vrijwel volledig overgenomen. Port Star betwist de geldigheid van de modelrechten en beroept zich op de techniekexceptie van art. 9 lid 1 UModVo. Volgens haar worden de beschermde uiterlijke kenmerken uitsluitend bepaald door de technische functie van de ketting. Subsidiair baseert Avient haar vorderingen op slaafse nabootsing. 

IEF 23759

Sonna schendt vaststellingsovereenkomst met Vlisco door merk- en auteursrechtinbreuken

Rechtbank Oost-Brabant 4 mrt 2026, IEF 23759; ECLI:NL:RBOBR:2026:1554 (Vlisco tegen Sonna), https://ie-forum.nl/artikelen/sonna-schendt-vaststellingsovereenkomst-met-vlisco-door-merk-en-auteursrechtinbreuken

Rb. Oost-Brabant 4 maart 2026, IEF 23759; ECLI:NL:RBOBR:2026:1554 (Vlisco tegen Sonna). Vlisco en stoffenhandelaar Sonna sluiten op 1 februari 2024 een vaststellingsovereenkomst om een eerder geschil over inbreuken op de IE-rechten van Vlisco te beëindigen. Sonna verplicht zich daarin onder meer om geen inbreuk te maken op de merken, auteursrechten en modelrechten van Vlisco en om bepaalde inbreukmakende producten te vernietigen. Daarna constateert Vlisco verschillende nieuwe overtredingen. De rechtbank oordeelt onder meer dat de aanduiding SUPER WAX op voor Sonna bestemde stoffen verwarringwekkend overeenstemt met Vlisco’s Uniewoordmerk SUPER-WAX. Ook bepaalde logo’s op de stoffen stemmen verwarringwekkend overeen met een beeldmerk van Vlisco. Voor de afzonderlijke labels geldt dat niet, omdat daarbij volgens de rechtbank meer verschillen dan overeenkomsten bestaan en het verwarringsgevaar gering is. Daarnaast genieten verschillende Vlisco-dessins auteursrechtelijke bescherming. De door Sonna gebruikte versies van onder meer het parasolbloemendessin en dessin 14-2987 maken daarop inbreuk, omdat de verschillen van ondergeschikte aard zijn en de totaalindruk overeenstemt. Ook bij een proefaankoop stelt de rechtbank zowel een merkinbreuk als een auteursrechtinbreuk vast. Verder levert het online tonen van beschermde dessins en het gebruik van de tekens SUPER WAX, SUPERWAX, Superwax en Grand Superwax op de website van Sonna schendingen van de vaststellingsovereenkomst op. Niet alle verwijten van Vlisco slagen. Zo kan de rechtbank op basis van het beschikbare beeldmateriaal niet vaststellen dat een jurk met een stoelendessin auteursrechtinbreuk maakt. Ook leveren de door Vlisco als misleidend aangemerkte aanduidingen op de door de douane tegengehouden stoffen binnen de specifieke afspraken van de vaststellingsovereenkomst geen schending op.

IEF 23750

HvJ EU laat hogere voorziening over aanvullende bewijsstukken bij EUIPO niet toe

HvJ EU 11 sep 2025, IEF 23750; ECLI:EU:C:2025:725 (ADS L. Kowalik, B. Włodarczyk sc tegen EUIPO), https://ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-laat-hogere-voorziening-over-aanvullende-bewijsstukken-bij-euipo-niet-toe

HvJ EU 11 september 2025, IEF 23750; ECLI:EU:C:2025:725 (ADS L. Kowalik, B. Włodarczyk tegen EUIPO). ADS L. Kowalik, B. Włodarczyk verzoekt om toelating van haar hogere voorziening tegen het arrest van het Gerecht van 15 januari 2025 in een nietigheidsprocedure betreffende een Gemeenschapsmodel voor een accessoire voor een draadloze afstandsbediening. Het geschil betreft met name de voorwaarden waaronder een kamer van beroep van het EUIPO rekening kan houden met feiten en bewijsstukken die voor het eerst voor die kamer worden aangevoerd. Volgens ADS heeft het Gerecht onder meer artikel 27 leden 2 en 4 van Gedelegeerde Verordening 2018/625, gelezen in samenhang met bepalingen van Verordening 6/2002, onjuist uitgelegd. Ook zou de uitleg van het Gerecht onverenigbaar zijn met het beginsel van behoorlijk bestuur, waaronder het recht om te worden gehoord en het beginsel van equality of arms, zoals beschermd door artikel 41 lid 1 Handvest. Daarnaast voert ADS aan dat het Gerecht de inhoud van beslissingen van de nietigheidsafdeling en de kamer van beroep heeft verdraaid. Volgens ADS zijn deze kwesties van belang voor de beslissingspraktijk van het EUIPO en voor de omvang van de bevoegdheden van de kamers van beroep.

IEF 23735

Uitspraak ingezonden door Alexander Heirwegh en Dieter Delarue, Co & Delarue. 

La Mer-, Mirante- en Penida-meubels maken inbreuk of dreigen inbreuk te maken op model- en auteursrechten van Tribù

Belgische gerechten 6 aug 2026, IEF 23735; (Tribù tegen [verweersters]), https://ie-forum.nl/artikelen/la-mer-mirante-en-penida-meubels-maken-inbreuk-of-dreigen-inbreuk-te-maken-op-model-en-auteursrechten-van-tribu

Ondernemingsrechtbank Brussel 22 juli 2026, IEF 23735; IEFbe 4271; A/25/02427; A/25/03798 (Tribù tegen [verweersters]). In deze samengevoegde zaken stelt Tribù, een Belgische onderneming die actief is in het ontwerp, de productie en de commercialisering van outdoor designmeubilair, dat twee Griekse vennootschappen via een website en commerciële documentatie de La Mer plus sofa, La Mer sofa, La Mer plus lounge armchair, La Mer sunlounger, Mirante dining armchair en Penida armchair afbeelden en aanbieden. Volgens Tribù maken deze meubels inbreuk op vier ingeschreven Uniemodellen en een internationaal model dat in de Europese Unie bescherming geniet, alsmede op haar auteursrechten op de Tosca sofa, Tosca lounge chair, Tosca lounger, Amanu dining chair en Suro armchair. Tribù vordert onder meer vaststelling en staking van de modelrechtelijke en auteursrechtelijke inbreuken, oplegging van een dwangsom en verstrekking van informatie over de herkomst en verhandeling van de aangevochten meubels. Verweersters betwisten onder meer de internationale bevoegdheid van de Belgische rechter, de geldigheid en beschermingsomvang van de ingeroepen modellen, de auteursrechtelijke bescherming, de gestelde inbreuken en het procesbelang van Tribù ten aanzien van enkele inmiddels offline gehaalde meubels. Zij beroepen zich voor de La Mer sunlounger tevens op een verklaring uit 2019. In reconventie vorderen zij nietigverklaring van de modelregistraties, staking van een beweerdelijk misleidende marktpraktijk door Tribù en schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding.